hardnekkig geweigerd hebben, de wet te ontvangen, en zou God, om hen
te verschrikken, den berg SinaÔ van zijne wortelen losgescheurd en
boven hun hoofd gehouden hebben.
[138] De legende, waarop deze plaats betrekking heeft, is de volgende:
in de dagen van David, woonden verschillende IsraÎlieten in de stad
Ailah of Elath, aan den Roode zee, waar de visschen gewoon waren op
den avond van den sabbath in grooten getale aan den oever te komen:
zij bleven daar gedurende den sabbath, om hen te verleiden, en den
daarop volgenden nacht keerden zij naar de zee terug. Na eenigen tijd
verwaarloosden eenige inwoners Gods bevel, en vingen visch gedurende
den sabbath; zij groeven later kanalen naar zee, opdat de visschen
zouden kunnen binnenkomen, en voorzagen die van sluizen, die zij
gedurende den sabbath schutteden, om den terugkeer der visschen naar de
zee te beletten. Het overige gedeelde van de inwoners, die den sabbath
streng vierden, gebruikte overreding en kracht om deze goddeloosheid
tegen te gaan, maar zonder gevolg: de zondaren vermeerderden slechts
en werden hardnekkiger, waarop David de sabbathschenders vloekte en
God hen in apen veranderde. Men zegt, dat iemand, die naar zijn vriend
ging zien, welke onder hen was, hem in de gedaante van een aap vond,
wild met zijne oogen rondwarende, en toen vroeg of hij niet een zulk
was. De aap maakte een teeken met zijn hoofd, dat hij dit was, waarop
de andere tot hem zeide: Heb ik u niet geraden af te laten, waarop
de aap schreide. De Mahomedanen voegen er bij, dat dit ongelukkige
volk drie dagen in dien staat bleef, daarna verstrooid, (Abul'feda)
en door een storm in de zee gedreven werd.
[139] De Joden hadden Mozes gevraagd, een moordenaar te ontdekken. Hoe
daartoe te geraken? Mozes gebood eene koe te slachten, hetwelk
oppervlakkig in geen verband stond met den moord. Zie hier hoe deze
overlevering luidt: Een zeker man liet bij zijnen dood aan zijnen zoon,
toen nog een kind, een koekalf na, hetwelk in de woestijn rondzwierf,
tot het op zekeren ouderdom was gekomen, toen de moeder den zoon
verhaalde, dat de vaars hem toebehoorde, en hem bad haar te gaan
halen en voor drie goudstukken te verkoopen. Toen de jongeling met
zijne vaars op de markt kwam, hield hem een engel staande, die in
een gedaante van een mensch was en bood hem zes goudstukken voor het
dier, doch hij wilde het geld niet aannemen, zonder de toestemming
zijner moeder te hebben gevraagd. Toen hij die had verkregen, keerde
hij naar de markt terug, en ontmoette den engel, die hem thans het
dubbele voor het dier bood, mits hij daarvan niets aan zijne moeder
zeide; maar de jongeling sloeg het aanbod af, ging heen en maakte
zijne moeder met dit aanbod bekend. De vrouw bespeurde dat het een
engel was, bad haren zoon terug te keeren en hem te vragen, wat men
met het kalf moest doen; waarop de engel den jongeling vertelde, dat
binnen korten tijd de kinderen IsraÎls het dier tot elken prijs zouden
willen koopen. Spoedig hierna geschiedde het dat een IsraÎliet, Hammiel
genaamd, door een zijner verwanten was gedood, die om ontdekking te
voorkomen, het lijk naar eene plaats had vervoerd, welke aanmerkelijk
was verwijderd van de plaats waar de moord was geschied. De vrienden
van den verslagene beschuldigden verschillende andere personen bij
Mozes van den moord; maar de beschuldigden loochenden de daad, en
daar er geen bewijs was om hen te overtuigen, gebood God eene koe,
met die en die bijzondere kenteekenen, te dooden, maar aangezien er
geene andere was, welke aan de beschrijving voldeed, dan het kalf van
den wees, waren zij verplicht het dier te koopen voor zooveel geld
als de eigenaar verlangde: volgens sommigen was dat voor het gewicht
van het dier aan goud, en volgens anderen tien maal zooveel. Toen het
dier geofferd was, en het lijk van den man, volgens het goddelijke
gebod, met een gedeelte er van gestreken was, herleefde het: de man
stond op, noemde den persoon die hem had gedood, waarop hij dadelijk
weder dood nederviel. (Abul'feda). De geheele geschiedenis schijnt
te zijn ontleend aan die van de roode vaars welke volgens het gebod
der wet, door de Joden moest worden gedood, en waarvan de asch moest
worden bewaard, om degenen te reinigen die een dood lichaam hadden
aangeraakt (Num. XIX), en aan dat van de vaars, welke geslacht moest
worden tot boete van een moordenaar, van wiens daad men niet zeker was
(Deuteron. XXI, 1-9).
