1. Noen [2174]. (Ik zweer) bij de pen en wat zij (de menschen)

schrijven. 2. Gij, o Mahomet! zijt, door de genade van uwen Heer,

geen bezetene. 3. Waarlijk, er is u eene eeuwige belooning gereed

gemaakt; 4. Want gij hebt een verheven karakter [2175]. 5. Gij zult

zien en de ongeloovigen zullen het zien. 6. Wie uwer van zijne zinnen

is beroofd. 7. Waarlijk, uw Heer kent hen wel, die zijn pad verlaat, en

hij kent hen wel, die op den rechten weg geleid worden. 8. Gehoorzaam

hen dus niet, die u van bedrog beschuldigen. 9. Zij begeeren, dat

gij hen met zachtheid zoudt behandelen, en dan zouden zij u ook

met zachtheid behandelen [2176]. 10. Maar geloof niemand die ieder

oogenblik zweert en een verachtelijke is. 11. Luister niet naar den

lasteraar, die met leugens omgaat. 12. Die verbiedt wat goed is; die

een overtreder, een snoodaard is. 13. De onmeÍdoogende en buitendien

van onreine geboorte. 14. Zelfs indien hij rijkdommen en vele kinderen

heeft. 15. Als hem onze teekenen herinnerd worden, zegt hij: Dit zijn

fabelen van de ouden. 16. Wij zullen een vurig kenteeken op zijn neus

drukken. 17. Waarlijk, wij hebben de bewoners van Mekka beproefd

[2177], zooals wij vroeger de eigenaars van den tuin beproefden

[2178], toen zij zwoeren, dat zij de vruchten daarvan des ochtends

zouden verzamelen. 18. En er de uitzondering niet bijvoegden: Indien

het Gode behaagt. 19. En de tuin werd door eene verwoesting van uwen

Heer overvallen, terwijl zij sliepen. 20. En des ochtends was die,

als een tuin waarvan de vruchten reeds verzameld waren. 21. En zij

riepen elkander, toen zij des morgens opstonden, zeggende: 22. Ga vroeg

naar uwe beplanting, indien gij voornemens zijt de vruchten daarvan te

verzamelen. 23. Daarop gingen zij, terwijl zij elkander toefluisterden:

24. Geen arme zal heden uwen tuin binnentreden. 25. En zij vertrokken

vroeg, met het voorgestelde doel, niets te geven. 26. Toen zij zagen

dat de tuin verzengd en verwoest was, zeiden zij: Wij hebben ons zeker

in den weg vergist. 27. (Maar toen zij bevonden dat het hun eigen

tuin was), riepen zij uit: Waarlijk, het is ons niet geoorloofd [2179]

(de vruchten daarvan te plukken). 28. De verstandigste van hen zeide:

Heb ik u niet gezegd: Waarom gedenkt gij God niet? 29. Zij antwoordden:

Geloofd zij onze Heer! Waarlijk, wij waren zondaren. 30. En zij

begonnen elkander te laken. 31. En zij zeiden: Wee over ons! waarlijk,

wij waren zondaren. 32. Misschien zal onze Heer ons een beteren

tuin dan dezen in ruiling geven; en wij smeeken onzen Heer ernstig,

ons vergiffenis te schenken. 33. Dit is de kastijding van dit

leven; maar de kastijding van het volgende leven zal gestrenger

zijn. Indien zij het geweten hadden, zouden zij zich in acht genomen

hebben. 34. Waarlijk, voor de vromen zijn, door hunnen Heer, heerlijke

tuinen gereed gemaakt. 35. Zouden wij met de Moslems, even als met de

zondaren handelen? 36. Wat scheelt u, dat gij aldus oordeelt? 37. Hebt

gij een boek (van den hemel) waarin gij leest. 38. Dat gij datgene zult

verkrijgen, wat gij zult verkiezen? 39. Of hebt gij eeden ontvangen,

die ons op den dag der opstanding zullen binden, dat gij zult genieten

wat gij u verbeeldt? 40. Vraag hun wie van hen dit waarborgt. 41. Of

hebben zij makkers, die borg voor hen blijven? Laat hen dan hunne

makkers toonen, indien zij de waarheid spreken. 42. Op een zekeren

dag zal het been ontbloot worden [2180], en zij zullen opgeroepen

worden om te aanbidden; maar zij zullen daartoe niet in staat zijn

[2181]. 43. Hunne oogen zullen nedergeslagen zijn en zij zullen

door de schande worden gevolgd, omdat zij tot de vereering van God

werden uitgenoodigd, terwijl zij in zekerheid waren, maar niet wilden

hooren. 44. Spreek dus niet ten gunste van hen, die deze openbaring

van bedrog beschuldigen. Wij zullen hen allengs tot de vernietiging

voeren, langs wegen die zij niet kennen. 45. Ik zal hun een ruimen

tijd verleenen; want mijne krijgslist is onfeilbaar. 46. Vraagt gij

hun eenige belooning voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden

beladen. 47. Zijn de geheimen der toekomst met hen, en schrijven

zij die van de tafel van Gods besluiten af [2182]? 48. Wacht dus

geduldig het oordeel van uwen Heer af, en wees niet zoo als hij,

die door den visch werd verzwolgen toen hij God aanriep, terwijl hij

innerlijk toornig was [2183]. 49. Had de genade van zijn Heer hem

niet bereikt, dan ware hij zeker, met schaamte bedekt, op de naaste

kust geworpen geworden. 50. Maar zijn Heer koos hem, en maakte hem

tot een der rechtvaardigen. 51. Er ontbreekt slechts weinig aan, of

de ongeloovigen zouden u met hunne arglistige blikken nederwerpen,

als zij de vermaning van den Koran hooren; en zij zeggen: Hij is

zekerlijk bezeten. 52. Maar hij (de Koran) is slechts eene vermaning

aan alle schepselen.

NEGEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ONVERMIJDELIJKE DAG.

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. De onvermijdelijke dag [2184]! 2. Wat is de onvermijdelijke

