Reeds lang vÛÛr het einde der dertiende eeuw had het groote rijk

van Salah-ed-Din zijne voornaamste rol uitgespeeld. Zijne opvolgers

behielden op den duur alleen Egypte en een deel van SyriÎ. In het

Oosten hadden ook zij te lijden gehad van de beweging der Mongolen. Als

afzonderlijke natie beginnen dezen van zich te doen spreken in de

elfde en twaalfde eeuw. Onder hun grooten aanvoerder Temoedsjin,

die den titel van Dzjengis-Khan aannam, hadden zij China veroverd

en zich daarop naar het Westen gekeerd, ook daar alles neerwerpende,

wat hun tegenstand wilde bieden. Na Temoedsjin's dood drongen ze door

in Europa, kwamen door Rusland in Hongarije, Polen, Boheme, SileziÎ,

MoraviÎ, IllyriÎ, maar keerden toen terug, onoverwonnen. Alleen Rusland

bleef langen tijd onderworpen aan het rijk van Kiptschak, ook wel het

rijk der Gouden Horde genoemd, ÈÈn der Mongoolsche rijken, die sedert

de dertiende eeuw in AziÎ bestonden. Voor-AziÎ heeft den minsten last

van hen gehad. Wel werd PerziÎ veroverd, wel maakte Hoelagoe, broeder

van den keizer van China, een einde aan het kalifaat van Bagdad door

deze stad in te nemen en den laatsten kalief te vermoorden (1258),

maar noch in het Westen van SyriÎ noch in Klein-Azie vestigden zij

hunne macht.

Door al de veranderingen, die in de twaalfde en dertiende eeuw plaats

vonden, was het rijk der Seldsjoeksche Turken verdwenen behalve in

een deel van Klein-Azie. Daar vinden we in het begin der veertiende

eeuw nog een Seldsjoeksch rijk, verdeeld in tien emiraten, die sedert

1307 allen geheel zelfstandig waren. EÈn van die tien vereischt in

het bijzonder onze aandacht, want daar heerschte toen Osman, naar

wien de door hem geregeerde stam de Osmanli of Osmanen heet. Zijn

grootvader SuleÔman, zoo luidt de overlevering, kwam uit Khorassan

met een groot aantal Turken naar het Westen getogen, maar verdronk

in de Eufraat. Zijn dood deed zijne volgelingen uiteengaan. Twee

zoons met een vierhonderd families trokken naar Klein-Azie. Daar

dichtbij komende, aanschouwden ze in de verte een veldslag. Zij

besloten de zwakste partij te hulp te komen en bezorgden daardoor

dezen de overwinning. De verslagenen waren Mongolen, de overwinnaars

Seldsjoeken. Dier sultan Ala-ed-Din gaf uit dankbaarheid aan

Erthogroel, den zoon van SuleÔman, en de zijnen woonplaatsen in het

Noorden van Klein-AziÎ. Erthogroel's zoon was Osman, die, evenals

de andere emirs, in 1307 zelfstandig vorst werd van zijn rijkje,

Sultan-Oeni geheeten. Hij was de eerste der Osmanen, die tot den

Islam overging; zijne onderdanen volgden hem hierin even trouw als

in den krijg.

Het bescheiden gebied van het Osmanische rijk werd spoedig vergroot,

want de Osmanen waren strijdvaardig en in hunne buurt lagen de

overblijfselen van de Grieksche macht in Klein-AziÎ, voornamelijk

enkele steden als Nicaea, Broessa, Nicomedia, Philadelphia en

verschillende sterke kasteelen. De Seldsjoeken, sedert lang sedentair,

hadden hunne krijgersgewoonten afgelegd; hun Islam verdroeg zich met

het Grieksche Christendom. Met den Islam der Osmanen was dit niet

het geval. Spoedig begonnen hunne aanvallen eerst op de Grieksche

bezittingen in Klein-AziÎ, toen op het Grieksche rijk in Europa zelf.

