zweer bij de ziel die zich zelve beschuldigt. 3. Denkt de mensch,
dat wij zijne beenderen niet bij elkander zullen verzamelen? 4. Ja,
wij zijn in staat de kleinste beenderen zijner vingers bijeen te
brengen. 5. Maar de mensch verkiest zondig te zijn (te loochenen) den
tijd die vÛÛr hem is. 6. Hij vraagt: Wanneer zal de dag der opstanding
zijn? 7. Maar als het oog verblind. 8. Als de maan verduisterd zal
wezen. 9. En de zon en de maan vereenigd zullen zijn. 10. Op dien
dag zal de mensch zeggen: Waar is een toevluchtsoord? 11. Volstrekt
niet. Er zal geene plaats zijn, om er heen te vluchten. 12. Op dien
dag zal de veilige rustplaats met uwen Heer zijn. 13. Op dien dag
zal de mensch vernemen, wat hij het eerste en het laatste heeft
gedaan [2221]. 14. Ja, de mensch zal getuigenis tegen zich zelven
afleggen. 15. En hoewel hij zijne verontschuldigingen aanbiedt, zullen
zij niet worden aangenomen. 16. Beweeg uwe tong niet (o Mahomet!) door
(de openbaringen te herhalen, u door GabriÎl gebracht, alvorens hij
die geÎindigd zal hebben), opdat gij haar spoedig in het geheugen
zoudt prenten. 17. Want het verzamelen van den Koran in uw geheugen,
en u de ware lezing daarvan te leeren, komen ons toe. 18. Maar als
wij u dien door de tong van den engel zullen hebben voorgelezen,
volg dan de lezing daarvan. 19. En daarna belasten wij ons, u dien
uit te leggen. 20. Gij zult volstrekt zoo haastig niet zijn voor de
toekomst. Maar gij menschen bemint datgene, wat haastig voorbijgaat
(het wereldsche). 21. En gij verwaarloost het volgende leven. 22. Op
dien dag zullen er aangezichten zijn, die met een levendigen glans
zullen schitteren. 23. En die hunne blikken naar den Heer zullen
wenden. 24. Er zullen dien dag ter nedergeslagen aangezichten
wezen. 25. Zij zullen denken, dat er eene verpletterende ramp
over hen zal worden gebracht. 26. Zekerlijk. Als de ziel van den
mensch (in zijn doodstrijd) tot zijne keel zal opstijgen. 27. Als
de omstanders zullen zeggen: Wie brengt een toovermiddel om hem te
doen herstellen? 28. Denkende, dat het oogenblik van zijn vertrek uit
deze wereld is gekomen. 29. En het eene been met het andere been zal
worden verbonden [2222]. 30. Op dien dag zal hij tot uwen Heer worden
gedreven. 31. Want hij geloofde niet [2223], noch bad. 32. Maar hij
beschuldigde Gods profeet van bedrog, en wendde zich af, in plaats
van hem te gehoorzamen. 33. Daarop ging hij tot zijn gezin terug, met
hoogmoed wandelende. 34. Daarom, wee over u! het uur nadert. 35. Het
nadert steeds. Wee! en nog eens wee over u; wee! 36. Denkt de mensch,
dat hij geheel vrijgelaten zal worden, (zonder toezicht)? 37. Was hij
niet eerst een droppel zaad, die zich gemakkelijk verliest? 38. Later
was hij een weinig gestold bloed; en God vormde hem in eene juiste
evenredigheid. 39. En maakte twee seksen van hem: den man en de
vrouw. 40. Is hij die dit gedaan heeft, niet in staat de dooden te
doen herleven?
ZES EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE MENSCH.