[140] Om den buitengemeenen prijs dien zij genoodzaakt waren voor de
vaars te betalen.
[141] Zijnde haar tong, of het eind van haren staart.
[142] Volgens eenigen te strijken.
[143] Hier beschuldigt Mahomet de Joden weder, de afschriften der
gewijde boeken te veranderen, met het doel om er alle plaatsen uit
te verwijderen, waarin de zending van den Arabischen profeet werd
voorspeld.
[144] Volgens een der schrijvers (Jallalo'ddin) is dit veertig;
aangezien het getal der dagen waarop hunne voorvaderen het gouden
kalf dienden, veertig was, na welken tijd naar zijn zeggen, hunne
straf ophoudt.
[145] In dit geval verstaan de uitleggers in het algemeen, onder
slechte daden, veelgodendom of afgodendienarij, welke zonde,
behalve wanneer men haar in dit leven berouwt, naar de meening der
Mahomedanen onvergeefelijk is, en door eeuwige verdoemenis wordt
gestraft. Alle andere zonden zullen, naar hunne meening, na verloop
van tijd vergeven worden. Daarom is dit, naar hunne meening eene
onvergeefbare goddeloosheid, welke in het N.T. de zonde tegen den
Heiligen Geest wordt genoemd.
[146] Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat er herhaalde
twisten waren gerezen tusschen de Joden van de stammen van Koreidha,
en die van Al-Aws, Al-Nadhir en Al-Khasraj, welke zoo hoog liepen,
dat zij naar de wapens grepen, elkanders woonplaatsen vernielden en
elka‚r uit de huizen joegen: maar wanneer er een gevangen genomen
werd, maakten zij hem weder vrij. Toen men hun vroeg, waarom zij
op deze wijze handelden, zeiden zij: Dat hunne wet hun gebood de
gevangenen de vrijheid te hergeven, maar dat zij vochten uit vrees,
dat hunne oversten gering geschat zouden worden (Jallalo'ddin).
[147] Men verbeelde zich niet dat Mahomet hier den heiligen geest
naar christelijke begrippen bedoelt. De uitleggers zeggen: die heilige
geest was de engel GabriÎl, welke Jezus volgde en hem steeds vergezelde
(Jallalo'ddin).
[148] Het is bijna overbodig te zeggen, dat dit beteekent: Onze harten
zijn verstokt, onvatbaar voor de rede.
[149] De Koran.
[150] De Pentateuchus.
[151] Zie Exodus XXXII, 20, Deuteron. IX, 21.
[152] Mahomet maakt hier gevolgtrekkingen uit de ongehoorzaamheid
hunner voorvaderen, die het kalf aanbaden, op denzelfden tijd dat
zij voorgaven in de wet van Mozes te gelooven, en dat het geloof der
Joden in dien tijd ijdel en huichelachtig was, daar zij hem verwierpen,
die daarin werd gezegd een bedrieger te zijn (Jallalo'ddin).
