Sohaib, zie ShoaÔb.
Soheib (Vlucht van), II, 203, n.
Spelen, V, 93.
Spelonk, XVIII, bl. 322, n.
--Der zeven slapers, XVIII, 8.
Spelonkbewoners zenden iemand naar de stad, XVIII, 88.
--Zie slaap.
Spin (De), XXIX, bl. 429, n. 40.
Spotters, XV, 95
Spreekwoord der Oosterlingen, VII, 38.
Spijzen, zie Verboden.
Stad, volgens sommigen, Jericho of Jeruzalem, II, 55, n.
--In Hej‡z. Zie Madian.
--Zie Ailah.
Stadhouder Gods, II, 28.
Stammen die weigerden Mahomet en zijne expeditie te volgen, XLVIII,
11, n.
Stam van Leith hield het voor ongeoorloofd dat de mensch alleen at,
XXIV, 60, n.
--Zie Ad.
--Zie Thamoed.
Standbeelden en andere voorstellingen van levende wezens, V, 92.
Staven in slangen veranderd, VII, 114.
Steden verwoest IX, 71; XVIII, 58.
Steenregen in Sodom, XI, 84.
Stelen; straf daarvoor, V, 42.
Sterken (De) en de zwakken op den dag des oordeels, XXXIV, 30 en volg.
Ster, LIII, 1.
Sterren, XVI, 16. (Verschietende). Wat zij zijn, XV, 16 en volg.;
XXXVII, 13, n.; LXVII, 5; LXXII, 8.
--De aanbidding daarvan is verboden, XLI, 37.
Stokken tot het bouwen van kooien voor vee, LIV, 31.
Straf, II, 56; VI, 65; VII, 36.
--Voor hen die vragen God te zien, IV, 152.
--Der bestrijders van God en zijn Apostel, V, 37.
--Der slang en des duivels, VII, 21, n.
--Des moordenaars, XVII, 35, n.
--Op den dag des oordeels, LII, 47, n.
--Uitstel, VII, 14, n.
--Van Adam en Eva, VII, 23 en volg.
--Van afgodendienaars, LIII, 44, n.
--Van een moordenaar, II, 173, n.
--Van hen, die de aalmoezen niet stipt betalen, III, 176, n.
--Van overspeligen XXIV, 2.
--Van Pharaos volk, XL, 40 en volg.
--Voor de ongeloovigen VIII, 12.
Straffen; niemand daartoe in staat gelijk God, LXXXIX, 26.
Straf der ongeloovigen, XVIII, 57, n.; XIX, 69, n.
--Zie God.
Strijd over God, II, 133, zie Nimrod.
Strijden voor Gods zaak, IV, 76.
Strijdpunten beslist, III, 22.
Syrius, het hondsgesternte, LIII, 50, n.
T
Taal der vogels, XXVII, 16.
--Jezus in den mond gelegd, 73, n.
Taalkweeking, zie Arabieren.
Taalvoering, zie Gepaste.
Taboek (Zending van), IX, 82 en volg.
Tafel, bl. 152, n., 112.
--Gedekt van den hemel gekomen, V, 113, n.
Tafels, VII, 142, 149, 153.
Tagut; naam van elken afgod, II, 257 en volg; IV, 54, 78, zie Thagut.
Taghut, V 65.
Talk, een banaan, LVI, 28, n.
Taloet, zie Talut.
Talut of Saul, II, 248-250.
Tamarissen; een kleine heester, XXXIV, 15.
Tasnim; eene fontein in het paradijs, LXXXIII, 27 en 28.
Teeken, VI, 124.
--Der nadering van den dag des oordeels, zie Jongste uur.
Tekst der schriften; het aannemen en verwerpen daarvan, V, 44.
Tempels, XXIV, 36, n.
Tempel van Cob‚, IX, 109, n.
--Zie Caaba.
Terugkeer tot God, II, 151; VI, 38.
Testamenten, II, 176 en volg. V, 105 en volg.
--Zie Vervalsching.
