De wijze, waarop, en de omstandigheden, waaronder de zoogenaamde

Balkanbond tot stand kwam, zijn niet in alle bijzonderheden

bekend. Zeker is, dat de besprekingen tusschen de voornaamste

Balkan-staatslieden, vooral op aansporen van den Griekschen minister

Venizelos, in den loop van 1910 begonnen en dat eerst in het voorjaar

van 1912 een Servisch-Boelgaarsch verdrag, weldra gevolgd door

een Grieksch-Boelgaarsch verdrag, gesloten werd en dat iets later

ook militaire afspraken tot stand kwamen. De staatkundige toestand,

zooals deze er na een eventueele overwinning op de Turken zou moeten

uitzien, werd echter volstrekt niet precies vastgesteld. Boelgarije

en ServiÎ werden het over de verdeeling van MacedoniÎ vrij wel eens;

over een betwist gedeelte zou de keizer van Rusland later uitspraak

moeten doen. Maar Boelgarije en Griekenland hadden omtrent het deel

van MacedoniÎ, dat aan het laatste land zou komen, niets positiefs

omschreven: de groote kwestie, wie hunner Saloniki zou krijgen, bleef

open! De verdragen, voor zoover ze bekend geworden zijn, droegen

een defensief karakter; maar uit den aard der zaak werd een optreden

tegen Turkije er door voorbereid.

Een kleine aanleiding was voldoende, om dit uit te lokken. Een

nieuwe opstand in AlbaniÎ in 1912, nu met meer succes ondernomen

dan de vorige--de Albaneezen dwongen de Turksche regeering,

een ietwat gematigder regeering, die onder den indruk van den

ernst der gebeurtenissen juist opgetreden was, hun een ruimer

mate van autonomie toe te staan, die zich zelfs over een deel van

MacedoniÎ zou uitstrekken--, deed de spanning op den Balkan zeer

toenemen. Toen toonden de groote mogendheden, v.n. Oostenrijk,

neiging zich met de zaken te gaan bemoeien, om den dreigenden storm

te bezweren. Zij verklaarden geen veranderingen in den status quo te

zullen dulden--, zooals ze vroeger meermalen gedaan hadden. Juist ÈÈn

dag later verklaarde Montenegro, als wilde het met deze verklaring

openlijk den spot drijven, aan Turkije den oorlog (9 October). Het

uitdagend optreden van den kleinsten onder hen sleepte weldra de

anderen mede. Deze eischten nu van Turkije autonomie voor alle

Europeesche provinciÎn van het Turksche rijk, waarbij de grenzen

naar de ethnographische toestanden zouden getrokken worden. Turkije

antwoordde met een oorlogsverklaring aan ServiÎ en Boelgarije, waarna

Griekenland onmiddellijk de zijde van dezen koos.

