1. Alles wat zich in den hemel en op aarde bevindt verkondigt den lof

van God; want hij is machtig en wijs. 2. O ware geloovigen! waarom zegt

gij, wat gij niet doet [2141]. 3. Het is ten hoogste schandelijk voor

de oogen van God dat gij belooft, wat gij niet doet. 4. Waarlijk,

God bemint hen, die voor zijnen godsdienst in slagorde strijden,

als waren zij een vast samengesteld gebouw. 5. Gedenk, toen Mozes tot

zijn volk zeide: O mijn volk! waarom mishandelt gij mij, nu gij weet,

dat ik Gods gezant ben, die tot u werd gezonden? En toen zij van de

waarheid waren afgedwaald, deed God hunne harten van den rechten

weg afdwalen; want God leidt de zondaren niet. 6. En toen Jezus,

de zoon van Maria, zeide: O kinderen IsraÎls! waarlijk, ik ben Gods

gezant, tot u gezonden, om de wet te bevestigen, die voor mij werd

geopenbaard, en brengende goede tijdingen nopens een profeet, die na

mij zal worden gezonden, en wiens naam Ahmed [2142] zal wezen. En toen

hij hun duidelijke wonderen toonde, zeiden zij: Dit is klaarblijkelijk

tooverij. 7. Maar wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen

tegen God uitdenkt, nadat hij tot den Islam is uitgenoodigd? En God

leidt de onrechtvaardigen niet. 8. Zij trachten Gods licht met hunnen

mond uit te blusschen; maar God zal zijn licht volmaken, hoewel de

ongeloovigen afkeerig daarvan zijn. 9. Hij is het, die zijn profeet

heeft gezonden met de leiding en den godsdienst der waarheid, ten

einde die boven elken anderen godsdienst te verheffen, hoewel de

ongeloovigen afkeerig daarvan zijn. 10. O ware geloovigen! zal ik u

eene koopwaar toonen, die u hiernamaals van eene pijnlijke marteling

zal verlossen? 11. Gelooft dan in God en zijn gezant, en verdedigt

Gods waren godsdienst met uw vermogen en met uw eigene personen. Dit

zou beter voor u zijn, indien gij het wist. 12. Hij zal uwe zonden

vergeven, en zal u in tuinen leiden met rivieren doorsneden, en in

aangename woningen, gelegen in tuinen van eeuwig verblijf. Dit zal

eene groote gelukzaligheid wezen. 13. En gij zult nog andere dingen

erlangen, welke gij begeert; namelijk, Gods bijstand en eene spoedige

overwinning. Gij, breng goede bijdragen tot de ware geloovigen. 14. O

ware geloovigen! weest gij Gods helpers, gelijk Jezus, de zoon van

Maria, tot de apostelen zeide: Wie wil mijn helper ten behoeve van

God zijn? [2143] De apostelen antwoordden: Wij zullen Gods helpers

zijn. Aldus geloofde een deel van de kinderen IsraÎls, en een ander

deel geloofde niet [2144]; maar hen die geloofden, versterkten wij

boven hunne vijanden, waardoor zij de overwinning over hen behaalden.

TWEE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERGADERING.

Geopenbaard te Medina--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Alles wat in den hemel en op de aarde is, prijst God, den Koning,

den Heilige, den Machtige, den Wijze. 2. Hij is het die, te midden

der ongeletterde Arabieren, een profeet heeft doen opstaan, welke

tot hen behoort, ten einde zijne teekens onder hen te verkondigen en

hen te zuiveren, en hun de schriften en wijsheid te leeren, terwijl

zij vroeger waarlijk in eene duidelijke dwaling verkeerden. 3. En

anderen onder hen hebben de eersten in het geloof nog niet geÎvenaard;