[153] De uitleggers zeggen, dat de Joden vroegen, welke engel het
was die Mahomet de goddelijke openbaringen bracht, en toen men zeide
dat dit GabriÎl was, antwoordden zij, dat die hun vijand was en de
boodschapper van toorn en straf, maar indien het MichaÎl ware geweest,
zouden zij in hem hebben geloofd, omdat die engel hun vriend was,
en de boodschapper van vrede en overvloed. Zij zeggen dat bij die
gelegenheid deze plaats werd geopenbaard (Jallalo'ddin, Al-Zamakh,
Yahya). Dat MichaÎl inderdaad voor den beschermenden of ondersteunenden
engel der Joden gold, weten wij uit de schrift (Dan. XII, 1), terwijl
het schijnt dat GabriÎl, gelijk de Perzianen van hem zeggen, als de
engel van openbaringen werd aangezien, die dikwijls met zendingen van
dien aard werd afgezonden (Dan. VIII, 16 en IX, 21 Lucas 1; 19 26),
om welke reden het waarschijnlijk is, dat Mahomet voorgaf, dat deze
de engel was van wien hij den Koran ontving.
[154] Zijnde de openbaringen van dit boek.
[155] Nadat de duivelen Salomo, met Gods verlof, zonder gevolg in
verzoeking hadden gebracht, maakten zij van een listig bedrog gebruik
om zijnen naam te besmetten. Daarom schreven zij verschillende
tooverboeken, verborgen deze onder den troon van dien vorst en
vertelden de voornaamste lieden na zijnen dood, dat, indien men wilde
weten op welke wijze Salomo zijne onbeperkte macht over menschen,
geesten en de winden had verkregen, men slechts onder zijnen troon
behoefde te zoeken. Toen men dit deed, vond men, de opgenoemde boeken,
die goddelooze bijgeloovigheden bevatten. De beschaafde lieden
weigerden de booze kunsten te leeren, die daarin waren bevat, maar
het lagere gedeelte des volks deed het, en de priesters maakten dit
schandelijk verhaal van Salomo bekend, hetwelk gezag onder de Joden
verkreeg tot God, gelijk de Mahomedanen zeggen, dien koning door den
mond van hunnen profeet zuiverde, met de verklaring, dat Salomo geen
afgodendienaar was (Yahya, Jallalo'ddin).
[156] Sommigen zeggen slechts dat dit twee toovenaars of engelen waren,
door God tot de menschen gezonden om hun de tooverkunst te leeren
en hen in verzoeking te brengen (Jallalo'ddin). Anderen vertellen
eene langere fabel, t.w. dat de engelen hunne verrassing over de
goddeloosheid der zonen van Adam kenbaar maakten, nadat reeds profeten,
met goddelijke opdrachten tot hen waren gezonden; waarop God verzocht,
twee uit hun midden te kiezen, om als rechters op de aarde gezonden te
worden. Hierop kozen zij Haroet en Maroet, die hunnen last gedurende
eenigen tijd met oprechtheid uitvoerden, tot Zohara of de planeet Venus
nederdaalde en voor hen verscheen in de gedaante eener schoone vrouw,
die een klacht tegen haren echtgenoot inbracht (hoewel anderen zeggen
dat het eene werkelijke vrouw was). Zoodra zij haar zagen, werden zij
bekoord en trachtten haar te verleiden, maar zij steeg ten hemel,
waar de engelen mede terugkeerden; doch deze werden daar niet meer
toegelaten. Door de tusschenkomst van zekeren vromen man werd hun de
keuze vergund, of zij in dit, of wel in het volgende leven wilden
gestraft zijn, waarop zij het tegenwoordige kozen. Zij ondergaan
thans hunne straf daarvoor te Babel, waar zij tot den jongsten dag
zullen blijven. Zij voegen er bij, dat indien iemand de tooverkunst
wil leeren, hij tot hen moet gaan om hunne stem te hooren, hoewel men
hen niet kan zien (Yahya, enz.). Dit verhaal is door Mahomet geheel
ontleend aan de Perziaansche magie, die vermeldt dat twee oproerige
engelen van dezelfde namen, thans op het grondgebied van Babel ieder
bij hunnen voet, met hunne hoofden naar beneden (Hyde, cap. 12) hangen.