Over het algemeen verwachtte men, dat de Turken hunne tegenstanders

gemakkelijk zouden overwinnen. Het Jong-Turksche leger had immers in

1908 zulke duidelijk sprekende proeven van bekwaamheid afgelegd! Maar

de verwachting werd in geenen deele vervuld. Het leger bleek dapper

genoeg, maar volstrekt niet berekend op de sterke krachtsinspanning,

die er nu van geÎischt werd. Het was niet voorzien van voldoende

uitrusting en bij lange na niet voldoende georganiseerd. De

Balkan-staten voerden den oorlog ieder voor zich; zij ondernamen geen

gemeenschappelijke actie. De Boelgaren, wier hoofdmacht in ThraciÎ

viel, kregen met het voornaamste leger der Turken te maken. Zij

versloegen dat achtereenvolgens bij Kirk-Kilisse, Loele-Boergas en

Tsjorloe, maar stieten, zelf door verliezen en ziekte verzwakt, het

hoofd voor de linie van Tsjataldza, terwijl ze ook Adrianopel eerst

niet konden veroveren. Onderwijl veroverden de ServiÎrs na hunne

overwinningen bij Koemanovo en Monastir een zeer groot deel van

MacedoniÎ; zij ondernamen bovendien een expeditie naar het Westen,

die zelfs leidde tot de bezetting van Durazzo in AlbaniÎ aan de

Adriatische Zee. De Grieken stelden zich in het bezit van Epirus en

Zuidelijk-MacedoniÎ met Saloniki, waar ook een Bulgaarsch legertje

binnentrok. De Montenegrijnen behaalden voordeelen aan de grenzen

van hun land, maar het gelukte hun niet Skoetari te nemen, evenmin

als de Grieken er in slaagden Janina te bezetten. Ter zee hield de

Grieksche vloot de Turksche zonder veel moeite in bedwang; dien ten

gevolge kon nu Kreta zich, zonder bezwaar, met Griekenland vereenigen,

welk voorbeeld Samos en verschillende andere eilanden in de AegeÔsche

Zee volgden. Het standhouden bij Tsjataldzja, te Adrianopel, Skoetari

en Janina behoedde de Turken voor geheele verdrijving uit Europa,

waarop de Boelgaren, onder den indruk hunner grootsche successen in

het begin van den oorlog, stellig gehoopt hadden. Na twee maanden

oorlogvoeren stemden Boelgarije, ServiÎ en Montenegro er in toe een

wapenstilstand te sluiten; alleen Griekenland weigerde hierin te

treden. Vredesonderhandelingen, waaraan dit laatste land wel meedeed,

werden aangeknoopt te Londen.

Hier had Turkije weinig in te brengen. Het kon er alleen naar streven

de zeer zware eischen, door den Balkanbond gesteld, eenigszins te doen

matigen. Van de groote mogendheden mocht het op geen steun hoegenaamd

rekenen. Zij hadden hare verklaring van vÛÛr den oorlog al spoedig

ingetrokken, begrijpende, dat er na den loop, dien de oorlog nam, aan

een handhaving van den ouden toestand niet te denken viel. Wel bleek

spoedig, dat ze zich zouden laten gelden bij de verdeeling van den

buit. Oostenrijk-Hongarije en ItaliÎ gaven zonder omwegen te kennen,

dat ze niet zouden dulden, dat ServiÎ zich aan de Adriatische Zee

nestelde. Het eerste land zag de groote uitbreiding van ServiÎ in

Zuidelijke richting ook zeer ongaarne, maar moest zich hierin wel

schikken. Evenzoo verzetten de beide, pas genoemde landen er zich

tegen, dat Walona in Zuid-AlbaniÎ aan Griekenland kwam. Zij stelden

voor de stichting van een zelfstandig vorstendom in AlbaniÎ en wisten

dat met steun der andere groote mogendheden door te zetten. Een

gezanten-conferentie te Londen zou de grenzen van het nieuwe

vorstendom regelen. Overigens trachtten de mogendheden tusschen de

Balkan-partijen te bemiddelen. Zij wisten te bewerken, dat enkele der

moeilijkste aangelegenheden, zooals de regeling van de kwestie over de

eilanden in de AegeÔsche Zee, voor een later te nemen beslissing uit

de onderhandelingen geÎcarteerd werden. In Januari 1913 nam toen de

Turksche regeering de voorwaarden der tegenpartij in hoofdzaak aan:

afstand van al het verloren gebied, met inbegrip van het nog niet

ingenomen Adrianopel, op den afstand waarvan Boelgarije met alle

kracht aangedrongen had.

Het aannemen van deze voorwaarden kostte de toenmalige Turksche

regeering haar bestaan. De heftige Jong-Turken maakten revolutie te

Constantinopel en kwamen opnieuw aan het bewind. Zij verklaarden den

pas gesloten vrede niet te willen aanvaarden. Zoo begon de oorlog

opnieuw, maar de Jong-Turken brachten geen ommekeer te hunnen gunste

teweeg. Zelfs gingen nu Adrianopel, Janina, eindelijk ook Skoetari

verloren. De nieuwe regeering mocht van geluk spreken, dat zij ten

slotte vrede kon sluiten in hoofdzaak op dezelfde voorwaarden als

door hare voorgangster waren goedgekeurd. Bij den in Mei 1913 te

Londen gesloten vrede verloor Turkije al zijn Europeesch gebied

behalve het deel van ThraciÎ ten Zuiden van de lijn Enos-Midia;

