gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal: 3. Als de aarde zal
worden uitgestrekt, 4. En datgene, wat er in is, uitgeworpen zal
worden [2249], en zij ledig zal overblijven. 5. Als zij haren Heer
gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal. 6. O mensch! indien gij
oprecht arbeidt, arbeidt gij om uwen Heer te zien, en gij zult hem
aanschouwen. 7. En degeen, wien hij zijn boek in de rechterhand zal
hebben gegeven. 8. Zal zachtmoedig behandeld worden, 9. En zal tot zijn
gezin met vreugde terugkeeren. 10. Maar hij wien men het boek zijner
werken achter den rug zal geven [2250], 11. Zal de vernietiging over
zich roepen; 12. Doch hij zal in de hel gezonden worden om verbrand
te worden, 13. Omdat hij op aarde onbeschaamd te midden van zijn
gezin zijne genoegens naleefde; 14. Waarlijk, hij dacht, dat hij
nimmer tot God zou terugkeeren. 15. Ja, waarlijk, God zag alles,
16. Daarom zweer ik [2251] bij de roode kleur van den schijn van den
zonsondergang. 17. En bij den nacht, en de dieren, welke hij doet
verzamelen. 18. En bij de maan, als die vol is. 19. Gij zult zeker
van graad tot graad overgaan.--20. Wat scheelt hun dus, dat zij niet
in de opstanding gelooven? 21. En dat zij niet aanbidden, als hun de
Koran wordt voorgelezen? 22. Ja, de ongeloovigen beschuldigen dien
van bedrog, 23. Maar God kent de kwaadwilligheid wel, die zij in
hunne borsten verborgen houden. 24. Kondig hun dus eene vreeselijke
straf aan. 25. Behalve aan hen, die gelooven en goede werken doen;
want voor hen is eene nimmer missende belooning gereed gemaakt.
VIJF EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE HEMELTEEKENEN.
Geopenbaard te Mekka.--22 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den hemel met teekenen [2252] versierd. 2. Bij den
beloofden dag des oordeels. 3. Bij den getuige en de getuigenis
[2253] 4. Gevloekt zijn de meesters van den kuil [2254]. 5. Met vuur
waar onophoudelijk wordt bijgevoegd. 6. Toen zij daar in de rondte
zaten. 7. En getuigen waren van hetgeen zij tegen de ware geloovigen
deden. 8. En zij bedroefden hen om geene andere reden, dan omdat zij
in den machtigen, den glorierijken God geloofden. 9. Aan wien het
koninkrijk van hemel en aarde behoort, en die getuige van alle dingen
is. 10. Waarlijk, voor hen, die de ware geloovigen van beiderlei
kunne vervolgen, en daarna geen berouw betoonen, is de marteling
der hel gereed gemaakt, en zij zullen de pijn der verbranding
ondergaan. 11. Maar voor hen die gelooven, en datgene doen wat
recht is, zijn tuinen bestemd, door welke rivieren stroomen. Dat
zal een groote gelukzaligheid wezen. 12. Waarlijk, de wraak van
uwen Heer is gestreng. 13. Hij schept en brengt (tot het leven)
terug. 14. Hij is vergevensgezind en barmhartig; 15. De bezitter van
den glansrijken troon; 16. Die datgene doet wat hem behaagt. 17. Kent
gij het verhaal niet van de heirscharen. 18. Van Pharao [2255] en
van Thamoed [2256]? 19. Nochtans houden de ongeloovigen niet op,
de goddelijke openbaringen van valschheid te beschuldigen. 20. Maar
God overvalt hen van achteren, en omsingelt hen, (zoodat zij niet
kunnen ontvluchten). 21. Waarlijk, datgene, wat gij verwerpt is een
glansrijke Koran. 22. Waarvan het oorspronkelijke op een tafel is
geschreven, die in den hemel wordt bewaard.
ZES EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE NACHTSTER.