maar zij zullen ook in Gods goeden tijd worden bekeerd; want hij is

machtig en wijs. 4. Dit is Gods vrije genade; hij schenkt die naar zijn

welbehagen, en God bezit oneindige goedheid. 5. De gelijkenis van hen,

die belast waren, de wet in acht te nemen, en deze niet in acht namen,

is als de gelijkenis van een ezel met boeken beladen [2145]. Hoe laag

is de gelijkenis van het volk, dat de teekenen van God van valschheid

beschuldigde. God leidt de onrechtvaardigen niet. 6. Zeg: O gij! die

den Joodschen godsdienst volgt, indien gij zegt dat gij Gods vrienden

boven de andere menschen zijt, begeert dan den dood [2146], indien

gij de waarheid spreekt. 7. Maar zij zullen dien nimmer wenschen,

om hetgeen hunne handen voor hen hebben gezonden [2147], en God kent

de onrechtvaardigen wel. 8. Zeg: De dood dien gij ontvlucht, zal u

zekerlijk eens overvallen; dan zult gij voor Hem gebracht worden,

die zoowel datgene kent wat verborgen, als wat ontdekt is, en hij

zal u verklaren, wat gij gedaan hebt. 9. O ware geloovigen! als gij,

op den dag der vergadering [2148], tot het gebed wordt opgeroepen,

spoedt u dan God te herdenken, en verlaat den koophandel. Dit zal

beter voor u zijn, indien gij het wist. 10. En als het gebed is

geÎindigd, verspreidt u dan door het land als gij wilt; tracht daar

Gods vrijgevigheid te winnen, en gedenk God dikwijls, opdat gij

voorspoed moogt genieten. 11. Maar als zij slechts eenigen handel

of vermaak zien, spoeden zij zich daarheen en verlaten u, terwijl

gij op den kansel staat [2149]. Zeg: De belooning die met God is, is

beter dan eenig vermaak of eenige koopwaar. God is de beste uitdeeler

van schatten.

DRIE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HUICHELAARS.

Gegeven te Medina--11 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Als de huichelaars tot u komen, zeggen zij: Wij leggen de getuigenis

af, dat gij werkelijk Gods gezant zijt. En God weet, dat gij inderdaad

zijn gezant zijt; maar God legt de getuigenis af, dat de huichelaars

zekerlijk leugenaars zijn. 2. Zij hebben hunne eeden tot een kleed

gekozen, en leiden anderen van Gods weg af. 3. Hoe snood is hetgeen

zij doen! Dit is nopens hen verklaard, omdat zij geloofden en daarna

ongeloovigen werden, daarom is een zegel op hunne harten gelegd,

en zij zullen niet begrijpen. 4. Indien gij hen beschouwt, zal hun

uiterlijk u behagen, en als zij spreken, hoort gij hunne taal met

genoegen. Zij gelijken op stukken van balken, die tegen een muur

zijn geplaatst [2150]. Zij gelooven dat iedere kreet tegen hen

gericht is. Zij zijne uwe vijanden; neemt u dus voor hen in acht;

God vloekt hen. Hoezeer zijn zij van de waarheid afgewend. 5. En

als er tot hen wordt gezegd: Komt, opdat Gods gezant vergiffenis

voor u moge vragen, dan wenden zij hunne hoofden af, en gij ziet

hoe zij zich met verontwaardiging verwijderen. 6. Het zal voor hen

hetzelfde zijn, of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, God

zal hen op geenerlei wijze vergeven; want God leidt de verdorvenen

niet. 7. Dit zijn de lieden, die tot de bewoners van Medina zeggen:

Geeft niets aan de uitgewekenen die met Gods gezant zijn, opdat zij

verplicht worden, zich van hem te scheiden. De schatten van hemel en

aarde behooren aan God; maar de huichelaars begrijpen het niet. 8. Zij

zeggen: Waarlijk, indien wij naar Medina terugkeeren, zal de sterkere

den zwakkere verjagen [2151]. De kracht behoort aan God; zij is met

zijn gezant en de ware geloovigen; maar de huichelaars weten het

niet. 9. O ware geloovigen! Laten uwe rijkdommen of uwe kinderen u

niet van de herdenking van God afhouden: want degenen zullen zeker

verloren zijn, die dit doen. 10. En geeft aalmoezen van hetgeen wij u

hebben geschonken, alvorens de dood over een uwer kome, en hij zegge:

O Heer! wilt gij mij geen uitstel voor een korten tijd verleenen, opdat

ik aalmoezen kunne geven en een der rechtvaardigen worden? 11. Maar God

zal op geenerlei wijze meer uitstel aan eene ziel verleenen, als haar

bepaalde tijd is gekomen. God is volkomen bekend met hetgeen gij doet.

VIER EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

WEDERZIJDSCHE TELEURSTELLING.

