heiligmaanden, of op geheiligde plaatsen, is het u veroorloofd,
vergelding te nemen in die zelfde maanden en op die zelfde plaatsen.
[205] Dit beteekent: Werkt niet mede tot uw eigen verderf, door uwe
medewerking te weigeren in de oorlogen tegen ongeloovigen, en gedoogt
daardoor niet dat deze krachtig worden.
[206] De bedevaart elhadjdj moet in de drie maanden chewwal,
dhoehl-kade en dhoel-kidjdjeh verricht worden, en om die mede te
maken, moet men zich met een bedevaartgangersmantel kleeden, zich
van de jacht en de vrouwen onthouden, zich het hoofd niet scheren,
enz. Dit scheren was een teeken, dat ze hunne geloften vervuld en al
de ceremoniÎn van den pelgrimstocht hadden gevierd. Het bezoek aan
den tempel elomra eischt deze plechtigheden niet.
[207] Dat is drie dagen vasten, of zes arme lieden voeden.
[208] Zie de noot 3 op deze bladz.
[209] Naar het gevoelen van de uitleggers beteekenen deze woorden:
Het is u veroorloofd, de vermeerdering van uwe bezitting door
den koophandel te beproeven, zelfs gedurende den tijd dat gij als
bedevaartgangers te Mekka komt. De afgodendienende Arabieren, die
mede den pelgrimstocht naar Mekka volbrachten, dreven handel op de
nabij gelegen markten van Okadh, Medjionna, enz. Sedert de komst van
Mahomet onthielden de Muzelmannen zich gedurende den pelgrimstocht
van den handel, vreezende dat zij daardoor zouden zondigen. Mahomet
veroorloofde het, om velen hunner niet van hun eenig middel van
bestaan te berooven.
[210] Een berg nabij Mekka, aldus genaamd omdat Mahomet hier zijne
vrouw aantrof en haar na eene lange scheiding bekende (zie noot op
vers 34 van de 2e soera). Anderen zeggen, dat GabriÎl, nadat hij
Abraham met al de heilige ceremoniÎn had bekend gemaakt, naar dien
berg kwam. Mahomet vroeg, of hij de ceremoniÎn kende, die hij hem
had getoond, waarop Abraham bevestigend antwoordde; sinds dien tijd
wordt die berg aldus genoemd (Al Hasan).
[211] Al Masher al haram. Omtrent dien berg wordt ook gezegd, dat,
toen Mahomet zich eens daarop had begeven om te bidden, zijn gezicht
met stralen werd omgeven. (Jallalo'ddin.) Bobovius noemt hem Forkh
(de Peregr. Meccana, bladz. 15) hoewel de ware naam Kazah schijnt te
zijn. De verandering in eerstgenoemden naam moet alleen aan verschil
van punctuatie der Arabische letters worden toegeschreven.
[212] Want hij zal alle schepselen in een halven dag
richten. (Jallalo'ddin.)
[213] De eigenlijke woorden zijn: Herinnert u God. Deze woorden
kunnen nu eens in een algemeenen zin opgenomen worden, dan weder,
in dien van: Herinnert den naam van God, bidt God, doet godvruchtige
daden. De samenhang moet den zin bepalen.
[214] De hier bedoelde persoon is Akhnas Ebn ShoraÔk, die zwoer in
Mahomet te gelooven, en voorgaf een zijner vrienden te zijn. Maar
God openbaarde hier den profeet der huichelarij en goddeloosheid van
dien persoon.
[215] De persoon die hier bedoeld wordt, is zekere Soheib, die,
door de afgodendienaars van Mekka vervolgd, naar Medina vluchtte
om Mahomet op te zoeken, terwijl hij al zijne bezittingen in handen
zijner vervolgers liet.
[216] Onder dien naam zijn alle soorten van sterke en bedwelmende
dranken begrepen.
