in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden
ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon
Jozef†II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland
droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten
veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst
tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen
van Catharina†II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die
plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En
hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen
vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan
werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het
Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het
Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden
gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.
Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide
vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen
verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit
schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie
aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten,
maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk
hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen
vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke
belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den
strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag
van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.
Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina†II nam een zeer uitdagende
houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het
door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling
gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te
erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa†III
(sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg
(1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne
verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan
Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te
ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerd van de
ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden
gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den
groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de
grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger
werd uit ServiÎ gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder
echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen
onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg
Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het
volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten
de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado,
Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen
en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.
Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam--het wordt
haast vervelend om het te zeggen--alweer steun van buiten. Pruisen
en Engeland waren dezen keer de redders. Pruisen, verontrust over
de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere
redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide
landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen
zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst,
hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende,
die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De
eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen
Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning
Gustaaf†III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin
het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets
liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal
zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want
Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden
noodig en Gustaaf†III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht,
tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen
Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere
afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in
BelgiÎ, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den
vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een
ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde--en te midden daarvan
(Febr. 1790) stierf Jozef†II. Zijn broeder en opvolger, Leopold†II,
brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo
spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook
onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich
in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en--van de
Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke
verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden
begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold†II
zich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde;
de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren
Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.
Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791
nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar
sloot het ook vrede en alweÍr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende
voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van
Catharina†II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging
ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen:
dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral
was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin
een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er
bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land
tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen
teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die
in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).
We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die
haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep
en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke
veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der
omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen
Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie,
die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch
geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim†III (1789-1807),
zoon van Moestafa†III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de
achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan
die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat,
zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw
leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij,
gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde,
wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor
hunne voorrechten, ontstond en Selim†III werd afgezet (1807). Een zoon
van Abdoel-Hamid, Moestafa†IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de
oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker
waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond
een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den BaraÔktar, d.i. den
Standaarddrager, die Selim†III weÍr op den troon wilde plaatsen. Maar
Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa†IV, die echter
toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed†II sultan, broeder van Moestafa,
door zijn neef Selim†III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook
hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu
weÍr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen
tot een meer geschikten tijd uit te stellen.
Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land
tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft [2336]; het was de schuld van de
voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was
zijn ideaal om een tocht naar AziÎ te ondernemen, waartoe het plan
meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou
Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte
bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij
zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te
zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan
niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te AlexandriÎ
geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij
niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig
om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen;
het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust,
bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om
St. Jean d'Acre, door Napoleon op zijn tocht naar SyriÎ belegerd, te
verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte
gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de
landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799
naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende,
brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee
jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.
Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen
Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering
er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke
verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover
zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd
de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong
er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den
strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar
Alexander†I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen
Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische
en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het
Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van
alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans
†I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel
om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland,
begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland's eischen te
Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingen
door vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde
de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel
tot de verdediging bij: SÈbastiani, de Fransche gezant, gesteund
door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig
om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal
Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806
de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten
nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog
geraakt was, te steunen.
Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije
belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander†I en Napoleon een nauw
verbond gesloten, om samen, de ÈÈn in Oost-, de ander in West-Europa,
te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor
Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije
als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de
Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe
bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit
Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was ÈÈn
bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en
de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den
duur ÈÈn der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De
kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808),
maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin,
maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende
weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden
worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke
schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette
Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch
leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen
gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het
een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van
dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog
met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken
uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander
†I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken
met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland,
gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth,
BessarabiÎ, kwam aan Rusland; GeorgiÎ en MingreliÎ in den Kaukasus,
nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten
Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig
onder den Russischen.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de
nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in
de verhouding van het overige Europa tot de Porte dit verschil op te
merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche
rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral
Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije
te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan
wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk
bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel
uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die
belangstelling van alle groote mogendheden--alleen Pruisen bekommerde
zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot
van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen
kanselier Von Metternich--kreeg de Turksche kwestie een geheel ander
aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren
allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de
Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur
niet zÛÛ kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen
waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere
stap, die ÈÈn der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de
anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral
Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op
een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar
dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland,
dat in AziÎ de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was,
zou dit niet meer dulden. ZÛÛ teer was de zaak reeds, dat men haar op
het Weener Congres, waar Napoleon's politieke erfenis geregeld werd,
onaangeroerd liet.
Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de
negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk
of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in ÈÈn hunner oorlogen
tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of
meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden
waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het
Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in
de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en
toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die
volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich
te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen
in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie
overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging
aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de
"vrije volken" krijgen, maar--het zou weldra blijken--die volken
bedoelden het anders.
We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije
in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingen deed ontstaan: zoo
vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak
dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag
van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten
tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik
nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het
bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam
voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van
een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend
aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn
dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd
nog niet gekomen.
Ernstiger was de opstand van de ServiÎrs in 1804, want deze was
zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado
waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen
die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de
Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de ServiÎrs bemerkten,
wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden
zich een eigen regeering. EÈn hunner leiders, Kara Georges--evenals
de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets
aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers--kwam
aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter
zijde. ServiÎ dacht zich al vrij, maar toen Alexander†I, onder wiens
bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest,
waarbij hij voor ServiÎ amnestie en eigen bestuur had bedongen,
zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het
Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten,
ServiÎ zich onderwerpen (1813). De ServiÎrs echter, die nu eenmaal
de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in
verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider
en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de
ServiÎrs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed
op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den
sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.
Roemenen, Boelgaren, ServiÎrs begonnen--was het wonder, dat het
ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende
genootschappen, als de hetairie der "philikoi", onder bescherming
van Alexander†I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de
studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden,
bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot
er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche
landen uitbrekende revolutiÎn, gericht tegen de na Napoleon's val
ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje
en de Italiaansche staten op niets uit, want de heilige alliantie,
een werktuig in Metternich's hand, kwam voor het behoud der bestaande
regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg
teeken, dat Alexander†I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van
sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich's
invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht
te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan
ondervond Alexander Ypsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen
hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en
aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere
Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den
opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen
in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun,
want de Roemenen waren verbitterd op de Russen Ën om het wegnemen van
BessarabiÎ Ën om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in
de Donauvorstendommen uitgeoefend. Ypsilanti moest vluchten, werd in
Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten,
zonder dat Alexander†I een vinger voor hem uitstak.
Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie
den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot
succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man,
pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne
geboorteplaats, had zich in AlbaniÎ een zeer groote autoriteit weten
te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den
sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche
troepen in AlbaniÎ vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in
1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de
Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm
aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten,
burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in
betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die
vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden,
geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit
den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand
op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van
Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte
diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde
een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit
een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den
sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte
(1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811),
een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel
zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd,
naar Fransch voorbeeld ingericht, en hij trachtte langs allerlei
wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed†II
zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij
een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in ArabiÎ,
die ook werkelijk door Mehemet's zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen
belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van
den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek
van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche
bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim
trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed
als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den
nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den
opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg
van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op
een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de
Turken schenen geheel Griekenland weÍr te zullen overmeesteren.