dag? 3. En wat zal u doen begrijpen wat de onvermijdelijke dag

is? 4. De stammen ven Thamoed en Ad loochenen, als eene valschheid, den

dag, die de harten der menschen met schrik zal treffen [2185]. 5. Maar

Thamoed werd verdelgd door een vreeselijk onweder. 6. En Ad werd

verdelgd door een brullenden en vreeselijken kreet. 7. Waarmede

God hen gedurende zeven nachten en acht dagen achtereenvolgens

deed treffen. Gij hadt het volk gedurende dien tijd moeten zien,

nedergeknield liggende, als waren zij de wortels van holle palmboomen

[2186]. 8. En gij zoudt gezien hebben, dat er geen een van hen

overbleef. 9. Ook Pharao en zij die voor hen waren en de steden die

verwoest werden [2187], waren schuldig aan zonde. 10. En zij waren

allen ongehoorzaam aan den gezant van hunnen Heer; daarom kastijdde hij

hen met eene ruime kastijding. 11. Toen het water van den zondvloed

steeg, bewaarden wij u in de drijvende ark, 12. Om die tot eene

gedachtenis te maken, en opdat het aandachtige oor er de herinnering

van zou bewaren. 13. En als de trompet eens zal klinken. 14. Als de

aarde van hare plaats zal gerukt worden, en ook de bergen, en zij

eensklaps in stukken gebroken zullen worden. 15. Op dien dag zal het

onvermijdelijke uur des oordeels plotseling komen. 16. De hemelen

zullen op dien dag gespleten worden en in stukken vallen. 17. En de

engelen zullen ter zijde daarvan zijn [2188] en acht hunner zullen

op dien dag den troon van uwen Heer boven hen dragen. 18. Op dien

dag zult gij voor den rechterstoel van God geplaatst worden, en geene

uwer geheime daden zal verborgen zijn. 19. En hij, die het hem gegeven

boek in de rechterhand zal hebben, zal zeggen: Neem, en lees dit mijn

boek. 20. Waarlijk, ik dacht wel, dat ik deze mijne rekenschap zou

moeten geven. 21. Hij zal een genoegelijk leven leiden. 22. In een

verheven tuin. 23. Waarvan de vruchten gemakkelijk te plukken zullen

zijn. 24. Eet en drinkt met gemakkelijke spijsvertering, (zal men

hun zeggen) om de goede werken, die gij in de verloopen dagen voor

u uit hebt gezonden. 25. Maar hij, die zijn boek dat hij ontvangen

heeft, in zijne linkerhand zal hebben, zal zeggen: O, had ik dit

boek slechts niet ontvangen! 26. En dat ik niet wist, dat dit mijne

rekening was! 27. O had de dood een einde aan mij gemaakt! 28. Mijne

rijkdommen hebben mij niet bevoordeeld. 29. En mijne macht is voor mij

verdwenen. 30. En God zal tot de wachters der hel zeggen: Grijpt hem en

bindt hem, 31. En werpt hem in de hel om verbrand te worden. 32. Sluit

hem in eene keten, van eene lengte van zeventig ellebogen [2189]

33. Omdat hij niet in den grooten God geloofde. 34. En omdat hij niet

begeerlijk was, den arme te voeden. 35. Daarom zal hij hier dezen

dag geen vriend hebben. 36. Noch eenig voedsel, behalve het bedorven

vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit. 37. Dat niemand zal

genieten, behalve de zondaren. 38. Ik zweer [2190] bij datgene wat

gij ziet. 39. En datgene wat gij niet ziet. 40. Dat dit het gesprek

van een eerbiedwaardigen gezant is. 41. En niet het gesprek van een

dichter. O, hoe weinig gelooft gij! 42. Ook is het niet het gesprek

van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij! 43. Het is eene

openbaring van den Heer van alle schepselen. 44. Indien Mahomet iets

van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht. 45. Waarlijk,

wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen. 46 En wij zouden

de ader van zijn hart hebben doorgesneden. 47. En wij zouden niemand

uwer verhinderd hebben, hem te kastijden. 48. Waarlijk, dit boek is

eene vermaning voor den vrome. 49. En wij weten wel, dat er sommige

uwer zijn, die den Koran van bedrog beschuldigen. 50. Maar hij zal de

oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn; 51. Want het is de zekere

waarheid. 52. Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.

ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE TRAPPEN.

Geopenbaard te Mekka.--44 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Iemand vraagt en roept om wraak. 2. Over de ongeloovigen. Er

zal niemand wezen, die verhinderen kan. 3. Dat God hen bedroeven, de

meester der trappen [2191]. 4. Langs welke de engelen tot hem opstijgen

in een dag, wiens uitgebreidheid vijftig duizend jaren bedraagt

[2192]. 5. Daarom, verdraagt de beleedigingen van de bewoners van Mekka

met lofwaardig geduld. 6. Want zij (de ongeloovigen) zien hunne straf

ver verwijderd. 7. Maar wij zien die nabij. 8. Op een zekeren dag zal

de hemel als gesmolten koper worden. 9. En de bergen gelijk wol van

verschillende kleuren, door den wind uiteengedreven. 10. En een vriend

zal den ander niet naar zijn toestand vragen 11. Hoewel zij elkander

zien. De zondaar zal trachten, zich van de straf van dien dag los te

koopen, door zijne kinderen op te offeren 12. En zijne vrouw en zijn

broeder. 13. En zijne bloedverwanten die hem vriendschap bewezen;

