WeÍr kwam nu Constantinopel aan de beurt, terwijl de Turken

plundertochten ondernamen tot in Hongarije en zich voor het eerst ook

bewogen naar Zuid-Griekenland, waar geen der kleinere potentaten hen

kon tegenhouden. VÛÛrdat Bayezid hier zijn doel geheel bereikt had,

kwam opnieuw eene afleiding, nu niet uit het Westen, waar keizer Manuel

†II weer tevergeefs hulp was gaan zoeken, maar, ongevraagd door den

keizer, uit het Oosten. Bayezid had in Klein-AziÎ een einde gemaakt

aan al de Seldsjoeksche rijkjes, het laatst aan dat van Kastamoeni

(in de buurt van Sinope) in 1393. Daardoor kreeg hij in het Oosten

de Mongolen tot naburen en onder dezen was juist in de veertiende

eeuw nieuwe veroveringslust gebracht door Timoer.

Het onmetelijk rijk van Temoedsjin (zie hiervÛÛr, blz. 689) was

spoedig na zijn dood verbrokkeld. Wel was de keizer van China nog in

naam de suzerein van de khans van het rijk van Kiptschak, van PerziÎ

en van een Midden-Aziatisch rijk, bekend als Transoxiane, feitelijk

waren deze zelfstandig en de kloof was te grooter, omdat de keizers

Boeddhisten, de khans en de meeste hunner onderdanen Muzelmannen

geworden waren. Timoer [2323], geboortig uit een aanzienlijk Turksch

geslacht van Transoxiane, vond met zijne schitterende talenten als

staats- en krijgsman volop gelegenheid zich te doen gelden in de

velerlei twisten tusschen den khan en de naar onafhankelijkheid

strevende Mongoolsche aanzienlijken. De khan, die in het Noorden

van zijn rijk, in SiberiÎ, resideerde, benoemde Timoer weldra tot

gouverneur van het eigenlijke Transoxiane, het land ten oosten van

het Aral-meer. Strijd tusschen een zelfstandig man als Timoer en den

khan bleef niet uit en na het overwinnen van groote moeilijkheden werd

Timoer onafhankelijk vorst van Transoxiane, daarbij vooral steunende

op de Muzelmansche geestelijke orden, makende van zijn rijk een soort

theocratie. Dan beginnen de veroveringen naar het Westen. Timoer

voert zijne heerscharen van zijne hoofdstad Samarkand uit naar

het rijk van Kiptschak en vernietigt dit, een feit van beteekenis,

omdat daardoor Rusland's opkomst mogelijk wordt; het rijk leefde

voort in brokstukken, waarvan het Tataren-rijk in en om de Krim het

meest bekend werd. Ook in PerziÎ tot Bagdad toe, in Voor-IndiÎ zelfs,

deed Timoer zijne macht gevoelen. Evenmin als andere groote Aziatische

veroveraars was hij een organisator: zijn rijk hing heel losjes samen,

het was voorbestemd na zijn dood uiteen te vallen. Had Timoer de

kaliefwaardigheid verkregen, die de Muzelmansche priesters hem zeker

toegedacht hebben, misschien zou er meer vastheid in zijn rijk gekomen

zijn. Of Timoer zelf het kalifaat heeft willen herstellen? In elk geval

heeft hij getracht zijne macht te vestigen in SyriÎ, de toegangspoort

tot ArabiÎ. Dit bracht hem in botsing met Bayezid, dien anderen

Islam-verbreider. Grensmoeilijkheden leidden tot de uitbarsting. In

1402 drong Timoer in Klein-AziÎ door. Met een overmacht, die moeilijk

te taxeeren valt, behaalde hij een overwinning op Bayezid bij Angora;

deze werd gevangen genomen, goed behandeld [2324], maar hij stierf

spoedig in zijne vernedering. Gelukkig voor het Osmanische rijk

overleefde Timoer hem niet lang; na zijne overwinning bij Angora naar

Samarkand teruggekeerd, raakte hij in oorlog met China en tijdens dien

krijg vond hij zijn einde (1405). Geen even machtige persoonlijkheid

verving hem. Zijn rijk bleef na hem niet bestaan, en wat belangrijker

is, sedert dient schijnt het groote expansievermogen, dat de Aziatische

volkeren tot nog toe meermalen getoond hadden, uitgeput.