Geopenbaard te Mekka [2224]--31 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ging er niet eene groote tijdruimte over den mensch, gedurende
welke hij eene nietswaardige zaak was? 2. Waarlijk, wij hebben
den mensch geschapen uit het gemengde zaad van beide seksen,
opdat wij hem zouden beproeven, en wij hebben hem doen hooren en
zien [2225]. 3. Wij hebben hem zeker op den weg geleid, of hij
dankbaar, dan wel ondankbaar zou zijn. 4. Waarlijk, wij hebben
voor de ongeloovigen ketenen en halskragen en brandend vuur gereed
gemaakt. 5. Maar de rechtvaardigen zullen uit een beker wijn drinken,
gemengd met het water van Ca oer [2226]. 6. Eene fontein waarvan
Gods dienaren zullen drinken: zij zullen die door kanalen leiden
(werwaarts het hun behaagt). 7. Deze vervullen hunne gelofte [2227]
en vreezen den dag, waarvan rampen zich zeer ver uitstrekken. 8. Zij,
schoon zelven nooddruftig, geven voedsel aan de armen, aan den
wees en aan den balling voor zijne zaak. 9. Zeggende: Wij voeden
u alleen voor Gods zaak; wij begeeren belooning noch dankzegging
van u. 10. Waarlijk, wij vreezen van onzen Heer een schrikbarenden
en rampvollen dag. 11. Daarom zal God hen van de ramp van dien dag
bevrijden, en hij zal hunne voorhoofden doen schitteren, en hun vreugde
geven. 12. En hij zal hun voor hunne geduldige volharding beloonen,
met een tuin en zijden kleederen. 13. Daarin zullen zij op zetels
rusten; zij zullen daar zon noch maan zien [2228]. 14. De schaduwen
der boomen zullen zich over hen uitspreiden, en de vruchten daarvan
zullen laag nederkomen, zoodat die gemakkelijk zullen kunnen worden
ingezameld. 15. Hunne dienaren zullen bij hen rondgaan met zilveren
vaatwerk en bekers. 16. De flesschen zullen flesschen van zilver zijn
(blinkend als glas); zij zullen de maat daarvan bepalen. 17. Daar
zal hun te drinken worden gegeven, uit bekers (wijn), gemengd met
het water van Zedjebil [2229] 18. Uit eene fontein in het paradijs,
Selsebil genaamd. 19. En kinderen die eeuwig jong zullen blijven
zullen rondgaan om hen te bedienen; als gij hen ziet, zult gij denken
dat zij verspreide paarlen zijn. 20. En als gij dit ziet, zult gij
geneugten aanschouwen en een groot koninkrijk. 21. Zij zullen bedekt
zijn met kleederen van fijne, groene zijde en van gouden weefsels,
en zij zullen versierd zijn met zilveren armbanden, en hun Heer
zal hun van het zuiverste vocht te drinken geven. 22. (Hij zal tot
hen zeggen:) Waarlijk, dit is uwe belooning, en uwe pogingen zijn
dankbaar aangenomen. 23. Waarlijk, wij hebben u den Koran door eene
(trapsgewijze) openbaring nedergezonden. 24. Wacht dus geduldig
het oordeel van uwen Heer af, en geloof geen zondaar of ongeloovige
onder hen. 25. Gedenk den naam van uwen Heer, des ochtends en des
avonds. 26. En aanbid hem gedurende (een deel van den nacht); en prijs
hem gedurende een groot deel des nachts. 27. Waarlijk, deze menschen
beminnen het voorbijgaande leven, en veronachtzamen den zwaren dag des
oordeels. 28. Wij hebben hen geschapen en hunne ledematen gesterkt,
en als het ons behaagt, stellen wij anderen aan hen gelijk, in hunne
plaats. 29. Waarlijk, dit is eene waarschuwing; en hij die wil, kieze
den weg tot zijn Heer. 30. Maar gij zult niet willen tenzij God wil;
want God is alwetend en wijs 31. Hij leidt in zijne genade die hem
behagen; maar voor den onrechtvaardige heeft hij eene gestrenge straf
gereed gemaakt.
ZEVEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GEZANTEN.