dus Constantinopel met het achterland dezer stad, juist genoeg om

Bosporus en Dardanellen te blijven beheerschen en daardoor een rol

van beteekenis in de Europeesche zaken te kunnen spelen. Het zou

een oorlogsschatting hebben te betalen, maar alleen als vergoeding

van het aandeel in de Turksche schuld, dat de bondgenooten zouden

moeten overnemen; in bizonderheden zou ook deze aangelegenheid eerst

later geregeld worden onder toezicht der groote mogendheden. De

gezanten-conferentie te Londen had inmiddels de grenzen van AlbaniÎ

vastgesteld. De ServiÎrs moesten het zich getroosten Durazzo te

ontruimen en de Montenegrijnen trokken zich uit Skoetari terug, dit

laatste echter pas na een op aandringen van Oostenrijk ondernomen

vlootdemonstratie van de mogendheden in de Adriatische Zee.

Hun overigen buit mochten de vier Balkan-Staten behouden. Over de

verdeeling werden ze het niet gemakkelijk eens. Zelfs kwam het tot een

onderlingen oorlog van Boelgarije met de drie andere ten gevolge van

de naar aanleiding hiervan ontstane moeilijkheden. Boelgarije wilde

behouden, wat het in ThraciÎ en MacedoniÎ zelf veroverd had, maar

bovendien het deel van MacedoniÎ krijgen, dat aan het land volgens het

verdrag met ServiÎ toegezegd was. Maar ServiÎ wilde dit laatste niet

geheel afstaan, omdat Boelgarije in ThraciÎ zÛÛ uitgebreid werd. Dan

wenschte Boelgarije eigenlijk ook nog Saloniki..... Het overvroeg hier

stellig; het wilde met de uitkomsten van den oorlog geen rekening

houden. En in plaats van te wachten op den afloop van diplomatieke

onderhandelingen, in plaats van de door keizer Nicolaas†II aangeboden

arbitrage te aanvaarden, viel het in Juni zijn vroegeren bondgenooten

plotseling op het lijf. Maar nu bleek het zijn krachten verre overschat

te hebben, te meer, omdat het met RoemeniÎ ook nog te maken kreeg,

dat, optredend voor het vestigen van een evenwicht op den Balkan,

zich aan de zijde van Boelgarije's vijanden schaarde. Binnen twee

weken was het aan alle kanten schaakmat gezet. De Grieken verdreven

het Boelgaarsche garnizoen uit Saloniki. De ServiÎrs namen nog

meer van MacedoniÎ in bezit. De RoemeniÎrs stelden zich in het

bezit van SilistriÎ in het Boelgaarsche deel van de Dobroedsja ten

zuiden van den Donaumond. Ja, de Turken namen de gelegenheid waar,

om Adrianopel met een groot deel van ThraciÎ te hernemen. Tsaar

Ferdinand riep de bemiddeling van den Oostenrijkschen keizer in,

die hem den raad gaf zich tot den Roemeenschen koning te wenden. Het

kwam tot onderhandelingen te Boekarest, waar Boelgarije even weerloos

stond als Turkije een jaar vroeger te Londen. Bij den vrede had het de

voorwaarden der bondgenooten te aanvaarden. Het verloor aan RoemeniÎ

de pas genoemde streken, zoodat dit land nu den geheelen Donau-mond

in bezit kreeg. Het moest aan ServiÎ en Griekenland het grootste deel

van MacedoniÎ laten; het laatste behield niet alleen Saloniki, maar

bovendien nog Kawalla, de tweede havenstad; Bulgarije moest tevreden

zijn met Dede-Agatsj. Bovendien stond het bij den afzonderlijken

vrede met Turkije nog Adrianopel af; de grens werd een goed stuk in

Noordelijke richting verlegd.

Een doos van Pandora bleek de Balkankwestie voor de zooveelste maal

geweest te zijn. Wat zal zij nog verder voor wonderen baren?