Hoe was toen de toestand hiervan? Het is noodig ons dien duidelijk

voor te stellen om te kunnen begrijpen, hoe de aanvallen der Turken

betrekkelijk zonder veel moeite slaagden. Er is geen rijk, dat na de

groote volksverhuizing in West-Europa meer te lijden gehad heeft van

allerlei volkeren dan het Grieksche, dat letterlijk van alle kanten

bestormd geworden is: door de Mohammedanen in AziÎ en Afrika, door

verschillende Slavische en Oeralo-AltaÔsche volkeren in Europa. In

AziÎ en Afrika verloor het, zooals we reeds opmerkten, bijna alle

grondgebied. Enkele van de invallen doende volkeren vestigden

zich in het Noorden van het rijk in Europa: zoo de Boelgaren, van

Oeralo-AltaÔschen oorsprong, maar op den duur geslavoniseerd, ten

Zuid-Oosten van de Donau, in het Noorden van MacedoniÎ en ThraciÎ,

vanwaar ze soms zelfs Constantinopel bedreigden; zoo verschillende

Slavische stammen. Dezen verspreidden zich, soms met, soms tegen den

wil des keizers, zoo wat door alle deelen van het Balkan-schiereiland;

men vindt ze in ThraciÎ, MacedoniÎ, Epirus, ThessaliÎ en zelfs hier

en daar in Midden-Griekenland en in den Peloponnesus, maar in compacte

massa vooral in het Noord-Westen. De Slaven daar vormden een uitlooper

van de Slavische opmarsch naar de Elbe, die een gevolg van de groote

verhuizing van Germaansche stammen naar het Westen was. Verschillende

streken, sedert door Slavische volksstammen bewoond, als KroatiÎ,

SlavoniÎ, KarinthiÎ, de Krain, Stiermarken, werden van het Grieksche

rijk losgerukt en maakten later deel uit van Oostenrijk of Hongarije,

het laatste bewoond door een volk van Oeralo-AltaÔschen oorsprong, dat

zich in de negende eeuw in de Donau-vlakte had neergezet. Zuidelijker,

waar zich vooral ServiÎrs vestigden in 't tegenwoordige BosniÎ,

Herzegowina, Montenegro, ServiÎ, bleef de Grieksche heerschappij

eenigermate bestaan, wanneer ten minste de keizers krachtig waren. Zoo

was het ook bij de Boelgaren, die in de tiende eeuw geheel zelfstandig

waren, totdat ze in het begin der elfde ten tijde van de krachtige

keizers uit het Macedonische geslacht weÍr werden bedwongen.

Al die nieuwe volkeren in het Balkan-schiereiland werden weldra

Christenen en wel meest allen bekeerd van Constantinopel uit. Zij

behoorden dus na de scheiding van de Katholieke kerk in een Grieksche

en een Roomsche tot de eerste, evenals hunne Slavische stamgenooten

in Oost-Europa, de Russen, terwijl daarentegen andere Slaven als

de Polen, de Czechen, de in Hongarije en Oostenrijk wonende Slaven

en ook een minderheid van ServiÎrs tot de Roomsch-Katholieke kerk

behoorden. Grieksch-Katholiek was ook een volk van twijfelachtige

afkomst, de Walachen, die zich tegenwoordig meestal Roemenen

noemen. Het is onnoodig hier in te gaan op de vraag, of de Roemenen

werkelijk afstammen van in de dagen van keizer Trajanus in de

Romeinsche provincie DaciÎ (Oostelijk Hongarije) geplante Romeinsche

kolonisten dan wel of zij een volk van Slavischen oorsprong zijn, dat

een in hoofdzaak Romaansche taal aangenomen heeft. Dit volk vinden we

in de twaalfde eeuw behalve op hunne oude woonplaatsen, namelijk vooral

in Zevenburgen, ook in de zoogenoemde Donauvorstendommen MoldaviÎ en

Walachije (het tegenwoordige koninkrijk RoemeniÎ) en verder verspreid

door bijna het geheele Grieksche rijk: van Boelgarije tot in den

Peloponnesus komen hunne nederzettingen voor evenals die der Slaven.