Geopenbaard te Mekka--50 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij de engelen die door God gezonden zijn, en elkander
in eene aanhoudende reeks opvolgen. 2. Bij hen die zich snel
bewegen met eene snelle beweging; 3. En bij hen die zijne bevelen
verspreiden. 4. Door die op aarde bekend te maken, en bij hen die
waarheid van leugen afscheiden, door die te erkennen. 5. En bij hen
die de goddelijke vermaning mededeelen. 6. Ter verontschuldiging
of bedreiging. 7. Waarlijk, wat wij beloofd hebben [2230], is
onvermijdelijk. 8. Als de sterren zullen worden uitgedoofd. 9. En de
hemel gespleten, 10. Als de bergen zullen uiteenstuiven. 11. En als
den gezanten een tijdstip zal zijn aangewezen, om te verschijnen en
getuigenis tegen hun eigen volk af te leggen. 12. Tot op welken dag
zal men het einde uitstellen? 13. Tot den dag der scheiding. 14. En
wat zal u doen begrijpen, wat de dag der scheiding is? 15. Op dien dag,
wee over hem, die de profeten van bedrog beschuldigde! 16. Hebben wij
niet de vroegere, hardnekkige ongeloovigen verdelgd? 17. Wij zullen
ook die van latere tijden hen doen volgen. 18. Zoo handelen wij met de
snoodaards. 19. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog
hebben beschuldigd! 20. Hebben wij u niet van een nietigen droppel zaad
geschapen. 21. Dien wij in eene zekere bewaarplaats stelden. 22. Tot
de bepaalde tijd der verlossing was gekomen? 23. En wij waren in
staat dit te doen; want wij zijn machtig. 24. Wee op dien dag over
hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 25. Hebben
wij de aarde niet zÛÛ gemaakt, dat zij bevat 26. de levenden en
de dooden? 27. En hebben wij daarop geene vaste, verhevene bergen
geplaatst en u zuiver water te drinken gegeven? 28. Wee op dien dag
over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 29. Men
zal tot hen zeggen: Gaat ter straf, welke gij als eene valschheid
hebt geloochend. 30. Gaat in de schaduw van den rook der hel, welke
in drie kolommen zal opstijgen. 31. En die u noch voor de hitte
beveiligen, noch tegen de vlam van dienst wezen zal. 32. Maar hij
zal vonken, zoo groot als torens, uitwerpen. 33. Gelijkende in hare
kleur op gele kemels, 34. Wee op dien dag over hen, die de profeten
van bedrog hebben beschuldigd! 35. Dit zal een dag wezen, waarop de
schuldigen sprakeloos zullen zijn. 36. En het zal hun niet geoorloofd
worden, zich te verontschuldigen. 37. Wee op dien dag over hen,
die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 38. Dit zal de dag
der scheiding wezen, waarop wij zoowel u, als uwe voorgangers zullen
verzamelen. 39. Indien gij dus eene doordachte list bezit, gebruikt die
dan tegen mij. 40. Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog
hebben beschuldigd! 41. Maar de vrome zal te midden van schaduwen en
fonteinen wonen. 42. En te midden van vruchten van allerlei soort,
welke zij zullen begeeren. 43. En men zal tot hen zeggen: Eet en drinkt
met goede spijsvertering, ter belooning voor hetgeen gij zult hebben
verricht. 44. Want zoo beloonen wij de rechtvaardigen. 45. Wee op dien
dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 46. Eet,
o ongeloovigen? en geniet de genoegens van dit leven voor een korten
tijd. Waarlijk, gij zijt zondaren. 47. Wee op dien dag over hen,
die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 48. En als hun gezegd
wordt: Buigt u neder, dan buigen zij niet neder. 49. Wee op dien dag
over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd! 50. In welke
nieuwe openbaring, zullen zij na deze gelooven?
ACHT EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
HET NIEUWS.