Geopenbaard te Mekka.--17 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den hemel en bij de ster, die des nachts
verschijnt. 2. Maar wat zal u datgene doen verstaan, wat bij nacht
verschijnt? 3. Het is de ster, die glansrijke stralen schiet. 4. Iedere
ziel heeft een wachter, die over hem is aangesteld. 5. Laat de
mensch dus overwegen van wat hij is geschapen. 6. Hij is geschapen
van een droppel zaad. 7. Uit de lendenen en de borstbeenderen
voortkomende [2257]. 8. Waarlijk, God is in staat hem in het leven
terug te roepen. 9. Op den dag waarop alle verborgen denkbeelden en
daden zullen worden onderzocht. 10. En hij zal de macht om zich te
verdedigen, noch eenigen beschermer hebben. 11. Bij den hemel, die
(regen) nedergiet. 12. En bij de aarde, die zich opent om planten en
bronnen te doen voortspruiten. 13. Waarlijk, dit is een gesprek ter
onderscheiding (tusschen het goede en het kwade); 14. Het is niet
lichtvaardig samengesteld. 15. Waarlijk, de ongeloovigen spannen
samen (om mijne plannen te verijdelen); 16. Maar ik zal samenspannen
om hen te vernietigen. 17. Daarom, o profeet! wees geduldig met de
ongeloovigen, en laat hen korten tijd met vrede.
ZEVEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VERHEVENSTE.
Geopenbaard te Mekka.--19 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Geloofd zij de naam van uwen Heer, den Verhevenste, 2. Die zijne
schepselen geschapen en volmaakt gevormd heeft, 3. Die hen tot
verschillende doeleinden heeft bestemd [2258] en hen richt om die te
bereiken [2259]; 4. En die het voedsel voor het vee voortbrengt. 5. En
het daarna in droge stoppels of donkerkleurig hooi verandert. 6. Wij
zullen u in staat stellen, onze openbaringen te onthouden [2260], en
gij zult geen deel daarvan vergeten, 7. Behalve wat Gode zal behagen
[2261]; want hij kent datgene, wat openbaar en wat verborgen is. 8. Wij
zullen u den lichtsten weg gemakkelijk maken [2262]. 9. Vermaan dus uw
volk indien uwe vermaning hun voordeelig kan zijn. 10. Wie God vreest
zal vermaand worden; 11. Maar de meest verdorven (zondaar) zal zich
daarvan afwenden. 12. Die nedergeworpen worden zal, om in het groote
hellevuur geroosterd te worden. 13. Waarin hij sterven noch leven
zal. 14. Gelukzalig hij, die door het geloof gezuiverd is. 15. En die
den naam van zijnen Heer herdenkt en bidt. 16. Maar gij verkiest het
tegenwoordige leven, 17. Hoewel het volgende leven beter en duurzamer
is. 18. Waarlijk, dit is in de oude boeken geschreven. 19. In de
boeken van Abraham en Mozes.
ACHT EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE OVERVALLENDE [2263].
Geopenbaard te Mekka.--26 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Heeft het nieuws van den overvallenden dag des oordeels u
bereikt. 2. Die sommigen de aangezichten zal doen buigen? 3. Werkende
en afgemat van vermoeienis. 4. Zullen zij in het gloeiende vuur
geworpen worden, om geroosterd te worden. 5. Men zal hun uit eene
kokende fontein geven te drinken. 6. Zij zullen geen voedsel hebben,
dan droge doornen en distels (al Dari). 7. Dat voeden, noch den
honger stillen zal. 8. Maar de aangezichten van anderen zullen
op dien dag vroolijk zijn. 9. Voldaan over hetgeen zij vroeger
zullen hebben verricht. 10. Zij zullen in een sierlijken tuin
worden geplaatst. 11. Waar zij geene ijdele gesprekken zullen
hooren. 12. Daar zal eene springende fontein wezen; 13. Daar
zullen verheven zetels opgericht wezen. 14. En bekers zullen voor
hen geplaatst zijn, 15. En kussens in orde gelegd, 16. En tapijten
geheel uitgespreid. 17. Overwegen zij niet hoe de kameelen geschapen
zijn 18. En hoe de hemel verheven is; 19. En hoe de bergen zijn
bevestigd. 20. En hoe de aarde is uitgespreid? 21. Daarom, waarschuw uw
volk, want gij zijt slechts een waarschuwer, 22. Eene onbepaalde macht
is u niet over hen opgedragen. 23. Maar wie zich afwenden, en niet
gelooven zal, 24. Dien zal God met de groote straf van het volgende
leven straffen. 25. Waarlijk, tot ons zullen zij terugkeeren. 26. En
dan is het mijne taak, hun rekenschap af te vragen.