Het laat zich alleen denken, welk een schrikbarende veranderingen

al deze vestigingen van vreemde volken in het Balkanschiereiland

onder de daar wonende bevolking van Hellenen en gehelleniseerden

hebben teweeggebracht. Toch blijft het Grieksche rijk te midden

dezer stormen in zijn kern, d.w.z. het oude Griekenland met AlbaniÎ,

MacedoniÎ en ThraciÎ, bestaan. Dit is niet een gevolg van krachtige

keizersregeeringen, want die waren te tellen, maar van het feit, dat

er in den kern van het rijk een beschaving was, het Hellenisme genoemd,

sterk genoeg om vele schokken te verdragen en ook om de zich verspreid

vestigende Slaven en Roemenen in zich op te nemen. Daarentegen

behielden de volkeren, die zich in het Noorden in compacte massa

vestigden, hunne nationaliteit, al waren ze niet altijd staatkundig

van de Grieksche keizers onafhankelijk.

De doodsteek voor het Grieksche rijk kwam niet uit het Oosten en ook

niet uit het Noorden, vanwaar het steeds het meest bedreigd geworden

was, maar uit het Westen. Zuid- Oost- en West-Europa stonden sedert

lang op staatkundig en op godsdienstig gebied tegenover elkander: de

Duitsche keizers maakten, als de gelegenheid zich voordeed, aanspraak

op het vroegere Oost-Romeinsche rijk en de Grieksche keizers hadden

hunne aanspraken op het Westen niet geheel vergeten; de pausen

te Rome wilden niets liever dan hereeniging der Grieksche met de

Roomsche kerk. Dit waren de oorzaken, dat de zoogenaamde Latijnsche

kruistocht zich tegen Constantinopel richtte; de aanleiding was,

dat de handelsbelangen van VenetiÎ, toen de groote handelsmogendheid

in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee, bij een revolutie te

Constantinopel, op een schromelijke wijze benadeeld waren. In 1204

namen kruisvaarders Constantinopel in en het Grieksche rijk maakte

plaats voor een Latijnsch keizerrijk.

Dit nieuwe rijk is voortdurend krachteloos geweest. Vooral VenetiÎ

had er veel invloed: het bewerkte een verdeeling van het Zuidelijk

Balkanschiereiland in een aantal leenstaatjes, in naam afhankelijk

van den Latijnschen keizer, in werkelijkheid veelal van de stad

van St. Marcus. Zelf annexeerde deze een deel van de kuststreek

aan Adriatische en Ionische Zee, de Ionische eilanden, Creta en

verschillende eilanden in de AegeÔsche Zee. Zoo werd VenetiÎ ook een

politieke macht van groote beteekenis in het Oosten. De verdeeldheid

werd te grooter, omdat hier en daar een overblijfsel van Grieksche

macht bleef bestaan; zoo handhaafde zich in Epirus een bastaard uit het

laatste keizersgeslacht der Angeli; in Trebizonde, aan de Zuidkust der

Zwarte Zee, hield zich een lid van het voorlaatste keizersgeslacht, dat

der Comnenen, staande, met den weidschen titel van keizer, terwijl in

Nicaea Theodorus Lascaris zich ook een miniatuur-keizerrijk stichtte.

De lijdensgeschiedenis van het Latijnsche rijk, vol van inwendige

twisten over godsdienstige en politieke vraagstukken, vol van strijd

tegen Walachen en Boelgaren, tegen het keizerrijk Nicaea en den

despoot van Epirus, eindigde in 1261. Theodorus Lascaris en zijne

opvolgers in Nicaea hadden door een handige diplomatie en een flinke

krijgvoering hunne positie veel weten te versterken: zij hadden een

goede verstandhouding onderhouden met de Seldsjoeksche Turken--de

Osmanen waren er toen nog niet--en zich aan die zijde rust verschaft;

stap voor stap verwierven ze eenige steunpunten voor hunne macht in

Europa, en nadat een paleisrevolutie in 1259 het geslacht van Lascaris

vervangen had door dat der Paleologen, wist ÈÈn der veldheeren van

MichaÎl VIII, den eersten keizer uit het nieuwe geslacht, twee jaar

later Constantinopel bij verrassing te heroveren.