Geopenbaard te Mekka--41 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander? 2. Nopens
het groote nieuws der opstanding. 3. Omtrent welke zij niet
overeenstemmen. 4. Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan
kennen. 5. Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan
kennen. 6. Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid. 7. En
de bergen als staken om haar te bevestigen [2231]? 8. Hebben wij u
niet van twee seksen geschapen. 9. En bepaald dat gij slapen zoudt
om te rusten? 10. Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om
u te bedekken. 11. En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde
daarop uw levensonderhoud te winnen? 12. Hebben wij niet zeven
stevige hemelen boven u gebouwd. 13. En daarin eene brandende lamp
geplaatst? 14. En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water
stroomen. 15. Om daardoor graan en kruiden voort te brengen. 16. En
tuinen, dicht beplant met boomen? 17. Waarlijk, de dag der scheiding
is een onbepaald tijdstip; 18. De dag waarop de trompet zal klinken,
en gij in scharen ten oordeel zult optrekken. 19. De hemelen zullen
geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen
te laten doorgaan. 20. De bergen zullen voorbijgaan, en als damp
worden. 21. Waarlijk, de hel zal eene plaats van verbranding zijn;
22. Eene bergplaats voor de zondaren 23. Die daar gedurende eeuwen
zullen wonen. 24. Zij zullen daar geenerlei verversching proeven, noch
eenigen drank. 25. Behalve kokend water en bedorven vocht: 26. Eene
geschikte vergelding voor hunne daden! 27. Want zij hoopten, dat zij
geene rekenschap zouden moeten afleggen. 28. En zij geloofden niet
in onze teekenen, welke zij van valschheid beschuldigden. 29. Maar
elke zaak hebben wij opgeteld en nedergeschreven. 30. Proef dus de
vergelding: wij zullen u niets dan marteling toevoegen. 31. Maar voor
de godvruchtigen is eene plaats van heil gereed gemaakt: 32. Tuinen met
boomen beplant en wijngaarden. 33. En maagden met zwellende borsten,
van gelijken ouderdom met hen. 34. En een vollen beker. 35. Zij zullen
daar geene ijdele gesprekken, of eenige onwaarheid hooren. 36. Dit
zal hunne belooning wezen van hunnen Heer; eene volkomen toereikende
gift. 37. Van den Heer over hemel en aarde, en over alles wat
daartusschen is: den Barmhartigen; maar de bewoners van den hemel of
de aarde zullen hem geen gehoor durven vragen. 38. Den dag waarop de
geest (GabriÎl) en de andere engelen in orde geschaard zullen staan,
zullen zij niet ten behoeve van zich zelven of van anderen spreken,
behalve hij alleen, aan wien de Barmhartige verlof zal geven, en die
zeggen zal, wat recht is. 39. Dit is de onvermijdelijke dag. Wie dus
wil, laat die tot zijn Heer terugkeeren. 40. Waarlijk, wij bedreigen
u met eene straf die nabij ligt. 41. Op den dag waarop de mensch de
goede of slechte daden zal aanschouwen, welke zijne handen voor hem
uit hebben gezonden, en waarop de on geloovige zal zeggen: God gaf,
ik ware stof!
NEGEN EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ DIE DE ZIELEN UITRUKKEN.
Geopenbaard te Mekka.--46 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. (Ik zweer) bij de engelen, die de zielen van sommigen met
geweld uitscheuren. 2. En bij hen, die de zielen van anderen met
zachtheid verwijderen [2232]. 3. Bij hen, die al zwemmende, met de
bevelen van God (door de lucht) voortglijden; 4. Bij hen, die den
rechtvaardige naar het paradijs voorafgaan en leiden. 5. En die als