14. En allen die op aarde zijn. Hij zal begeeren daardoor gered te

worden. 15. Maar in geenen deele; want het hellevuur, 16. Dat hen

bij de schedels zal grijpen, 17. Zal iederen persoon opeischen, die

zijn rug zal hebben toegewend, en het geloof ontvlucht is. 18. En die

rijkdommen verzameld heeft, en deze gierig ophoopt. 19. Waarlijk,

de mensch is zeer begeerig geschapen [2193]. 20. Als het kwaad

hem treft, is hij ternedergeslagen. 21. Maar als het goede

hem toevloeit, word hij karig. 22. Zoo bestaan niet degenen die

godvruchtig zijn. 23. Die in hunne gebeden volharden. 24. En zij,

die gereed zijn, een zeker voegzaam deel van hunne bezittingen

te geven. 25. Aan hem die vraagt, en aan hem, die door schaamte

teruggehouden wordt te vragen. 26. Zij, die oprecht in den dag des

oordeels gelooven, 27. En de straf van hunnen Heer vreezen 28. (Want

niemand is beveiligd tegen de straf van zijnen Heer). 29. Die ingetogen

leven. 30. En die geen gemeenschap hebben met andere vrouwen dan

met de hunne, of de slavinnen, die door hunne rechterhanden worden

bezeten; want zij zijn zonder blaam. 31. Maar zij, die gemeenschap

met andere vrouwen buiten deze hebben, zijn zondaren. 32. Zij, die

wat hun werd toevertrouwd en hun verbond getrouw bewaren. 33. Die

onwrikbaar in hunne verklaringen zijn. 34. En die de vereischte

voorschriften bij hunne gebeden nauwkeurig in acht nemen. 35. Deze

zullen hooggeÎerd zijn, en te midden van tuinen wonen. 36. Wat scheelt

de ongeloovigen, dat zij voor u uitgaan 37. In scharen ter rechter-

en ter linkerhand? 38. Wenscht een hunner den tuin des genots binnen

te gaan? 39. Volstrekt niet.--Waarlijk, wij hebben hen geschapen, van

datgene wat zij kennen [2194]. 40. Ik zweer bij den Heer van het Oosten

en het Westen [2195], dat wij in staat zijn. 41. (Hen te verdelgen

en) een beter volk voor hen in de plaats te stellen; en niemand kan

het verhinderen, indien het ons behaagt dit te doen. 42. Daarom,

laat hen in ijdele gesprekken waden, en in vermaken genot zoeken,

tot zij den dag ontmoeten, waarmede zij bedreigd zijn. 43. Den dag

waarop zij haastig uit hunne graven zullen voortkomen, als scharen, die

zich naar hunne vanen spoeden. 44. Hunne blikken zullen nedergeslagen

zijn, en schande zal hen volgen. Dit is de dag, waarmede zij bedreigd

zijn geworden.

EEN EN ZEVENSTIGSTE HOOFDSTUK.

NOACH.

Geopenbaard te Mekka.--29 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Waarlijk, wij zonden Noach tot zijn volk, zeggende: Waarschuw uw

volk, alvorens hen eene vreeselijke straf overvalt. 2. Noach zeide:

O mijn volk! waarlijk, ik ben een openbaar prediker voor u. 3. Daarom,

dient den eenigen God, vreest hem en gehoorzaamt mij. 4. Hij zal u

een gedeelte uwer zonden vergeven [2196], en zal u uitstel verleenen

tot een bepaalden tijd; want als de door God bepaalde tijd komt, zal

die niet worden uitgesteld; indien gij lieden van verstand waart,

zoudt gij dit weten. 5. Hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijn

volk nacht en dag geroepen; maar mijne stem heeft hunnen tegenzin

slechts vermeerderd. 6. En wanneer ik hen tot het ware geloof riep,

opdat gij hun zoudt vergeven, staken zij hunne vingers in hunne

ooren, en bedekten zich met hunne kleederen; zij volhardden in

hunne ongeloovigheid, en versmaadden mijn raad hoovaardig. 7. Daarop

heb ik hen in het openbaar uitgenoodigd, en ik sprak tot hen in het

openbaar. 8. Ik vermaande hen ook in het geheim. 9. En ik zeide: vraagt

vergiffenis van uwen Heer; want hij is vergevensgezind. 10. Hij zal

rijkelijk regen van den hemel op u doen nederstroomen. 11. Hij zal u

vermeerdering van welvaart en van kinderen schenken [2197], en hij

zal u tuinen geven en u met rivieren voorzien. 12. Wat scheelt u,

dat gij niet op Gods goedheid vertrouwt? 13. Hij heeft u toch in

verschillende vormen geschapen [2198]. 14. Ziet gij niet, hoe God

de zeven hemelen boven elkander heeft geschapen? 15. En hoe hij de

maan ter verlichting daarin heeft geplaatst, en dat hij de zon als

tot een fakkel heeft bestemd. 16. God heeft ook u voortgebracht,

en u uit de aarde doen voortspruiten. 17. Hierna zal hij u weder

daarin doen terugkeeren, en hij zal u daaruit weder wegnemen,

door u uit uwe graven te doen verrijzen. 18. God heeft de aarde

als een voetkleed voor u uitgespreid. 19. Opdat gij langs ruime

paden daar zoudt mogen wandelen. 20. Noach zeide: Heer! waarlijk,

zij zijn mij ongehoorzaam, en zij volgen hen, wier rijkdommen en

kinderen hun verderf slechts vermeerderen. 21. Zij smeedden eene

gevaarlijke samenspanning tegen Noach. 22. Hun opperhoofd zeide

tot de anderen: Gij zult uwe goden volstrekt niet verlaten, en gij

zult Wedd noch Sowa verzaken, 23. Noch Jaghoeth en Yaoek en Nesr

[2199]. 24. En zij verleidden velen (want gij zult slechts de

dwaling der zondaren vermeerderen). 25. Zij werden verdronken om

hunne zonden, en in het hellevuur geworpen. 26. Zij vonden niemand

die hen tegen God ondersteunde. 27. En Noach zeide: Heer, laat geen

gezin der ongeloovigen op de aarde [2200]. 28. Want indien gij hen

daar laat, zullen zij uwe dienaren verleiden, en slechts eene zondige

en ongeloovige nakomelingschap voortbrengen. 29. Heer! vergeef mij

en mijnen bloedverwanten [2201], en ieder die mijn huis zal binnen

gaan [2202], en die een waar geloovige is, en de ware geloovigen van

beiderlei kunne, en geef den onrechtvaardigen niets dan verdelging.

TWEE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GENIUSSEN.

Geopenbaard te Mekka--28 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Zeg: Het is mij geopenbaard, dat een aantal geniussen mijne

lezing van den Koran [2203] aandachtig hebben aangehoord, en zeiden:

Waarlijk, wij hebben een bewonderenswaardig gesprek gehoord. 2. Dat

op den rechten weg leidt; daarom gelooven wij er in, en wij willen

volstrekt geen ander met onzen Heer vereenigen. 3. Hij (dat zijne

majesteit verheven zij!) heeft geene vrouw genomen, en heeft evenmin

kinderen gebaard 4. Een dwaze van ons [2204] heeft iets van God gezegd,

wat geheel valsch is. 5. Maar wij dachten waarlijk, dat noch mensch,

noch genius op eenigerlei wijze eene leugen tegen God zou hebben

uitgedacht. 6. En er zijn zekere menschen, die, als toevlucht,

tot sommigen der geniussen vloden. 7. Maar zij vermeerderden hunne

dwaasheid en hunne zonden. Zij dachten, zooals gij denkt, dat God

niemand tot het leven zal doen verrijzen. 8. En wij trachtten vroeger

te bespieden, wat er in den hemel voortging; maar wij bevonden, dat

die met eene sterke wacht van engelen en vlammende flitsen opgevuld

was. 9. En wij plaatsten ons op sommige der zetels om de gesprekken

zijner bewoners te hooren; maar wie thans zou luisteren, zou den

vlammenden schicht vinden, die in hinderlaag gelegd is, om de grenzen

van den hemel te beschermen (hem te treffen) [2205]. 10. Wij weten

niet, of daardoor eene ramp voor hen wordt bedoeld, die op de aarde

wonen, dan wel of hun Heer voornemens is, hen op den rechten weg te

leiden. 11. Er zijn sommigen onder ons, die rechtschapen zijn, en er

zijn sommigen onder ons, die anders zijn; wij zijn in verschillende

soorten verdeeld. 12. En wij erkennen waarlijk, dat wij Gods macht

op aarde geenszins zouden kunnen verzwakken, noch dat wij hem door de

vlucht zouden kunnen ontsnappen. 13. Daarom geloofden wij in den Koran,

toen wij de leiding hadden gehoord, die daarin is vervat. En wie in

zijn Heer gelooft, behoeft geene vermindering van zijne belooning,

noch eenige onrechtvaardigheid te vreezen. 14. Er zijn sommige Moslems

onder ons, en er zijn anderen onder ons, die van de rechtvaardigheid

afdwalen. En zij die den Islam omhelzen, zoeken de ware leiding op

ernstige wijze. 15. Maar zij die van de rechtvaardigheid afwijken,

zullen tot voedsel der hel verstrekken. 16. Indien zij den weg der

waarheid betreden, zullen wij hen zekerlijk met een overvloedigen

regen bevochtigen [2206]. 17. Ten einde hun daardoor te bewijzen, dat

degeen die zich van de vermaning van zijn Heer afwendt, eene strenge

marteling zal ondergaan. 18. Waarlijk de plaatsen der vereering zijn

aan God toegewijd; roept dus geen ander tegelijk met God aan. 19. Toen

Gods dienaar [2207] opstond om hem aan te roepen, had het weinig

gescheeld, of de geniussen hadden hem doodgedrongen, om hem den

Koran te hooren opzeggen. 20. Zeg: Waarlijk, ik roep slechts mijn

Heer aan, en ik vereenig geen anderen God met hem. 21. Zeg: Waarlijk,

ik ben uit mij zelven niet in staat, u leed of goed te doen. 22. Zeg:

Waarlijk, niemand kan mij tegen God bijstaan. 23. Nimmer zal ik eene

toevlucht buiten hem vinden. 24. Ik kan niets meer doen, dan wat

mij van God werd geopenbaard, en zijne zendingen openbaar maken. En

hij, die God en zijn gezant ongehoorzaam zal zijn, voor dien is het

hellevuur gereed gemaakt; eeuwig zal hij daarin verblijven. 25. Zij

zullen hunnen wederstand niet staken, dan nadat zij de wraak gezien

zullen hebben, waarmede zij zijn bedreigd; maar dan zullen zij weten,

wie onzer zwakker in zijne ondersteuning, en wie kleiner in getal

is. 26. Zeg hun: Ik weet niet of de straf waarmede gij bedreigd zijt,

nabij is, dan wel, of mijn heer die voor een verwijderd tijdstip

heeft bepaald. Hij kent de geheimen der toekomst, en hij deelt zijne

geheimen aan niemand mede. 27. Behalve aan den gezant in wien hij

behagen schept [2208], en hij doet eene wacht van engelen voor hem en

achter hem gaan. 28. Opdat hij zou weten, dat de gezanten de zending

van hunnen Heer hebben volbracht. Hij weet alles, wat met hen is,

en telt alle dingen bij het getal.

DRIE EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OMWIKKELDE.

Geopenbaard te Mekka [2209]--20 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O gij omwikkelde profeet [2210]! 2. Sta op om te bidden, en ga

daarmede voort gedurende den nacht, behalve een klein gedeelte:

3. Dat is te zeggen, gedurende de helft daarvan, of verkort dit

een weinig. 4. Of voeg er iets bij, en herhaal den Koran met eene

duidelijke en welluidende stem. 5. Want wij zullen u een zeer gewichtig

woord openbaren. 6. Waarlijk, het begin des nachts heeft meer kracht

voor het standvastige gebed en geeft meer gemak om ons uit te drukken

[2211]; 7. Want des daags hebt gij vele bezigheden. 8. En herdenk

den naam van uwen Heer en geef u geheel aan hem over, terwijl gij

van de wereldsche ijdelheden afstand doet. 9. Hij is de Heer van het

Oosten en het Westen. Er is geen god buiten hem. Neem hem dus tot

uwen beschermer. 10. Draag den schimp geduldig, dien de ongeloovigen

u toevoegen, en vertrek van hen op een voegzame wijze. 11. En laat

mij alleen met hen, die den Koran van valschheid beschuldigen,

die de genoegens van dit leven genieten. Verleen hun een weinig

uitstel. 12. Waarlijk wij hebben voor hen zware ketenen, en een

brandend vuur. 13. En voedsel dat hen zal doen verstikken, die het

opzwelgen [2212], en eene pijnlijke marteling. 14. Op een zekeren dag

zal de aarde geschud worden en de bergen mede; en de bergen zullen

tot een zandhoop worden, die voortgedreven wordt. 15. Waarlijk,

wij hebben u een profeet gezonden, om getuigenis tegen u af te

leggen, zooals wij een gezant aan Pharao zonden. 16. Maar Pharao was

ongehoorzaam aan den gezant, daarom kastijdden wij hem met eene zware

straf. 17. Indien gij niet gelooft, hoe wilt gij u dan beveiligen

voor den dag waarop de kinderen grijze haren van den schrik zullen

krijgen? 18. De hemel zal van schrik gespleten worden; de belofte

daarvan zal zekerlijk worden vervuld. 19. Waarlijk, dit is eene

vermaning, en hij die geneigd is vermaand te worden, zal den weg

tot zijn Heer nemen. 20. Uw Heer, o Mahomet! weet dat gij in gebed

en overpeinzing dikwijls bijna twee derde gedeelten van een nacht,

en somtijds de helft daarvan doorbrengt, en op andere tijden weder

een derde gedeelte daarvan, en een deel uwer makkers die met u zijn,

doen hetzelfde. Maar God weet den dag en den nacht; hij weet, dat gij

die niet nauwkeurig kunt berekenen, daarom wendt hij zich gunstig tot

u. Lees dus zooveel van den Koran als u gemakkelijk zal wezen. Hij

weet dat er zieken onder u zijn, terwijl anderen op de aarde reizen,

opdat zij door Gods goedheid, zich bezittingen zouden verwerven;

en dat anderen strijden ter verdediging van Gods geloof. Lees dus

zooveel daarvan, als u niet moeilijk zal wezen. Neem de vaste tijden

van het gebed in acht, geef de behoorlijke aalmoezen, en leen God eene

aannemelijke leening; want al hetgeen gij Gode (in goede werken) voor

uwe zielen zendt, zult gij bij God terugvinden. Dit is beter [2213],

en zal eene grootere belooning verdienen. En vraag God vergiffenis;

want God is vergevensgezind en barmhartig.

VIER EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE (MET DEN MANTEL) BEDEKTE [2214].

Geopenbaard te Mekka--55 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O gij die met een mantel bedekt zijt! 2. Rijs op en

predik. 3. Verheerlijk uwen Heer. 4. Reinig uwe kleederen! 5. Ontvlucht

iedere schande. 6. Geef niet in de hoop, daarvoor meer terug te

ontvangen. 7. En wacht geduldig op uwen Heer. 8. Als de trompet zal

klinken. 9. Waarlijk die dag zal een dag der droefheid wezen. 10. En

pijnlijk voor de ongeloovigen. 11. Laat mij alleen met hem dien

ik geschonken heb [2215]; 12. Wien ik overvloedige rijkdommen heb

geschapen. 13. En kinderen die in zijne tegenwoordigheid wonen;

