In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen

oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer

had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover

Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te

wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier

en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders,

20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn

zegel en eenige vrouwen van den harem waren in 's vijands handen

gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld

worden. Weer was 't een Kˆprili, Houssein-Amoedja-ZadÈ, een neef van

Kˆprili†I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij

maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een

vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was

er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt,

ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen

Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk†XIV de Porte aangespoord

den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden,

die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw

een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare

bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699) [2333],

eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte

zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije,

behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over

Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd

door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van

Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na

den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal

ServiÎrs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche

heerschappij te ontloopen. Leopold†I liet ze daar gaarne toe Ën om de

verdediging der grenzen Ën om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren

te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen:

PodoliÎ en de West-Oekraine, in den tijd van Kˆprili II door de Turken

veroverd [2334], moesten nu terugegeven worden. VenetiÎ behield den

Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van DalmatiÎ.

Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook--en nu voor het

eerst--een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen

had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de

Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van

weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens

teweeggebracht. Na zware barensweeÎn was er onder de volksstammen

van Oost-Europa een rijk gesticht, dat MoscoviÎ en later Rusland

heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig

oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne

Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den

bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het

eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij

de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de

schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig

om de Russische belangen en Peter†I, die sedert 1689 zijne zuster

Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen

vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een

belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond

Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte

Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede

bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland

nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de

eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken

godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.

In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld

van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven

dragen. Geen verbeteringen, want de nieuwe Kˆprili was reeds in

1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa†II,

die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn

broeder Ahmed†III (1703-1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals

Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen

poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de

Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel

Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans

†II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon

bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten

Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden's overwicht aan de

Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden

een aandeel, maar op welk een wijze! Karel†XII, de Zweedsche koning,

was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn,

gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne

pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter

vruchteloos, evenals die van den Franschen gezant--nu hij tijdens den

Spaanschen successieoorlog in zware moeilijkheden geraakte, versmaadde

Lodewijk†XIV de Turksche hulp niet!--om de Porte tegen Oostenrijk op te

zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de

Porte een bevel te verkrijgen om Karel†XII uit Bender te verdrijven,

maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel

ten gunste van Karel†XII keerde, was een gevolg van de overmoedige

houding, door Peter†I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste

deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen,

begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo

zwak bleek. De hospodars van Walachije en MoldaviÎ beiden stelden

zich met Peter†I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan

onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland

en ServiÎ bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.

Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd

van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten

in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den

van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier

Baltadji-Mehemet--opvolger van een vijfden Kˆprili, Nauman geheeten,

die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd

afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte

te voorkomen (1710)--bracht een leger van Turken en Tataren bijeen

en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in

(1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog

Peter's maÓtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster,

naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door

Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter†I moest Azov teruggeven,

terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht,

zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de

Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af

iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een

inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar

benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in

heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op

zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden

door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit

verdrag van de Proeth bleef Karel†XII in Bender en later in Demotica,

maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen

krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder

invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden

teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.

Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van

de bemoeiing van Peter†I met de binnenlandsche aangelegenheden van

Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met VenetiÎ, omdat de

Venetianen steun hadden verleend aan Montenegro. Dit kleine vorstendom

was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het

wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo,

die zich ook in verbinding had gesteld met Peter†I, was tijdens diens

oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter

zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd,

maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de

Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen

verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp

van VenetiÎ. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden

staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier

Damad-Ali veroverde, wat VenetiÎ in den Peloponesus bezat, en bedreigde

de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na

een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu

koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden,

onmiddellijk de partij van VenetiÎ. Eugenius van Savoye bracht den

Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein

(1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van ServiÎ. Was

het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt

door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije

zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om

Spanje's uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot

dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar,

Belgrado met een deel van ServiÎ en klein-Walachije, n.l. het land

tusschen Donau en Oltoe. VenetiÎ, ook in den vrede begrepen, verloor

den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische

Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo

machtige republiek en Turkije; VenetiÎ speelde in de achttiende eeuw

geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en

nog vÛÛr het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan

een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende

den oorlog onderworpen door Kˆprili-Nauman, toen pacha van BosniÎ,

wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo

goed als geheel te handhaven.

