Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een

grootsche onderneming kwam in 1526 [2328]: een inval in Hongarije. Het

was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans†I door Karel†V een

geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen

genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast

onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne

invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft

SuleÔman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die

oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de

vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit,

en te meer moest SuleÔman de verovering wenschen, omdat de macht van

de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.

In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk†II. Zijn vader,

een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen,

was na Corvinus' dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde

eveneens over Bohemen, MoraviÎ en Silezie. De slimme politiek

van keizer Maximilaan†I, grootvader van Karel†V, had dezen tak der

Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt:

Lodewijk†II was gehuwd met Maximiliaan's kleindochter, Lodewijk's

zuster met Maximiliaan's tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren

keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als

gewaarborgd.

Hiertegen nu trad SuleÔman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging,

hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche leger bleek volstrekt

niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke

verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag

had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk†II sneuvelde en de Hongaren

totaal verslagen werden. Nadat de "Hongaarsche natie" hier haar "graf"

gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of

stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde

van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk

te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk

gemaakt--en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het

land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang:

Johan Zapolya, voÔvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als

koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, de

Habsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad

van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen

trachtten door SuleÔman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd

vorst onder Turksche suzereiniteit.

De gezanten van Ferdinand kregen van SuleÔman tot antwoord, dat hun

meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de

sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden

de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk

in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een

groote onrust. EÈn oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten:

Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te

snellen; Frans†I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht

in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel†V en verbrak dus

zijne verbindingen met SuleÔman. Deze vond voor de poorten van Weenen

een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos,

alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder

den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter

begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden,

besloot SuleÔman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is

ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien

van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier

jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden

tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533

sloten Ferdinand en SuleÔman voor het eerst een verdrag. Ferdinand

behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche

schatting betalen aan Turkije. Karel†V, steeds volop beziggehouden

in het Westen, legde zich hierbij neer.

Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd

ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het

Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit

was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij

behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig

tierend ras. Zijn broeder had Algiers veroverd en dit was na diens

dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan

geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche

vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel†V

zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem

heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans†I sloot een

offensieve en defensieve alliantie met SuleÔman, die toen te Bagdad

was, gewikkeld in een oorlog tegen PerziÎ. Deze alliantie is ook

van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het

Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht

handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de

heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiÎn,

dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.

De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee

gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed†II hadden de Turken een

vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de

AegeÔsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot

geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een

admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. VenetiÎ was verbonden met

Karel†V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in

1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met SuleÔman, moest

het weÍr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen,

die het nog had in den Peloponesus en in de AegeÔsche Zee, op een

paar na, afstaan. Frans†I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt

en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus

zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten

wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het

tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en

een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van

Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel†V verbonden was:

onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige

herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen

koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.

Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in

1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was

goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel

van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter SuleÔman niet gediend. In

1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij

Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een

groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en

een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan

Zapolya's zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat

Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg

(1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste

jaar, zonder dat ergens groote resultaten waren behaald. Frans†I,

die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten

tegen Karel†V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit

delven bij den vrede van CrÈpy. Drie jaar later sloot SuleÔman een

nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging

van het vroegere. Bovendien was nu ook MoldaviÎ schatplichtig aan

Turkije geworden (sedert 1546) [2329].

In de oorlogen van Karel†V en diens opvolger Philips†II met

Hendrik†II, den opvolger van Frans†I, die steeds om dezelfde

reden voortgezet werden, is SuleÔman weÍr de bondgenoot van den

Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer

kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel

†V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte

moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet

dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten

gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het

Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef

het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en

Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder

Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli

[2330]. Nadat Hendrik†II buiten Turkije om den wapenstilstand

van Vaucelles sloot (1556), toonde SuleÔman voor het eerst zijn

ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk,

toen Hendrik†II weldra den oorlog tegen Philips†II hervatte, die in

1559 met den vrede van C‚teau-CambrÈsis eindigde. Daarmede werd de

goede verstandhouding tusschen den "zeer Christelijken" koning en het

hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve

eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen

het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in

het bezit hunner capitulatiÎn, waarmede ze een bevoorrechte plaats

in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die

handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken)

niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vÛÛr de

ontdekking van den zeeweg naar IndiÎ in het einde der vijftiende eeuw.