Het Osmanische rijk doorleefde na Angora een crisis [2325]. In

Klein-AziÎ herstelden zich verschillende der Seldsjoeksche emirs;

op het Balkan-schiereiland verslapte overal de Turksche invloed:

de leenplichtige staten maakten zich geheel vrij. Het ergste was de

oneenigheid onder Bayezid's zoons, die zich beiden de heerschappij

wilden verzekeren en zich tegen elkander lieten gebruiken door keizer

Manuel†II, die door de omstandigheden krachtiger scheen. Toch werd de

Osmanische macht niet reddeloos geslagen. Geen der Balkan-machten wist

op een afdoende wijze van de gelegenheid te profiteeren; allen zorgden

alleen voor zich. Toen nu Mohammed†I, ÈÈn der zoons van Bayezid†I, zijn

broeder ter zijde had geschoven en alleen sultan geworden was, toen

kon hij onmiddellijk opnieuw gaan opbouwen. En zijn zoon Moerad†II,

die hem reeds in 1421 opvolgde, had slechts dit opbouwingswerk voort

te zetten en te voltooien. Hij deed het op voortreffelijke wijze, want

hij was een even krachtig heerscher als de meeste zijner voorouders;

hij was tevens ÈÈn der sympathiekste sultans, die het huis van Osman

heeft voortgebracht: zonder den in dit huis bijna hereditairen trek

van wreedheid bezat hij een eenigszins wijsgeerigen, mystieken aanleg.

Reeds twee jaren na de regeeringsaanvaarding voelde hij zich sterk

genoeg, om Constantinopel te gaan belegeren. Volgens een Christelijke

voorstelling bracht de verschijning van een vrouw op de muren, die

op de Moeder Gods geleek, de Turken zÛÛ in verwarring, dat zij het

beleg opbraken. De meer prozaÔsche oorzaak zoekt het aftrekken van

Moerad†II in een opstand in Klein-AziÎ. In elk geval was de druk der

Turken te Constantinopel spoedig zÛÛ groot, dat keizer Johannes†VIII,

zoon en opvolger van Manuel†II, een zeer zwak man, er weer in moest

toestemmen schatting te betalen, en toen Johannes†VIII in 1448 stierf,

bewerkte Moerad de opvolging van Constantijn†IX Dragazes, broeder

van den vorigen keizer.

Zoo was de Turksche macht spoedig hersteld, want ook overal in het

Balkan-schiereiland deed haar invloed zich reeds weÍr gevoelen,

toen in het Noorden een vorst optrad, die het Turkengevaar ernstig

wilde bekampen. Dit was in Hongarije, waar koning Sigismund, die van

de ongelegenheid der Turken ook geen profijt had weten te trekken,

in 1437 gestorven was. Na een korte regeering van Sigismund's

schoonzoon Albrecht†II kozen de Magyaren Wladislaus†V, tevens koning

van Polen, tot hun vorst. Onder hem was Johannes Hunyadi, afkomstig

uit Zevenburgen, de eigenlijke Hongaarsche rijksbestuurder. Hij bleek

tegen de Turken opgewassen, versloeg hen in 1442 en 1443 eenige malen,

bracht Moerad†II zelf een nederlaag toe aan de Morawa, dicht bij Nisj,

in ServiÎ, trok daarop in den winter den Balkan over en dwong de

Turken bij een wapenstilstand voor tien jaar, gesloten te Szegedin in

Hongarije, ServiÎ en Walachije geheel vrij te verklaren. Moerad besloot

daarna de regeering over te dragen aan zijn veertienjarigen zoon en

Mohammed†II en trok zich terug in een klooster in Klein-AziÎ. Lang

bleef hij hier niet, want Hunyadi, geraden door een pauselijk legaat

in zijn legerplaats om ook Boelgarije te bevrijden, verbrak den

wapenstilstand. Moerad toog weÍr op het strijdpad en nu won hij. Bij

Warna leed Hunyadi een geduchte nederlaag, waarin de legaat en vele

aanzienlijken omkwamen (1444). Geen beter fortuin bekroonde een nieuwe

poging van Hunyadi, vier jaar later; weÍr drong hij in ServiÎ door,

maar Moerad†II versloeg hem opnieuw bij Kossowo op den Turken reeds

bekend vechtterrein. Het gevolg van die nederlagen was de herstelling

van de Turksche suzereiniteit in ServiÎ, waar toen Brankowitsch,

zoon van Stephanus Lazarewitsch regeerde. Aan de ServiÎrs was dit niet

geheel onwelgevallig; de Hongaren, die Walachije tot vazalstaat gemaakt

hadden, bedreigden evengoed hunne onafhankelijkheid als de Turken en

ze bedreigden bovendien hun Grieksch-Katholicisme, willende hen onder

Rome terugbrengen, terwijl de Turken hun godsdienst ongemoeid lieten.

