[36] Een door Ali geschreven Koran zoude eerst in het jaar 755 der

Hedjirah (1377) in Mesdjed Ali verbrand geworden zijn. Te Fostat

bewaarde men nog langen tijd een' Koran van de hand des khalifs

Abd Alaziz. Hij had zÛÛ veel zorg besteed om het afschrift vrij van

alle feilen te houden, dat hij een' ieder die daarin eene fout zoude

ontdekken, een' kameel en dertig dinars beloofde. Inderdaad vond men

er slechts eene enkele letter in verplaatst. Ook is er langen tijd

een afschrift des Korans van Chalid Ibn Aboel Hajadh, een tijdgenoot

van Ali, en zijn, ook onderscheidene van den wreeden Hadjadj bewaard

gebleven.

[37] Hoofdst. LXXV v. 16-20 XX v. 113 en ook Hoofdst. LXXXVII v. 6

en 7.

[38] Hoofdst. VI v. 67.

[39] Hoofdst. XI v. 15 vergel. ook v. 114 en Hoofdst. XXVIII v. 85-87,

X v. 93, 94 en 108.

[40] Hoofdst. XIII v. 34.

[41] Hoofdst. XVI v. 100.

[42] Zie Mahomets leven bl. 36.

[43] Zie Mahomets leven bl. 21.

[44] Vers 5 is mogelijk later bijgevoegd. Volgens dit hoofdstuk worden

ook degenen het paradijs deelachtig, die God vreezen, hem aanbidden

en aan den oordeelsdag gelooven; milddadig jegens behoeftigen zijn,

uitspattingen vermijden, getuigenis der waarheid afleggen en het

gegeven woord trouw vervullen.

[45] Hoofdst. XVI v. 105; XXV 6, 7 en XLIV v. 13.

[46] De 23 eerste verzen behooren wellicht nog tot de oudste.

[47] Vergel. Hoofdst. XIII: v. 8 en 29, en XXIX: v. 50.

[48] Is dit vers werkelijk van Mahomet, dan kan het evenzeer slaan

op de reis van Mekka naar Medina, welke hij, om niet achterhaald te

worden, des nachts deed.

[49] Zie Hoofdstuk X v. 93 en Hoofdstuk XXVI v. 196; vergelijk ook

Hoofdstuk XXVIII v. 52 en 53, XXIX v. 46, Hoofdstuk XLVI v. 11 en

LXXXVII vs. 18 en 19.

[50] v. 168 ook Hoofdstuk V v. 4, waar nog nader opgegeven is wat

men onder aas hebbe te verstaan.

[51] Hoofdstuk VI v. 146 en XVI v. 115.

[52] v. 109 en 136. Over de wijze waarop de aalmoezen moeten worden

gegeven, v. 265, enz.

[53] v. 222.

[54] v. 176.

[55] v. 282.

[56] v. 276.

[57] v. 227, enz.

[58] v. 220.

[59] v. 173.

[60] Vers 27 en volgende.

[61] v. 1-24, 33, 34, 126-129 en 175.

[62] v. 33

[63] v. 94.

[64] v. 45 en volgende, 118, 152, 166, 169 en 170.

[65] v. 36 en 37.

[66] v. 56.

[67] v. 134.

[68] v. 9.

[69] v. 91.

[70] v. 105-107.

[71] v. 92-93.

[72] v. 79.

[73] Zie Brief aan de Romeinen 13 v. 1-7.

[74] Ketters.

[75] Soera II v. 191.

[76] Dezelfde Soera vs. 239 en 240. Hoofdstuk IV vs. 102-104.

[77] Hoofdstuk LXII vs. 10.

[78] Soera 73, het laatste vers.

[79] Eerste brief, V vs. 7.

[80] X vs. 108, XXVII vs. 94, XVII vs. 16, XXXIX vs. 42, XVII vs. 19

en 20, XVIII vs. 28, 53, XXXIX vs. 55-60, XLI vs. 16, 17.