Gegeven te Mekka [2152].--18 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Alles wat in den hemel of op aarde is, verkondigt Gods lof. Hem

is het Koninkrijk, hem zij de lof; want hij is almachtig. 2. Hij

is het die u heeft geschapen. De een van u is bestemd tot een

ongeloovige en de ander tot een geloovige, en God ziet wat gij

doet. 3. Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen,

heeft u gevormd en u eene schoone gedaante gegeven, en tot hem moet

gij allen gaan. 4. Hij kent wat in den hemel of op de aarde is, en hij

kent hetgeen gij verbergt, en datgene wat gij ontdekt; want God kent

de binnenste deelen van der menschen borst. 5. Waart gij niet bekend

met het verhaal van hen die vroeger niet geloofden, en het slechte

gevolg van hun gedrag ondervonden? Voor hen is eene martelende straf

gereed gemaakt. 6. Dit zullen zij ondergaan, omdat hunne gezanten

met duidelijke bewijzen hunner zending tot hen kwamen, en zij zeiden:

zullen menschen ons leiden? Daarom geloofden zij niet en wenden zich

af. Maar God had niemand noodig; want God is zich zelven toereikend

en waardig geprezen te worden. 7. De ongeloovigen verbeelden zich,

dat zij niet zullen worden opgewekt. Zeg: Ja, bij mijn Heer, gij zult

zekerlijk worden opgewekt, dan zal u verhaald worden, wat gij zult

hebben verricht, en dit is voor God gemakkelijk. 8. Gelooft dus in

God en zijn gezant, en het licht dat wij hebben nedergezonden; want

God is wel bekend met hetgeen gij doet. 9. Op een zekeren dag zal

hij u verzamelen; zijnde de dag der algemeene verzameling; dit zal

de dag der wederzijdsche teleurstelling zijn [2153]. En hij die in

God gelooft, en doen zal wat recht is, dien zal hij van zijne slechte

daden zuiveren, en hij zal hem in tuinen leiden, waaronder rivieren

stroomen om daarin voor eeuwig te verblijven. Dit zal eene groote

gelukzaligheid zijn. 10. Maar zij die niet gelooven, en onze teekenen

van valschheid beschuldigen, zullen de bewoners van het hellevuur zijn,

waarin zij voor eeuwig zullen verblijven, en daar zal het een ellendig

verblijf wezen. 11. Geen ongeluk gebeurt er zonder Gods verlof, en

wie in God gelooft, diens hart zal door hem geleid worden. God kent

alle dingen. 12. Gehoorzaamt dus God en gehoorzaamt den gezant; maar

indien gij u afwendt, waarlijk, de plicht van onzen gezant is slechts,

in het openbaar te prediken. 13. God! Er is geen god buiten hem;

laat dus de geloovige zijn vertrouwen in God stellen. 14. O ware

geloovigen! gij hebt vijanden in uwe vrouwen en kinderen [2154],

neemt u dus voor hen in acht. Maar indien gij inzicht hebt met

hunne verkeerde handelingen [2155], en die geheel vergeeft, dan is

God eveneens gezind tot vergeven en is barmhartig. 15. Uwe welvaart

en uwe kinderen zijn slechts eene verzoeking: maar met God is eene

ruime belooning. 16. Vreest dus God zooveel gij kunt; luistert en

gehoorzaamt, en geeft aalmoezen voor het heil uwer zielen; want zij

die niet gierig omtrent hunne eigene zielen zijn, zullen voorspoed

genieten. 17. Indien gij aan God eene aannemelijke leening doet,

zal hij die voor u verdubbelen en hij zal u vergiffenis schenken;

want God is erkentelijk en lankmoedig. 18. Hij kent zoowel datgene wat

verborgen, als datgene wat onzichtbaar. Hij is de Machtige, de Wijze.

VIJF EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ECHTSCHEIDING.