ondergeschikten de zaken van deze wereld leiden. 6. Op een zekeren
dag zal de benarrende klank der trompet het heelal verontrusten:
7. En een tweede klank zal daarop volgen. 8. Op dien dag zullen de
harten der menschen beven; 9. Zij zullen hunne oogen nederslaan. 10. De
ongeloovigen zeggen: Zal men ons zekerlijk daarheen doen terugkeeren,
van waar wij kwamen? 11. Nadat wij verrotte beenderen zijn geworden,
zullen wij dan weder tot het leven worden opgewekt? 12. Zij zeggen:
waarlijk deze opstanding is hersenschimming. 13. Waarlijk, de trompet
zal zich slechts eenmaal doen hooren. 14. En ziet, zij zullen levend
op de oppervlakte der aarde verschijnen. 15. Heeft het verhaal van
Mozes u niet bereikt. 16. Toen zijn Heer in de heilige vallei Toewa
[2233] hem toeriep; 17. Zeggende: Ga tot Pharao; want hij is op eene
onbeschaamde wijze zondig. 18. En zeg: Begeert gij rechtvaardig en
heilig te worden? 19. Ik wil u tot uwen Heer leiden, opdat gij moogt
vreezen te zondigen. 20. En hij toonde hem het zeer groote teeken van
den staf, die in eene slang veranderde. 21. Maar Pharao beschuldigde
Mozes van bedrog, en was weerspannig tegen God. 22. Daarop wendde
hij zich haastig af. 23. Hij verzamelde de toovenaren, en riep luid:
24. Zeggende: Ik ben uw opperste Heer. 25. Daarom kastijdde God hem
met de straf van het volgende leven en met die van het tegenwoordige
leven. 26. Waarlijk, hierin is een voorbeeld voor hem, die vreest
weerspannig te zijn. 27. Is het moeielijker u te scheppen, dan wel
den hemel? 28. God heeft dien gebouwd. Hij heeft dien hoog opgevoerd,
en heeft dien volmaakt gevormd. 29. En hij heeft den nacht daarvan
duister gemaakt, en heeft zijn licht voortgebracht. 30. Hierna
strekte hij de aarde uit. 31. Waaruit hij het water en het gras doet
voortspruiten. 32. En hij richtte de bergen op, 33. Voor uw gebruik
en voor het gebruik van uw vee. 34. Als de voorname, de groote
dag zal komen. 35. Op dien dag zal de mensch zich herinneren, wat
hij opzettelijk heeft gedaan. 36. En de hel zal aan het oog van den
toeschouwer worden vertoond. 37. En wie gezondigd zal hebben. 38. En
dit tegenwoordige leven de voorkeur zal hebben gegeven. 39. Waarlijk,
de hel zal zijn verblijf wezen. 40. Maar hij die de verschijning
voor zijn Heer zal hebben gevreesd, en zijne ziel in hare lusten
zal hebben bedwongen. 41. Waarlijk, het paradijs zal zijne belooning
zijn. 42. Zij zullen u ondervragen nopens het jongste uur, en wanneer
de vastbepaalde tijd daarvan zal zijn. 43. Op welke wijze kunt gij
eenige inlichting daaromtrent geven? 44. Aan uw Heer behoort de kennis
van het tijdstip daarvan. 45. En gij zijt slechts een waarschuwer,
voor hen die het vreezen. 46. Op den dag waarop zij dit zullen zien,
zal het hun toeschijnen, als waren zij niet langer op de aarde gebleven
dan een avond of een ochtend van dien dag.
TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
HIJ FRONSTE HET VOORHOOFD.
Geopenbaard te Mekka.--42 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De profeet fronst zijn voorhoofd en wendt zich af. 2. Omdat de
blinde man tot hem kwam [2234]. 3. En hoe kunt gij weten of hij
niet misschien van zijne zonden gezuiverd zal worden; 4. Of dat
hij vermaand zal worden, en dat de vermaning van eenig voordeel zal
wezen. 5. Den mensch die rijk is. 6. Ontvangt gij gij met eerbied;
7. Terwijl gij er niet van beschuldigd wordt, dat hij niet gezuiverd
is. 8. Maar hij die tot u komt, om zijn heil ernstig te zoeken. 9. En
die God vreest. 10. Verwaarloost gij. 11. Gij moest volstrekt niet