Overigens was Moerad†II geen veroveraar. Na Warna ging hij onmiddellijk

naar zijn klooster terug, maar in 1445 kwam hij nogmaals in de wereld

te voorschijn, opnieuw de regeering aanvaardende om een opstand der

Janitsaren, de toen reeds machtige soldateska, die meer soldij wilden,

maar nu nog bedwongen konden worden. Nu bleef Moerad de regeering

voeren tot zijn dood in 1451 toe. De laatste jaren waren vol van een

hevigen strijd met een nieuwen, geduchten vijand: de Albaneezen. Zij

waren ten tijde van Moerad†I onderworpen geweest, maar na de dÈb‚cle

van Angora vrijgeworden en ze hadden een aanvoerder van buitengewone

bekwaamheden gevonden in Scander-beg, zoon van een vroegeren hoofdman

Johan Castriotes. Begunstigd door de voor een defensieve strijdvoering

prachtige natuurlijke gesteldheid van AlbaniÎ, kon Scander-beg, die,

omdat hij in Turkschen dienst geweest was, de Turksche vechtwijze

kende, zich in zijne bergen verdedigen, zelfs, toen Moerad†II hem in

eigen persoon kwam bestrijden.

Moerad's opvolger was de reeds genoemde Mohammed†II, een heel

ander man dan zijn vader, meer gelijkende op grootvader Bayezid,

zeer wreed, van zeer slechte zeden, maar ook al weÍr in het bezit van

uitstekende veldheers- en staatsmans-eigenschappen. Met hem begint een

nieuw tijdperk van uitbreiding voor het Turksche rijk. Onmiddellijk

viel hij Constantinopel aan. De stad kreeg van geen enkele zijde

hulp. Onderlinge haat van Grieksch- en Roomsch-Katholieken was de

voornaamste oorzaak, dat het Westen neutraal bleef. Meermalen, we zagen

het reeds, hadden Grieksche keizers hulp in het Westen gezocht, maar

de eisch van fusie der beide kerken was een onoverkomelijke hinderpaal

gebleven. En om andere dan godsdienstige belangen stelde geen der

Europeesche mogendheden genoeg belang in het Balkan-schiereiland, om

voor het bedreigde Byzantium in de bres te springen. Alleen VenetiÎ

en Genua verleenden eenigen steun. Al was Constantinopel dan ook

een groote stad--het telde bijna 200.000 inwoners, voor dien tijd

een zeer groot aantal--al was het zeer sterk gelegen, aan zich zelf

overgelaten moest het verloren gaan. Het verdedigingsleger telde

niet meer dan 8000 man, menschen uit allerlei natiÎn; Mohammed†II

zou niet minder dan 200.000 man voor het beleg hebben aangevoerd en

bovendien bracht hij een groote vloot bijeen om de Dardanellen en den

Bosporus af te sluiten. Het beleg duurde van 6 April--29 Mei 1453. Op

dezen dag had een algemeene bestorming plaats, die de verdedigers,

hoe dapper ook strijdende, hoe zeer ook aangespoord door den flinken

keizer Constantijn, niet konden doorstaan. De stad werd verdoopt

tot Stamboel, eigenlijk Islamboel, d.i. hoofdstad van den Islam. De

Aya Sophia, de beroemde basiliek van Justinianus, werd direct tot

moskee gewijd. Tegenover de overwonnenen handelde Mohammed hard:

een aantal der Christenen werden gedood, de stad zelf geplunderd en

bij die gelegenheid heel wat verwoest van oude monumenten, voorzoover

deze de plundering door de kruisvaarders van 1204 hadden overleefd.