[217] Het oorspronkelijke woord al Meiser beteekent eigenlijk een
bijzonder spel, dat met pijlen wordt gespeeld, en hetwelk bij de
heidensche Arabieren veel in gebruik was. Maar door gelukspel moeten
hier verstaan worden alle spelen, welke ook, die aan kans of toeval
(hazard) onderworpen zijn, zooals dobbelsteenen, kaarten, enz.
[218] Door deze woorden veronderstellen sommigen, dat alleen het
buitensporig drinken en dikwijls spelen verboden is (Jallalo'ddin
en Al Zamakhshari). Zij denken mede, dat het matig gebruik van wijn
veroorloofd is door vers 69 van de 16e soera. De meer algemeene
meening is, dat zoowel het drinken van wijn of andere sterke dranken,
in welke hoeveelheid ook, als het spelen van een of ander kansspel,
volstrekt verboden is.
[219] Dat is: indien gij een sterken afkeer van uwe vrouw hebt,
is het beter u van haar te scheiden dan God te lasteren, door haar
slecht te behandelen en onrechtvaardig te zijn.
[220] Eigenlijk zuiverder en reiner.
[221] Zijnde gedurende die vier maanden en tien dagen.
[222] Een der uitleggers (Yahya) verklaart dit uit eene overlevering
van Mahomet, wien men vroeg, welk gebed het middengebed was, waarop
hij antwoordde: Het avondgebed door den profeet Salomo ingesteld. Een
ander (Jallalo'ddin) geeft daaraan een meer ruime beteekenis en
veronderstelt, dat dit ÈÈn der gebeden is, zonder bepaald op te
geven welk.
[223] Dit waren, volgens de uitleggers die het minste rekenen 3,000,
en volgens hen die het hoogst telden 70,000 Joden, die, Úf om de
pest, Úf om de deelname aan den oorlog tegen de ongeloovigen te
ontvluchten, hun land hadden verlaten. Om hen te straffen, deed
God hen sterven. Toen de profeet EzechiÎl hen later in eene vallei
zag liggen, waar zij reeds tot verrotting waren overgegaan, begon
hij te schreien en wekte hen op, nadat God hem had gezegd, dat hij
hun het leven wilde teruggeven. Zij leefden nog een aantal jaren,
maar zij behielden de kleur en reuk van lijken gedurende hun geheele
leven, en hunne kleederen werden zwart als pek, hetwelk nog in hunne
nakomelingschap plaats had (Jallalo'ddin, Yahya, Abulfeda, enz.) Dit
verhaal schijnt aan EzechiÎl (XXXVII : 1-10) te zijn ontleend.
[224] Saul.
[225] Volgens sommigen werd deze ark uit den hemel aan Adam gezonden,
en kwam zij later tot de IsraÎlieten, die er groot vertrouwen in
stelden, en haar steeds aan het hoofd van hun leger voerden, tot
zij door de Amalekieten werd genomen. Zij bevatte de schoenen en den
staf van Mozes, den mijter van A‰ron, eene vaas met manna gevuld en
de brokstukken van de twee wettafelen.
[226] Het getal dergenen die uit hunne handen dronken was omstreeks 313
(Jallalo'ddin). Het schijnt dat Mahomet hier Saul met Gidion verwart,
die ten gevolge van Gods bevel alleen hen mede ten strijde tegen de
Midianieten voerde, die water uit hunne handen lepten en wier getal
300 bedroeg. (Rigteren VII).
[227] Goliath.
[228] Het boek der psalmen. Mahomet erkent slechts vier goddelijke
boeken, als: de Pentateuchus, de Psalmen, het Evangelie en de
Koran. De andere boeken aan de profeten gezonden, zijn, volgens hem,
verloren gegaan.
[229] Zie de noot op Soera II, v. 81.
[230] Die regelen worden terecht door de Mahomedanen bewonderd, welke
deze in hunne gebeden opzeggen. Sommigen van hen dragen een agaat of
ander edelgesteente bij zich, waarop deze plaats is gegraveerd. Zij
noemen het Troonvers.
[231] Door dit woord (Arab. coris) wordt de troon der rechtvaardigheid,
de rechterstoel Gods verstaan; Al'Arch is de troon der goddelijke
majesteit, en daarboven geplaatst.