T. H. XX, bl. 344, n.
Thaghoet, zie Tagut.
Thagoet, zie Tagut.
Thagut, IV, 63, zie Taghut; XVI, 38.
Thaloet, zie Saul.
Thamoed, XXIX, 39.
--Een Arabische stam, die tot den afgodendienst overging, VII, 71, n.
Thamoedieten (De) houden met hunne kameelen beurten in het water
drinken, XXVI, 155.
--Dringen op een mirakel aan, VII, 71, n. Zie verder Themoed en
Themoedieten.
Thamud, zie Ad.
Themoed of Themoedieten, Arabische bevolking, IX, 71; XI, 64 en volg.,
98; XIV, 9; XV, 80; XXII, 43; XXV, 40; XXVI, 141 en volg.; XXVII, 46;
XXIX, 39; XXXVIII, 12; XL 32; XLI, 12 en volg.; L, 12; LIII, 52; LIV,
23; LXIX, 4 en volg.; LXXXV, 11; LXXXIX, 8.
Theodicea, LXXXIII, 4 en volg.
Thora (De) Pentateuchus, III, 2, 43, 58, 87; V, 47 en volg.; 70,
72, 110; VII, 156; IX, 112; XXVIII, 43 en volg.; XLVIII, 29; LXI, 6,
LXII, 5.
Thojeba of de gelukzaligheid, XX, bl. 344, n.
Tobba, bijnaam van zekere Arabische vorsten, XLIV, 36; L, 13.
Tobbe, zie Hamyarieten.
Toekomstig leven, VI, 32; XLII, 19, zie Opstanding.
Toevluchtsoord, II, 119.
Toewa, zie Towa.
Tocht, IX, 93.
Toonbeelden van deugd, LXVI, II, 12.
Toorn (De), III, 128.
Toovenaars (De), VII, 109 en volg.
--Van Egypte, X, 77 en volg.; XX, 53 en volg.; XXVI, 33 en volg.
Tooverij, V, 110; VI, 7.
Towa, vallei, waar God tot Mozes sprak, XX, 12; LXXIX, 16, zie God.
Troepen, vijandelijke C, 5.
Trompet (De) van het laatste oordeel, teeken van den jongsten dag,
XXXIII, 103; XXXVI, 49, 51, 53; XXXVII, 19; LXIX, 13; LXXIX, 6, 7;
LXXX, 33.
--Zie Klank.
Tuchtiging van vrouwen, IV, 38.
Tuin, II, 33.
--Bezitters daarvan om hunne hardvochtigheid gestraft, LXVIII, 17, n.
--Of het Paradijs, zie Paradijs. Men vindt dit met beide namen
bestempeld.
Tulband, zie Opgevouwen zon.
Twisten, geloofsgeschillen, XXIX, 45.
Twist nopens Jezus. IV, 156.
--Omtrent Maria, III, 39.
--Omtrent oude geldstukken, XVIII, 20, n.
--Over Abraham, III, 58.
--Van Christenen en Joden over de eenheid Gods, III, 101.
Twijfelaars, V, 47.
Twijfelachtige Mahomedanen, IX, 43 en volg.
Tijdelijke goederen dezer wereld, VII, 168.
Tijdingen, het is verboden valsche te verspreiden, IV, 85.
Tijdrekening der Arabieren, zie Arabieren.
Tijdstip en plaats van den dood der offeranden, XXII, 34.
--Waarop Noach in de ark ging, XI, 50.
Tijdverloop in de spelonk, XVIII, 18.
Tijdverloop tusschen twee profeten, V, 22, n.
U
Uitdaging om een hoofdstuk des Korans samen te stellen, zie
Ongeloovigen.
Uiteinde van den goede, XVIII, 31, n.
--Van den zondaar, ald.
Uitlegging van het boek, VII, 50 en volg.
Uitroep van den man, die Jozef uit den put trok, XII, 19.
Uitspanning, XXI, 16 en volg.
Uren waarop de slaven zonder verlof de kamer niet betreden, XXIV, 57.
Uur van het middaggebed, XVII, 80.