Zoo kregen de Turken een hoofdstad, door haar ligging tusschen AziÎ

en Europa aangewezen om het middelpunt te zijn van een rijk, dat

zich over een deel van die beide werelddeelen uitstrekte. Voortaan

waren de Turken de heerschende klasse in Constantinopel, maar na de

plundering en de wanorde der eerste dagen konden de Christenen er

ongemolesteerd blijven wonen met behoud van hunnen godsdienst. De

geheele organisatie van de Grieksche kerk bleef onveranderd bestaan,

De eerste patriarch na de verovering werd door Mohammed met veel

onderscheiding behandeld en met dezelfde ceremoniÎn gewijd als in

den vroegeren tijd gewoonte geweest was. Toch is de Grieksche kerk in

verval geraakt, toen latere sultans de patriarchen met minder eerbied

behandelden, het patriarchaat gingen verkoopen aan den meestbiedende

zonder op geschiktheid te letten. Toen hield het patriarchaat op een

band te zijn voor de Grieksch-Katholieken op het Balkanschiereiland.

Mohammed rustte niet lang op zijn eerste lauweren. Hij onderwierp

ServiÎ geheel en de bevolking schikte zich nog al gemakkelijk in haar

lot, vooral, nadat Brankowitsch gestorven was (1456). Alleen Belgrado,

verdedigd door Hunyadi, die hier den smaad van zijn vorige nederlagen

uitwischte, en den Franciscaner monnik Johannis Capistrano, die met

een handjevol kruisvaarders toonde, wat echte geloofsijver vermag,

kon niet genomen worden. Wel werden niet lang daarna BosniÎ (1464)

en Herzegowina (1467) tot Turksche provinciÎn gemaakt en ook maakte

Mohammed voorgoed een einde aan het bestaan der Zuidelijke staatjes

zooals het hertogdom Athene, waardoor nu ook in Midden-Griekenland en

Morea de Turksche heerschappij gevestigd werd (1456-1460). Slechts

VenetiÎ behield enkele steden als Koron, Pylos en Nauplia. Ernstige

tegenstand werd hier niet ondervonden. In AlbaniÎ kreeg Mohammed†II

eerst eenigen invloed na den dood van Scander-beg in 1467. Aan de

Noord-Oost grens herstelde hij de oude verhouding: Walachije betaalde

sedert 1462 opnieuw schatting. Daarentegen bleven Hongarije en evenzoo

MoldaviÎ nog buiten de Turksche machtsfeer. Aan de verovering van

Hongarije kon onder de regeering van koning Matthias Corvinus, zoon

van Hunyadi, niet gedacht worden. Matthias was de laatste krachtige

vorst, die over Hongarije alleen geregeerd heeft; hij hield de Turken

buiten zijn grondgebied, maar aanvallend tegen hen optreden, steun

verleenen aan Grieksch-Katholieken deed hij nooit.

De beide Italiaansche zeemogendheden bleken ook niet bestand tegen de

compacte Turkenmacht. Genua verloor zijne bezittingen aan de Zee van

Azof en Mohammed†II dwong de Tataren in die buurt zijne suzereiniteit

te erkennen. VenetiÎ werd van een krachtigen beschermer beroofd door

den dood van Skander-beg, waarna het meer bloot stond aan een inval

in het aan de stad zelf grenzend gebied. Toen in 1470 een Turksch

leger zich aan de Oostkust van de Adriatische Zee vertoonde, sloot de

lagunenstad vrede, waarbij het enkele eilanden in de AegeÔsche Zee,

o.a. Lemnos en Euboea (Negropont), benevens enkele plaatsen in AlbaniÎ,

o.a. CroÔa, moest afstaan; dan betaalde het een oorlogsvergoeding en

voortaan een jaarlijksche schatting; dat was een dure prijs voor enkele

handelsvoordeelen, die het wist te bedingen [2326]. Ook in de Ionische

Zee drong de Turksche macht door: het eiland Zante werd door Mohammed

bezet en aan den anderen kant der Adriatische Zee de stad Otranto

(1480). Rome zelfs moest zich nu bedreigd achten. Slechts ÈÈne macht

in het Oostelijk deel der Middellandsche Zee weerstond Mohammed's

aanval: dat waren de ridders der orde van St. Jan, die in 1480 op

schitterende wijze hun eiland Rhodus tegen de Turken verdedigden.