Er was weÍr een Grieksch rijk, maar de kracht bleef er uit. De

verdeeldheid in den ouden kern kon niet meer worden opgeheven. De

heerschappij der Paleologen heeft zich nooit verder uitgestrekt dan

over het vroegere keizerrijk Nicaea, over Constantinopel, ThraciÎ,

MacedoniÎ, een deel van ThessaliÎ en van den Peloponnesus, enkele

eilanden in de AegeÔsche en de Ionische Zee. Verder was er een wanhopig

groot aantal kleine staatjes: Epirus, waartoe ook het Westelijk

deel van Midden-Griekenland behoorde, onder de Angeli, en sedert het

begin der 14e eeuw onder vorsten uit andere geslachten; een hertogdom

Athene, overblijfsel uit den tijd van het Latijnsche rijk, omvattende

het Oostelijk deel van Midden-Griekenland; een hertogdom Achaie,

omvattende een groot deel van den Peloponnesus; de Venetiaansche

bezittingen, waarvan verschillende als leenstaten door aanzienlijke

Venetiaansche geslachten geregeerd werden; enkele geheel autonome

steden als Pellena en Tritaea in den Peloponnesus; de bezittingen

van de Johanniter ridderorde, bepaaldelijk het eiland Rhodus. In

het Noorden waren de daar wonende volken nu geheel onafhankelijk:

Montenegro reeds sedert het midden der elfde eeuw; ServiÎ sedert de

tweede helft der twaalfde, terwijl toen ook in BosniÎ zelfstandige

vorsten voorkwamen; evenzoo de Boelgaren en Walachen, in het begin

der dertiende eeuw een tijdlang vereenigd onder den bekenden czaar

Johannitza, maar na diens dood elk op zich zelf staande: Walachije

en MoldaviÎ vormden toen afzonderlijke vorstendommen onder voÔvodes,

maar MoldaviÎ was dikwijls afhankelijk van Hongarije en had veel

te lijden van zijn Noordelijke buren, de Polen. Aan de kust van

de Adriatische Zee vinden we behalve het Venetiaansche gebied nog

enkele zelfstandige steden als Ragusa, terwijl de koningen van Napels

regeeren over Durazzo en het eiland Corfu. Herinneren we ons verder

het nog steeds voortbestaande keizerrijk Trebizonde, vermelden we

het in Zuid-Oostelijk Klein-AziÎ sedert het optreden der Muzelmannen

ontstane Christelijke koninkrijk ArmeniÎ en de bezittingen van Genua,

de groote mededingster van VenetiÎ op handelsgebied, vooral aan de

zee van Azof, dan hebben we een overzicht van den politieken toestand

der streken, waarin de Osmanen gaan optreden.

In het Balkan-schiereiland heerschte dus een zeldzame anarchie. Wie zou

aan het land zijn staatkundige eenheid teruggeven? In het midden der

veertiende eeuw kon men dit in Europa zelf verwachten van ServiÎrs en

Boelgaren, toen nauw verbonden tijdens den Servischen koning Stephanus

Doughan, die zijne heerschappij zelfs over het grootste deel van

MacedoniÎ uitgebreid had, daardoor het Grieksche keizerrijk als met

een wig in twee deelen scheidend, en tevens over bijna alle westelijke

provinciÎn van het keizerrijk behalve over den Peloponnesus, [2321]

die ook stellig gestreefd heeft naar een Servisch rijk over heel den

Balkan. Maar hij stierf in 1355, en met hem viel zijn rijk in stukken

uiteen. En in dienzelfden tijd verschenen de Osmanen in Europa.

II. De Opkomst en Bloei der Turksche macht in Europa.

Van Sultan-Oeni uit breidde zich de macht der Osmanen langzaam, maar

zeker uit over het Grieksche deel van Klein-AziÎ. Langzaam, want hun

aantal, hoewel spoedig vergroot door verschillende vechtlievende

elementen uit de Seldsjoeken, uit de Mongolen en zelfs uit de

Grieken, bleef voorloopig gering. Toch volgden de veroveringen

elkander regelmatig op: na een aantal kleinere Grieksche kasteelen

werd in 1317 Broessa genomen door Osman's zoon Ourkhan; toen kwamen

Nicomedia (1326), Nicaea (1330) aan de beurt onder de regeering van

Ourkhan zelf, die tevens Broessa tot zijn hoofdstad maakte. Groote

gematigdheid kenteekende het optreden der Osmanen in den beginne:

de Grieksche bevolking van de veroverde steden kreeg vrijen aftocht

met haar hebben en houden; velen maakten van deze vergunning geen

gebruik, maar namen den Islam aan.