[81] II, vs. 36, 37. Zie ook VII, vs, 11-19, XXXVIII vs. 72-85,

en vooral XX vs. 114-124. Wij willen deze leer van de zonde en der

verlossing welke met die van Pelagius zeer nauw verwant is, in geenen

deele boven die der orthodoxe kerk verheffen; maar hoe moeilijk deze

laatste is, bewijst reeds de omstandigheid, dat zij van Augustinus tot

op onzen tijd, zeer dikwijls, zelfs door de meest geloovige theologen,

aangevallen en gewijzigd werd.

[82] Zie Exodus IV vs. 21 Jos. XI vs. 20. Rom. XI vs. 8-10. I vs. 28,

IX vs. 17.

[83] Koran V vs. 18, XIII vs. 30, 31, XLVII vs. 18, XVIII vs. 53,

XVI vs. 38.

[84] Makrizi bij de Sacy, Religion des Druzes I. Introduction

p. IX-XII.

[85] Zie Muradgea, d'Ohsson, schildering van het Ottoman rijk;

vertaling van Beck, I bldz. 99-101.

[86] Zie XVIII vs. 110, XXI vs. 94, XXII vs. 14, 23, en 49, V vs. 12,

LXXIX vs. 38-41. LXXIV vs. 42-47, LXIX vs. 21-34, enz.

[87] Zie Marraccius, bladz. 837.

[88] Aangezien de Arabieren een zuiver maanjaar hebben, valt natuurlijk

de Ramadhan afwisselend in alle jaartijden.

[89] Koran of cour'an is lezing. Al is het voorzetsel de; boek,

of boek bij uitnemendheid. Men noemt den Koran ook wel el kit‚b het

boek; kitub-oullah, Gods boek, kelimet-oullah, Gods woord; el tenzil,

het boek van boven nedergedaald; el dhikr waarschuwing; el forkan

onderscheiding (tusschen het niet verbodene en het verbodene, het

goede en het slechte); el mos'haf (wetboek bij uitnemendheid).

[90] Dit eerste hoofdstuk wordt al F‚tehat, of Fatihat el kitab,

genoemd; hoofdstuk waarmede het boek geopend wordt. Men noemt het

ook sab'ol messani, de zeven herhaalde (verzen); want de Muzelmannen

spreken het meer uit dan de andere gebeden, en schrijven er de

wonderbaarlijkste deugden aan toe. Zij betitelen het met verschillende

grootsche namen als: het hoofdstuk des gebeds, des lofs, van dank,

enz. Zij beschouwen het als den zakelijken inhoud van den geheelen

Koran, en verhalen het dikwijls in hunne aandachtsoefeningen, zoowel

in het openbaar als in hunne afzondering; even als de R.C. Christenen

het Onze Vader.

[91] Dit staat boven ieder hoofdstuk van den Koran, behalve boven het

negende. De Mahomedanen spreken het uit als zij een dier slachten,

bij het begin van hun gebed en bij alle belangrijke handelingen. Het

is bij hen wat het teeken des kruises bij de R.C. Christenen is. Hoewel

de hierboven gegeven vertaling het verschil tusschen de beide Arabische

woorden niet genoeg aanduidt is die echter de meest gebruikelijke.

[92] De oorspronkelijke woorden luiden, letterlijk vertaald: Heer der

werelden, hoewel ‚lamina hier en in de andere hoofdstukken van den

Koran eigenlijk de drie soorten van redelijke schepselen beteekent;

zijnde: menschen, geniÎn en engelen. Savary vertaalt het: "Vorst

der werelden."

[93] De profeten en de godsgezanten die Mahomet vooraf gingen.

[94] Hiermede worden de Joden en Christenen bedoeld, voor zij van

hunne primitieve instellingen afweken, maar niet de tegenwoordige

belijders van den laatstgenoemden godsdienst die van de ware leer

van Jezus zijn afgeweken en in een doolhof van dwaling verward zijn

(Jallalo'ddin, Al Beiddawi, enz.).

[95] Dit hoofdstuk werd de Koe genoemd, omdat daarin, onder anderen,

van de roode koe sprake is, die Mozes den kinderen IsraÎls gebood

te slachten.