--Van het nachtgebed, aldaar.
--Van het ochtendgebed, aldaar.
--Of dag van het laatste oordeel is aan geen twijfel onderhevig,
XVIII, 20; XLIII, 61, 66.
Uien, enz., bede tot God die te laten groeien, II, 58.
V
Vagevuur (Het), VII, 44, n.
Vallei van Honein, IX, 25.
--Der mieren, XXVII, 18.
Valsche aantijging, IV, 112, 113.
--Getuigenis, IV, 108, n.
--Goden, II, 22, n.
--Maten en gewichten, VII, 83.
--Maten en gewichten, zie Bedriegers.
Valstrikken spannen, VI, 123.
Vasten (De), II, 179-183; V, 91.
Vastendagen, II, 180, 181, n. en 183, n.
Vee, VI, bl. 171, n.
Veldslag, zie Bedr.
Verandering van hemel en aarde, XIV, 49.
Verblijf, IX, 6.
--In de hel, IV, 93.
Verbod omtrent het verblijf van belijders van eenen vreemden godsdienst
in de nabijheid van Mekka, IX, 28, n.
--Valsche maten, zie Maten.
--Van drinken en spelen, II, 216.
--Van het gebruik der waterputten van de Thamoedieten, VII, 75, n.
--Van slechte dingen, VII, 156, n.
Verboden boom, VII, 18 en volg.
--Huwelijken IV, 27.
--Spijs aan de Joden, VI, 147.
--Spijzen, het eten van vloeibaar bloed, VI, 146.
--Spijzen, VI, 147; XVI, 116.
--Spijzen, zie Voedsel.
--Voedsel, V, 46.
--Vrucht, zie Adam.
Verbond met de duivels, XXVI, 222, n.
--Met de ongeloovigen, LX, 1 en volg.
--Met de ongeloovigen aangegaan, IX, 4.
--Men moet dit in acht nemen, XVI, 93 en volg.
Verbondenen XXXIII, bl. 448, n.
Verdediging van den zondaar, IV, 106.
Verdeelers, beteekenis van dat woord, XV, 90. n.
Verdeeling van den buit, VIII, 42.
--Van hemel en aarde, XXI, 31, n.
Verderf II, 10, n.
Verdoemden (De), III, 80 en volg. 102; VI, 69; VII, 42 en volg; XI,
108; XXVIII, 28, 100 en volg.; XXI, 45 en volg.; XXII, 20 en volg.;
XXV, 29 en volg.; XXXI, 5, 6; XXXIX, 17 en volg. 61; XLIV 43-50; LIV,
41 en volg.; LVI, 40 en volg.; LXIX, 25 en volg.; LXXVII, 15 en volg.;
LXXXVIII, 1-7; LXXXIX, 22 en volg; XCVIII, 5; CIX, 1 en volg.
Verdoemenis, zie Vonnis.
Verdrukking der Joden, VII, 166.
Verdrijving uit het paradijs, II, 34.
Vereering der vrouwen, IV, 1.
Vergefelijke zonden, zie Zonden.
Vergelijken met insecten, II, 24.
Vergiffenis, V, 16.
--Van een huichelaar, IX, 81, n.
--Der berouwhebbenden, XXXIX, 54, n.
Verhindering van Abrahams offer, zie Bevel.
Verkwistenden, XVII, 29-31.
Verlangen naar den dood, III, 137.
Verleiding, VIII, 25, 39.
--Van sommige dienaren door satan IV, 118.
Vermaningen des profeets, XXIV, 63, n.
Verminkten en zieken; het eten met dezen niet onteerend, gelijk de
afgodendienende Arabieren geloofden, XXIV, 60.
Vermogen der weezen, IV, 2.
--Der zwakken van zinnen, IV, 4.
Vermoorden, II, 79.
Vernielen door wind, zie Sodom.
Veronderstellingen (Sommige) zijne een zonde, XLIX, 12.
Veroordeelde spotternijen, XLIX, 11.
--Laster, XLIX, 11.