[232] Deze plaats doelt op de eerste volgers van Mahomet, die hunne
kinderen, welke afgodendienaars of Joden waren, wilde dwingen het
Mahomedanisme te omhelzen.
[233] Dit is eigenlijk de naam van elken afgod, maar vooral van de
twee afgodsbeelden All‚t en al Uzza der bewoners van Mekka. Het is
ook de duivel of een verleider.
[234] Nimrod.
[235] De persoon hier bedoeld, was OzaÔr, Ezra of Esdras, die, toen
hij op een ezel door de ruÔnen van Jeruzalem reed, nadat die stad
door de Chaldeeuwen was verwoest, het betwijfelde, dat God die stad
weder zou kunnen opbouwen; waarop God hem deed sterven. Hij bleef 100
jaren in dien toestand. Na verloop van dien tijd riep God hem in het
leven terug, en hij vond een mandje onbedorven vijgen en een kruikje
met onverschaalden wijn bij zich, die niet in het minst bedorven was;
maar zijn ezel was dood; slechts de beenderen bewogen zich, en deze
rezen op en werden met vleesch bedekt. Het geraamte werd weder een
levende ezel en begon onmiddellijk te balken. Dit verhaal schijnt
zijn oorsprong te hebben in Nehemia II : 12 enz.
[236] Men zegt dat Abraham deze vraag zou hebben gedaan, ten gevolge
van eene twijfeling, door een satan in menschelijken vorm in hem
gebracht, met de vraag: hoe het mogelijk was, dat de verschillende
deelen van het lichaam eens mans, dat op het strand der zee lag
en gedeeltelijk door de wilde dieren, de vogels en de visschen was
verscheurd, op den dag der opstanding te zamen zouden kunnen gebracht
worden (d'Herbelot, blz. 13).
[237] Volgens de uitleggers waren deze vogelen: een arend (of
volgens anderen eene duif), een pauw, eene raaf en een haan. Dit
schijnt ontleend te zijn aan het offer van Abraham, door Mozes
verhaald. (Gen. XV : 9).
[238] Dat is; Hetzij door den persoon verwijtingen te doen, dien gij
hebt geholpen, of zijn armoede tot zijn nadeel bekend te maken.
[239] Deze tuin is een zinnebeeld van aalmoezen, die uit huichelarij
worden gegeven, of met verwijtingen verzeld: deze zullen verloren
gaan en den gever hier namaals niet van dienst zijn (Jallalo'ddin).
[240] Dat is: Satan raadt u af, edelmoedig te zijn, door u de armoede
te doen vreezen die het gevolg uwer onbekrompenheid zou zijn.
[241] Dat is: om eene belooning hier namaals, en niet om een wereldsch
loon.
[242] Dat is: aan hunne nederige houding en versleten kleederen.
[243] Dat is: Doe geheel afstand van hetgeen uwe schuldenaars u als
intrest schuldig zijn.
[244] Hij, die zijne zaken waarneemt; hetzij zijn vader, erfgenaam,
voogd of tolk.
[245] Deze plaats is in tegenspraak met vers 254 van deze soera,
even als met den zin van verschillende verzen der 19e soera.
[246] Hiermede worden, gelijk de uitleggers zeggen, de Joden bedoeld
en de verschillende bevelen hun gegeven.
[247] Zie hierna de noot van vers 30.
[248] Zie de noot van het 1e vers, vorige soera.
[249] De onderscheiding is een der titels van den Koran, omdat die
leert, het goede van het kwade, het geoorloofde van het ongeoorloofde
te onderscheiden.
[250] Men onderscheide hier wel de beteekenis der woorden: grondzuilen
(of moeder) des boeks, hier in den zin van grondslag gebruikt, van die
des anderen, wordende het eene op het eerste hoofdstuk van den Koran,
het tweede op den prototype van den Koran toegepast, die in den Hemel
bewaard en ook het duidelijke boek genoemd wordt.