zoo handelen. Waarlijk, de Koran is eene vermaning. 12. (En hij
die daartoe gezind is, onthoudt deze). 13. En hij is op geachte
bladen geschreven. 14. Verheven en zuiver. 15. Met de handen van
geÎerde en rechtvaardige schrijvers [2235]. 16. Gevloekt zij de
mensch! Wat heeft hem tot ontrouw verleid? 17. Van wat schiep God
hem? 18. Van een droppel zaad schiep hij hem; 19. En hij vormde hem
met evenredigheid. 20. Daarna vergemakkelijkte hij zijn uitgang uit den
schoot der moeder. 21. Daarna deed hij hem sterven, en legde hem in het
graf. 22. Hierna, als het hem zal behagen, zal hij hem tot het leven
opwekken. 23. Waarlijk, hij heeft tot hiertoe niet volkomen vervuld
wat God hem heeft bevolen. 24. Laat den mensch zijn voedsel beschouwen
(en op welke wijze het wordt voortgebracht). 25. Wij doen het water
door regenbuien nederstorten; 26. Daarna splijten wij de aarde met
spleten. 27. En wij doen het koren daaruit voortspruiten. 28. Den
wijngaard en het klaverblad; 29. Den olijfboom en den palmboom. 30. En
tuinen dicht met boomen beplant. 31. En vruchten en gras. 32. Voor het
gebruik van u zelven en van uw vee. 33. Als de verdoovende klank van
de trompet zal gehoord worden. 34. Op dien dag zal de mensch van zijn
broeder vluchten. 35. Van zijne moeder en zijn vader. 36. Van zijn
vrouw en zijne kinderen. 37. Ieder mensch zal op dien dag genoeg stof
voor zich zelven hebben, om zijne gedachten bezig te houden. 38. Op
dien dag zullen de aangezichten van sommigen schitteren. 39. Lachend
en vroolijk zijn. 40. En op de aangezichten van anderen zal, op dien
dag, stof liggen; 41. Duisternis zal hen bedekken; 42. Dit zijn de
ongeloovigen, de zondaars.
EEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE OPGEVOUWEN ZON.
Gegeven te Mekka.--29 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de zon zal opgevouwen worden [2236]. 2. Als de sterren zullen
vallen. 3. Als de bergen in beweging gebracht zullen worden. 4. Als de
kameelen hunne wijfjes zullen verlaten. 5. Als de wilde dieren bijeen
verzameld zullen worden. 6. En als de zeeÎn zullen koken. 7. Als de
zielen weder met hare lichamen zullen vereenigd worden. 8. Als aan
het meisje, dat levend wordt begraven, zal gevraagd worden. 9. Voor
welke misdaad zij ter dood gebracht werd [2237]; 10. Als de boeken
opengelegd zullen worden. 11. En als de hemelen ter zijde gebracht
zullen worden [2238]. 12. Als de hel met gedruis zal branden. 13. En
als het paradijs naderbij gebracht zal worden. 14. Dan zal elke ziel
weten, wat zij verricht heeft. 15. Waarlijk, ik zweer [2239] bij de
teruggaande sterren. 16. Die zich snel bewegen en zich verbergen,
17. En bij den nacht als die invalt. 18. En bij den morgen als die
verschijnt. 19. Dat dit de woorden van den eerbiedwaardigen gezant zijn
[2240], 20. Begaafd met kracht, en met waardigheid in het aangezicht
van den bezitter van den troon, 21. Gehoorzaamd door de engelen,
die onder zijn bevel staan en gelooven. 22. Uw makker Mahomet is
niet bezeten. 23. Hij heeft hem reeds aan den helderen gezichteinder
gezien [2241]. 24. En hij verdenkt de geheimen niet, die hem werden
geopenbaard. 25. Dit zijn niet de woorden van een gesteenigden duivel
[2242]. 26. Waar gaat (dwaalt) gij dus heen? 27. De Koran is eene
vermaning voor alle schepselen, 28. Voor dengene uwer, die geneigd is
oprecht te wandelen. 29. Maar gij zult niet willen, tenzij God wil,
de Heer van alle schepselen.
TWEE EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GESPLETEN HEMEL.