NEGEN EN TACHTIGSTE HOOFDSTUK.
DE MORGENSCHEMERING.
Geopenbaard te Mekka [2264].--30 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij het aanbreken van den dag en de tien nachten
[2265]; 2. Bij datgene wat dubbel, en dat wat enkel is [2266],
3. Bij den nacht als die aanbreekt. 4. Is dit niet een begrijpelijk
samengestelde eed? 5. Hebt gij niet overwogen, hoe uw Heer met Ad heeft
gehandeld. 6. Het volk van Irem, versierd met schoone gebouwen [2267],
7. Waarvan de wedergade nog niet in het land werd opgericht? 8. En
met Thamoed, die in de rotsen der vallei huizen uithieuw. 9. En
met Pharao, den uitvinder van de straf der staken [2268]. 10. Die
zich onbeschaamd hadden gedragen. 11. En het verderf op de aarde
vermeerderden? 12. Daarom stortte de Heer verschillende soorten van
kastijdingen over hen uit; 13. Want, waarlijk, uw Heer is op een
wachttoren, als hij de daden der menschen beschouwt. 14. Daarom
als zijn Heer hem (door voorspoed) beproeft, en hem eert en goed
voor hem is. 15. Zegt de mensch: Mijn Heer eert mij. 16. Maar
als hij hem met rampen bezoekt, en hem zijne weldaden terughoudt,
17. Zegt hij: Mijn Heer versmaadt mij. 18. Volstrekt niet [2269],
maar gij eert den wees niet. 19. Noch noodigt gij elkander uit,
den arme te voeden. 20. Gij verzwelgt de erfenis der zwakken [2270]
met eene blinde begeerigheid. 21. En gij bemint de rijkdommen op
onbegrensde wijze. (Gij zult volstrekt niet zoo handelen). 22. Als
de aarde tot stof zal vermorzeld worden; 23. Als uw Heer zal komen,
en de engelen in gelederen geschaard zullen zijn; 24. Als de hel op
dien dag naderbij gebracht zal worden: op dien dag zal de mensch zich
zijne slechte daden herinneren; maar hoe zou die herinnering hem kunnen
baten? 25. Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn
leeftijd goede daden had verricht! Op dien dag zal niemand zooals God
kunnen straffen. 26. Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God
[2271]. 27. O gij, ziel die rust! 28. Keer, voldaan met uwe belooning,
en voldaan met God, tot uwen Heer terug. 29. Treed bij het aantal
mijner dienaren binnen. 30. En betreed mijn paradijs.
NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
HET GRONDGEBIED.
Geopenbaard te Mekka.--20 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij dit grondgebied [2272], 2. En gij, o profeet! houd
verblijf in dit grondgebied; 3. En bij den vader, en bij
het kind [2273]; 4. Waarlijk, wij hebben den mensch in ellende
geschapen. 5. Denkt hij, dat niemand sterker is dan hij [2274]. 6. Hij
zegt: ik heb groote rijkdommen verteerd! 7. Denkt hij, dat hem
niemand ziet. 8. Hebben wij hem niet twee oogen gegeven. 9. En eene
tong en twee lippen. 10. En hebben wij hem niet de twee groote wegen,
des goeds en des kwaads vertoond? 11. En nog is hij de helling niet
afgedaald. 12. Wat zal u doen begrijpen wat de helling is? 13. Het
is: den balling te bevrijden. 14. Of te voeden in de dagen van
hongersnood. 15. Den wees, die ons verwant is. 16. Of den armen man,
die op den grond ligt. 17 Wie dit doet en tot hen behoort die gelooven,
en ieder ander volharding en mededoogen aanbevelen, 18. Dezen zullen
de makkers der rechterhand wezen [2275]. 19. Maar zij, die omtrent
onze teekenen ongeloovig zullen zijn, dezen zullen de makkers der
linkerhand wezen. 20. Boven hen zal zich het vuur uitstrekken.
EEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ZON.