[251] Het woord ahl, dat gewoonlijk door huisgezin wordt vertaald,
beteekent, in meer algemeenen zin gebruikt, volk, aanhangers van,
of lieden van.
[252] Het teeken of mirakel, hier bedoeld, was de overwinning, in
het tweede jaar der Hedjira, door Mahomet behaald op de heidensche
bewoners van Mekka, die door Aboe Sofian werden aangevoerd, en
welke in de vallei Bedr plaats had, die gelegen is nabij de zee
tusschen Mekka en Medina. Mahomets strijdkrachten bestonden slechts
uit 319 man, terwijl het leger van den vijand bijna 1000 man sterk
was. Niettegenstaande dit verschil, noodzaakte hij hen te vluchten,
nadat hij zeventig der voornaamste KoreÔshieten gedood en verscheidene
gevangen gemaakt had, met een verlies van slechts veertien man van zijn
eigen volk. (Elmacin, Hottinger, Hist. OriÎnt. Ab¸lfed, Vit. Moham,
enz.). Dit was de eerste overwinning die door den profeet werd behaald,
en hoewel het geene zeer belangrijke gebeurtenis moge schijnen, toch
was het een groot voordeel voor hem en voor de grondvesting van al
zijn volgende macht en geluk. Daarom is deze gebeurtenis beroemd in
de Arabische geschiedenis en meer dan eens in den Koran vermeld. (Zie
lager in deze soera en de soeras 8 en 32) en als een gevolg van de
goddelijke hulp aangehaald. Het genoemde mirakel bestaat naar men zegt
uit drie zaken: 1∫. Mahomet nam op order van GabriÎl, eene handvol
zand en wierp het, tijdens den aanval, naar den vijand, zeggende:
Mogen hunne aangezichten beschaamd worden, waarop zij onmiddellijk
vluchtten. Maar hoewel de profeet zelf waarschijnlijk met het zand
wierp, wordt toch in den Koran (8e Soera voorste ged.) gezegd, dat
God daarmede zou hebben geworpen; dat is, door tusschenkomst van
zijnen engel. 2∫. De Mahomedanen rekenden de ongeloovigen twee maal
sterker te zijn dan zij, hetwelk hen zeer ontmoedigde, en 3∫. God zond
eerst duizend engelen te hunner hulp en daarna drie duizend engelen,
aangevoerd door GabriÎl, die op zijn paard HaÔz˚m was gezeten; en
volgens den Koran (8e Soera) werd dit alles door de hemelsche helpers
uitgevoerd, hoewel de Mahomedanen zich verbeeldden het zelven te doen,
en dus op hetzelfde oogenblik dapper vochten
[253] Eigenlijk gemerkte paarden, zijnde de edele paarden, die men
met zorg bewaart en van het naamcijfer des bezitters voorziet.
[254] Hiermede worden de heidensche Arabieren bedoeld, die geene kennis
der schriften hebben (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Het Arabische woord
is hier echter niet datgene waarvan de Koran zich gewoonlijk bedient,
waar hij over afgodendienaars spreekt. Het is het woord ommin, lieden
van het volk. Het woord ommi (enkelvoudig) ongeletterde, wordt echter
ook op Mahomet toegepast.
[255] De Joden.