[157] Deze twee Arabische woorden hebben beide dezelfde beteekenis,
zijnde: Zie op ons, en duiden eene wijze van groeten aan. Mahomet heeft
eene grooten tegenzin van het eerste, omdat de Joden het dikwijls als
eene bespotting gebruikten. Naar het schijnt doelen de uitleggers
daarmede op het Hebr. woord dz`">rv` hetwelk beteekent slecht of
ongelukkig zijn.
[158] Namelijk om God te zien.
[159] Woordelijk vertaald zou dit luiden: tot God met zijn bevel,
of met zijne zaak komt; want het woord amr, hetwelk order of bevel
beteekent, wordt ook dikwijls in den zin van ding, zaak, gebeurtenis
enz. gebruikt. De zaak van God is een duidelijke gebeurtenis, een
daad der voorziening, die het aanzien der dingen verandert.
[160] Dat is: Aan de eenheid van God gelooft (Jallalo'ddin). De
voorafgaande woorden luiden oorspronkelijk: hij die moeslim (muzelman)
zal worden. Dit woord beteekent: aan Gods wil onderworpen zijn; die
zich geheel aan God heeft overgegeven. In het voorbijgaan doen wij
opmerken, dat de Mahomedanen onderscheid maken tusschen moeslim en
moemin (geloovige). Het eerste heeft betrekking tot de uiterlijke
uitoefening, tot de godsdienstige daden door Mahomet ingesteld;
het andere gaat op het levendige en oprechte geloof. De Perzianen
(de Chiiten) willen b.v. in hunnen haat tegen de Turken (Sunniten)
wel erkennen, dat zij moeslimin (muzelmannen) zijn, maar den naam van
moeminin (ware geloovigen) willen zij hun natuurlijk niet toekennen.
[161] Hiermede bedoelt Mahomet de afgodendienende Arabieren, die tot
dien tijd geenerlei openbaring, geen gewijd boek hadden ontvangen,
terwijl de Joden en Christenen de schriften bezaten.
[162] Dit vers wordt weÍrsproken door vers 139 van ditzelfde
hoofdstuk. De tempel van Ka'ba in Mekka is bepaald aangeduid als de
zijde, waarheen de muzelmannen zich bij hun gebed moeten keeren.
[163] Telkenmale als Mahomet de woorden aanhaalt: God heeft een zoon,
kinderen, dochters enz., waarmede hij het geloof der Christenen en
afgodendienende Arabieren bedoelt, voegt hij er het woord sobhanahoe,
door zijne glorie, bij; dat is: die lastering zij verre van zijne
glorie.
[164] Dat is: na de openbaring van den Koran.
[165] God beproefde Abraham hoofdzakelijk door hem te gebieden
zijnen geboortegrond te verlaten en zijn zoon op te offeren. De
uitleggers veronderstellen echter, dat de hier besproken beproeving
alleen betrekking heeft op sommige ceremoniÎn: zooals de besnijding,
pelgrimstocht naar den Ka'ba, verschillende reinigingsplechtigheden,
en dergelijke (Jallalo'ddin).
[166] Dit woord is oorspronkelijk Imam, welke titel door de Mahomedanen
aan hunne priesters wordt gegeven, die de gebeden in hunne moskeÎn
aanvangen, en waarna de geheele gemeente volgt.
[167] Dit is de tempel van Caaba of Ka'ba (in Mekka) welke gewoonlijk
het huis wordt genoemd. Omtrent de heiligheid van dit gebouw en andere
bijzonderheden, zie de inleiding tot dit werk.
[168] Hier wordt eigenlijk het binnenste gedeelte van den Ka'batempel
bedoeld, waar de Mahomedanen een indruk van Abrahams voet in een
steen meenen te zien.