Zoo was ÈÈn der laatste ondernemingen van Mohammed†II een

mislukking, want in het volgende jaar stierf hij. Geen sultan had

den Turkschen naam zÛÛ gevreesd gemaakt als hij, die bij zijn dood

ÈÈn der machtigste, zoo niet de machtigste vorst van Europa was. Op

buitengewone wijze hadden de omstandigheden hem begunstigd; noch in

Europa noch in AziÎ een macht, die hem ernstig in zijne plannen had

kunnen dwarsboomen. Persoonlijke dapperheid alleen had Belgrado en

Rhodus als twee Christelijke bolwerken in het Oosten doen blijven

bestaan. In Klein-AziÎ waren de Seldsjoeksche emiraten opnieuw en

nu voorgoed verdwenen, het laatst dat van KaramaniÎ, ÈÈnmaal het

machtigste (1471). De Eufraat was aan zijn bovenloop een Turksche

grensrivier geworden.

Weer was Bayezid†II, zoon en opvolger van Mohammed†II, van andere

geaardheid dan zijn vader; ook hij deed meer aan zijn grootvader

denken. Beoefening van kunst en wetenschap was zijn geliefkoosde

bezigheid. Aan veroveringen maken dacht hij niet. Daarom is zijne

regeering over het algemeen een tijd van rust. Alleen de vrede met

VenetiÎ werd voor korten tijd verbroken en de meeste bezittingen,

die deze stad op het Balkanschiereiland nog over had, gingen nu

verloren. Het steunpunt voor een verdere uitbreiding in ItaliÎ,

Otranto, daarentegen werd niet lang na den dood van Mohammed†II

ontruimd. Viel Bayezid†II niet aan, hij behoefde evenmin af te weren,

want Europa liet hem met rust. Er zijn in het einde der vijftiende eeuw

nog wel steeds plannen in overweging, vooral bij de Fransche koningen,

om de Turken uit Europa te verdrijven, maar de vele verwikkelingen,

waarmede de meeste Westersche vorsten in eigen land en onderling,

vooral in hun strijd om de heerschappij in ItaliÎ, te kampen hadden,

deden die plannen altijd verschuiven. Hadden de Franschen zich kunnen

vestigen in Zuid-ItaliÎ, zooals men tijdens koning Karel†VIII een

tijdlang kon denken, misschien was er dan iets van gekomen. Nu liet

men een schoone gelegenheid ongebruikt voorbijgaan: een gelukkig

toeval had een broeder van Bayezid†II, gewoonlijk prins Djem genoemd,

die in het begin van Bayezid's regeering tegen dezen in opstand

gekomen was, in handen van paus Alexander†VI gespeeld; hem had men

kunnen uitspelen tegen Bayezid, maar ook dit werd door de onderlinge

oneenigheid verhinderd en prins Djem vond op ongelukkige wijze den

dood onder voor den paus zeer bezwarende omstandigheden.

Het is begrijpelijk, dat Bayezid†II geen man naar het hart der

door veel oorlog en door veel buit verwende soldaten was. Vooral de

Janitsaren, steeds meer aanmatigend, toonden hunne ontevredenheid en nu

wilde het ongeluk, dat Bayezid tevens in onmin raakte met zijne eigen

zoons, vooral met den derden, Selim. De Janitsaren kozen onmiddellijk

voor dezen partij, drongen in 1512 het paleis van den sultan binnen

en dwongen hem af te treden. Zoo stelden zij een antecedent voor een

bedenkelijke inmenging der militaire macht in de aangelegenheden van

het Turkenrijk.

