Nu Oost-RoemeliÎ feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het

van zelf, dat ook bij de MacedoniÎrs de wensch naar bevrijding te

sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun

een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd

hier bijzonder moeilijk. MacedoniÎ heeft een zeer gemengde bevolking;

er is geen sprake van ÈÈn volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft

hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren,

Grieken en ServiÎrs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat

moest er met MacedoniÎ gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd

werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvÛÛr was het

niet genoeg ÈÈn natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden

de Grieken en de ServiÎrs niet. MacedoniÎ werd het terrein, waar de

rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten

hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De

Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door

er dan de ÈÈn en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied,

te verleenen. De MacedoniÎrs trachtten tevergeefs een eigen bestaan

als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije

vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd,

waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903

werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen

uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten

gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging

toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet

uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken

oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij

niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij,

bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen

den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma

van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere

mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er

zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan

een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen

Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd

o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht

der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een

dergelijken toestand als op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De

onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in MacedoniÎ duurde voort,

werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan

evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon

ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier

MacedoniÎ, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over

en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende

helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien

het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een

bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet

tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk

deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was,

zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de

oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig

gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield

zich krampachtig vast aan het absolutistisch rÈgime, dat hij van meet

af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij

niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het

bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De

op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger

gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed

Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van

zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen,

haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het

Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn

heerscher wel bizonder hoog!

De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen

in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te

doen. Van het gebied in Afrika en AziÎ was in den loop der negentiende

eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838),

Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo

heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel

om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was ÈÈnmaal

het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali

een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert

Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond

het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De

Engelsche "occupatie" heette tijdelijk, een Europeesche commissie

kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht,

dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en

in geheel Afrika het Nijldal ooit weÍr zou ontruimen. In AziÎ heeft

Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in ArmeniÎ een heel eind

teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in AziÎ nog

uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ÈÈne kwestie,

de Armenische, die in Klein-AziÎ voortdurend de rust bedreigt. Op

schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke ArmeniÎrs meermalen,

v.n. in 1894-1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die

in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken,

werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden ArmeniÎrs werden

door CircassiÎrs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte

aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in

1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel

gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat,

wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden

ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten

beschermer, Rusland, waren de ArmeniÎrs, als Roomsch-Katholieken,

bitter weinig gediend; de ondervinding, door die ArmeniÎrs opgedaan,

die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt

weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de ArmeniÎrs, die,

ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden

werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan

te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te

werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine

verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den

Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in

naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden

die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag

van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit

echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden

deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.

In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den "zieken man" al

meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan

zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van

Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden

een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die

het in den oorlog met Japan van 1904-1905 in Oost-AziÎ geleden had,

ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok,

opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan

te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een

beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals

vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche

politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den

driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland

en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming

van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en

ItaliÎ eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk

anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in

economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee

laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk

gevolg van deze Engelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht

mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou

worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor

het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet

alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het

zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de

hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm†II wijdde door zijne

reis naar Zuid-Oost-Europa en SyriÎ in 1900, een op zich zelf eenig

verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den

belangrijken spoorweg door Klein-AziÎ naar Bagdad aan een Duitsch

syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische

voordeelen, aan Duitschers in Klein-AziÎ verleend, werkten ook weÍr de

zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in

de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan

Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den

Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt

niet, dat Abdoel-Hamid†II zich van de veranderde omstandigheden iets

aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte

van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van

Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In

MacedoniÎ, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.

Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang

der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen

van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel

waren Oostenrijk en ServiÎ op den duur van elkander vervreemd,

v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der

Karageorges, dat n· den moord op den laatsten der Obrenowitch,

koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw

aan de regeering gekomen was. ServiÎ en Rusland, dat van ouds in

Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot

elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de ServiÎrs in

BosniÎ en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden

worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp

kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar,

want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische

Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze

bedreigen. RoemeniÎ was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen

en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men,

nu ServiÎ den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer

bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche

regeering om, die--om MacedoniÎ--Bulgarije misschien het allerslechtst

gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de

andere staten stond.

"Drijvend" mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder

zeilen of riemen en roer noemen. EÈn duw, ÈÈn groote crisis--en het

ware gedaan geweest. Maar daarvÛÛr kwam een revolutie in het rijk zelf,

waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar

voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken--want hun opstand

van 1908 bedoelen wij--de kracht gevonden het verval te beÎindigen? De

zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht

deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen

deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is

een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit

aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het

verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van

een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.

AANHANGSEL.

Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops

melding. Zij vormden vÛÛr 1908 geen kracht van beteekenis in het

rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vÛÛr 1878 van zich

hadden doen hooren, waren onder het rÈgime van Abdoel-Hamid gedwongen

het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche

wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met

Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder

hen beraamden programma's van hervormingen. Zij dweepten niet als de

vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem,

oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den

Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek,

maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem,

als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de

absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde

vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs

deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral

in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen

gestichte comitÈ voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk

onder de troepen, die in MacedoniÎ waren bijeengetrokken. Moeilijkheden

van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het

uitbreken van een militairen opstand onder dezen.

In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comitÈ en

eenige Jong-Turkschen officieren in MacedoniÎ het herstel van de

constitutie van 1878. Van AlbaniÎ uit werd hierop bij den sultan

aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen

naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op

den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld

was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd

het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder

Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich

opende en dat de Macedonische en andere kwesties van zelf zouden

verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele

verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....

Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In

October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij BosniÎ en Herzegowina

annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve

veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije

teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van

Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-RoemeliÎ beide: hij

ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde

dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand,

die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten

ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-RoemeliÎ

zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die

ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen

zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet

zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen,

om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze

formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der

entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in ServiÎ

een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook ItaliÎ,

waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind

was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon

vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder

aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de

zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde

zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den

Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche

staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde

zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote

Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt,

dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld

had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering

van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte,

droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te

bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging

tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der

entente, en in ServiÎ. De regeering had geprotesteerd en er was een

boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm

had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig

bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van

2-1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten--rechten,

die alleen nog in naam bestonden!--af te staan; hij bedong bij de

voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909

nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de

Mohammedanen in de beide gewesten, ten deele althans, bewaard

bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen

medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiÎn der vreemde

mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan

bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken

hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen

Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest

van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden,

terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden

aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige

zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen

der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm

in Europa. Het laatst moest ServiÎ zich gewonnen geven. Oostenrijk

eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich

bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet

terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze

gebeurtenissen veeleer verscherpt.

Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt,

minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig

door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik,

om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de

overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep;

hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien

van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij

sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comitÈ van Unie en

Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te

Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels

uit voorstanders van het comitÈ bestaande, geheel gewijzigd. Maar

onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de

Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel

van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in

de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een

nationale vergadering--als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging

geconstitueerd had--te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid

af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed†V tot

diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki

aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom

werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van

het comitÈ zelf.

Nu mocht men verwachten, dat de in Juli 1908 verkondigde idealen hare

verwezenlijking nabij waren. Maar juist het omgekeerde gebeurde. Wel

bleef de constitutie gehandhaafd, maar in allen deele uitgevoerd

werd zij niet. En tusschen de Christenen en de Jong-Turksche

regeering werd de verhouding spoedig heel slecht. Dit is buiten

kijf de schuld der laatste. In de praktijk toonde zich deze zeer

chauvinistisch-Turksch. Niet om gelijkstelling bleek het haar te doen,

maar om gelijkmaking, om assimilatie van de verschillende deelen

aan de Turksche norm. Afschaffing van alle bijzondere rechten, den

onderdeelen in verschillende mate toegekend, en sterke centralisatie

van de regeering werden de leus. Het moge waar zijn, dat de Jong-Turken

hiermede de verwezenlijking van zekere moreele idealen hoopten mogelijk

te maken, zij lieten zich, om hun doel te bereiken, van geen middelen,

hoe slecht en onpractisch ook, afschrikken en toonden daarbij weinig

staatkundig talent. Zij deden, zooals dwepers veelal doen, en men

is geneigd hen met eenige zachtheid te beoordeelen, juist omdat ze

dwepers waren en omdat ze voor zulk een geweldig zware taak stonden:

de bereddering van Abdoel-Hamid's nalatenschap!