De regeling der bij den vrede van Londen aan de groote mogendheden

opgedragen kwesties was nog niet afgeloopen, toen in 1914 de groote

wereldoorlog uitbarstte. Ieder weet, dat de aanleiding op den Balkan

lag: de moord van het Oostenrijksche kroonprinselijk paar te Sarajewo

in Juni, door Oostenrijk aan de kuiperijen der groot-Servische

propaganda geweten; de zware eischen, toen door Oostenrijk aan ServiÎ

gesteld! Maar de oorzaak heeft men te zoeken in de tegengestelde

belangen der beide groepen van mogendheden in Europa; anders dan in

1908 werd nu de uitbarsting niet voorkomen. ItaliÎ alleen hield er

zich eerst buiten, maar schaarde zich ten slotte aan de zijde der

entente, zijn oude bondgenooten dus verlatende.

De invloed dezer gebeurtenissen liet zich op den Balkan van meet af in

sterke mate gevoelen. Turkije koos al spoedig de partij van Duitschland

en Oostenrijk, waarvan het voor zijne toekomst het minst te vreezen

had en tot welke het sedert jaren meer en meer was genaderd. Het feit,

dat Engeland in het begin van den oorlog weigerde twee voor Turkije in

Engeland gebouwde en haast voltooide oorlogsschepen uit te leveren--het

lijfde ze bij de eigen marine in--, terwijl Duitschland twee zijner

kruisers, die uit de Middellandsche Zee naar Constantinopel den wijk

genomen hadden, aan de Turksche regeering aanbood, accentueerde

direct deze verhouding. Ongeveer een jaar later volgde Boelgarije

Turkije's voorbeeld: het hoopte zoo te herwinnen, wat het in 1913

had moeten opgeven. Dientengevolge werd het Balkan-schiereiland een

der belangrijkste onderdeelen van het algemeene oorlogsterrein. De

expeditie der entente tegen de Dardanellen en de tijdelijke bezetting

van een deel van Gallipoli; de verovering van ServiÎ door de centralen

(zoo noemt men de Duitschers en Oostenrijkers vrij algemeen), na de

aansluiting van Boelgarije wel te verstaan; de opening dientengevolge

van een directen weg van Berlijn naar Constantinopel en verder;

het zijn alle gebeurtenissen van wereldhistorisch belang, waarvan de

definitieve uitwerking nog altijd niet is te voorspellen.

Zullen de Jong-Turken nu in de nieuwe omstandigheden den verderen

val der Turksche macht in Europa weten te voorkomen? Aan krachtig

verweer met hulp van de Duitschers, die het Turksche leger reeds

vroeger ten deele gereorganiseerd hadden, hebben zij het niet laten

ontbreken. Behouden de Turken Constantinopel, zij blijven een factor

van groote beteekenis in het toekomstige Europa.

PLAATSING DER KAARTJES.

1. Zuid-Oost-Europa in ±1350 tegenover blz. 666

2. De Uitbreiding van het Turksche Rijk tegenover blz. 674

3. De Achteruitgang van het Turksche Rijk tegenover blz. 690

AANTEEKENINGEN

[1] Iederen keer derhalve dat men de woorden vindt; Mahomet _heeft

gezegd_, of _de waarheidlievendste van alle menschen heeft gezegd_,

is er geene sprake van een gezegde uit den Koran, maar van Mahomets

woorden, welke door de overlevering bewaard zijn.

[2] Muzelman of, naar der Oosterlingen spreekwijze _Moslemim_, in

het Arabisch een belijder van den _Islam_ of van het ware geloof,

welke naam door Mahomet (eigenlijk Mohammed) reeds vroeg aan zijne

leer is gegeven. Van dit woord hebben de Europezen _Muzelman_ gevormd.

[3] Opmerkelijk is het dat _Arabier_ met het woord `db">`rb (avond, het

westen) en _Saraceen_ met zrh (schijnen, het oosten) in verband staat,

en dus het eene Westerling en het andere Oosterling zou beteekenen.

[4] Gen. XXXVII, Rigter. VI, VIII, Jes. XXI, Ezech. XXVII.

[5] De Arabische woordenboekschrijvers zijn het niet eens ten aanzien

der beteekenis van het woord _KoreÔsh_. Er bestaan ten minste zes

verschillende verklaringen van dien naam, welke alle meer of min

gewrongen zijn. Naar den spraakkunstigen vorm te oordeelen is _KoreÔch_

het verkleinwoord van _karch_, dat een zeer vraatzuchtige vischsoort

beteekent, die andere visschen verslindt. Aanvankelijk is het dus

niet anders dan een spot- of bijnaam geweest, die in het vervolg van

tijd de naam is geworden van een geheel, uit Fihr-KoreÔch of KoreÔsh

voortgesproten geslacht.