[96] Een groot deel der hoofdstukken van den Koran dragen als titel,

of in het eerste vers, eenige afzonderlijk staande letters. Naar de

Mahomedanen gelooven, zijn het de bijzondere teekenen van den Koran,

die vele diepe geheimen verbergen; welker ware beteekenis nog aan

geen sterveling is geopenbaard, behalve aan hunnen profeet. Eenigen

zeggen, dat het beteekent Allah latif magid: God is genadig en moet

verheerlijkt worden; of Ana bi mihi, aan mij en van mij, of Ana Allah

‰lan, ik ben de wijste God. Anderen weder zeggen, dat Amur li Much

is eene verkorting van Amur li Mahomet (zeide mij Mahomet), en dat

het door den schrijver van Mahomet er bijgevoegd zou zijn.

[97] Eigenlijk beteekent dit de zaken die afwezig, op een grooten

afstand, of onzichtbaar zijn, zoo als: het paradijs, de hel, de

opstanding en al wat op het punt van godsdienst, bovenzinnelijk is.

[98] De Muzelmannen gelooven dat God niet alleen geschreven

openbaringen heeft gegeven aan Mozes, David, Jezus en Mahomet, maar ook

aan vele anderen profeten (zie Reland, de Relig. Mohan, bladz. 34 en

Dissert. de Samaritanis, pag. 34. enz.) maar zij herkennen geen die,

den Koran voorafgegaan zijnde, thans voorhanden zijn, uitgenomen den

Pentateuchus van Mozes, de psalmen van David en het evangelie van

Jezus, welke, naar zij nog zeggen, voor Mahomets tijd door de Joden

en Christenen bedorven en vervalscht zijn, waarom zij dan ook onze

tegenwoordige afschriften daarvan voor onecht verklaren.

[99] Het oorspronkelijk woord al-‚kherat beteekent eigenlijk het

laatste gedeelte eener zaak, en overdrachtelijk het toekomstige

leven, de laatste of toekomstige toestand na den dood, en is het

tegenovergestelde van aldonya, deze wereld, en aloula het tegenwoordige

leven. Het hebreeuwsche woord 'hryt">'Hryt (acharith), van denzelfden

stam, wordt door Mozes in die beteekenis gebruikt, en is met de

woorden: laatste einde vertaald (Numeri XXIV : 20, Deuter. VIII : 16).

[100] Overal in den Koran, bedoelt Mahomet met de menschen wier harten

door ziekte zijn aangedaan, de huichelaars, of de menschen van een

twijfelachtig en wankelend geloof. Hier en elders volgt hij dikwijls

de andere gewijde schrijvers na, met God de bekeering der boozen te

doen voorkomen, door op den geest van deze te werken.

[101] Wij hebben het arabische woord ressoel, bode, afwisselend door

profeet, gezant of bode vertaald.

[102] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Verderft toch niet

op de aarde: waaronder door sommigen misdaden, als: roof, geweld,

ongebondenheid en afgodendienst, door anderen de verbreiding eener

valsche leer en het bederven van de grondbeginselen des volks wordt

verstaan. Om het contrast des te beter te doen uitkomen tusschen dezen

zin en die waarmede het vers wordt besloten, zou men dit laatste

moeten vertalen met de woorden: Verre van dat; wij verbeteren, of,

gelijk anderen dit doen, met de woorden wij zijn hervormers, die door

leer en voorbeeld ware vroomheid bevorderen.

[103] De eerste metgezellen en volgelingen van Mahomet (Jallalo'ddin).

[104] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: met hunne

duivelen. Het arabische woord cheÔtan, satan wordt niet alleen

gebruikt voor satan of duivel: hier doelt het op de joodsche en

christelijke geestelijke. Mahomet maakt hier gebruik van het recht,

dat de ijveraars voor de meeste godsdiensten zich toeÎigenen, om de

belijders van andere godsdiensten te smaden.

[105] Hier vergelijkt Mahomet hen, die niet in hem gelooven, bij

dengeen, die een vuur tracht te ontsteken, doch die zijne oogen sluit;

opdat hij het niet zie, zoodra het opvlamt en licht geeft.

[106] De tekst schijnt hier onvolmaakt te zijn, en aangevuld te moeten,

worden met de woorden: hij wendt zich af, hij sluit zijne oogen of

iets dergelijks.

[107] De uitleggers geven aan deze woorden de beteekenis van: zij

zullen zich niet bekeeren.