Geopenbaard te Medina--12 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O profeet! indien gij van uwe vrouwen scheidt, zend haar dan op

den bepaalden tijd weg [2156], en meet het tijdstip nauwkeurig af

en vrees God uwen Heer. Noodzaak haar niet uit hare vertrekken te

gaan, en laat haar niet weggaan, alvorens de tijd verstreken zij,

ten ware zij klaarblijkelijk aan onreinheid schuldig zijn. Dit

zijn Gods geboden; en waarlijk, hij die Gods geboden overtreedt,

mishandelt zijne eigen ziel. Gij weet niet welke Gods plannen omtrent

de toekomst zijn. Misschien zal hij u weder met haar vereenigen. 2. En

als zij haren bepaalden tijd zullen hebben vervuld, houdt haar dan

vriendelijk terug of scheid welwillend van haar; en neem menschen

van geloofwaardigheid als getuigen onder u; en geef uwe verklaring,

ten aanhoore Gods. Deze vermaning is dengeen gegeven, die in God en

den laatsten dag gelooft en God vreest. Aan hem zal hij eene gelukkige

uitkomst in al zijne bedroefenissen schenken, en hij zal hem een ruimen

voorraad geven, van waar hij dien niet verwacht. 3. En wie op God

vertrouwt, voor dien zal hij een toereikende beschermer zijn; want God

zal zekerlijk zijn doel bereiken. Thans heeft God voor elke zaak een

bepaalden tijd vastgesteld. 4. Wat uwe vrouwen betreft die, uithoofde

van haren ouderdom aan hare regels wanhopen; indien gij daaromtrent

in twijfel verkeert, laat haar bepaalde tijd dan drie maanden zijn, en

laat dit eveneens de bepaalde tijd wezen voor degenen, die hare regels

nog niet hebben gehad. Maar wat haar betreft, die zwanger zijn, heur

bepaalde tijd zal wezen, als zij verlost zullen zijn [2157]. En voor

dengeen, die God vreest, zal hij zijn gebod gemakkelijk maken. 5. Dit

is het bevel van God, dat hij u heeft nedergezonden, en degeen, die

God vreest, zal door hem van zijne slechte daden worden gezuiverd,

en God zal zijne belooning vermeerderen. 6. Vergun de vrouwen, van

welke gij scheidt in een gedeelte der huizen te wonen, waarin gij

woont, overeenkomstig de ruimte en de gemakken der woningen, welke

gij bezit, en maakt het haar niet ongemakkelijk, door haar te zeer

te beperken. Indien zij zwanger zijn, schenkt haar dan het noodige,

tot zij van haren last zijn verlost. Indien zij hare kinderen voor

u zoogen, geeft haar dan het loon [2158], en raadpleegt elkander,

nopens hetgeen rechtvaardig en billijk zal zijn. Indien gij hierin

op eene moeilijkheid stoot, laat dan eene andere vrouw het kind voor

haar zoogen. 7. Laat hem, die overvloed heeft, naar evenredigheid van

zijn overvloed in het onderhoud van de moeder en de min voorzien, en

laat hem, wiens inkomsten beperkt zijn, geven, overeenkomstig datgene

wat God hem heeft geschonken. God verplicht niemand tot vervulling van

meer dat van datgene, waartoe God hem heeft in staat gesteld. Hij zal

de armoede door rijkdom doen opvolgen. 8. Hoevele steden hebben zich

van het bevel van hunnen Heer en zijn gezant afgewend! Daarom riepen

wij hen tot eene gestrenge verantwoording, en wij kastijdden hen met

eene gestrenge kastijding. 9. Zij ondervonden het slechte gevolg

hunner zaak; en het einde hunner zaak was hun ondergang. 10. God

heeft een gestrenge straf voor hen gereed gemaakt; vreest dus God,

gij die met verstand zijt begaafd. 11. O ware geloovigen! thans heeft

God u eene vermaning nedergezonden en een gezant, om u Gods duidelijke

teekenen te verkondigen, ten einde hen, die gelooven en goede werken

doen, van de duisternis in het licht te leiden. Wie in God gelooft,

en doet wat recht is, dien zal hij in tuinen leiden, waarin rivieren

stroomen, om daarin voor eeuwig te verblijven; aldus heeft God eene

uitmuntende belooning voor hem gereed gemaakt. 12. Het is God, die de

zeven hemelen heeft geschapen en de zeven aardbollen: het goddelijke

bevel daalt tusschen hen neder [2159], opdat gij zoudt weten, dat

God almachtig is, en dat God door zijn kennis alle dingen begrijpt.

ZES EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

HET VERBOD.