Wat overigens deze afleiding schijnt te bevestigen, is, dat de reeds

in het O. Test. voorkomende naam Korach, in de overlevering als type

van inhalige vrekkigheid is bewaard gebleven. Dat woord schijnt mede

in verband te staan met hetgeen de knapen Elisah nariepen _Kerach_,

omdat hij hun, als waterscheppers, het brood uit den mond nam, door

(2 Kon II : 23) het water zoet te maken, hoewel de meeste en daaronder

de bewerkers van den Staten-bijbel "kaalkop" vertalen.

[6] De naam _Mahomet_ wijkt eenigszins van de werkelijke Arabische

spelling af. Men behoorde _Mohammed_ (de verheerlijkte) te zeggen. De

Turken spreken het woord _Mehemet_ uit, als zij van een levend persoon

spreken die den naam Mohammed draagt. Het gebruik der andere volken

is integendeel, zich van den vorm Mahommed te bedienen, als er van

levende Arabieren gesproken wordt, dien denzelfden naam dragen.

[7] Caussin de Perceval _Histoire des Arabes_ (D. I. bl. 268-283) die

dat vraagpunt op uitvoerige wijze heeft onderzocht, bepaalt Mahomets

geboorte op 29 Augustus 570.

[8] Deze ziekte kan de vallende ziekte geweest zijn. Inderdaad gelooft

de mindere man in het Oosten, dat zij, die met vallende ziekte behept

zijn, door den duivel bezeten worden.

[9] Men wil dat Waraka een gedeelte van het Evangelie in het Arabisch

zou hebben vertaald.

[10] Deze woorden bevinden zich in het begin van Hoofdstuk XCVI. De

woorden die nu volgen hebben geenerlei betrekking op de eerste

openbaring.

[11] De twee andere personen die in den Koran genoemd worden,

Aboe-Djahl en Aboe-Lahab, waren hardnekkige vijanden van den nieuwen

eeredienst.

[12] De Arabieren, die de afgoderij toegedaan waren, erkenden ook

wel _den God_ (_Allah_), maar baden terzelfder tijde ook andere

godheden aan.

[13] Er was te _Mekka_ een christen goudsmid Djebr, dien Mahomet

dikwijls zou hebben bezocht.

[14] Er was te _Mekka_ vooral een KoreÔshiet, Madhr genaamd, die veel

gereisd had, en dikwijls vergelijkingen tusschen Mahomets predikingen

en de historische verhalen der Perzen maakte, welke zeer ten nadeele

der eerste uitvielen.

[15] Zie hoofdstuk XVII, 87.

[16] Aboe-Talib beschermde zijnen neef uithoofde der banden van

bloedverwantschap; want hij was afgodendienaar, en bekeerde zich

eerst op zijn doodbed tot den Islam; ja zelfs wordt er aan zijne

bekeering getwijfeld. Onder de Muzelmannen draagt Khadidja den naam

van _Ommoel-moemenin_, moeder der geloovigen.

[17] Mahomet, die onderricht was, dat men een complot tegen zijn leven

gesmeed had, verliet zijne woning door eene achterdeur en liet zijnen

neef Ali in zijn bed stijgen.

[18] Hoe klein en nietig die bijzonderheden en andere, soortgelijke

ook mogen schijnen, hebben wij gemeend, die in deze schets te

moeten opnemen, daar zij, om zoo te zeggen, de Muzelmansche

Mythologie vormen, en ook omdat zij bij de Mahomedaansche volken

zijn overgegaan. Intusschen wordt het oorspronkelijke der vinding

vernietigd door hetgeen de Bijbel verhaalt van hetgeen met David in

de grot is gebeurd, toen hij door Saul werd vervolgd. Ook daar toch

was de ingang der grot door een webbe oversponnen. _Medrash_.

[19] Dit was Heraclius I, geb. 575, gest. 641.