[169] Hieronder moet men eene bepaalde daad van vroomheid verstaan
die daarin is gelegen, dat men gedurende uren, en zelfs dagen lang,
zittend of geknield in eene moskee blijft.
[170] Zie hierboven de noot van vers 106. Door Abraham het woord
muzelman in den mond te leggen, wil Mahomet zijne godsdienst aan den
oorspronkelijken godsdienst, of die van Abraham vasthechten, welke,
volgens hem, te gelijk de natuurlijke godsdienst van den mensch is. De
overlevering legt aan Mahomet deze woorden in den mond: "Ieder mensch
wordt als muzelman geboren: zijne ouders maken hem tot Jood, Christen
of Vuuraanbidder."
[171] Dit is de Koran.
[172] Onder doop verstaan de uitleggers: den godsdienst en de
besnijdenis, die God bij de schepping der menschen instelde, en
waarvan de teekenen in den mensch bestaan, evenals de sporen van
het water op de kleederen van den gedoopte. Waarschijnlijk heeft
Mahomet dit woord aan de Christenen, of liever aan de Joden ontleend,
bij welke het bad en de indompeling nog heden ten dage bestaan. Het
Arab. woord sebgha beteekent dan ook doop of eigenlijk indompeling.
[173] Deze woorden werden, volgens de uitleggers, geopenbaard, omdat
de Joden volhielden, dat zij de schriften het eerst hadden ontvangen;
dat hunne tora (Pentateuchus), of leer, ouder was, en dat geen profeet
onder de Arabieren zou kunnen opstaan, en indien dus Mahomet een
profeet was, hij uit hun volk moest zijn voortgekomen.
[174] In den beginne werd door Mahomet en zijne volgelingen
geene bijzondere richting in acht genomen, in het wenden van hun
aangezicht naar eene of andere plaats of wereldstreek bij het gebed,
daar zij zeiden, dat dit volkomen onverschillig was. Later, toen de
profeet naar Medina vluchtte, zeide hij hun, dat zij zich naar den
tempel van Jeruzalem moesten richten (waarschijnlijk om zich bij de
Joden bemind te maken, bij wie dat gebruik toen, evenals thans nog,
bestond), hetgeen zij gedurende zes of zeven maanden als gebod in acht
namen. Maar hetzij omdat hem dit bij de Joden weinig baatte, hetzij
hij, op de andere zijde, wanhoopte, de afgodendienende Arabieren tot
zich te voeren, welke hunnen eerbied voor den tempel van Mekka niet
konden vergeten, althans hij gebood, dat men in het vervolg bij het
gebed naar den laatstgenoemde zou gekeerd zijn. Deze verandering
werd gemaakt in het tweede jaar van Hedjira (zie Abulf. Vit. Moham
blz. 54), en veroorzaakte dat velen van hem afvallig werden, die
gebelgd waren over zijne onstandvastigheid. (Jallalo'ddin). Kebla is
de gezichts-richting.
[175] Volgens de uitleggers beteekent dit, dat de Arabieren
een rechtvaardig en goed volk zijn: dat zij zich aan geene
buitensporigheden der andere volkeren schuldig maken, die bij hen
zijn getemperd door eene aangeboren bedaardheid. Deze uitleggingen
klinken niet zeer voldoende.
[176] Dat is: Zij die tot het Jodendom terug keerden.
[177] Dat wil zeggen: Zij die, vÛÛr definitieve instelling van de Kebla
van Mekka, zich bij hun gebed naar de zijde van Jeruzalem wendden,
zullen daarom toch hunne belooning in den Hemel ontvangen.
[178] De Joden en de Christenen, welke elkanders Kebla niet volgen.
[179] Dit is, dat zij in den grond van de waarheid zijner zending
overtuigd zijn.
[180] Deze uitdrukking, die dikwijls in den Koran wordt gebruikt,
beteekent: overal den oorlog tegen de ongeloovigen ondernomen, tot
voortplanting van het geloof van Mahomet.