Geopenbaard te Medina.--12 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O profeet! waarom verbiedt gij wat God heeft vergund, daardoor

trachtende uwe vrouwen te behagen [2160]. God is vergevensgezind

en barmhartig 2. God heeft u veroorloofd, uwe eeden in te trekken;

en God is uwe meester en hij is alwetend en wijs. 3. Toen de profeet

eens eene zekere gebeurtenis als een geheim aan eene zijner vrouwen

verhaalde [2161], en toen zij dat aan eene ander mededeelde, en

God het hem bekend maakte, gaf hij haar kennis van een gedeelte van

hetgeen zij had gedaan, en vermeed, haar het andere gedeelte daarvan

te verwijten. En toen hij haar daarmede had bekend gemaakt, zeide zij:

Wie heeft u dit ondekt? Hij zeide: de wijze, de alwetende God heeft het

mij ontdekt. 4. Indien gij beiden tot God zijt gewend (want uwe harten

hebben gewankeld), is het wel, maar indien gij tegen hem (den profeet)

samenspant, waarlijk, dan is God zijn beschermer, en GabriÎl en de

rechtvaardigen, onder de gelooven en de engelen zijn mede zijne helpers

[2162]. 5. Indien hij van u scheidt, kan zijn Heer hem gemakkelijk in

uwe plaats andere vrouwen, beter dan gij, geven; vrouwen die aan God

onderworpen zijn; ware geloovigen, vroom, boetvaardig, gehoorzaam,

de vasten in acht nemende, en zoowel die gehuwd zijn geweest, als

maagden. 6. O ware geloovigen! redt uwe zielen en die uwer gezinnen,

van het vuur, dat door menschen en steenen wordt gevoed, waarover

onvermurwbare en vreeselijke engelen [2163] zijn geplaatst, die God

niet ongehoorzaam zijn, in hetgeen hij hun heeft bevolen; maar die

volvoeren, wat hun werd geboden. 7. O ongeloovigen! verontschuldig u

niet op dezen dag, U zal zekerlijk vergolden worden hetgeen gij hebt

gedaan [2164]. 8. O ware geloovigen! wendt u tot God met een oprecht

berouw, misschien wil uw Heer uwe slechte daden van u afnemen, en wil

hij u toelaten in tuinen, met rivieren doorsneden, op den dag waarop

God den profeet niet zal beschamen, of degenen die met hem geloofd

hebben; hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden

[2165], en zij zullen zeggen: Heer! maak ons licht volmaakt en vergeef

ons; want gij zijt almachtig. 9. O profeet! tast de ongeloovigen

met wapens aan, en de huichelaars met woorden, en behandel hen met

gestrengheid; de hel zal hun verblijf zijn, en dat is eene ellendige

woning. 10. God stelt den ongeloovigen, als een voorbeeld, de vrouw

van Noach en de vrouw van Lot voor; zij waren onder de heerschappij

van twee onzer rechtvaardige dienaren, welke beiden door haar bedrogen

werden [2166]. Daarom waren hare echtgenooten haar volstrekt niet

van voordeel, voor het aangezicht van God [2167], en er zal op den

jongsten dag tot haar gezegd worden: Treedt het hellevuur binnen met

hen die daar ingaan. 11. God stelde ook de vrouw van Pharao als een

voorbeeld aan hen die gelooven, toen zij zeide: Heer, bouw mij een

huis bij u in het paradijs, verlos mij van Pharao en zijne daden,

en bevrijd mij van de onrechtvaardigen. 12. En Maria, de dochter

van Imram, die hare kuischheid bewaarde, en in wier boezem wij onzen

geest bliezen [2168], en die in de woorden van haren Heer en in zijne

schriften geloofde, en vroom en gehoorzaam was [2169].

ZEVEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

HET KONINKRIJK [2170].

Geopenbaard te Mekka.--30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Gezegend zij hij in wiens hand het Koninkrijk is! want hij

is almachtig; 2. Die den dood en het leven heeft geschapen,

opdat hij u zou mogen bewijzen, wie uwer het rechtvaardigste in

zijn daden is; en hij is machtig en vergevensgezind. 3. Hij, die

zeven hemelen boven elkander heeft geschapen. Gij kunt in geen

schepsel van den Barmhartigste eenige onvolmaaktheid of eenig

gebrek vinden. Heft uwe oogen ten hemel op, en ziet of gij er

eene enkele scheur ontdekt? 4. Heft ze nog tweemalen op, en uwe

blikken zullen zwaar en vermoeid tot u terugkeeren. 5. Wij hebben

den ondersten hemel met lampen versierd, en wij hebben die bestemd

om de duivels terug te houden [2171], voor welke wij de marteling

van het brandende vuur hebben gereed gemaakt. 6. En voor hen, die

niet in hunnen Heer gelooven, is mede de marteling der hel bereid;

daar zal het een ellendig verblijf wezen. 7. Als zij daarin zullen

geworpen worden, zullen zij het hooren balken als een ezel [2172], en

het zal vreeselijk branden. (En indien zij vernietigd konden worden,

zou zijne woede hen vernietigen). 8. Zoo dikwijls eene schaar van hen

daarin geworpen zal worden, zullen de wachters der hel hun vragen:

Kwam er geen gezant? 9. Zij zullen antwoorden: Ja, er kwam een

gezant tot ons; maar wij beschuldigden hem van bedrog en zeiden:

God heeft niets geopenbaard. Gij verkeert slechts in eene groote

dwaling. 10. En zij zullen zeggen: Indien wij geluisterd of recht

hadden verdacht, zouden wij niet tot de makkers van het brandende

vuur hebben behoord. 11. En zij zullen hunne zonden belijden; maar

verre zij het, dat de bewoners van het brandende vuur genade zullen

verwerven! 12. Waarlijk, zij die hunnen Heer in het geheim vreezen,

zullen vergiffenis en eene groote belooning verlangen. 13. Hetzij

gij uw gesprek verbergt, of het openbaar maakt, hij kent de

binnenste deelen uwer borsten. 14. Zou hij niet alles kennen, die

alles geschapen heeft; hij de Wijze, de Alwetende? 15. Hij is het,

die de aarde voor u geÎffend heeft; wandelt dus door hare dreven,

en eet van haar voorraad. Gij zult opgewekt worden om tot hem terug

te keeren. 16. Zijt gij zeker, dat hij die in den hemel woont, u niet

door de aarde zal doen verzwelgen? Ziet zij beeft reeds. 17. Of zijt

gij zeker, dat hij die in den hemel woont, geen hevigen dwarrelwind

tegen u zal zenden, die het zand voortdrijft om u te bedekken? Dan

eerst zult gij weten, hoe belangrijk mijne waarschuwing was. 18. Ook

zij die vÛÛr u waren, geloofden niet. Hoe vreeselijk was mijn

toorn! 19. Zien zij de vogels boven hunne hoofden niet, die hunne

vleugels uitspreiden en ineenvouwen? Niemand ondersteunt hen, behalve

de Barmhartige; want hij beschouwt alle dingen. 20. Waar is degeen

die u tot een krijgsheer zal verstrekken om u tegen den Barmhartige

te verdedigen? waarlijk, de ongeloovigen zijn verblind. 21. Of waar

is hij, die u voedsel zal geven, indien God het verhindert? En toch

volhardt gij in uwe verdorvenheid en ontvlucht de waarheid. 22. Is dus

degeen, die op zijn aangezicht kruipt beter dan hij die rechtop een

rechten weg bewandelt [2173]. 23. Zeg: hij is het, die u het aanzijn

heeft geschonken, en u het gehoor, het gezicht en het verstand (een

hart) heeft gegeven; en echter hoe weinig dankbaar zijt gij! 24. Zeg:

Hij is het, die u over de aarde heeft verspreid, en tot hem zult gij

bijeen verzameld worden. 25. Zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging

verwezenlijkt worden, indien gij de waarheid spreekt? 26. Antwoord:

De kennis hiervan is alleen met God want ik ben slechts belast met

het in het openbaar te waarschuwen. 27. Maar als zij de straf van

nabij zullen zien, zullen hunne aangezichten zich verduisteren,

en men zal tot hen zeggen: Dat is wat gij gevraagd hebt. 28. Zeg:

Wat denkt gij? Hetzij God mij en hen die mij volgen, doet sterven,

of dat hij mededoogen met ons hebbe, wie zal de ongeloovigen tegen

de vreeselijke straf verdedigen? 29. Zeg: Hij is de Barmhartige; in

hem gelooven wij, en in hem stellen wij ons vertrouwen. Hier namaals

zult gij weten, wie in eene duidelijke dwaling verkeert. 30. Zeg:

Wat denkt gij. Indien uw water des ochtends door de aarde wordt

verzwolgen, wie zal dan zuiver en vloeiend water geven?

ACHT EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PEN.

Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 46 / 89 段