[20] Antar of Antara was een beroemd Arabisch opperhoofd en een van

de zeven bekroonde prijsdichters, wier bekroonde gedichten, met goud

en zijde gestikt, aan de poort van den _Caaba_ werden bevestigd en

daarom _Moallaka_ (de opgehangene) genoemd worden. Antars gedicht is

door Wilmet (1816) te _Leiden_ uitgegeven.

[21] Hier is op te merken, dat de Muzelmansche vorsten hunne brieven

aan niet-Muzelmansche vorsten met dien vorm van heilwensen beginnen.

[22] Dit denkbeeld had hij van het O.T. overgenomen. Zie 1 Sam. XII

: 3.

[23] Volgens anderen drie dinars.

[24] Het ware noodeloos, hier de bewijsgronden te onderzoeken, welke

door de Chiiten worden aangevoerd ten voordeele van Ali, schoonzoon van

Mahomet, welke bewijsgronden uit onderscheiden gedeelten van den Koran

en uit de overlevering getrokken zijn. Al die bewijsgronden worden in

het breede vermeld in een overzicht van het leerstelsel der Chiiten,

getiteld: _Hakkoel-Yakin_ (de zekere waarheid), een Perzisch werk,

in 1696 door Mohammed-bakir, zoon van Mohammed Taki, geschreven en

te _Ispahan_ gedrukt.

[25] Deze verklaring van het woord _Ommi_ wordt gegeven in het

Perzische werk, getiteld: _Hakkoel-Yakin_.

[26] Eenige van de wonderwerken, welke door Mahomet zouden zijn

verricht, of van de wonderdadige eigenschappen, welke hij zoude hebben

bezeten, laten wij hier volgen:

Eens heeft hij, ten aanzien van een ieder, de maan in tweeÎn

gespouwen; op zijn verzoek heeft God de zon achteruit doen gaan

(vergel. 2 Kon. XX : 9-11), ten einde Ali het namiddaggebed zou kunnen

verrichten, dat door hem verzuimd was, uithoofde de profeet op zijne

knieÎn was ingeslapen, en Ali hem niet wilde wekken; elken keer dat

de profeet naast een ander ging, scheen het altijd alsof Mahomet,

ofschoon hij eene middelbare lengte had, een hoofd langer was dan

degeen die naast hem ging; zijn gezicht schitterde altijd van licht

(vergel. Ex. XXXIV : 29) en als hij zijne vingers voor zijn aangezicht

hield, dan schitterden zij, door den glans dien zij aan zijn aangezicht

ontleenden, als fakkels; men heeft Mahomet dikwijls door steenen,

boomen en planten hooren begroeten en dezen zich voor hem zien buigen;

dieren, zooals gazellen, wolven en hagedissen spraken tot Mahomet

en een geheel gebraden geitebok richtte evenzeer het woord tot hem;

hij had volstrekte macht over de duivelen of booze geesten, die hem

vreesden en aan zijne zending geloofden. Hij heeft blinden het gezicht

hergeven, zieken genezen en zelfs dooden opgewekt (zoowel Oude als

N. Test.); op zekeren dag heeft hij voor Ali en zijn gezin, die honger

hadden, een geheel gedekte tafel uit den hemel doen nederdalen;

hij heeft voorzegd, dat zijn nageslacht, uit Fatima gesproten,

het slachtoffer van onrechtvaardigheden en vervolgingen zoude zijn,

en dat de Omejjaden duizend maanden zouden regeeren, hetgeen juist

zoo uitgekomen is, enz. Men zie ook de noot op Hoofdst. XVII, 1 over

Mahomets wonderdadige reize naar de hemelen.

[27] Koran LXVI, 1-6. Waarschijnlijk behoort daartoe ook XXXIII, 27

en 28, in welke plaats Mahomet aan zijne vrouwen den voorslag eener

echtscheiding doet, ingeval zij de praal van deze wereld boven het

loon hier namaals verkozen.

[28] Koran XXIV, 4, 5, 11-20. Waar de echtgenoot zelf als aanklager

optreedt heeft er (naar het Oude Testament Num. Hoofdst. V) een

reinigingseed plaats. Koran XXIV, 6-10.