[108] Hier vergelijkt Mahomet de ongeloovige Arabieren bij menschen,

die in een vreeselijken storm zijn. Om de schoonheid van deze

vergelijking te begrijpen, moet men weten; dat de mahomedaansche

leeraren zeggen, dat het onweder een afbeelding of beeld van den Koran

zelf is; de donder beteekent de bedreigingen die in dat boek voorkomen,

het weÍrlicht de beloften en de duisternis de mysteriÎn. De angst voor

de bedreigingen doen hen hunne ooren dicht stoppen; als de beloften

hun worden voorgelezen, wachten zij met genoegen: maar wanneer er

iets geschiedt, dat geheimzinnig of moeielijk te gelooven is, staan

zij stil, en willen zich niet er aan onderwerpen, geleid te worden.

[109] Als een prediker in de moskee, of een Arabisch redenaar het

volk aanspreekt, gebruikt hij de woorden: o Menschen, d.i. o, gij,

die naar mij luistert. Op dezelfde wijze worden die woorden in den

Koran niet gericht tot alle menschen, tot de stervelingen, maar tot

de bewoners van Mekka of van Medina, voor welke Mahomet predikte. Al

het gesprokene van Mahomet, zijne leerstellingen, enz. bezitten

het eigenaardige, dat zij van een actuÎle en beperkte toepassing op

de volkeren van ArabiÎ zijn, zonder zich over de andere volkeren,

kortom over de geheele menschheid uit te strekken. De uitleggers doen

echter opmerken, dat de woorden: "o Menschen!" meer bijzonder op de

bewoners van Mekka zijn toegepast, terwijl de bewoners van Medina met

de woorden: o geloovigen, o gij, die gelooft, worden aangesproken. De

bewoners der stad van Mahomet volhardden nog in den afgodsdienst, toen

de bewoners van Medina, reeds den nieuwen profeet hadden aangenomen.

[110] Volgens sommigen: uwe valsche goden of afgoden. Gewoonlijk

worden echter de woorden min douni-'illahi vertaald met: behalve

God. Mahomet beschuldigt de Arabieren niet, uitsluitend en volstrekte

goden te aanbidden maar onder Gods leer, die van andere godheden te

mengen. Even zoo stemden de helden der klassieke oudheid er gaarne

in toe, den God der Christenen en zijn Zoon onder de godheden van

den Olympus te plaatsen, maar niet om hun veelgodendom geheel op te

offeren. Dit spruit uit verschillende plaatsen van den Koran voort,

waar de afgodendienaars geacht worden de werking van het Opwezen

te erkennen.

[111] D.i. de steenen afgodsbeelden.

[112] Sommige uitleggers (o.a. Jallalo'ddin) komen met die verklaring

overeen, veronderstellende, dat de vruchten van het paradijs, hoewel

van verschillende grootte, nochtans in kleur en uiterlijk aanzien

overeen komen.

[113] De Arabieren verweten Mahomet, onder de ernstige leeringen

beelden uit platte zakken te mengen; Mahomet verdedigt zich hier

tegen dit verwijt.