Geopenbaard te Mekka.--15 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij de zon en haren opgaanden glans, 2. Bij de maan,
als zij deze volgt, 3. Bij den dag, als hij zijn glans vertoont,
4. Bij den nacht, als die alles met duisternis bedekt; 5. Bij
den hemel en bij Hem, die dien heeft gebouwd, 6. Bij de aarde en
bij Hem die haar uitspreidde, 7. Bij de ziel en bij Hem die haar
volkomen vormde, 8. En haar het vermogen van onderscheiding ingaf,
en de macht, tusschen zonde en godsvrucht te kiezen. 9. Hij die haar
zuiver bewaart, is gelukkig: 10. Maar hij die haar heeft verdorven,
is ellendig. 11. Thamoed beschuldigde hunnen profeet Saleh van bedrog,
door de groote mate hunner zonden. 12. Toen de meest verdorvene [2276]
onder hen werd gezonden, om den wijfjes-kameel te dooden. 13. En
Gods gezant tot hen zeide: Laat Gods (wijfjes-) kameel met vrede en
verhindert haar niet te drinken. 14. Maar zij beschuldigden hem van
bedrog, en doodden het dier. Daarom verdelgde hun Heer hen, om hunne
misdaad, en hij maakte hunne straf voor hen allen gelijk, 15. En hij
vreest daarvan de gevolgen niet.
TWEE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE NACHT.
Geopenbaard te Mekka.--21 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den nacht, als die alle dingen met duisternis
bedekt. 2. Bij den dag als die met glans schittert; 3. Bij Hem, die het
mannelijke en het vrouwelijke schepsel heeft geschapen. 4. Waarlijk,
uwe pogingen hebben verschillende doeleinden. 5. Maar hem, die
gehoorzaam is en God vreest, 6. En de waarheid van het geloof
belijdt, dat het uitnemendst is. 7. Dien zullen wij den weg des
geluks gemakkelijk maken. 8. Maar hem, die gierig zal wezen, en zich
om niets dan deze wereld bekommert, 9. En de waarheid zal loochenen
van datgene, wat het uitnemendst is. 10. Dien zulle wij den weg tot
de ellende vergemakkelijken. 11. En zijne rijkdommen zullen hem niet
baten, als hij, het onderst boven, in de hel zal vallen. 12. Waarlijk,
ons behoort de leiding van den mensch. 13. Ons is het tegenwoordige
en het volgende leven. 14. Daarom bedreig ik u met het vreeselijk
brandend vuur. 15. Waarin niemand zal worden geworpen om verbrand
te worden, behalve de meest verdorvenen. 16. Die niet geloofd en
zich afgewend zullen hebben. 17. Maar hij die zich gestreng (voor
afgoderij en weÍrspannigheid) in acht neemt, dien zullen wij ver van
daar voeren: 18. Die zijn vermogen aan aalmoezen besteedt, om zich
meer te zuiveren, 19. En niet opdat hem zijne weldaden zullen worden
beloond. 20. Maar die zijn vermogen voor de zaak van zijn Heer, den
Verhevenste besteedt. 21. En hierna zal hij gewis voldaan zijn met
zijne belooning.
DRIE EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE OCHTENDGLANS.
Geopenbaard te Mekka.--11 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den glans van den ochtend [2277]. 2. En bij den nacht
als die duister wordt. 3. Uw Heer heeft u niet vergeten, en haat u niet
[2278]. 4. Waarlijk het volgende leven zal beter dan dit tegenwoordige
leven voor u wezen. 5. Uw Heer zal u eene belooning geven, waarover gij
wel voldaan zult zijn. 6. Vond hij u niet als een wees, en heeft hij
geene zorg voor u gedragen? 7. En vond hij u niet dolende in dwaling,
en heeft hij u niet de waarheid binnengeleid? 8. En vond hij u niet
nooddruftig, en heeft hij u niet verrijkt? 9. Verdruk daarom den wees
niet. 10. Noch verdrijf den bedelaar; 11. Maar verklaar Gods goedheid.
VIER EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
HEBBEN WIJ NIET GEOPEND?
Gegeven te Mekka.--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Hebben wij uwe borst niet geopend [2279]. 2. En u van uwen
last bevrijd [2280]. 3. Die uwe schouders nederdrukte? 4. Hebben
wij uwen naam niet verheven? 5. Maar naast den tegenspoed is het
geluk. 6. Waarlijk, naast den tegenspoed is het geluk. 7. Als gij
uwe prediking zult geÎindigd hebben, arbeidt dan om God voor zijne
gunsten te dienen. 8. En richt uwe smeekingen tot uwen Heer.