Selim†I, een buitengewoon wreed mensch, regeerde slechts acht jaar

(1512-1520), maar dit korte tijdperk is zeer rijk aan aanwinsten in

grondgebied, echter buiten Europa. De beide Mohammedaansche rijken,

die in AziÎ aan Selim's rijk grensden, hadden het meest van hem te

lijden. PerziÎ, na Timoer weer zelfstandig, eerst onder Turcomansche

dynastieÎn, sedert het begin der zestiende eeuw onder een nieuwe

dynastie, afstammende van een Sheikh-familie, die behoorde tot de

orde der «oufi en daarom meest de «oufi-dynastie genoemd, raakte

met Selim in oorlog wegens grensmoeilijkheden en wegens steun, door

den shah IsmaÎl aan Turksche opstandelingen bewezen. Het was tevens

een godsdienstoorlog, want de Perzen waren sjiÔtische Muzelmannen,

de Turken Soenitische. PerziÎ werd niet geheel onderworpen, maar

verloor in het Noord-Westen AzerbaÔdjan en in het Westen een deel van

MesopotamiÎ met o.a. de stad Mosoel. In denzelfden tijd onderwierp

Selim ook het onafhankelijke GeorgiÎ en Koerdistan, waardoor de

Kaukasus de Noordgrens van zijn rijk werd. Het zal in het vervolg

van dit korte overzicht onmogelijk zijn telkens terug te komen op

de veelvuldige oorlogen van PerziÎ en Turkije. Het moet genoeg zijn

er de aandacht op te vestigen, dat de grens in het Noord-Westen op

den duur bleef, zooals zij vÛÛr Selim was, d.w.z. AzerbaÔdjan kwam

aan PerziÎ terug, terwijl GeorgiÎ en Koerdistan altijd heel losjes

met het Turksche rijk verbonden bleven, evenals b.v. AlbaniÎ in de

zestiende eeuw nog was. Alleen MesopotamiÎ bleef Turksch. SuleÔman,

Selim's opvolger, nam daar nog Bagdad, dat alleen in het begin der

zeventiende eeuw bij een krachtige herleving van PerziÎ onder shah

Abbas den Grooten voor een korten tijd weÍr in Perzische handen

geweest is.

Het andere Mohammedaansche grensrijk was Egypte, waarmede SyriÎ

vereenigd was; hier heerschten sedert het einde der dertiende eeuw de

Mamelukken [2327], vroeger in dienst genomen door Egyptische sultans,

maar die dezen op den duur overvleugeld hadden. Ook de oorlog met

dit land kwam voort uit grensmoeilijkheden. Zonder veel moeite

veroverde Selim SyriÎ, maar in Egypte bood sultan Touman-BaÔ een

heftigen tegenstand (1517), die niet dan met groote moeite overwonnen

werd. En nu gebeurde er in Cairo iets zeer opmerkelijks: daar leefde

nog verborgen, in armoede, een man, die den naam van kalief droeg

en die heette af te stammen van de Abassiden; van hem kocht Selim

de waardigheid van kalief en daarbij den standaard en den mantel

van Mohammed, symbolen van het kalifaat. Nu konden Selim en zijne

opvolgers, die van khan (vorst van een stam in AziÎ) tot emir (een

tot den Islam bekeerde vorst, hoofd der geloovigen), sultan (koning),

padishah (koning der koningen, keizer) geklommen waren, zich nu ook

als opvolgers van Mohammed beschouwen en zich een soort geestelijke

oppermacht over alle Mohammedanen aanmatigen. De kaliefwaardigheid

bracht natuurlijk aanspraken mede op ArabiÎ, in de eerste plaats op

Mekka en Medina, waarover Selim†I dan ook reeds zijne heerschappij

uitgebreid heeft. De Arabische kustplaatsen, als b.v. Aden en Mascate,

werden pas door SuleÔman onderworpen; Yemen eerst na SuleÔman, onder

diens opvolger Selim†II. Daarmede was de uiterste grens van de macht

der Turken in AziÎ bereikt. Afgezien van de kleine veroveringen van

SuleÔman en Selim†II, heeft dus Selim†I in AziÎ en Afrika ongeveer

alles veroverd, wat in vroegere dagen tot het Oost-Romeinsche rijk

van Justinianus behoord had; alleen de Noord-kust van Afrika ontbrak

er nog aan.

In Europa hadden de veroveringen na Mohammed†II zoo goed als

stilgestaan. Maar nu kwam na Selim†I alweÍr een sultan van groote

kracht, SuleÔman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd

en de Westerlingen den Prachtlievende. SuleÔman is een krijgs- en

staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op

dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij

niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft

hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen

(1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane,

en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim,

die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed

van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder SuleÔman

een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen

gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het

politieke leven.

Voor het uitwendige is SuleÔman's lange regeering (1520-1566) de

schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den

invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden

toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van

anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit

Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en

nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche

rijk te voorkomen, verandert ÈÈn der Europeesche staten geheel van

politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende

om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen

aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen

de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa

bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel†V, regeerende

over Spanje, groote stukken van ItaliÎ, de Oostenrijksche erflanden,

de Nederlandsche gewesten, tevens keizer van Duitschland, en Frans

†I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij

in Europa. Karel†V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof

Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig

en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa

voor zich trachtte te winnen.

SuleÔman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen,

waarvoor Mohamed†II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds

in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door

binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar

later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten

regeeringstijd van Selim†I met groote zorg voorbereid, kostte meer

inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich

heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van

vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December

1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel†V en vormden

daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 55 / 89 段