Geopenbaard te Mekka--19 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de hemel gespleten zal worden, 2. Als de sterren verspreid
zullen worden, 3. Als de zeeÎn hare wateren zullen vermengen, 4. En als
de graven ten onderstboven zullen gekeerd worden, 5. Dan zal iederen
ziel kennen, wat zij heeft misdreven. 6. O mensch! wat heeft u omtrent
uwen barmhartigen Heer verleid, 7. Die u geschapen en verzameld heeft,
en u op den rechten weg leidde, 8. Die u heeft gevormd in den vorm
welke hem behaagde? 9. Waarlijk, doch gij loochent het laatste
oordeel als eene valschheid. 10. Waarlijk er zijn wachtengelen
over u aangesteld [2243]. 11. Eerbiedwaardig in het oog van God;
die uwe daden nederschrijven; 12. Die weten wat gij doet. 13. De
rechtvaardigen zullen zekerlijk op eene plaats des genots zijn;
14. Maar de zondaren zullen zekerlijk in de hel wezen. 15. Zij zullen
daarin worden geworpen, om op den dag des oordeels verbrand te worden,
16. Zij zullen zich daaraan nimmer kunnen onttrekken. 17. Wat zal u
doen begrijpen wat de dag des oordeels is? 18. Nogmaals; wat zal u
doen begrijpen wat de dag des oordeels is? 19. Het is de dag waarop
de eene ziel niet in staat zal wezen, iets ten behoeve eener andere
te verkrijgen. Het bevel zal op dien dag aan God toebehooren.
DRIE EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE BEDRIEGERS.
Geopenbaard te Mekka.--36 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Wee over hen, die de maat of het gewicht vervalschen! 2. Die,
als zij van anderen koopen eene volle maat verlangen, 3. Maar
die bedriegen als zij voor anderen meten of wegen. 4. Weten zij
niet, dat zij eens zullen worden opgewekt 5. Op den grooten dag;
6. Den dag waarop de mensch voor den Heer van alle schepselen zal
staan? Volstrekt niet. 7. Waarlijk, het register van de zondaren is
zekerlijk in SidjÓn [2244]. 8. En wat zal u doen begrijpen, wat SidjÓn
is? 9. Het is een duidelijk geschreven boek. 10. Wee op dien dag over
hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd. 11. Die den dag
des oordeels als een valschheid loochenen! 12. Niemand loochent dien
als eene valschheid, behalve de zondaar en de schuldige; 13. Die,
als hun onze teekenen worden herinnerd, zeggen: Dit zijn fabelen van
de ouden. 14. Volstrekt niet.--Maar hunne lusten hebben veeleer een
sluier over hunne harten geworpen. 15. Volstrekt niet. Dien dag zullen
zij van hunnen Heer zijn uitgesloten; 16. En zij zullen in de hel
worden gezonden, om verbrand te worden. 17. Dan zullen de wachters
der hel tot hen zeggen: Dit is, wat gij als een valschheid hebt
geloochend. 18. Waarlijk, het register van de daden der rechtvaardigen
is Illioen [2245]. 19. En wat zal u doen begrijpen wat Illioen
is. 20. Het is een duidelijk geschreven boek. 21. Zij, die God naderen
zijn getuigen daarvan. 22. Waarlijk, de rechtvaardigen zullen te midden
van genoegens wonen. 23. Op zetels (uitgestrekt), zullen zij voorwerpen
van genoegens aanschouwen. 24. Gij zult den glans der vreugde op
hunne aangezichten zien. 25. Men zal hun zuiveren (keurigen) wijn te
drinken geven, die gezegeld zal zijn. 26. Het zegel zal van muskus
wezen. Laat dus hen die trachten deze gelukzaligheid te verkrijgen,
streven haar te verdienen. 27. En het daarmede gemengde water zal van
Tasnim zijn [2246]; 28. Eene fontein waarvan degenen zullen drinken,
die de goddelijke tegenwoordigheid nabij komen. 29. Zij die zondig
handelen, bespotten de ware geloovigen. 30. Als zij hen voorbij gaan,
wenken zij elkander toe. 31. En als zij tot hun volk wederkeeren,
komen zij terug, terwijl zij spottende gebaren maken. 32. En als zij
hen zien, zeggen zij: Waarlijk, deze zijn verdoolde menschen. 33. Maar
zij zijn niet gezonden om over hen te waken [2247], 34. Daarom zullen
ware geloovigen eens de ongeloovigen bespotten; 35. Op zetels liggende,
zullen zij op hen in de hel nederzien. 36. Zal den ongeloovigen niet
vergolden worden hetgeen zij hebben gedaan?
VIER EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GEOPENDE HEMEL.
Geopenbaard te Mekka [2248].--25 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.