geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt,
die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader,
vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag
wist te handhaven, totdat hij onder Selim's opvolger Moerad†III
vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt
(hiervÛÛr blz. 685) en een oorlog werd gevoerd tegen VenetiÎ. Die
republiek was in voortdurende wrijving met de Porte [2331]; overal
grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden
over rooverijen voor. Vooral de eilanden Cyprus en Creta waren voor de
Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de
Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog,
waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd
Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor VenetiÎ. Paus Pius†V,
de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en
bovenal Philips†II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot
bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van
Karel†V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van
Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij
ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta
konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de
"kruisvaarders" zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen
gebruik konden maken, en Philips†II, de voornaamste der bondgenooten,
kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen;
hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor
het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw
bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had
VenetiÎ onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan
Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).
Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog,
dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd
de vrede, door Selim†II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het
eerst weÍr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen
van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd
de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen,
toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na
het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voÔvode
gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de
survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf†II. Gevaarlijker nog
was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de
Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van
den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met
Rudolf†II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman
en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle
Roemenen in ÈÈn rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en
MoldaviÎ, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij
te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot
uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa
wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.
De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en
in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije
zich niet dan met de uiterste inspanning staande tegenover de
keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te
velde te gaan. Het was Mohammed†III, zoon en opvolger van Moerad
†III, die in 1574 zijn vader Selim†II opgevolgd was. Mohammed
†III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers;
zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in
1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij
Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet
plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat
ÈÈn van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten
sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije
kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de
jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald
had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory,
die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel
had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voÔvode van
Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen
invloed begint te ontsnappen. In MoldaviÎ en Walachije werd de oude
toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen
vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had
het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder
Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te
hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.
Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der
zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot
uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan
den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen
evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren
van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een
voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk
kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar
op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.
Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft
der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht
trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven
veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed†III, Ahmed†I
(1604-1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is
bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was,
niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af
raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is
er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij
leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen,
maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd
na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman†II, zoon van Ahmed†I,
die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en
ook verbeteringen wilde aanbrengen in den toestand, maar juist daarom
kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan:
ze namen Osman†II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit
was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de
militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende
vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger
regeerde. Dit veranderde onder Moerad†IV, een tweeden zoon van Ahmed
†I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd
in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig,
maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen
trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de
orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad†IV stierf reeds in
1640 en zijn jongste broeder Ibrahim†I was van geheel ander maaksel:
hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk,
verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van
het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet
verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen
van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in
een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad†IV gevoerd, onderscheiden
had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.
Toch begon juist onder Ibrahim†I een nieuwe oorlog met VenetiÎ, waarvan
nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den
sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken--en gemakkelijk liet
vinden. Het grootste deel van het eiland met ÈÈn der twee vestingen,
Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar
de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats
van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen
en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl
hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije
scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had
een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen
Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering,
waaraan zelfs Ibrahim's moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed,
meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn
zevenjarig zoontje Mohammed†IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk
voor hem.
Mohammed†IV en zijne naaste opvolgers SuleÔman†II (1687-1691),
en Ahmed†II (1691--1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet
afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering
deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der
zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht
door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Kˆprili. Het is de
verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed†IV, die na Koezem den
meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-AziÎ
groot-vizier maakte, en nog meer die van Mohammed†IV zelf, dat hij
dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk†XIII van Frankrijk
Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Kˆprili behoorde, stamde uit
AlbaniÎ en was vandaar geÎmigreerd naar Klein-AziÎ, zich vestigende
in het plaatsje Kˆpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed
Kˆprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche
rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was "geen
geleerd man"; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar
hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij
beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons
handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen
niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te
brengen. "Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd
van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der
onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan
de gehoorzaamheid afhangt," dit waren de eenvoudige raadgevingen,
die Kˆprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart
zou gedrukt hebben (Ranke). ZÛÛ groot was zijn invloed geworden, dat
zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in
de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding
genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens
wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de
gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan
vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.
Kˆprili I en Kˆprili II hebben aan het Turksche rijk iets van
zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het
ÈÈnmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van
den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline
in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het
geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het
met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke
toestanden in het rijk konden ook de Kˆprili niet veranderen; hun
persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer
zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim
weer intreden. En zelfs met de Kˆprili, wat was het Turksche rijk
vergeleken bij vroeger! Alleen tegen VenetiÎ kon, zooals ons weldra
zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een
nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen
behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit
ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl
de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en
legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote
verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie
der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als
Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein; alleen de Turken
gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in
hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit,
de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop
we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige
Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten
gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er
een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste
Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg,
vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk's invloed
was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid
bij uitstek te worden en koning Lodewijk†XIV wenschte niets liever
dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het
huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van
Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van
Frans†I. Bovendien, Lodewijk†XIV, religieus aangelegd, poseerde
gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom,
als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had
Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis
Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.
Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk
opnieuw in een oorlog wikkelden. De voÔvode George†II Rackoczy had
zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting
eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George†II
kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen
een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Kˆprili†II, die
in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been,
dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije
vertoonde. Het leger van keizer Leopold†I onder graaf Raymund van
Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen
de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen
bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk†XIV bood
op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan,
dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het
Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best
geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid--men
spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!--een schitterende
overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije,
dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag
een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw
vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag
van Sitvatorok. VoÔvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend
man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne
zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw had zijn
prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op
Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken;
de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold†I toen in Hongarije had
met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de
Porte de handen niet geheel vrij.
De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen
eenigermate uitgewischt. Had VenetiÎ vÛÛr het optreden van Kˆprili I
enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake
en Lemnos, met Kˆprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen,
de Dardanellen en de zeÎen beter beveiligd--en ten slotte onder Kˆprili
†II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk†XIV
een klein hulpcorps gezonden op verzoek van VenetiÎ, maar dit was niet
voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene
hulp gekomen, ofschoon VenetiÎ ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs
in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden
hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet
gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden
groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche
Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig
handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze VenetiÎ steunen, dan
stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer
van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een
politiek als die van Lodewijk†XIV, die eerst zijn godsdienstbelang
en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde,
en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven
aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun
onderlinge handelsnaijver: al had ÈÈn van beiden ernstige neiging gehad
om VenetiÎ te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan
hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op
handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor
zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid,
was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo
gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de
Middellandsche Zee. Meermalen is het door ÈÈn der landen voorgesteld,
meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van
Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde
te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen;
men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een
verdrag met ÈÈn of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook
alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets
afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe
dan een gezamenlijk optreden ten gunste van VenetiÎ te verwachten!
Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met VenetiÎ, een
nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom
in Zuid-Oost-Europa rust. Kˆprili†II werd in 1676 als groot-vizier
opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa,
schoonzoon van Kˆprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig
man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden
daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne
voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem
kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold†I had te strijden
tegen den opstand van Tˆkˆli in Hongarije en deze kreeg steun van
Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tˆkˆli ook gesteund werd door
Lodewijk†XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te
doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of
Lodewijk†XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en
ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen,
een oogenblik dus de politiek van Frans†I hervattende, is een niet
geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze
door Lodewijk†XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu
volgenden oorlog heeft hij Leopold†I steun tegen de Turken aangeboden,
maar Leopold†I weigerde nu dien aan te nemen.
Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken,
bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen
zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden
in het Westen door Lodewijk†XIV, die toen juist in vollen vredestijd
Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in
Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door
Tˆkˆli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor
de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door
hen belegerd, Leopold†I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in
1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning
van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen:
de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er
kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa
beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad
zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de
bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen
voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te
moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding
opdagen. Lodewijk†XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg
van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het
Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen,
daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun
van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van
den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en
koning Johan de Turken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de
moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het
Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado
onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Kˆprili.
De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw
overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander
binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand
kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning
beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk†XIV, die na den
terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig
jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, VenetiÎ, Malta en
den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En
nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda
en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684-1688 ingenomen,
een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld,
uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken
bevrijd en Leopold†I door den Hongaarschen rijksdag erkend als
erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen
leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij
voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken ServiÎ, waarvan
Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd
hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van
Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene [2332] en Corinthe veroverd;
alleen Athene konden de Turken hernemen.
Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in
het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd
van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden
van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem†III van Oranje,
tegen Lodewijk†XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon
nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689
opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-ZadÈ, een broeder van
Kˆprili†II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weÍr zÛÛ
groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed†IV, die bijna veertig
jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder SuleÔman II (hiervoor,
blz. 697) op den troon verhieven. De nieuwe Kˆprili bracht geestkracht
aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weÍr gelden. De
Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend
was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk
werden de Venetianen weÍr uit een groot deel van den Peloponesus
verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Kˆprili niet
gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij
zelf sneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige
jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval
over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij
het leger van sultan Moestafa†II, den zoon van Mohammed†IV, in 1695
gevolgd op zijn oom Ahmed†II--die iets van de krijgshaftigheid der
vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok--kon niet veel
aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.