In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende

eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere

gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal

vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter†I den weg

opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra,

vooral sedert Catharina†II czarin werd, beschouwd als ÈÈn der groote

Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon

doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om

zijne positie in ItaliÎ en in Duitschland dan om uitbreiding op het

Balkan-schiereiland. Rusland daarentegen had geen directe belangen in

West-Europa en de uitbreiding over Noord-AziÎ, die ook in de achttiende

eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig

voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne

aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van

Nyst‰dt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en

Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land

tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral

Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije's strijd met Rusland

een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden

dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.

Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was

in de dagen van Peter†I en ook daarna de uitbreiding van het eerste

land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vÛÛr zijn dood (1725) geen

gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog

verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar

dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van PerziÎ. Gebruik

makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in PerziÎ bestond,

trachtten de beide landen in en om den Kaukasus naar veroveringen in

die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden

hadden (zie hiervÛÛr, blz. 684) en waar Rusland van Astrakhan uit

nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar

de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood

van Lodewijk†XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe

een vrede (1721 en 1724). Na Peter's dood (1725) was Rusland door

binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover PerziÎ en

Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde

niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah

van PerziÎ geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte

weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen

beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid,

Rusland slimheid getoond.

De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra

keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter†I, die de regeering

geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg,

d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor

het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche

koningskeuze beslist hadden, geÎindigd was. Vereenigd hadden de beide

grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon

gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte

op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede

aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov,

drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in ServiÎ en kwamen

vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. Sultan

Ahmed†III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed†I, een zoon

van Moestafa†II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen

baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken

herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor

hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover

Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze

beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste

van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door

de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger

bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te

Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn

toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed

geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme,

de Turksche troepen tot actie te brengen.

Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger,

door keizer Karel†VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder,

prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn

eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was

plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in

het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een

langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want

het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel

had een leger onder M¸nich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den

Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog

in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee

jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen

werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen

in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang

verdedigen, maar Karel†VI, geheel onder den invloed van den schrik van

het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen

tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado

met het deel van ServiÎ en klein-Walachije, die het te Passarowitz

had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook

Rusland, ofschoon M¸nich nu de Proeth overgetrokken was en daar een

schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen

terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).

Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche

mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen

successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien

Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde

voort: evenmin als Mahmoed†I deed zijn broeder Osman†III (1754-1757)

iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder

Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa†III, een zoon

van Ahmed†III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van

het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren

en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne

voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde

verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.

Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der

achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten

einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de

beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden

bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de

verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund

werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging

van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld

koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te

Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in

Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij

Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer

in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het

vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa†III

voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland

nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van

kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland

ÈÈn der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan,

te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde

Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen,

stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door

Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte

als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen

uit Polen terug te trekken.

Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het

fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg

(1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk

Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina†II om

zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon

men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden

door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de

Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en--het was hare eerste

actie van groote beteekenis--vernietigde de Turksche bij Tschesme

op de kust van Klein-AziÎ (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben

de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins

krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte

gedurende eenigen tijd de AegeÔsche Zee, maar hare kwaliteit was ook

niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten

of andere veroveringen te maken. Ook den Grieken, die, door Rusland

aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze

eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder

veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner

als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij

schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf

gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen [2335]. Belangrijker was,

wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over,

behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger

van den groot-vizier Mouezzin-ZadÈ--ÈÈn der zeven groot-vizieren,

die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!--te Sjoemla in. Maar

weÍr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden

van andere mogendheden.

Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding,

vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te

geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina†II,

die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden

neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een

verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het

Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want

de Pruisische koning, Frederik†II, bewerkte een andere oplossing

om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand,

omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn,

stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel

van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke

voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina†II, ofschoon zij ongaarne

wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche

vorstin, deed hetzelfde--en de eerste Poolsche deeling had plaats

(1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji:

Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj

en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg,

o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd

was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal

indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden

geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de

Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen

bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid

zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien,

wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken

godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu

ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens

en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).

De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk

boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog ÈÈn

onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun,

dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel

dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te

weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even

eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden

van dit land hadden afgenomen.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 58 / 89 段