Verontschuldiging bij den Heer, VII, 164.
Verruiling van vrouwen, IV, 24.
Vers (Het) van den troon, II, 256 n.
Verschietende sterren, zie Sterren.
Verschijnen van den duivel, VII, 15.
--Voor God, rijkdom noch kinderen verzellen u daarbij, VI, 94, n.
Versierselen, bij het bezoeken van den Caaba, VII, 29, 30.
--Zie Gouden.
Verstoktheid der afgodendienaars, XXXVI, 6 en volg.
Verstooting der vrouw. II, 226 en volg.; IV, 24, zie Echtscheiding.
Vertrouwde goederen, zie Onderpanden.
Vervalsching der Schriften door Joden en Christenen, III, 64, n.
--Der Schriften, zie Christenen.
--Van Testamenten, II, 177.
Vervloeking van de verbergers der duidelijke leer, II, 154.
Vervulling der wenschen, III, 145.
Verwaarloozing van Gods bevel, VII, 149.
Verwoeste steden, XLVI, 26.
Verwoesting van tempels, enz., XXII, 41.
Verzen van den Koran, II, 183, n.; XV, 87.
Vischvangst (De), V, 97.
Visioen, XIII, 45.
--Der gelukzaligen, X, 27, n.
Vleesch, dat mannen en vrouwen mogen eten, VI, 140.
Vloeken eener natie, VII, 36.
Vlucht der uitgewekenen naar Medina, VIII, 26, n.
Vluchtelingen naar EthiopiÎ en Medina, IV, 99, n.
Voedsel, XVI, 69.
--Der bewoners van Mekka bij hongersnood, XXIII, 77 n.
--Door Joden of Christenen gereed gemaakt, V, 7, n.
--Verboden en niet verboden spijzen, II, 168; V, 1, 4; VI, 118.
--Voor hen, die niet in den Koran gelooven, LXXIII, 13.
--Zie Verboden.
Voedsters huwen, IV, 27.
Voeren langs den rechten weg, IV, 174.
Voertuig, zie Kameel.
Vogel. Elk mensch heeft zijn vogel aan den hals bevestigd, dat wil
zeggen elk mensch heeft zijne bestemming, XVII, 14.
Vogels door Jezus gemaakt, III, 43. n.
--Zie Taal.
Volk dat ÈÈn godsdienst belijdt, zie Ommat.
--Zonder kleedingen, zie Gog.
Volken, zie Yajoej.
Volmaakte vrouwen; aantal daarvan, LXVI, 12, n.
Vonnis der verdoemenis, door God bij den val van Adam uitgesproken,
XXXVI, 6, n.
Voogd, II, 282.
Voorbeschikking Gods, IX, 122.
Voorschriften, V, 7.
--Der zedeleer, II, 77, 147-150, 263, en volg.; XXIII, 98; XXXI, 13,
14; XLI, 34; XLII, 34 en volg.; XLVI, 14-16; XLIX, 10, 13; LVIII,
10 en volg.
Voorspoed der ongeloovigen, III, 196.
--Van den mensch, XVII, 14, n.
Voorspraak, wie die verkrijgen zal, XIX, 90.
Voorzorgen nemen tegen den oorlog, IV, 73.
Vordering van den profeet, II, 102.
Vriendelijkheid, beter dan aalmoezen met onvriendelijkheid gegeven,
II, 265.
Vrienden kiezen, V, 61; LX, 1.
Vriendschap, zie Geloovige.
Vroomheid, godvreezendheid, waarin die bestaat, II, 172.
--Zij wordt aanbevolen, XXX, 29.
Vrouw, die geschorst is, IV, 128.
Vrouwen (De), IV, 1 en volg.; XXIV, 2, 6, 10 en volg., 26, 31, 59;
LXV, 1 en volg.; LXVI, 1-5.
--Zij zijn voor de mannen geschapen, XXX, 20.
--Voorschriften, haar betreffende, II, 226 en volg.
--Zij zijn den mannen ondergeschikt, II, 228; IV, 38.