Wat al plannen hebben zij geÎntameerd! Ze wilden de Turken in de niet

meer onder Turksch bewind staande landen, in en buiten Europa, naar

Turkije overbrengen, daarmede de Turksche bevolking versterken en over

de Christelijke den baas worden. Ze wilden de scholen overal naar ÈÈn

model, een Turksch model natuurlijk, inrichten. Tot Ottomanen zouden

alle onderdanen van den Turkschen staat gemaakt worden,--naar ÈÈn

uniform model. En dat in een staat, waar juist de grootst mogelijke

verscheidenheid van taal, godsdienst, gewoonten bestond! Verzet, dat

natuurlijk niet uit kon blijven en ook waarlijk niet uitbleef, zou

met geweld worden bedwongen. Ontwapening van de deelen, waar verzet

gepleegd werd, was hiertoe een eerste schrede. Nu verdween de geest

van verbroedering van 1908 zeer snel. Niet alleen in de Christelijke

streken van den Balkan, ook in de door Mohammedanen bewoonde werd het

roerig, tot in SyriÎ toe, waar juist de Arabieren in den beginne den

Jong-Turken zeer goed gezind geweest waren, maar--van de centralisatie

waren ook zij volstrekt niet gediend. Evenmin als de Albaneezen,

ze mochten dan den Islam of het Christendom aanhangen, die juist

op hunne groote mate van zelfstandigheid prat waren geweest. Van

1909-1911 kwam het onder hen van opstand tot opstand. In MacedoniÎ

begonnen de gevechten opnieuw; de toestand van vÛÛr 1908 keerde

terug. De regeering toonde zich ontegenzeggelijk krachtiger dan die

van Abdoel-Hamid. In 1911 behaalde ze niet onbelangrijke voordeelen

in AlbaniÎ en in MacedoniÎ schenen de benden het nu tegen de Turksche

troepen te moeten afleggen. De laatsten hadden het misschien nog verder

kunnen brengen, ware de kracht van het leger, doordat vele officieren

te veel aan politiek deden, waardoor de tucht verslapte, niet ten

deele ondermijnd. Ook het opnemen van de Christenen in het leger,

gevolg van den nieuwen toestand, had op den samenhang een nadeeligen

invloed. Het is moeilijk te zeggen, wat het einde van deze ontwikkeling

zou geweest zijn, indien deze in volle vrijheid, zonder belemmering

van buiten af, had plaats gegrepen. Maar dit was niet het geval.

In September 1911 ondernam ItaliÎ een expeditie naar Tripoli. De stad

werd vrij gemakkelijk bezet. In het binnenland boden de Arabieren,

door een klein aantal Turken versterkt, hevigen tegenstand. Het

zou niet anders gegaan zijn, ware Abdoel-Hamid nog aan de regeering

geweest. Maar nu kregen de Jong-Turken de schande der nederlaag te

dragen en dit verhoogde hun aanzien niet. Men mocht hun met eenig

recht verwijten, dat zij zeer weinig gedaan had, om de in diep verval

verkeerende marine op te beuren, zij had in drie jaar toch niet genoeg

kunnen doen, om ItaliÎ ter zee te weerstaan--en dit zou het eenige

middel geweest zijn, om Tripoli te behouden. Terwijl de strijd in Libye

nog voortduurde, sloot de Turksche regeering met ItaliÎ te Lausanne

vrede (October 1912): zij stond Tripoli af, waar de sultan dergelijke

rechten behield als in BosniÎ en Herzegowina; zij verplichtte zich de

Turksche troepen uit Libye terug te roepen; tot zoo lang zou ItaliÎ

eenige eilanden in de AegeÔsche Zee (waaronder Rhodos), die het tijdens

den oorlog bezet had, behouden. Zeer onvoordeelig was dit einde; geen

geld zelfs was tot afkoop bedongen! Turkije had den afloop verhaast,

omdat het wist, dat veel grooter gevaar dreigde.

Het optreden der Jong-Turken en het gevaar voor een mogelijke

versterking van den Turkschen staat had de Christelijke staten

op den Balkan tot elkander gebracht. Het plan tot hunne onderlinge

aaneensluiting was reeds lang van enkele zijden bepleit. Het leek ook

zoo aannemelijk en zoo eenvoudig: de Christenen samen, om den Turk te

verdrijven! In werkelijkheid waren de moeilijkheden even groot als die

een aaneensluiting van de groote mogendheden in Europa tot hetzelfde

doel sedert de 18e eeuw in den weg hadden gestaan; wat moest er

gebeuren met het land, dat men den Turken zou ontnemen? Met MacedoniÎ,

waarop Bulgarije, ServiÎ en Griekenland alle drie aasden. Met AlbaniÎ,

dat ServiÎ, Montenegro en Griekenland al even zeer begeerden. Met

Constantinopel! En natuurlijk zouden de groote mogendheden de

definitieve regeling niet buiten zich om laten geschieden. Rusland

had de hoop op Constantinopel niet definitief opgegeven. Oostenrijk

en ItaliÎ wenschten geen sterken staat aan de Adriatische Zee. Hierin

stemden de belangen dezer beide, anders meer en meer divergeerende

landen overeen. In het laatste stadium der Turksche kwestie in

Europa zouden al deze belangen stellig tot hun recht trachten te

komen. Het was onmogelijk ze alle vooraf met elkander te verzoenen. De

aaneensluiting van Bulgarije, ServiÎ, Montenegro en Griekenland in

1912, die men gewoon is den Balkanbond te noemen, was slechts een

bescheiden poging, om althans enkele onderlinge geschilpunten uit

den weg te ruimen en zoo het gezamenlijk optreden mogelijk te maken.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 62 / 89 段