[181] De zielen van martelaars (gelijk zij geacht worden te zijn,
welke in gevechten met ongeloovigen worden gedood) zegt Jallalo'ddin,
zijn in de kroppen van groene vogels, die in het paradijs overal mogen
vliegen waar het hun behaagt, en zich met de vruchten mogen voeden,
die zich aldaar bevinden.
[182] De Mahomedanen houden zich strikt aan dit bevel. Telkenmale
dat hun een groot ongeluk overkomt, roepen zij met kalmte en
vastberadenheid deze woorden uit.
[183] Safa en Merwa zijn twee bergen nabij Mekka, waar van oudsher twee
afgodsbeelden stonden, welke de afgodendienende Arabieren gewoon waren
te aanbidden en eer te bewijzen. Jallalo'ddin zegt dat deze plaats werd
geopenbaard, omdat de volgelingen van Mahomet er een gemoedsbezwaar
uit maakten, rondom deze bergen te gaan, gelijk de afgodendienaars
deden. Maar de ware reden, waarom hij dit overblijfsel van het oude
bijgeloof toeliet, schijnt veeleer gelegen te zijn, in de moeilijkheid
die Mahomet er in zag, het te verbieden. Daarom zegt Mahomet, dat de
bergen gedenkteekenen van God zijn.
[184] Dit zijn de engelen, de geloovigen en alle zaken in het algemeen
(Jallalo'ddin). Yahya meent echter, dat het de vloeken zijn die over de
boozen worden uitgesproken, als zij het uitschreeuwen, onder de straf
van het graf, door allen die hen hooren; dat is door alle schepselen,
de menschen en geesten uitgezonderd.
[185] Of gelijk Jallalo'ddin het uitdrukt: God zal hun berouw
afwachten.
[186] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk: die genoodzaakt
of gedwongen zijn, persoonlijke diensten zonder loon te verrichten,
welke soort van diensten dikwijls door de Oostersche vorsten van hunne
onderdanen gevorderd, en door de Grieksche en Latijnsche schrijvers
Angaria genoemd wordt. De schrift vermeld dikwijls deze soort van
dwang of macht. (Matth. XXVII, 32, enz.)
[187] Dit is: als de uitventers van logens, of de hoofden van nieuwe
secten, op den jongsten dag hunne leerlingen zullen verzaken en zich
de handen zullen wasschen, alsof zij niet medeplichtig waren aan
hun bijgeloof.
[188] Om deze reden zeggen de Mahomedanen altijd, als zij een dier
slachten om zich daarmede te voeden Bismi'llah, of in den naam van
God. Is dit verzuimd, dan achten zij het eten daarvan niet geoorloofd.
[189] Daar de Koran in het algemeen zeer kort is in zijne wettelijke
bepalingen, moet dit niet te strikt worden opgevat; want overeenkomstig
de Sonna (de overlevering) wordt een man mede ter dood gebracht als
de moordenaar eener vrouw. Men moest ook acht geven op het verschil
van godsdienst, zoodat een Mahomedaan, al ware het een slaaf, niet
voor een ongeloovige werd ter dood gebracht, al ware deze een vrij
persoon. De burgerlijke magistraten zijn echter niet altijd verplicht
ingevolge deze laatste uitlegging van de sonna te handelen.
[190] Door broeder moet men hier een ander man, een Arabier, maar
vooral een geloovige verstaan.
[191] De gewoonte in de Mahomedaansche landen, vooral in PerziÎ
(zie Chardin, Voyage de Perse, IIe Deel, bladz. 299 enz.) is, dat
de moordenaar in hunne handen worden gesteld om ter dood gebracht te
worden, of dat zij eene geldelijke voldoening verlangen.
[192] Dit is, dat de vrees der wedervergelding de menschen terughoudt
en hem van een moord verwijdert.
[193] Dit beteekent, dat het legaat der derde gedeelte van het vermogen
des testamenteurs niet mocht overschrijden, noch gegeven mocht worden
aan iemand die het niet noodig had. Maar dit bevel wordt weÍrsproken
door de wet op de erfenissen.