Chalcedon (Skoetari) en Philadelphia bleven nu de eenige bezittingen

der Grieken in Klein-AziÎ. VÛÛrdat deze genomen werden, staken de

Osmanen reeds naar Europa over. Dit werd te beter mogelijk, doordat

onder hen een staand leger georganiseerd was door Ala-ed-Din, den

eersten Turkschen vizier, den broeder van Ourkhan. Het was een leger

gedeeltelijk bestaande uit wat men zou kunnen noemen leensoldaten,

zij namelijk, die tegen verplichting van militairen dienst land ten

gebruike kregen, en gedeeltelijk uit huurlingen. Onder de infanterie

was spoedig het meest beroemde corps dat der Janitsaren (Yeni-Cheri,

nieuwe troepen), gevormd uit van onderworpen Christenen afgenomen

jonge kinderen, jaarlijks ongeveer duizend, die in den Islam opgevoed

werden en van hun jeugd af op de wijze der Spartanen geheel voor

den krijgsdienst gehard; de inrichting, eigenlijk een schepping van

Kara-Khalil-Tcherendeli, een oom van Ourkhan, berustte op de uitspraak

van den Koran, dat alle kinderen bij hunne geboorte neiging tot den

Islam vertoonen; het corps kreeg groote privileges, hooge soldij,

terwijl dapperheid in hooge mate beloond werd. Onder de ruiterij

namen de Sipahi een eerste plaats in. Naast deze en andere geregelde

troepen stonden verschillende ongeregelde, lichtbewapende, met wie

een gevecht gewoonlijk begonnen werd. Dit vaste, geoefende leger gaf

den Turken een grooten voorsprong boven de legers van welk land van

Europa dan ook, waarmede ze eerst te kampen zouden krijgen; nergens

vond men in het midden der veertiende eeuw een dergelijke instelling.

De Turksche geschiedschrijvers verklaren het oversteken van de Osmanen

over den Bosporus uit een droom van SuleÔman, gouverneur van Nicaea,

ÈÈn der zonen van Ourkhan. Een ander verhaal zegt, dat keizer Johannes

†VI SuleÔman te hulp riep in binnenlandsche moeilijkheden, zooals die

in den laatsten tijd van het bestaan van het Grieksche rijk meermalen

voorkwamen. SuleÔman bezette op zijn tocht naar Europa in 1353 het

kasteel Tsympe bij Gallipoli en drie jaar later Gallipoli zelf, toen

de muren van die stad ten gevolge van een aardbeving ingestort waren:

dit was goddelijke voorbeschikking, verklaarden de Osmanen aan den

protesteerenden Johannes†VI, en zij behielden de stad. Nu volgden de

veroveringen in ThraciÎ elkander snel op. Moerad†I, zoon en opvolger

van Ourkhan (Ü 1359), nam de belangrijke stad Adrianopel (1361)

en vestigde daar den hoofdzetel van zijne macht in Europa (1365).