[256] Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat Mahomet twist
had met eenige Joden, hetgeen door de uitleggers op verschillende
wijze wordt verhaald. Al Beid‚wi zegt, dat, toen Mahomet eens in eene
synagoge ging, NaÔm Ebn Amroe en Al Hareth Ebn Zeid hem vroegen, van
welken godsdienst hij was. Hij antwoordde: van Abrahams godsdienst. Zij
hernamen, Abraham was een jood, maar op Mahomets voorstel, dat de
Pentateuchus het geschil zou beslechten, wilden zij op geenerlei wijze
daarin toestemmen. Jallalo'ddin verhaalt, dat twee Joden overspel
hadden bedreven, waarop Mahomet hen veroordeelde om ingevolge de
wet van Mozes, gesteenigd te worden. De Joden weigerden dit uit te
voeren, zeggende, dat er geen dergelijk verbod in den Pentateuchus
was, maar toen Mahomet dat boek tot getuige riep, werd die wet er
in gevonden. Daarna werden de misdadigers gesteenigd. Het is zeer
opmerkelijk, dat deze wet van Mozes betreffende het steenigen van
overspeligen in het Nieuwe Testament (Joh. VIII : 5) is vermeld
hoewel sommigen de echtheid dier geheele plaats betwisten, doch
nu is het noch in de Hebreeuwsche of Samaritaansche Pentateuchus,
noch in de Septuaginta te vinden, daar er slechts wordt gezegd, dat
die ter dood gebracht zullen worden (Lev. XX : 10. Zie ook Whistons,
Essay towards restoring the true Text of the Old Testament, bladz. 99
en 100). Op deze bijzonderheid wordt door de Mahomedanen aanhoudend
gewezen als een bewijs van de verminking der wet van Mozes door de
Joden. Het is mede opmerkelijk, dat er eens een vers in den Koran
bestond, waarin geboden werd de overspeligen te steenigen, en dat de
uitleggers zeiden, dat de woorden slechts waren afgeschaft, hoewel
de zin of wet van kracht bleef.
[257] Zie de tweede Soera, vers 74.
[258] Imran, Amran of Imram is volgens de Mahomedaansche overlevering,
den naam van twee verschillende personen. De een was de vader van
Mozes en A‰ron, en de ander was de vader van Maria (Al Zamakhshari,
Al Beid‚wi) welke bij sommige christen-schrijvers Joachim wordt
genoemd. De uitleggers veronderstellen, dat de eerste, of eigenlijk
dat beide op deze plaats bedoeld worden, hoewel men aanneemt, dat de
persoon op de volgende plaats bedoeld, laatstgenoemde was, die behalve
Maria, de moeder van Jezus, ook een zoon had, welke A‰ron werd genaamd
(Koran 19e soera) en eene zuster Ish‡ of Elisabeth, die met Zacharias
huwde en de moeder was van Johannes den Dooper; weshalve deze profeet
en Jezus gewoonlijk door de Mahomedanen De twee zonen der tante,
of de neven worden genoemd. Hier verwart de Koran Maria de moeder
van Jezus met Maria of Mirjam, de zuster van Mozes en A‰ron, hoewel
het uit andere plaatsen van den Koran duidelijk blijkt dat Mahomet
wel degelijk wist, dat Mozes verscheidene eeuwen voor Christus leefde.
[259] De persoon Imram, hier bedoeld, was de vader van Maria; de naam
zijner vrouw was Hannah of Anna, de dochter van Fakudh.
[260] Dit is: dat een meisje geene priesterlijke diensten kon
verrichten, evenals een knaap.
[261] Deze uitdrukking staat in verband met eene overlevering,
dat Abraham, toen de duivel hem beproefde, God niet te gehoorzamen,
door zijn' zoon niet te offeren, den boozen geest verdreef, door met
steenen naar hem te werpen. Tot aandenken dezer gebeurtenis werpen
de Mahomedanen, bij den pelgrimstocht naar Mekka, in de vallei van
Mina een aantal steenen, met zekere ceremoniÎn naar den duivel.
[262] Ofschoon het kind geen jongen was, bood heur moeder haar toch den
priesters aan, die met het opzicht in den tempel belast waren, als eene
aan God gewijde. Nadat zij haar hadden ontvangen, werd zij aan de zorg
van Zacharias toevertrouwd, die haar een vertrek in den tempel bouwde
en haar van het noodige voorzag. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.)
[263] De uitleggers zeggen, dat niemand in Maria's vertrek
mocht komen behalve Zacharias, en dat hij zeven deuren achter
haar sloot. Desniettegenstaande vond hij haar in den winter van
zomervruchten en in den zomer van wintervruchten voorzien.
[264] Dat is Jezus, die volgens een der uitleggers (Al Beid‚wi),
zoo werd genoemd, omdat hij, door bevel van God, zonder vader
ontvangen was.
