verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral,
nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het
autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht
en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839-1858 verdreven,
kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als
vorst in ServiÎ terug. Zijn zoon MichaÎl volgde hem in 1860 op volgens
het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaar zonder toestemming van
den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer
gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen
in ServiÎ, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na MichaÎls
vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de
Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een
Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des
sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was ServiÎ dus onafhankelijk
en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien
een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze
ÈÈn hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook
Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand
werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke
geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van
RoemeniÎ--zoo heette de nieuwe staat--een koninkrijk te maken met een
buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit
vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie,
de regeering zou voeren.
De rustige rust, die van 1862-1875 uiterlijk in het Turksche rijk
heerschte--onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat
aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld
zag--, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de
nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij
te maken. BosniÎ en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting
te bewerken bij de ServiÎrs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije
werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich
met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland,
Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander
verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen,
die het in den Fransch-Duitschen oorlog [2338] gekregen had, en kon
daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende
houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden
den opstand daardoor beÎindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer
ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De
sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste
middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording
van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting
van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden
ongehoorde wreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van
Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan
het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. "In enkele dagen
gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend
menschen minstens werden gedood, tachtigduizend waren dakloos" (1876).
Het geduld van de ServiÎrs en de Montenegrijnen, van den beginne af
brandend van verlangen om de opstandelingen in BosniÎ en Herzegowina
te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was
uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden
zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche
partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel
deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad†V, een zoon van
Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg
reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken
voor zijn broeder Abdoel-Hamid†II, van wien de hervormingspartij niets
te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de ServiÎrs
niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha,
die geheel ServiÎ dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden
zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den
waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in
Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander
†II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten,
maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger
was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der
andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te
voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te
Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid
om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger:
Gladstone, de leider der Whigs, gunde "den grooten moordenaar"
te Stamboel niets goeds, maar DisraÎli, toen aan het bewind, was
fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van
een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan
de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen
werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had
hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd,
waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met ServiÎ
zou worden geÎischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te
zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen
niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde
de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige
constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het
hervormingsbesluit van 1856--uit eigen beweging hervormingen dus!--en
tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die ÈÈnparig
de voorstellen der mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het
Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat
er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan
voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig
om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der
onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland's
handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te
bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging
tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro--ServiÎ had reeds
vrede moeten sluiten--besloot, tastte Rusland door en verklaarde
in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede
gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het
Oostenrijksche leger BosniÎ en Herzegowina zou bezetten. Ook van
Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een
langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land
gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne
bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen
grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen
onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.
Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een
bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds
lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel
van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het
Balkanschiereiland vrij te maken. RoemeniÎ sloot zich bij Rusland aan,
niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het
doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet
anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd
door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko,
ÈÈn der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd
hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche
troepen, ÈÈn der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche
geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar
uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs
bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot
een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol
gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden
waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een
reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een
Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles
gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door
de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren
(Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het
eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over,
namen Sofia, Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder
Melikoff verschillende veroveringen in ArmeniÎ gemaakt had. De Porte,
nu ook weÍr in oorlog met ServiÎ, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen
had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan
te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen
en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele
onafhankelijkheid van ServiÎ, Montenegro en RoemeniÎ; uitbreiding van
gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van BessarabiÎ, dat aan
Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor RoemeniÎ; autonomie van
Boelgarije, d.w.z. 't eigenlijke Boelgarije met Oost-RoemeliÎ en een
deel van MacedoniÎ, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en
autonomie van BosniÎ en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch
blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van
eilanden in de Donaumonding met grondgebied in AziÎ, o.a. de stad Kars,
voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije
opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander†II behaalde.
Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit
schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna
zoo gauw afgeloopen, dat zij, vÛÛr het tot onderhandelingen gekomen
was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra
de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot
tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten
van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund
door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van
BosniÎ en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun,
was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen
Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander†II toe in een
congres te Berlijn, waar Duitschland zijne "goede diensten" aanbood om
de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en
Rusland het reeds eens geworden vÛÛr de opening van het congres, dat
daardoor precies in ÈÈn maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween:
alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel
autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie
Oost-RoemeliÎ kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door
de Porte benoemd worden; MacedoniÎ bleef geheel Turksch; Montenegro
en ServiÎ kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan;
Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende;
ServiÎ alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van BosniÎ
en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch,
maar Oostenrijk zou ze "occupeeren" en besturen; om ze te beter te
kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire
bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het ServiÎ en Montenegro
van elkander zou scheiden, BosniÎ en Herzegowina ook aan den Oostkant
insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan
zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere
pil van den afstand van het deel van BessarabiÎ eenigszins verzacht,
doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet
aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in AziÎ besnoeid
werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus
en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee,
van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het
ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren
tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland
zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen,
dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!
Het verdrag van Berlijn is ÈÈn van de zonderlingste producten,
die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als
compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden,
waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te
brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan
pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal
gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den
oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken,
terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst
was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn
invloed in ItaliÎ en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte
positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur
nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het
Westen. Rusland daarentegen, dat RoemeniÎ diep gegriefd had, dat
groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het
was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden,
weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet
opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele
verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de
ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen
zich vooral om Boelgarije, Griekenland en MacedoniÎ.
Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven
bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van
voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in
het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862
gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd
George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen
koning Eduard†VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland
aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den
Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de
toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit
gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877 geen
rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik
te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het
Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen
zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen,
waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig
lust vertoonde, aan Griekenland's wenschen tegemoet te komen, begon
hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op
aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland,
gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat
het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van ThessaliÎ tot aan de
Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland
werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd
vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit
eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te
ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen
van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten
gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend
onrustig op het eiland, niettegenstaande ook de mogendheden
zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs
dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht
op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met
het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de
mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom,
doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in
het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland
te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche
leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk
hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en
daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te
Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een
klein deel van het in 1881 in ThessaliÎ verkregen gebied en het betalen
van een oorlogschatting. Bovendien--dit eischten de mogendheden voor
zich--zou een internationale commissie te Athene contrÙle krijgen op
de Grieksche financiÎn. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding:
in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland,
die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden
onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning,
als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen
de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde,
om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg
het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor
het eiland goede vruchten.
Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de
Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in 1879 den door het
Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische
keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat
door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen
van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was
het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland's overwicht
vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven,
waarom hij Rusland's gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885
de Oost-RoemeliÎrs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de
Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en
Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging
van Boelgarije en Oost-RoemeniÎ tot stand kwam. Hiertegen verzette
zich in de eerste plaats koning Milan van ServiÎ [2339], die
door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord
achtte. ServiÎ en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van
Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk,
dat ServiÎ hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter
baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere
mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander's
regeering over Oost-RoemeliÎ, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur,
maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde
zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland
had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het
vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander
buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de
niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen
trachtte hij zich met keizer Alexander†III te verzoenen, maar deze was
onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiÔng met Boelgarije te
zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna
vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde
er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met
Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar
heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen
invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen
vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van
Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden
en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait
accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon
een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand
en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk,
dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield
Alexander†III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren
geduurd, vÛÛrdat Rusland den nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit
is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in
1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had
plaats onder keizer Nicolaas†II, die in 1896 als peet van Ferdinand's
zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was
de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne
dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal
van RoemeliÎ door de Porte en door alle mogendheden erkend.