De machtsontwikkeling der Osmanen wekte naijver zoowel bij de

Oostelijke als bij de Noordelijke naburen. De eersten, de Seldsjoeken,

waren het minst te duchten; Moerad heeft in een eersten oorlog tegen

hen een paar der Seldsjoeksche rijkjes veroverd (1388). Gevaarlijker

was het verzet, dat uit het Noorden kwam, vooral van de ServiÎrs

en Bulgaren, die zich bedreigd achtten. Verder reeds werkte de

Turkenvrees: de pausen, uit wier politiek het hervatten van de

kruistochtbeweging nooit geheel geschrapt was, gingen trachten een

kruistocht tegen de Muzelmannen in Europa te organiseeren. Het eerst

deed dit paus Urbanus†V, maar in het Westen bestond voor de zaak

nog geen genoegzame belangstelling. Het waren voorloopig alleen de

onmiddellijk bedreigden, die zich ernstig inspanden de Turken uit

Europa te verjagen. Verbindingen werden daartoe aangeknoopt door de

Hongaren onder hun koning Lodewijk den Grooten, de ServiÎrs onder

Voukachine en Ougliecha, twee broeders, die regeerden in het onder

Stephanus Doughan veroverde deel van MacedoniÎ, de BosniÎrs onder

hun ban Tvertko, de Boelgaren onder hun czaar Sischman, de Walachen

onder hun voÔvode Mircea. Nog vÛÛrdat alle bondgenooten hunne troepen

gezonden hadden, overviel een bevelhebber van Moerad†I een voornamelijk

uit ServiÎrs bestaand leger bij Tschirmen [2322] aan de rivier

de Maritza en behaalde een glansrijke overwinning. MacedoniÎ werd

leenplichtig aan de Turken; de zoon van Voukachine, Marko Kralievitch,

een nationale held der ServiÎrs, werd vasal van den sultan.

Daarmede was de oorlog niet uit. Dan weer op grootere, dan weer op

kleinere schaal werd het vechten eigenlijk steeds voortgezet. De

Turken veroverden in 1382 Sofia in Boelgarije, dat toen schatplichtig

werd, Monastir en andere plaatsen in MacedoniÎ. En toen Moerad†I

moest oorlogen tegen de Seldsjoeken (zie boven), toen verbonden

zich opnieuw de ServiÎrs, nu vooral die uit het eigenlijke ServiÎ

onder hun czaar Lazarus, met Boelgaren en BosniÎrs en Walachen en

Hongaren en Polen. In haast kwam Moerad†I uit Klein-AziÎ terug en

ontmoette een leger der verbondenen bij Kossowo (1389). Miloch,

een ServiÎr van hooge geboorte, doodde Moerad†I na den slag, maar

de overwinning bleef aan de Turken. Een groot aantal gevangenen,

waaronder Lazarus, werden onthoofd: hij en Miloch en Kossowo bleven

nationale herinneringen voor de ServiÎrs.

Het begon er voor Constantinopel bedenkelijk uit te zien. Keizer

Johannes†V betaalde sedert 1372, nadat hij een vruchtelooze reis naar

Rome ondernomen had om daar steun te zoeken, schatting aan de Turken;

spoedig daarna werd hij verplicht hun militairen steun te verleenen

en ÈÈn van zijne zoons als gijzelaar te stellen. Daardoor kreeg reeds

Moerad†I grooten invloed op de regeering te Constantinopel en, toen

Johannes†V in twist geraakte met zijn oudsten zoon Andronicus, hing

het van het partij kiezen van Moerad af, wie de baas was. Na Kossowo

kwam Bayezid†I, bijgenaamd de Bliksem, en van hem had Constantinopel

niet minder te vreezen dan van zijn vader.

Het is ondoenlijk al de Turksche sultans, die tot nog toe de revue

hebben gepasseerd, scherp in beeld te brengen. Allen maken den indruk

van groote krijgslieden met zin voor militaire organisatie. Hoe meer

vijanden overwonnen en gedood werden, hoe grooter lof. Daarnaast hebben

zij een zekeren ijver voor den Islam, zonder dat dit hen tot fanatisme

voert; soms komt een treffende, edelmoedige trek te voorschijn, een

medelijdende opwelling van den sterkere als overwinnaar tegenover

den overwonnene, soms treft daartegenover een groote wreedheid. De

laatste zien ze het eerst duidelijk bij Bayezid†I, die na den slag van

Kossowo een aantal dappere vijanden liet afmaken,--en tegelijkertijd

zijn jongeren broeder Jacoeb, niet, omdat Jacoeb hem tegengewerkt had,

maar alleen, omdat er kans op zou kunnen zijn, dat hij een mededinger

naar den troon werd. Het was de eerste broedermoord in het huis van

Osman, later meermalen toegepast, verdedigd zelfs met een beroep op den

Koran, die zegt, dat de opstand erger zou zijn dan de terdoodbrenging.