VIJF EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VIJG.
Gegeven te Mekka of Medina.--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij de vijgen den olijf [2281], 2. En bij den berg SinaÔ,
3. En bij dit grondgebied der zekerheid [2282]. 4. Waarlijk, wij hebben
den mensch in den schoonsten vorm geschapen; 5. Daarna hebben wij
hem tot den laagste der laagsten gemaakt [2283]. 6. Behalve degenen
die gelooven en het goede doen; want deze zullen eene eindelooze
belooning ontvangen. 7. Wat zal u dus hierna den dag des oordeels
doen loochenen? 8. Is God niet de wijste rechter.
ZES EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
HET GESTOLDE BLOED.
Geopenbaard te Mekka [2284].--19 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Lees in naam van uwen Heer, die alle dingen heeft geschapen. 2. Die
den mensch van gestold bloed schiep [2285]. 3. Lees; want uw Heer is
de weldadigste; 4. Die (den mensch) het gebruik van de pen leerde;
5. Die den mensch leerde, wat hij niet kende. 6. Waarlijk. Maar de
mensch wordt weÍrspannig. 7. Omdat hij ziet, dat hij overvloedige
rijkdommen heeft [2286]. 8. Waarlijk, tot uw Heer zal de terugkeer
van alles zijn. 9. Wat denkt gij van hem, die verbiedt. 10. Onzen
dienaar als hij bidt [2287]? 11. Wat denkt gij, indien hij de ware
richting zou volgen. 12. Of vroomheid bevelen? 13. Wat denkt gij,
indien hij de goddelijke openbaringen van valschheid beschuldigt,
en zijn rug toewendt? 14. Weet hij niet, dat God het ziet? 15. Ja,
waarlijk indien hij niet ophoudt, zullen wij hem bij de haren
van zijn voorhoofd grijpen [2288], 16. Van zijn leugenachtig en
zondig voorhoofd. 17. En laat hem zijn raad [2289] te zijner hulpe
roepen. 18. Ook wij zullen de helsche wachten roepen, om hem in de
hel te werpen. 19. Waarlijk, gehoorzaam hem niet, maar ga voort God
te aanbidden, en tracht hem te naderen.
ZEVEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
AL KADR [2290].
Geopenbaard te Mekka of te Medina.--5 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Waarlijk, wij hebben den Koran in den nacht van al Kadr
nedergezonden. 2. En wat zal u doen begrijpen, hoe uitstekend de nacht
van al Kadr is? 3. Beter dan duizend maanden. 4. In dien nacht dalen de
engelen en de geest GabriÎls door Gods bevel neder, met Zijne besluiten
omtrent alles [2291]. 5. Het is vrede, tot het rijzen van den dageraad.
ACHT EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
HET DUIDELIJKE TEEKEN.
Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De ongeloovigen onder hen, aan wie de schriften werden gegeven
en onder de afgodendienaars wankelden niet, dan nadat het duidelijke
teeken tot hen was gekomen; 2. Een zendeling van God, die hun zuivere
boeken der openbaring voorlas, waarin rechtvaardige gesprekken zijn
bevat. 3. Nimmer waren zij, aan welke de schriften werden gegeven,
onder elkander verdeeld, dan nadat het duidelijke teeken tot hen was
gekomen. 4. En in de schriften werd hun niets anders bevolen dan God
te aanbidden, Hem den zuiveren godsdienst te wijden en vroom te zijn,
en standvastig in het gebed te wezen en aalmoezen te geven; en dit
is de ware godsdienst. 5. Waarlijk, zij die niet gelooven, onder
hen die de schriften hebben ontvangen en onder de afgodendienaars,
zullen in het vuur der hel geworpen worden, om daarin voor eeuwig
te verblijven. Deze zijn de slechtste van alle schepselen, 6. Maar
zij die gelooven en goede werken doen, dit zijn de beste van alle
schepselen. 7. Hunne belooning met hunnen Heer bestaat in tuinen
van eeuwig verblijf met rivieren doorsneden [2292]. Eeuwig zullen
zij daarin verblijven. 8. God zal voldaan over hen wezen, en zij
zullen voldaan zijn over Hem. Dit is gereed gemaakt voor hem, die
zijn Heer vreest.