[114] Betreffende de schepping van Adam, hier bedoeld, hebben de

Mahomedanen verschillende bijzondere overleveringen. Zij zeggen

dat de engelen GabriÎl, MichaÎl en Israfil, de eene na den andere,

door God werden gezonden, om, voor dat doel, zeven handen aarde

van verschillende diepten en kleuren te halen (voor de verschillende

menschenrassen volgens Al Termedi, naar eene overlevering van Abu Musa

al Ashasi), maar de aarde voor de gevolgen vreezende, en begeerende,

dat zij God hare vrees zoude voorstellen, dat het schepsel hetwelk God

had geboden te vormen, tegen Hem zou opstaan en Zijne vervloeking op

haar zou nederzenden, keerden de engelen terug, zonder Gods bevel te

volbrengen, waarop Hij AzraÔl met denzelfden last nederzond, die de

opdracht zonder wroeging volbracht: weshalve God dien engel opdroeg,

de zielen van de lichamen te scheiden. Hij werd daarom de engel des

doods genoemd. De aarde die hij had genomen, was in ArabiÎ gehaald,

op eene plaats tusschen Mekka en TaÔf, waar zij, na eerst door de

engelen gekneed te zijn, door God zelf tot een menschelijken vorm werd

gebracht, en gedurende veertig dagen, of, zoo als andere zeggen, een

aantal jaren, daar werd gelaten om te drogen (vergelijk den Koran 45e

hoofdstuk). In dien tusschentijd werd deze dikwijls door de engelen

bezocht, en door Eblis, later duivel, toen een der engelen, die het

dichtst bij Gods tegenwoordigheid zijn geplaatst als de anderen. Deze

echter, niet tevreden dit te zien, schopte den vorm met den voet,

tot hij geluid gaf, en wetende dat God dit schepsel had bestemd om

zijn beheerscher te zijn, nam hij een geheim besluit, het nimmer als

zoodanig te erkennen. Hierna bezielde God de kleivorm, en beschonk

hem met eene verstandelijke ziel: en toen hij hem in het paradijs

had geplaatst vormde hij Eva uit zijne linkerzijde. (Khond Amir,

Jallalo'ddin Comment, in Coran, enz. d'Herbelot. Biblioth. Orient

bladz. 55).

[115] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk nedervallen,

tot het voorhoofd den grond rake, dat de nederigste houding bij

bewondering is, en hetgeen men, strikt genomen, alleen aan God zou

verplicht zijn; maar somtijds wordt het in plaats daarvan gebruikt,

om de burgerlijke achting of hulde uit te drukken, welke men schepselen

bewijst (Jallalo'ddin).

[116] Dit feit van den val des duivels heeft eenige overeenkomst

met eene meening, die onder de Christenen reeds velen heeft bezig

gehouden (Irenaeus, Lact, Greg. Nyssen, enz.) zijnde, dat eenige

van de engelen, onderricht van Gods voornemen, om den mensch naar

zijn beeld te vormen, en de menschelijke natuur tot waardigheid te

verheffen, door die Christus te doen toeÎigenen, dachten, dat hunne

glorie daardoor zou worden verduisterd; derhalve het geluk van den

mensch benijdden, en dus opstonden. Ook moet men wel opletten, dat

in het vorige vers Mahomet zelf spreekt, of de woorden van den engel

GabriÎl herhaalt. In dit vers wordt God zelf geacht te spreken. Deze

plotselinge verandering van persoon komt ieder oogenblik in den Koran

voor, niet alleen in de verschillende verzen, maar zelfs in dezelfde

zinsnede. Daardoor zal de lezer kunnen oordeelen over de wanorde,

die door deze verandering in de volzinnen wordt veroorzaakt.

[117] Blijkens hetgeen thans volgt, plaatst Mahomet dezen tuin,

of dat paradijs, niet op de aarde, maar in den zevenden hemel (Zie

Marracc. in Alc. bladz. 24).

[118] Omtrent dezen boom, of de verboden vrucht, is de meening der

Mohamedanen even als die der Christenen verschillend. Sommigen zeggen,

dat het een korenaar was; anderen willen, dat het een vijgenboom

zou zijn geweest, en anderen weder een wijnstok (zie Marracc. in

Alc. bladz. 22). Het verhaal van den val wordt zonder verdere

omstandigheden in het begin van het 7e hoofdstuk verhaald.

[119] De Mahomedanen zeggen, dat, toen Adam en Eva uit het paradijs

werden gedreven, de eerste viel op het eiland Ceylon of Serendib,

en de tweede nabij Djiddah, (de haven van Mekka) in ArabiÎ, en dat

Adam, na eene scheiding van 200 jaar, om zijn berouw, door den engel

naar eenen berg nabij Mekka werd geleid, waar hij zijne vrouw vond

en bekende; welke berg thans den naam van Arafat draagt, en dat hij

naderhand met haar naar Ceylon terugkeerde waar zij de voortplanting

van hun geslacht vervolgden. Het is niet onbelangrijk, hier eene andere

overlevering te vermelden, betreffende de reusachtige gestalte onzer

stamouders. Hun profeet, zeggen de Mohamedanen, heeft bevestigd, dat

Adam zoo lang was als een hooge palmboom (Yahya); doch dit is naar

evenredigheid te groot, indien het afdruksel op den top eens bergs,

op het eiland Ceylon, dat van zijnen voet is, en te klein, indien

Eva van zulk eene vreeselijke grootte was, als gezegd wordt, dat,

als haar hoofd op eene rots nabij Mekka lag, hare knieÎn zich op twee

andere in de vallei zouden hebben bevonden, die op twee geweerschoten

afstands van elkander verwijderd liggen. Deze berg thans Pico de Adam,

en bij de Arabische schrijvers Rah‚n genaamd, is iets meer dan twee

man hoog (Zie Moncony, Voyage, 1e gedeelte, bladz. 372 enz. en Knox,

Account of Ceylon). Anderen (Anciennes relations des Indes, bladz. 3)