--Onvolmaakte wezens, XLIII, 17.
--Voor wie zij zich kunnen toonen, XXXIII, 55.
--Onaangenaamheden, waaraan zij zijn blootgesteld, II, 222.
--Van het hof van Egypte, XII, 31.
--Overspeelsters IV, 19.
--Hoe men haar moet behandelen. IV, 23.
--Haar, die men niet bemint, aldaar.
--Zij moeten bij overtredingen gestraft worden, 38.
--Geloovige en ongeloovige, LX, 10.
--Haar, die de profeet kan huwen, XXXIII, 49 en volg.
--Geloovige LXVI, 11, 12.
--Hare eischen, XXXIII, 28, 29, II, 46, IV, bl. 129, n.
--Van het paradijs, LVI, 34-37.
--Van onberispelijk gedrag, zie Mohsinat.
--Zie Aantal.
--Zie vereering.
Vrouwenlisten, CXIII, 4,
Vruchten van het paradijs, II, 23.
Vrijdag, door Mahomet vooral bestemd voor Gods openbare vereering,
LXII, 9, n.
Vrijmaking van een slaaf, XXIV, 33.
Vrijstelling; IX bl. 219, n. 1.
Vuur dat door wrijving wordt verkregen, XXXVI, 80; LVI, 70, 71.
--Door wrijving ontstaan, zie Hout.
--Ontsteken, II, 16.
--Uit den hemel nedergedaald, V, 31, n.
--Zie Wijze.
Vijand, II, 34.
--Zie Zwarte.
W
Waarheid, V, 86.
--Spreken omtrent God, VII, 168.
Waarschuwing, zie Dag.
Waarzeggerij is verboden, V, 92.
Wacht-engelen afgelost, XVII, 80, n.
WaÔla, vrouw van Noach, XI, 42, n.
Walid Ebn al Mogheira, een van Mahomets grootste tegenstanders, XC,
5, n.
Wallen of dammen, zie Al Arem.
Ware en valsche leer, II, 257.
--Geloovige, XL, bl. 498, n.
Water, uitgebreid gebruik daarvan in het godsdienstige en gewone leven,
XXV, 50, n.
--Uitgieten, beteekenis daarvan, XI, 42, n.
Wedervergelding, zie Wet.
Wedervergeldingsrecht, II, 190.
Wedervergeldingswet, II, 175.
Wedloopen, XII, 17.
Weegschaal (De), XXI, 48; LVII, 25.
Weerspannigheid tegen Mozes, zie Karoen.
Weerwraak, zie Wedervergelding.
Weerzin van het opgelegde juk, II, 286.
Weezen II, 218; IV, 2 en volg. 126; VI, 153; XVII, 36.
--Groeien op, IV, 6.
--Zie vermogen.
--(Vrouwelijke), zie Huwen.
Wegzenden der vrouwen, zie Scheiding.
Weigering, de ongeloovigen te beoorlogen, II, 191, n.
Welbewaarde tafel, wordt alleen door engelen aangeraakt, LXXX, 15, n.
Weldaden, VI, 44.
Welvoeglijkheid, XXIV; 57-59, zie Beleefdheid.
Wenden van het aangezicht, II, 136; IV, 50, zie Kebla.
Wet nopens godsdienst zedelijke plichten, VII, 142.
--Van wedervergelding, II, 173; V, 48, 49; XXII, 59.
Wetverdraaiing, V, 45.
Wind XLVI, 94, n.
Winden (De) aan Salomo onderworpen, XXXVIII, 35.
Witte en zwarte aangezichten, III, 102 en volg.
Woeker (De), II, 276-278; XXX, 38.
Wonder, III, 11.
Woonplaats der Thamoedieten, VII, 72.
Woorden tot de apostelen gericht, XXIII, 53.
Wrok uit de harten genomen, VII, 41.
Wijn (De), II, 216; V, 92, 93.
--Rivieren daarvan, XLVII, 16.
Wijze in het Oosten om vuur te verkrijgen, XXXVI, 80, n.
--Van vergoeding van een ei, XXIII, 14, n.