SuleÔman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch

in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand†I,

nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op

de oude voorwaarden. Met Karel V als koning van Spanje had SuleÔman

nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips†II, die evenals

zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme,

de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende

gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta

(1565), dat SuleÔman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje,

wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was SuleÔman's laatste

expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier

jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. SuleÔman viel opnieuw

in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd

door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed

oefende. Tijdens het beleg stierf SuleÔman, een en zeventig jaar oud

(1566).

Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht

bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden,

zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze

haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met

achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten

alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was

er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw,

gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang

hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk

zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die

veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.

III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen

aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De

Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in

de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende

ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte

Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed

zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne

voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer

werd onder SuleÔman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed

door ÈÈn der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds

vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten,

als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg

(hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reÔs-effendi

(minister van buitenlandsche zaken, ondergeschikt evenals de drie

andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam

(opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn

van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een

avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. "Velen," zegt Ranke,

"verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te

beproeven." Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen,

die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een

harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne

zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der

achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche

onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten,

b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling

stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen

geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen,

dezelfde rechten.

Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk

gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch

waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van

het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen

en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een

geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende

kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne

positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling

daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk

gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen

reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag ÈÈn van de redenen

zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een

andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het

Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche

heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en

gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft

geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van

godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het

martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den

eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan

op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters,

die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der

overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen,

veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het

patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche

kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de

zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen

als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen

in ServiÎ, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk

op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden. Wat er

toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef,

was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke

Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een

zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier

toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze

ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan

vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te

Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families,

uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van

de Donauvorstendommen genomen werden.

In een staat als dien der Turken, waarin het ÈÈne deel der onderdanen

beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden

door den vorst met zijne omgeving, die weÍr uit het eerste deel is

samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den

oppersten leider. Tot SuleÔman was deze op een enkele uitzondering na

voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om

zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk

te verschaffen. Na SuleÔman's dood werd dit anders. De zoon van

Roxelane, die nu sultan werd, Selim†II, was volkomen ongeschikt om

te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de

meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman's stam

met de vermoording van den eerstgeborene van SuleÔman (zie hiervÛÛr,

blz. 685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was

voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou

zijn. Hadden SuleÔman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd,

zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet

meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen

en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door,

zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden

voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vÛÛr de regeeringsaanvaarding

een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.

Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den

sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane's

macht over SuleÔman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele

regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van

een lievelingsvrouw, hetzij van de ÈÈn of andere cÙterie, die het

recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich

en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden,

was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk

hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van

de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te

voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen,

in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te

worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten waren

voor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder

gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den

sultan na SuleÔman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig

een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen

en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan

in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.

Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt

met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk

te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de

zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin

zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder SuleÔman

afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim

†II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne

gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna

Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten

aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren

ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting

onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield,

maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op

den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende

van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde

togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste

leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet

meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit

dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden

evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig

minder; vooral hunne paarden, ÈÈnmaal de groote roem van het Turksche

leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.

In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger

niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer

gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het

opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan

niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier

belangen op de ÈÈn of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen

in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle

militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiÎn,

waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van

Bayezid†II.

De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat

hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit

zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der

knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het

merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van

verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang

geen volksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de

Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en

dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden,

onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen

met groote kracht op te treden.

Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover

zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit

volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de

eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering

van een Selim†II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk

te gelooven.

Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na SuleÔman nog langen

tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de

eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral

daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der

zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet

al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de

Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst

voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje,

dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam,

had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet

zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen

uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid

om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert

lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet

verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen

des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel

geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou

de inwendige achteruitgang niet zÛÛver gegaan zijn, als nu in de op

SuleÔman volgende eeuw het geval geweest is.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 56 / 89 段