NEGEN EN NEGENTIGSTE HOOFDSTUK.
DE AARDBEVING.
Geopenbaard te Mekka, of te Medina--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de aarde door een aardbeving [2293] zal geschud worden, 2. En de
aarde haren last zal wegwerpen. 3. En de mensch zal zeggen: Wat schort
haar? 4. Op dien dag zal zij hare tijdingen verklaren. 5. Volgens
hetgeen uw Heer haar zal ingeven [2294]. 6. Op dien dag zullen de
menschen in onderscheiden klassen voorwaarts gaan, om hunne werken te
aanschouwen. 7. En wie slechts goed zal gedaan hebben, ter zwaarte
van een atoom [2295], zal dat aanschouwen. 8. En wie slechts kwaad
zal gedaan hebben ter zwaarte van een atoom, zal dat aanschouwen.
HONDERDSTE HOOFDSTUK.
DE OORLOGSPAARDEN.
Geopenbaard te Mekka of te Medina.--11 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij de oorlogspaarden, die snel en hoorbaar hijgend ten
strijd draven. 2. En bij de oorlogspaarden die vuur slaan door het
aanraken (der steenen met hunne hoeven); 3. Bij hen die plotseling en
vroeg in den ochtend, een inval bij den vijand doen, 4. Daar het stof
doen oprijzen, 5. En zich door het midden der vijandelijke troepen een
weg banen [2296]; 6. Waarlijk, de mensch is ondankbaar jegens zijn
Heer; 7. En hij is getuige daarvan; 8. En hij is ontembaar in zijne
liefde voor het wereldsche goed. 9. Weet hij dan niet dat hetgene
zich in de graven bevindt, weder zal oprijzen, 10. En dat hetgene zich
in de borst der menschen bevindt, aan het licht gebracht zal worden,
11. En dat hun Heer volkomen onderricht omtrent hem zal zijn?
HONDERD EN EERSTE HOOFDSTUK.
DE SLAG.
Geopenbaard te Mekka.--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De slag [2297]. Wat is de slag? 2. En wat zal u doen begrijpen,
hoe vreeselijk de slag zal wezen? 3. Op dien dag zullen de menschen
als kapellen verspreid zijn, 4. En de bergen zullen als gekamde wol
van verschillende kleuren worden, die door den wind is voortgedreven;
5, Maar hij, wiens weegschaal met goede werken zal bezwaard wezen,
zal een behagelijk leven leiden. 6. Doch hij wiens weegschaal licht
zal zijn, diens woning zal de kuil der hel wezen [2298]. 7. Wat zal
u doen begrijpen, hoe vreeselijk de kuil der hel is? 8. Het is een
brandend vuur.
HONDERD EN TWEEDE HOOFDSTUK.
DE BEGEERTE OM ZICH TE VERRIJKEN.
Geopenbaard te Mekka of te Medina.--8 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De naijverige begeerte, rijkdommen en kinderen te vermeerderen,
houdt u bezig 2. Tot gij in het graf nederdaalt. 3. (Gij zult uwen
tijd) volstrekt niet (aldus gebruiken); Hiernamaals zult gij uwe
dwaasheid kennen. 4. Nogmaals, volstrekt niet: hiernamaals zult gij
uwe dwaasheid kennen. 5. Volstrekt niet. Indien gij het gevolg hiervan
met zekerheid kendet, zoudt gij niet aldus handelen. 6. Waarlijk,
gij zult de hel zien. 7. Nogmaals; gij zult die zekerlijk met het oog
der zekerheid zien. 8. Dan zult gij op dien dag ondervraagd worden,
nopens de uitspanningen waarmede gij u in dit leven hebt vermaakt.
HONDERD EN DERDE HOOFDSTUK.
DE NAMIDDAG.
Geopenbaard te Mekka,--3 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den namiddag [2299]. 2. Waarlijk, de mensch bewerkt
zijn verderf. 3. Behalve zij die gelooven en doen wat rechtvaardig
is, en wederkeerig de waarheid aanbevelen en elkander wederkeerig
tot volharding aansporen.