--Waarop de kameelen worden vastgebonden, XXII, 37, n.
Y, IJ
Yahia, volgens sommigen Jezus, III, 34.
--Diens kuischheid, aldaar. Zie voorts Johannes.
Yahya, schriftverklaarder, zie Al Beid‚wi.
Yajoej, XVIII, 93, n.
--Zie Gog en Magog.
Yathreb, oude naam van Medina, XXXIII, 13, n.
IJdel genot; III 196, n.
IJ, S, XXXVI, bl. 472, n.
IJzer, LVII, bl. 562, n.
--IJzeren voorwerpen door Adam uit het paradijs medegebracht, LVII,
25, n.
Z
Zacharias, III, 32; VI, 85; XIX, 1; XXI, 89.
--Komt in Marias kamer, III, 32.
--Ouderdom, III, 36.
Zaken waarvan God alleen bewust is, XXXI, 34.
Zakkoem, XXXVII, 60-64; XLIV, 43-46; LVI, 52, 53.
--Zie voorts Al Zakkoem.
Zamharir, groote koude, LXXVI, 13, n.
Zedeleer, zie Voorschriften.
Zee, zie Bahr.
ZeeÎn (De beide), XXV, 55; XXVII, 62; LV, 19; LXXXII, 3.
--Van PerziÎ en Griekenland, XVIII, 60, n.
Zegel der profeten, zie Mahomet.
ZeÔd, aangenomen zoon van Mahomet, XXXIII, 37, n.
--Ebn, Haretha, ZeÔds vader, aldaar.
Zelfmoord (De) verboden, IV, 33, n.
Zendeling, Apostel, zie Profeet.
Zendelingen, VII, 35,
Zenden van blijkbaar licht, IV, 174.
Zendjebil, gember, LXXVI, 17.
Zeven (De) slapers, XVIII, 8-13, 15 en volg.
--Slapers, zie Spelonk.
Ziel, XXXIX, 43.
--ten opzichte des doods L, 18.
--Zie Dood.
Zielen van martelaars in kroppen van vogels, II, 149.
Zingende meisjes, door Al Hodar gekocht, om hen de Moslems wilden
worden, van hunne bedoelingen af te brengen, XXXI, 5, n.
Zoenprijs, zie Scheiding.
Zoleikha, Potiphars vrouw, XII, 21, n.
Zon, punten van den gezichteinder, waar zij in den loop van het jaar
opstijgt, XXXVII, 5.
Zondaren III, 123.
--Zie Apen.
--Zielen van hen, LXXIX, 2, n.
Zonden, VI, 120, 152; XIV, 11; XLVIII, 2.
--(Hoofd en vergefelijke), LIII, 33.
--Vergeven, IV, 51.
--Vermijden, IV, 35.
Zondig gebruik van Gods namen, VII, 179.
--Volk, zie Dag.
Zondvloed (De), LXIX, 11, zie Noach.
Zonen van Dhafar, IV, 113, n.
Zoogloon, uit te betalen aan de vrouw, van welke men scheidt, LXV, 6.
Zuivering, zie Reinigingen.
Zusters erfdeel van een kinderlooze; bestemming van het overige, IV,
165, n.
Zuster, zie Broeder.
Zwakken der aarde, IV, 99.
Zwakke (De) zal vergiffenis worden geschonken, IV, 100.
Zwarte lever, bij de Arabieren teeken van een vijand XX, 102, n.
Zij die beproefd is, LX, bl. 571, n.