Bayezid†I, hoewel wreed en in het bezit van andere bij despoten zoo

dikwijls voorkomende eigenschappen als grilligheid, laatdunkendheid,

verslaafdheid aan de ergste ondeugden, was een dapper krijgsman en een

uitstekend aanvoerder als zijne voorgangers. Hij was de machtigste

heerscher op het Balkan-schiereiland. Na Kossowo was ServiÎ evenals

Walachije schatplichtig; Boelgarije, waar Sischman een dubbelzinnige

rol gespeeld had, werd geheel onderworpen en onder Turksch bestuur

gebracht. Te Constantinopel nam Bayezid's invloed toe: Manuel, de

tweede zoon van Johannes†V, gijzelaar in Turksche handen, moest voor

Bayezid Philadelphia innemen en hij deed het! Aan Johannes†V werd

verboden Constantinopel te versterken. En toen Manuel†II in 1391

zijn vader opgevolgd was, begon Bayezid er ernstig over te denken

Constantinopel te veroveren; reeds in 1391 viel Chalcedon en daarmede

de laatste bezitting der Grieken in Klein-AziÎ.

De omstandigheden hebben hem niet veroorloofd zijn plan te

voltooien. De Turkenvrees was nu verder ingeslagen dan alleen bij

de onmiddellijk bedreigden. Reeds hadden de Turken een inval gedaan

in BosniÎ, reeds hadden ze, voorloopig zonder succes, Hongarije

aangevallen (1391). Dit laatste land had zich, tot zijne schade,

tot nog toe weinig om de Turken bekommerd. De koning uit het huis van

Anjou, Lodewijk de Groote, die tegelijk over Napels en Polen regeerde,

had zich meer met de Italiaansche zaken ingelaten.

Zijn schoonzoon en opvolger in Hongarije, Sigismund, later (sedert

1410) tevens keizer van Duitschland, wendde zich na den inval der

Turken in 1391 met een gezantschap en brieven tot de vorsten in

West-Europa om hulp. Zijn bede werd door den paus, die opnieuw

tot een kruistocht aanspoorde, gesteund. Er rustte nu zegen op

deze vereende pogingen. Uit Frankrijk, de Bourgondische landen,

Duitschland, Engeland en ItaliÎ kwamen groote scharen ridders en

huurlingen opdagen. Bijna heel het Westen hielp mede; alleen de

koningen, te veel bezig gehouden in eigen land, bleven thuis. Ook

Polen, Walachen, ridders van Rhodus boden steun. Jan Zonder Vrees,

zoon van den Bourgondischen hertog, leidde de Westerlingen; koning

Sigismund die van Oost- en Midden-Europa. Coalitie-legers als dit

heeft Europa in lateren tijd, vooral tegen Lodewijk†XIV en tegen

Napoleon, meermalen in het veld gebracht en altijd waren het dezelfde

gebreken, die hen aankleefden; gemis aan eenheid van leiding, slechte

samenwerking van heterogene bestanddeelen. Bij de kruisvaarders van

1396 bestaan die gebreken in de hoogste mate: een eenigszins voldoende

organisatie ontbrak hun. Het kruisleger trok langs den Donau naar

Nicopolis in het Noorden van Boelgarije; Bayezid, die bezig was met het

beleg van Constantinopel, hief dit op en trok Noordwaarts. De beide

legers schijnen ongeveer even groot geweest te zijn, maar de Turken,

gesteund door een Servisch hulpleger onder Stephanus, den zoon van

Lazarus, stonden onder ÈÈn leiding. Bij de Christenen kon men 't zelfs

over de te vormen slagorde niet dan met veel moeite eens worden. De

Westersche ridders openden den slag van Nicopolis (Sept. 1396) met een

charge tegen het Turksche leger; de groote doodsverachting, waarmede

deze uitgevoerd werd, kon de voortreffelijke opstelling der Turksche

troepen niet breken. Van alle kanten ingesloten, terwijl de rest van

het kruisleger voor een groot deel op de vlucht sloeg en de Hongaren

onder Sigismund door Stephanus' ServiÎrs werden verslagen, moesten

de ridders, voorzoover niet omgekomen, zich overgeven. Alleen de zeer

aanzienlijken werden gespaard, zooals Jan Zonder Vrees, voor wien een

hoog losgeld betaald werd. Tienduizend gevangenen zouden gedood zijn,

de Turken ook niet minder dan twintigduizend man verloren hebben.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 54 / 89 段