HONDERD EN VIERDE HOOFDSTUK.
DE LASTERAAR.
Geopenbaard te Mekka--9 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Wee over iederen lasteraar en leugenaar [2300], 2. Die rijkdommen
opstapelt, en deze voor de toekomst bewaart. 3. Hij denkt dat zijne
rijkdommen hem onsterfelijk maken. 4. Volstrekt niet. Hij zal zekerlijk
in Al-Hotama [2301] geworpen worden. 5. En wie zal u doen begrijpen
wat Al-Hotama is? 6. Het is het aangestoken vuur van God, 7. Dat
boven de harten zal opstijgen van hen (die er in geworpen zullen
worden). 8. Waarlijk, het zal als een gewelfd dak wezen. 9. Dat,
gesteund door groote kolommen, boven hen zal zijn.
HONDERD EN VIJFDE HOOFDSTUK.
DE OLIFANT. [2302]
Geopenbaard te Mekka.--5 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Hebt gij gezien, hoe uw Heer met de meesters van den olifant
handelt? 2. Heeft hij hunne verraderlijke plannen niet doen strekken
om hen in dwaling te leiden, 3. En troepen vogels (Ababils) tegen
hen te zenden, 4. Die steenen van gebakken klei op hen nederwierpen,
5. En hen het aanzien gaven van de bladeren van het koren, dat door
het vee was afgegeten?
HONDERD EN ZESDE HOOFDSTUK.
DE KOREœSHIETEN.
Geopenbaard te Mekka.--4 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ter vereeniging van den stam der KoreÔshieten [2303]; 2. Te
hunner vereeniging, om de karavaan van kooplieden in den winter en
den zomer weg te zenden! 3. Laten zij den Heer van dit huis dienen,
die hen van voedsel tegen den honger voorziet. 4. En hen tegen vrees
heeft verzekerd [2304].
HONDERD EN ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE AALMOES.
Geopenbaard te Mekka of te Medina.--7 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als eene valschheid
loochent? 2. Het is degeen, die den wees verstoot [2305]. 3. En anderen
niet aanspoort den arme te voeden. 4. Wee over hen, die bidden, 5. Maar
die achteloos in hun gebed zijn; 6. Die de huichelaars spelen. 7. En
(den behoeftige) de noodige aalmoes (gereedschappen) onthouden.
HONDERD EN ACHTSTE HOOFDSTUK.
AL KAUTHER.
Gegeven te Mekka [2306].--3 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Waarlijk, wij hebben u al Kauther [2307] gegeven. 2. Bid tot uwen
Heer, en dood de slachtoffers [2308]. 3. Waarlijk, hij die u haat,
zal kinderloos wezen [2309].
HONDERD EN NEGENDE HOOFDSTUK.
DE ONGELOOVIGEN.
Geopenbaard te Mekka.--6 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Zeg: O ongeloovigen [2310]! 2. Ik zal niet aanbidden wat gij
aanbidt, 3. Noch zult gij aanbidden wat ik aanbid. 4. Ik aanbid
geenzins wat gij aanbidt. 5. Gij aanbidt niet wat ik aanbid. 6. Gij
hebt uw Godsdienst, en ik heb mijn godsdienst.
HONDERD EN TIENDE HOOFDSTUK.
DE HULP.
Geopenbaard te Mekka.--3 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de hulp van God zal komen en de overwinning [2311], 2. En
gij het volk tot Gods eeredienst bij scharen zult zien binnengaan
[2312]. Verkondig den lof van uwen Heer en vraag vergiffenis van hem;
want hij is vergevensgezind.
HONDERD EN ELFDE HOOFDSTUK.
ABOE LAHAB.
Geopenbaard te Mekka--5 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De handen van Aboe Lahab [2313] zullen ten verderve gaan, en hij
zelf verdorven worden. 2. Zijne rijkdommen zullen hem van geen voordeel
zijn, noch datgene wat hij heeft gewonnen. 3. Hij zal heengaan om in
het vuur verbrand te worden. 4. Als ook zijne vrouw, die hout draagt
[2314]. 5. Terwijl zij om haren hals eene koord van geweven vezelen
van den palmboom heeft.
HONDERD EN TWAALFDE HOOFDSTUK.
GODS EENHEID [2315].