VI
KORT OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS DER TURKEN, VOORNAMELIJK IN HUNNE
VERHOUDING TOT HET OVERIGE EUROPA. [2319]
I. Inleiding.
Toen Mohammed in 632 stierf, was zijn geboorteland voor zijn godsdienst
gewonnen. Juist honderd jaar later streden de Arabieren bij Poitiers
in Frankrijk; daar werd de uitbreiding van den Islam in West-Europa
tot staan gebracht. Het rijk, waarover de kaliefen, opvolgers van
Mohammed, regeerden en waarvan Bagdad in het midden der achtste
eeuw de hoofdstad werd, strekte zich toen uit van den Indus tot den
Atlantischen Oceaan en omvatte ArabiÎ, SyriÎ, ArmeniÎ tot den Kaukasus,
PerziÎ, een deel van Turkestan, Egypte, de Noordkust van Afrika,
Spanje en het eiland Cyprus. Dit kalifaat met zijn zonderlingen
vorm, met de zoo verschillende natiÎn, die er toe behoorden, bleef
niet lang ÈÈn staatkundig geheel. Binnenlandsche twisten leidden tot
verbrokkeling: in de tiende eeuw staan zelfstandig naast de kaliefen
van Bagdad die van Cairo en Cordova. Geen van drieÎn kon toen meer
op groote, inwendige kracht bogen.
In het kalifaat van Bagdad maken we kennis met de Turken. Deze
worden gerekend tot een groep van volkeren, die men gezamenlijk het
oeralo-altaÔsche (tusschen Oeral en AltaÔ wonende) ras noemt en
waaronder misschien evenals onder de Indo-EuropeÎrs verwantschap
bestaan heeft, zonder dat dit tot nog toe even duidelijk als bij
de Indo-EuropeÎrs is aangetoond geworden. Hebben de zoogenaamde
oeralo-altaÔsche volkeren een zelfden oorsprong, dan is in elk
geval het onderling verschil nog veel grooter geworden dan bij de
Indo-EuropeÎrs: wie zou nu tusschen Tataren, Mongolen, Kirgiezen,
Mantsjoe's, Jakoeten, Toengoezen aan den ÈÈnen kant, Hongaren, Finnen,
Lappen aan den anderen kant verwantschap gaan zoeken, zonder de oudere
geschiedenis dier volkeren te kennen?
De oudste ons bekende woonplaats der Turken is Turkestan, zoowel het
nu tot Russisch-Azie behoorende land van dien naam als het tot China
behoorende Oost-Turkestan. Daar signaleerden hen in de vijfde eeuw na
Christus de Chineezen als Tou-kioue, terwijl in het Byzantijnsche of
Grieksche rijk in dezelfde eeuw de naam Tourkoi genoemd wordt. Het
militaire gevoel was bij hen zeer sterk ontwikkeld. Zij waren in de
eerste plaats soldaten, trekkende, waarheen de fortuin hen voerde,
levende, als het mogelijk was, op vaste plaatsen, maar die ook
gemakkelijk verlatende, als een sterkere kwam, die hen er uitdreef. Het
soldatenleven ontwikkelde bij hen een buitengewoon sterk plichtsgevoel
met een levendigen zin voor discipline en hiÎrarchie. "Een Turk te
paard kent zijn vader niet," "Als men 't huis uws vaders aanvalt,
valt mede aan", zijn bekende Turksche gezegden uit dien ouden tijd.
Voor een dergelijk volk moest de Islam met zijne martiale eigenschappen
veel aantrekkelijks hebben. Met overpeinzingen over de waarde van een
of ander godsdienstig stelsel hebben de Turken, weinig bespiegelend
aangelegd als zij zijn, zich nooit druk gemaakt. Evenals het vroeger
tot hen gekomen Boeddhisme en het Nestoriaansch Christendom aanhang
onder hen gevonden hadden, zoo ook de Islam, toen die hun land in de
zevende eeuw bereikte.