14. Voor wien ik de zaken gemakkelijk en gebaand heb gemaakt

[2216], 15. En die begeert, dat ik hem nog andere zegeningen zal

zenden. 16. Volstrekt niet; want hij is een tegenstander onzer

wonderteekens. 17. Ik zal hem met ernstige rampen bedroeven; 18. Want

hij heeft honende uitdrukkingen uitgedacht en gereed gemaakt, om den

Koran belachelijk te maken. 19. Gevloekt zij hij. Hoe kwaadwillig heeft

hij die gereed gemaakt! 20. En hij moge nog eens gevloekt zijn. Hoe

kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt! 21. Hij heeft zijne blikken

om zich heen geworpen. 22. Daarop heeft hij zijn voorhoofd gefronsd

en een ernstig gelaat aangenomen. 23. Vervolgens keerde hij zich

van de waarheid en hij was opgeblazen van trotschheid. 24. En hij

zeide: Dit is slechts een goochelstuk, aan anderen ontleend. 25. Dit

zijn slechts de woorden van een mensch. 26. Ik zal hem in de hel

nederwerpen, om verbrand te worden. 27. En wat zal u doen verstaan,

wat de hel is? 28. Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige

zaak ontsnappen. 29. Zij verbrandt des menschen vleesch. 30. Negentien

engelen zijn daarover geplaatst. 31. Wij hebben niemand buiten de

engelen aangewezen, om het toezicht over het hellevuur te houden,

en wij hebben hun getal slechts uitgedrukt als eene aanleiding tot

tweedracht onder de ongeloovigen; opdat zij, aan wie de schriften

werden gegeven, zeker mogen zijn van de waarachtigheid van dit boek,

en dat de ware geloovigen in geloof mogen vermeerderen. 32. En dat zij,

aan wie de schriften werden gegeven en de ware geloovigen, daaraan

niet twijfelen; 33. En dat zij, in wier harten een gebrek schuilt,

alsmede de ongeloovigen, mogen zeggen: Welke verborgenheid bedoelt

God met dit getal? 34. Zoo doet God dwalen naar zijn welbehagen,

en hij richt naar zijn welbehagen. Niemand kent de legers van uwen

Heer [2217], buiten hem. Dit is slechts eene waarschuwing voor den

mensch. 35. Zekerlijk. Bij de maan. 36. En den nacht, als die zich

verwijdert. 37. En den ochtend, als die zich roodkleurt. 38. (Zweer

ik) dat dit eene der vreeselijkste rampen is. 39. Strekkende tot

waarschuwing voor den mensch; 40. Zoowel voor diegenen uwer, welke

vooruit loopen, als voor hen die achterblijven. 41. Iedere ziel

wordt in pand gegeven, voor hetgeen zij zal hebben verricht [2218];

behalve de makkers van de rechterhand. 42. Die in tuinen zullen

wonen, en vragen tot elkander zullen richten nopens de zondaars,

(en de snoodaards zelven zullen ondervragen, zeggende:) 43. Wat

heeft u in de hel gebracht? 44. Zij zullen antwoorden: Wij behooren

niet tot hen die standvastig in het gebed waren. 45. Nimmer laafden

wij de armen. 46. Wij baadden ons in lichtvaardige gesprekken met

degenen, die zich daartoe leenden. 47. Wij loochenden den dag des

oordeels. 48. Tot de dood [2219] ons overviel. 49. De tusschentreding

der tusschenpersonen zal hen niet helpen. 50. Wat scheelde hun

dus, dat zij zich van de vermaning des Korans afwendden. 51. Als

waren zij verschrikte ezels, die den leeuw ontvluchten. 52. Maar

ieder van hen wilde, dat hem een bijzonder besluit van God zou

toekomen. 53. Volstrekt niet. Zij vreezen het volgende leven

niet. 54. Volstrekt niet. Waarlijk, dit is eene toereikende

waarschuwing; en wie geneigd is, gewaarschuwd te worden, dien zal hij

(de Koran) waarschuwen. 55. Doch zij zullen niet gewaarschuwd worden

tenzij het Gode zal behagen. Hij is waardig gevreesd te worden,

en hij is geneigd te vergeven.

VIJF EN ZEVENTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OPSTANDING.

Geopenbaard te Mekka--40 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 47 / 89 段