[265] Het oorspronkelijke beteekent iemand, die zich niet alleen
aan de vrouwen, maar ook aan alle andere genoegens en begeerten
zal onttrekken.
[266] Zacharias was toen negenennegentig jaar oud, en zijne vrouw
negenentachtig. (Al Beid‚wi). Vergelijk de voorzegging aan Abraham
(Gen. XVII : 17).
[267] Zijn aangezicht ter aarde doen bukken en de knie buigen,
geschiedt bij het gebed der Muzelmannen. Mahomet schijnt deze
uitdrukking hier opzettelijk te bezigen, om zijne leer vast te hechten
aan die der rechtvaardigen van het Oude Testament.
[268] Toen Maria voor het eerst in den tempel werd gebracht, twistten
zij onder elkander, omdat zij de dochter van een hunner opperhoofden
was, wie met hare opvoeding zou belast worden. Zacharias stond er op,
dat hij de voorkeur zou hebben, dewijl hij met hare tante getrouwd
was, maar de anderen stemden daarin niet toe. Zij kwamen toen overeen,
dat het lot tusschen hen zou beslissen, waarop zevenentwintig naar de
rivier de Jordaan gingen en hunne roeden er in wierpen, waarop zij
eenige plaatsen der wet hadden geschreven; alle zonken zij, behalve
die van Zacharias, die op het water dreef. Daarop werd hem de zorg
over het kind toevertrouwd. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.)
[269] Behalve het verhaal hiervan gegeven door de Koran (19e soera),
geeft een Mahomedaansch schrijver (die echter niet veel gezag heeft)
twee verhalen; een, dat Jezus sprak, terwijl hij nog in het lichaam
zijner moeder besloten was, om haren neef Joseph te bestraffen,
over de onrechtvaardige verdenking, die hij van haar voedde (Sikii,
notas in Evang. Infant, pag. 5) en een ander sprookje, dat hij aan
denzelfden persoon een antwoord zou hebben gegeven, kort nadat hij
geboren was. Want Joseph, die door Zacharias was uitgezonden, om
Maria op te zoeken, welke de stad bij nacht had verlaten, om hare
bevalling te verbergen, begon haar te onderhouden toen hij haar had
gevonden; maar ze gaf geen antwoord, waarop het kind zeide: Verheug
u, o Jozef! en wees tevreden; want God heeft mij voortgebracht uit de
duisternis van het moederlijf, voor het licht der wereld, en ik zal tot
de kinderen IsraÎls gaan en hen noodigen tot gehoorzaamheid aan God (Al
Kessai). Dit schijnt geheel ontleend te zijn aan de vele fabelachtige
overleveringen der oostersche Christenen, waarvan eene tot ons is
gekomen in het aprocryphe evangelie van de kindsheid van Christus,
waar wij vinden, dat Jezus sprak, tijdens hij nog in zijne wieg lag,
en tot zijne moeder zeide: Waarlijk ik ben Jezus, de zoon van God,
wiens woord gij hebt voorgebracht, zooals de engel GabriÎl u heeft
verklaard: en mijn vader heeft mij gezonden om de wereld te redden.
[270] Sommigen zeggen dat het eene vledermuis was (Jallalo'ddin);
maar anderen veronderstellen, dat Jezus vele vogels van verschillende
soorten maakte. Deze omstandigheid is mede ontleend aan de volgende
fabelachtige overlevering, welke in het bovengenoemde apocryphe
evangelie is te vinden. Toen Jezus zeven jaar oud was, speelde hij met
eenige kinderen van zijnen ouderdom; zij maakten uit klei verschillende
vormen van vogels en andere dieren, om zich te vermaken en ieder gaf
zijn eigen werk de voorkeur. Jezus vertelde hun, dat hij die wilde doen
loopen en springen, hetwelk zij op zijn bevel ook deden. Hij maakte
ook vele figuren van menschen en andere vogels, die weg vlogen, of op
zijne handen bleven staan, al naar hij het hun beval en ook aten en
dronken, als hij hun spijs en drank aanbood. De kinderen vertelden dit
aan hunne ouders, die hun verboden, nimmer meer met Jezus te spelen,
dien zij voor een toovenaar hielden. (Evang. Infant. pag. 111 enz.).