De Islam opende hun nieuwe wegen om zich uit te breiden. Tot
nog toe hadden zij zich meest naar het Westen verplaatst. Nu
stond voor hen ook de weg naar het Zuidwesten, naar Iran, open,
waar het Nieuw-Perziche rijk der Sassaniden, begunstigd door de
natuurlijke grensgesteldheid tot hen, aan de komst van den Islam
had kunnen tegenhouden. In grooten getale maakten zij daarna weldra
hunne opwachting in het Kalifaat van Bagdad en traden in dienst
der Abassiden, het toenmalige kaliefengeslacht. Met hun optreden
in Voor-AziÎ beginnen nieuwe veroveringen der Mohammedanen; het
laatste overblijfsel van het Byzantijnsche rijk in AziÎ, Klein-AziÎ
of Roem (= land der Romeinen), werd door de Turken veroverd. Maar
door hen begint ook de verbrokkeling van het Kalifaat van Bagdad in
een aantal kleine staatjes onder verschillende dynastieÎn, die den
kalief slechts in naam als hun meester erkennen. Meer direct wordt
de kalief bedreigd door de ook al uit Turken bestaande lijfwacht,
wier hoofd, de emir-al-omra, hem op den duur gaat overheerschen. Het
culminatiepunt in die ontwikkeling wordt bereikt, wanneer kalief Kalem
in het midden der elfde eeuw den wegens zijn godsdienstijver bekenden
Togroel-Beg, het hoofd der Seldsjoeksche [2320] Turken, naar Bagdad
roept en proclameert tot sultan van het Oosten en Westen: deze krijgt
dus de wereldlijke macht, de kalief behoudt alleen de geestelijke.
De sultan of, zooals men hem meestal noemde, de atabÍk, die te Mosoel
resideerde, kon op den duur evenmin als de kalief een krachtig centraal
gezag handhaven. Onder hem waren verschillende sultans, leenvorsten
eigenlijk, die zich van den atabÍk feitelijk losmaakten, zoodat de
verbrokkeling, reeds onder de kaliefen ontstaan, bleef voortduren. Het
belangrijkste der zoo ontstaande rijkjes vond men in Klein-Azie,
met Iconium en later Nicaea, dus vlak in de buurt van Constantinopel,
als hoofdstad. In denzelfden tijd kregen andere Turksche stammen veel
invloed in het kalifaat van CaÔro, waartoe een groot deel van SyriÎ
behoorde, en ook hier begon nu een dergelijke verbrokkeling.
Zoo was de toestand, toen vooral in de twaalfde eeuw de kruistochten
plaats hadden. Die merkwaardige beweging, voortgekomen uit een
hooggespannen godsdienstig gevoel bij de volken van West-Europa, dat
die volken heeft doen samenwerken tot ÈÈn doel, zooals later zelden
meer voorgekomen is, scheen voor een oogenblik in den toestand in het
Oosten groote veranderingen te zullen aanbrengen. Het Byzantijnsche
rijk werd tijdelijk ontlast van de bedreiging uit het Oosten; het
kreeg zelfs een deel van Klein-AziÎ, door de kruisvaarders veroverd,
terug. Langs de Oostkust der Middellandsche Zee, in het oude land
van PhoeniciÎrs en IsraÎlieten, werden de Mohammedanen teruggedreven
en verschillende kleine Christelijke staten vormden zich daar, in
naam vereenigd onder het koninkrijk Jeruzalem. Maar het was voor
de Christenen een blijdschap van korten duur. De Turken, onderling
verdeeld, toen de Christenen kwamen, vereenigden zich en vonden
verschillende voortreffelijke leiders, waaronder een eerste plaats
inneemt Salah-ed-Din, uit den stam der Koerden, wiens vader groote
macht had weten te verkrijgen in Egypte en die zelf aan het kalifaat
van CaÔro feitelijk een einde gemaakt had en behalve heerscher
over Egypte ook heerscher over geheel SyriÎ en MesopotamiÎ geworden
was. Tegenover die eenheid aan de zijde der Mohammedanen stond weldra
een verdeelde Christenwereld in het Oosten, die tegen de aanvallen
van Salah-ed-Din en zijne voorgangers niet bestand bleek. De ÈÈne
Christelijke staat vÛÛr, de andere na verdween, de meeste reeds in
de tweede helft der twaalfde eeuw. Onder moeilijke omstandigheden
bleven enkele plaatsen tot het einde der dertiende eeuw in handen
van een naam-koning van Jeruzalem; het eiland Cyprus, ook door de
kruisvaarders veroverd, zelfs tot 1489, toen het aan VenetiÎ kwam.