[194] Woordelijk vertaald zou dit moeten luiden: zijne misdaad
valt terug op hen die het verminken; dit is, dat men den testateur
geen verwijt zou kunnen doen omtrent ongunstige beschikkingen welke
men hem toeschrijft, maar wel aan hem die deze bij de overbrenging
verminkt heeft.
[195] De verklaarders verschillen zeer vaak omtrent den zin dezer
plaats, daar zij het voor zeer onwaarschijnlijk houden dat het een
volk geheel vrij zou zijn gelaten, al of niet te vasten, door het op
deze wijze te bepalen. Jallalo'ddin veronderstelt daarom, dat dit
alleen vergund is aan hen die niet in staat zijn te vasten, hetzij
door ouderdom, hetzij door gevaarlijke ziekten; maar later zegt hij,
dat het in den aanvang van het Mahomedanismus, vrijgelaten was, te
kiezen; of zij wilden vasten of een armen man voeden, welke vrijheid
spoedig daarna weder werd teruggenomen. Deze plaats is dan ook in
tegenspraak met diegene, welke luidt: Daarom laat hem welke in die
maand tegenwoordig is, dezelfde maand vasten. Hij voegt er echter hij,
dat in deze afschaffing de vrouwen niet zijn begrepen die een kind
hebben, of zij die zogen, opdat daardoor het kind niet zou lijden.
[196] Overeenkomstig de gewone hoeveelheid, die een man per dag
verbruikt en de gewoonte der plaat (Jallalo'ddin).
[197] Dat is: Te huis, en niet op eene vreemde plaats, waar de vasten
niet gehouden kunnen worden, of op reis.
[198] In het begin van het Mahomedanisme sliepen zij niet bij
hunne vrouwen gedurende de vasten, noch aten of dronken na den
avond maaltijd. Maar beide zaken worden door deze plaats weder
geoorloofd. (Jallalo'ddin).
[199] De grenzen die God heeft gesteld: dit beteekent de grenzen of
de perken, waarmede God zijne wetten heeft omringd. Vandaar wordt het
woord grens (in het Arabisch hadd, meervoudig hodoed) als voorschrift
der wet gebruikt. Deze uitdrukking herinnert aan die van sepes legis,
welke op de wetten van Mozes is toegepast.
[200] De verzen van den Koran.
[201] Hiermede worden de hazardspelen, de weddenschappen en de
geschenken bedoeld, waarmede men de rechters omkoopt.
[202] Toen de Arabieren van den pelgrimstocht van Mekka terug kwamen,
achtten zij zich geheiligd. In plaats dus van den gewonen ingang hunner
woning binnen te gaan, dien zij als ongewijd beschouwden, maakten zij
daartoe eene opening aan de andere zijde hunner woning. Hier wordt
dit gebruik door Mahomet veroordeeld.
[203] Met deze uitdrukking wordt bedoeld, den oorlog voor
Gods zaak te voeren. De bevelen in de verzen 186 tot 190 zijn
gelegenheidsbeschikkingen, die betrekking hebben op de afgodendienaars
van Mekka, zooals uit verschillende uitdrukkingen blijkt. Op dat
tijdstip was Mahomet nog geen meester van Mekka, en zijne stelling
noopte hem slechts verdedigenderwijze te handelen, zoodat daar de
aanvallende strijd volstrekt verboden is. Men moet daaruit echter niet
afleiden, dat deze bevelen in staat zijn, het geloof en de getrouwheid
der Muzelmannen te ketenen. De woorden: doodt hen overal waar gij
hen zult vinden, en verjaagt hen van waar zij u hebben verjaagd,
even als: tot dat elke geloofsbelijdenis die van den eenigen God
zij, laten zulk eene leemte, dat het niet te verwonderen is, dat de
Islamieten zich soms vrij achtten omtrent de verbintenissen met de
volkeren van een ander geloof aangegaan, als hunne krachten, of de
gunstige omstandigheden, hun veroorloofden, de landen te heroveren,
die hunne heerschappij hadden afgeschud.