[271] Jallalo'ddin vermeldt drie personen, welke Christus in het
leven terug bracht, en die onderscheiden jaren daarna nog leefden en
kinderen hadden, zijnde: Lazarus, de zoon der weduwe, en de dochter van
den herbergier (waarschijnlijk van het opperhoofd der synagoge). Hij
voegt er bij, dat hij ook Sem, den zoon van Noach, heeft opgewekt,
die, zoo als een ander (Al Thalabi) schrijft, dacht, dat hij ten
oordeel werd geroepen, en met een half grijs hoofd uit zijn graf kwam,
ofschoon de menschen in zijne dagen niet grijs werden. Daarna stierf
hij onmiddellijk weder.
[272] Hier staat in den tekst: inni motewafika. Dit woord wordt
gebruikt in de beteekenis van den dood te doen ondergaan, sprekende
van God, die de menschen oproept en tot zich ontvangt, bij het
einde van hun leven. De uitleggers, door deze plaats, welke in
tegenspraak is met de meening dat Jezus niet gestorven is, maar dat
God een ander in zijne plaats stelde, in verlegenheid gebracht,
denken dat dit woord, hoewel het eerste in den tekst geplaatst,
echter, wat den zin betreft, de andere in deze orde moet volgen:
Ik zal u tot mij opheffen, en aan het einde zal ik u geheel als de
andere menschen doen sterven. Eenige verklaarders gelooven, dat Jezus
werkelijk gestorven is voor zijne hemelvaart, en wel gedurende drie
uren, en dat hij niet is gekruisigd. Overigens wordt deze plaats op
verschillende wijze verklaard.
[273] Enige Mahomedanen zeggen, dat dit door tusschenkomst van GabriÎl
geschiedde; maar anderen zijn van meening, dat een sterke dwarrelwind
hem van den berg Oljvet opnam (Althalabi, zie ook 2 Koningen II :
1 en 11).
[274] Namelijk omtrent Jezus.
[275] Om deze plaats te verklaren, wordt door de uitleggers het
volgende verhaald: Verschillende Christenen kwamen met hunnen bisschop,
Abn Hareth genaamd, tot Mahomet, als afgezanten van de bewoners van
Najran of Nedjran (land van ArabiÎ), en vingen aan met hem te twisten
over godsdienst en de geschiedenis van Jezus. Zij stemden er eindelijk
in toe, de genoemde zaak den volgenden ochtend te behandelen, als een
korte weg om te beslissen, wie van hen in het ongelijk was. Mahomet
bracht zijne dochter Fatima, zijn schoonzoon Ali en zijn beide
kleinzonen Hassan en Hoessein mede, en hij verzocht de Christenen te
wachten, tot hij zou hebben gebeden. Maar toen zij hem zagen knielen,
ontbrak hun de moed, en dorsten zij het niet wagen, hem te vloeken,
maar onderwierpen zich aan hem (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze plaats
wordt mobaheleh genoemd en is van groot gewicht bij alle Muzelmannen,
maar meer bijzonder bij de Chiiten (volgelingen van Ali), omdat
Mahomet, die Fatima, Ali, Hassan en Hoessein had medegebracht, de
woorden gebruikt: onze zielen en de uwe, hetgeen ten bewijze strekt
voor de innige verbinding en ondeelbaarheid van Mahomet en zijn gezin.
[276] Behalve van andere afgodische daden beschuldigt Mahomet de
Joden en Christenen, dat zij een al te blind geloof schenken aan
hunne priesters en monniken, welke zich de macht hebben toegeÎigend,
uit te maken, welke zaken wettig en welke onwettig zijn, en van het
volgen van Gods wetten te ontslaan.
[277] Hier worden de Joden en Christenen andermaal beschuldigd, de
schriften te hebben vervalscht en de profetiÎn omtrent Mahomet te
hebben verduisterd.