[29] Ontwijfelbaar is het, dat enkele gedeelten door zijne

secretarissen opgeteekend zijn geworden. Ook schijnt hij groote zorg

te hebben besteed, dat zijne openbaringen recht duidelijk en leesbaar

zouden worden opgeteekend. Zoo luidt eene overlevering, dat hij tot Mu

awia die later ook een zijner secretarissen was, zou gezegd hebben:

trek de _b_ recht, verdeel de _s_ ter dege, enz. Deze overlevering

geeft een nieuw bewijs, dat Mahomet, ten minste in lateren tijd, de

schriftkarakters kende, indien hij ook misschien zelf niet in staat

was vlug te schrijven.

[30] Het zou ook mogelijk wezen dat Aboe-Bekr deze en eenige andere

verzen, welke over Mahomets dood handelen, en die nergens in den

samenhang passen, verdicht hebbe, en dat Mahomet inderdaad, ten minste

in de laatste jaren, de geloovigen, ten aanzien zijner sterfelijkheid

in twijfel hebbe willen laten. In dit geval zouden dan natuurlijk al de

gezegden onecht zijn, die op zijnen dood zinspelen; in dit moeten ze

ook wezen, anders had Omar niet het tegendeel kunnen verdedigen. Deze

verdenking van Aboe-Bekr wordt overigens ook gedeeld door De Scay,

dien gewis niemand van zucht voor hypothesen kan beschuldigen. Wel

is waar, men kan Omar verontschuldigen, door aan te nemen, dat hij,

in de eerste ontsteltenis, dit Koranvers zich niet herinnerde; indien

nu, zelfs nadat Aboe Bekr het had opgezegd, niettemin Aboe Hoereira,

de beste kenner des Korans, verklaart, dat het hun allen toegeschenen

was, als hadden zij nooit iets van dat vers gehoord, en wij ook in

den Koran nog eenige andere vinden, welke Mahomets sterfelijkheid

uitdrukten, dan moet men, ten minste indien men eenigen kritischen

geest bezit, het waarschijnlijk achten, dat er latere bijvoegingen

hebben plaats gehad. Die plaatsen in den Koran zijn III 144 en 186,

XXIX 57, XXI 35 en 36 en XXXIX 31.

[31] Hoofdstuk IV vs. 97.

[32] Hoofdstuk II vs. 100 dat, volgens de beste, door Djalalein

aangevoerde leeswijze, aldus luidt: "Wij herroepen geen vers of brengen

er geen tot vergetelheid, zonder het door een beter of gelijksoortig

te vervangen."

[33] De betrekking van Othmans arbeid tot dien van Aboe Bekr is

overigens nog niet nauwkeurig bepaald. Het blijft twijfelachtig, of

Aboe Bekr meer gedaan hebbe dan de oorkonden verzamelen, en of niet

Othman het eerst voorkomene afschriften van deze hebbe doen maken

en tot een geheel smelten. De geleerde QuatremËre, een uitstekend

Oostersche letterkundige, zegt dan ook, naar Moedjmil Attawarich,

dat de khalif Othman, derde opvolger van Mahomet, met onvermoeibare

vlijt zich bezig heeft gehouden, om de verspreide en onsamenhangende

gedeelten van den Koran tot ÈÈn lichaam te doen brengen. In de

geschiedenis van Bekri (een handschrift op de bibliotheek te Gotha)

leest men: Othman was de eerste die den Koran van alle verschillende

lezingen zuiverde en hem deed afschrijven, gelijk hij zich op de

hemelsche plaat bevindt.

[34] Met de woorden: "de eerste zeven uitgaven" worden de

tekstverschillen bedoeld, die door Aboe Bekr opgenomen zijn,

ter onderscheiding van de zeven latere uitgaven der verschillende

geleerde scholen, die slechts afwijkingen in toonteekens en letters

van elkaar vertoonen.

[35] Het exemplaar waarin Othman las, op het oogenblik dat hij werd

vermoord, zoude naar Antartos gekomen en de zeer met bloed bevlekte

bladen, zouden in de moskee van Cordova bewaard geworden zijn. Ook in

Egypte geloofde men in het bezit te zijn eens Korans van Othmans hand,

en evenzeer in Marokko en Tiberias. Het laatstgenoemde exemplaar zoude,

ten tijde der kruistochten, naar Damascus gebracht zijn.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 63 / 89 段