zeggen daarentegen, dat hij zeventig cubitussen hoog is, en dat,

wanneer Adam een voet hier zette, hij met den anderen in de zee stond.

[120] D.i. menschen en Duivelen.

[121] Het Arabische woord aiÈ heeft in den Koran verschillende

beteekenissen, omdat het niet alleen een teeken is, maar vooral een

teeken van openbaring des hemels en bijgevolg ook mirakel, wonder,

enz. uitdrukt. Bovendien wordt het ook voor een vers van den Koran

gebruikt, aangezien ieder dier verzen als Gods woord geacht, en voor

een mirakel en een waarschuwing gehouden wordt. De zin is echter

gemakkelijk uit den samenhang op te maken.

[122] De Joden worden hier opgeroepen den Koran te ontvangen,

tot vergelijking en bevestiging van den Pentateuchus, vooral met

eerbiediging van Gods eenheid en de zending van Mahomet (Yahya). Het

wordt hun tevens verboden, de plaatsen in hunne wet te verheelen,

welke voor die waarheden getuigen, of die te verminken, door het

openbaar maken van valsche afschriften van den Pentateuchus, voor

hetwelk de schrijvers slechts karig werden betaald, (Jallalo'ddin).

[123] De uitleggers voegen er bij: het muzelmansche gebed, de

muzelmansche aalmoes.

[124] Het boek, in den volstrekten zin, beteekent: elk geopenbaard

boek, de Schriften; tot de Joden sprekende, de Pentateuchus; tot

de Christenen: het Nieuwe Testament; het wordt ook op den Koran

toegepast. Wij willen te dien opzichte nog doen opmerken, dat Mahomet

in zijne predicatiÎn de afgodendienaars of onwetenden onderscheidt van

hen, die, op welk tijdstip ook, gewijde boeken hebben ontvangen. Deze

laatsten worden gezin van het boek, lieden der schriften genaamd.

[125] Deze volzin wordt telkenmale letterlijk teruggevonden, als

er sprake is van de vervolgingen, die de IsraÎlieten in Egypte

ondergingen. Men zou bijna zeggen, dat Mahomet dit wilde doen

uitkomen. Indien men zich herinnert, dat de afgodendienende Arabieren

de geboorte eener dochter als een groot ongeluk beschouwden, moet

men toegeven, dat men geen ongunstiger licht op een heidenschen

en ongeloovigen vorst (waarvan Pharao de type is) kon werpen, dan

aanhoudend te wijzen op deze soort van voorkeur, aan de dochters

boven de zoons gegeven.

[126] Zie het meer bijzondere verhaal van Mozes en Pharao in de

hoofdstukken 7, 20, enz.

[127] De persoon die dit kalf omverwierp was, naar de Mahomedanen

zeggen, niet A‰ron, maar Al-SamËri, een der voorname mannen onder de

kinderen IsraÎls, en van wien eenige afstammelingen, naar men beweert,

nog een eiland van dien naam in de golf van ArabiÎ zouden bewonen

(Geogr. Nubiens, bladz. 47). Al-SamËri ging verder, en nam eenig stof

van de voetstappen van het paard van den engel GabriÎl, die aan het

hoofd van het volk reed, en wierp het in den bek van het kalf, dat

onmiddellijk begon te loeien en levend werd (Koran, zevende hoofdstuk);

zÛÛ sterk was de kracht van dit stof (Jallalo'ddin; zie d'Herbelot,

Bibl. Orient, bladz. 650).

[128] De onderscheiding: el-forkan (eigenlijk de verlossing) wordt

hier op den Pentateuchus toegepast, gelijk, op andere plaatsen, op

den Koran. Dit woord beteekent elk geopenbaard boek, voor zooverre

dit het veroorloofde van het verbodene onderscheidt. Men kan zeggen,

dat in ieder goddelijk boek, het gedeelte, hetwelk de gebruiken,

de spijzen, enz. behandelt, el forkan (onderscheiding) heet, evenals

het dogmatische al-houda (richting).

[129] De Oostersche schrijvers zeggen, dat deze kwartels van eene

bijzondere soort waren, die nergens anders dan in Yemen werden

gevonden, vanwaar zij door een zuidewind in grooten getale naar

het kamp der IsraÎlieten in de woestijn werden gevoerd (Koran, 7e

hoofdstuk). De Arabieren noemen deze vogels salw‡, dat hetzelfde

beteekent als het Hebreeuwsche woord salwin. Deze hebben, naar zij

zeggen, geene beenen, maar worden geheel gegeten (zie d'Herbelot,

Bibl. OriÎnt., bladz. 477).

[130] Eenige uitleggers veronderstellen dat het Jericho is, anderen

Jeruzalem.

[131] Het Arabische woord is Hittaton, waaruit sommigen de beteekenis

afleiden van de betuiging der eenheid Gods, zoo dikwijls door de

Mahomedanen gebruikt. La il‡ha illa'llaho. Er is geen God buiten God.

[132] Men gelooft dat in dit vers sprake is van het binnentrekken der

IsraÎlieten in de stad Jericho. In plaats van het woord hittaton of

hettat, (aflaat, genade) zoo als hun dit bevolen was, zouden de Joden

dit door het woord habatb (korrel of gerstkorrel) fishairat hebben

vervangen, en zich als plunderaars gedragen hebben. Het is overbodig

de aandacht te vestigen op de anachronisme, door den schrijver van den

Koran, of liever zijne uitleggers begaan, door den dood van Mozes te

mengen in de gebeurtenissen sedert zijnen dood voorgevallen, zoo als

het innemen van Jericho.

[133] Eene pestziekte, die omstreeks 70,000 hunner heeft gedood

(Jallalo'ddin).

[134] Numeri XI, 5, enz. Volgens sommigen erwten.

[135] Deze plaats, even als vers 59 van het zes en twintigste

hoofdstuk, waarin de IsraÎlieten geacht worden naar Egypte terug te

keeren, is een dier anachronismen, waarvan de Koran wemelt, en die

de groote onwetendheid van den Arabischen profeet duidelijk aantoonen.

[136] Uit deze woorden, welke in het vijfde hoofdstuk

worden herhaald, hebben verschillende schrijvers (Selden,

de Jure Nat. et Gentium sec. Hebr. 1. 6 c. 12. Angel,

a.s. Joseph. Gazophy1ac. Persic. p. 365. Nic. Cusanus, in Cribatione

Alcorani, 1. 3, c, 2. enz.) verkeerdelijk afgeleid, dat de Mahomedanen

het als de leer van hunnen profeet hielden, dat ieder mensch door zijn

eigen godsdienst zou behouden zijn, mits hij oprecht ware en een goed

leven leidde. Het is waar, dat velen hunner geleerden toestemmen, dat

dit de zin dezer woorden is, (Chardin, Voyages, 2e deel, bladz. 326,

331) maar zij voegen er bij, dat de hier toegestane vrijheid spoedig

werd herroepen, omdat deze plaats door verschillende andere in den

Koran is afgeschaft, welke uitdrukkelijk verklaren, dat niemand zalig

zal zijn, die niet tot het Mahomedaansche geloof behoort. Vooral

blijkt dit uit de woorden in het derde hoofdstuk, vers 79. Hoewel

anderen van oordeel zijn, dat deze plaats niet afgeschaft is, maar

die op eene andere wijze verklaren, zeggen zij, dat de bedoeling is,

dat niemand, hetzij hij Jood, Christen of SabeÔst is, van de zaligheid

uitgesloten zal zijn, mits hij zijn verkeerden godsdienst verlate

en Muzelman worde, hetgeen, naar zij zeggen, wordt aangeduid door de

woorden: Indien zij slechts aan God en aan den jongsten dag gelooven

en weldoen, zullen zij door hunnen Heer beloond worden.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 64 / 89 段