1. Alles wat in den hemel en op aarde is, zingt Gods lof; en hij is

machtig en wijs. 2. Hem is het koninkrijk van hemel en aarde; hij

geeft leven en hij doet sterven, en hij is almachtig. 3. Hij is de

eerste en de laatste: de blijkbare en de verborgene, en hij kent alle

dingen. 4. Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep,

en daarop zijn troon beklom. Hij kent datgene wat in de aarde gaat, en

datgene wat daaruit voortkomt; datgene, wat van den hemel nederdaalt en

datgene wat er in opstijgt, en hij is met u, waar gij ook moogt zijn;

want God ziet wat gij doet. 5 Hem is het koninkrijk van hemel en aarde:

en tot God zullen alle dingen terugkeeren. 6. Hij doet den nacht op

den dag volgen en hij doet den dag op den nacht volgen, en hij kent

de binnenste deelen van des menschen borst. 7. Gelooft in God en

zijn gezant, en geef in aalmoezen een gedeelte weg van de welvaart,

waarvan God u de erfgenamen heeft gemaakt; want aan degenen van u,

die gelooven en aalmoezen geven, zal eene groote belooning worden

geschonken. 8. En wat scheelt u, dat gij niet in God gelooft, terwijl

de gezant u uitnoodigt, in uwen Heer te gelooven, die uw verbond

heeft ontvangen [2103] nopens deze zaak, indien uwe harten oprecht

zijn? 9. Hij is het, die duidelijke teekenen aan zijn dienaar heeft

nedergezonden, ten einde u uit de duisternis in het licht te leiden;

want God is medelijdend en barmhartig voor u. 10. En wat scheelt u, dat

gij niet van uw vermogen bijdraagt, voor de verdediging van Gods waren

godsdienst, daar Gode de erfenis van hemel en aarde behoort? Degenen

van u, die van hun goed zullen hebben bijgedragen tot, en gestreden

zullen hebben voor de verdediging van het geloof, vÛÛr de inneming van

Mekka, zullen niet gelijk gesteld worden met hen, die naderhand daartoe

bijgedragen en medegestreden zullen hebben [2104]). Zij zullen hooger

in rang staan dan degenen, die na de hierboven vermelde overwinning

ter verspreiding van het geloof zullen bijdragen en strijden;

maar aan allen heeft God de meest uitmuntende belooning toegezegd;

en God weet wel wat gij doet. 11. Waar is degeen, die aan God een

onbekrompen leening wil doen; want God zal die voor hem verdubbelen

en hij zal daarenboven eene uitmuntende belooning ontvangen. 12. Op

een zekeren dag zult gij de ware geloovigen van beide kunnen zien;

hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden [2105]. Men

zal tot hen zeggen: Goede tijdingen komen heden tot u: tuinen met

rivieren doorsneden; eeuwig zult gij daarin verblijven. Dit zal eene

groote gelukzaligheid wezen. 13. Op dien dag zullen de huichelachtige

mannen en de huichelachtige vrouwen tot degenen zeggen, die gelooven:

Blijft vÛÛr ons, opdat wij een weinig van uw licht mogen ontleenen. Er

zal hun geantwoord worden: Keert in de wereld terug, en zoekt daar

licht. En een hooge muur zal tusschen hen geplaatst worden, waarin

eene poort: daar binnen zal genade wezen en daar buiten, en tegenover,

de martelingen der hel. De huichelaars zullen de ware geloovigen

aanroepen, zeggende: Waren wij niet met u? Zij zullen antwoorden:

Ja! maar gij hebt door uwe huichelarij uwe eigen zielen verleid, en ons

verderf verwacht. Gij twijfeldet nopens het geloof, en uwe wenschen

hebben u bedrogen, tot een besluit van God kwam, en gij stierft;

en de verleider bedroog u nopens God. 14. Daarom zal er dien dag

geen losprijs van u worden aangenomen, noch van hen die ongeloovigen

waren. Het hellevuur zal uw verblijf zijn; dit is hetgeen gij verdiend

hebt; en daar zal het eene ellendige woning wezen. 15. Is de tijd thans

niet gekomen voor hen die gelooven, dat hunne harten zich ootmoedig aan

de waarschuwing van God zouden onderwerpen, en aan de waarheid, welke

geopenbaard is geworden? Dat zij niet zijn als degenen, aan wie de

schrift vroeger werd gegeven, en voor welke de tijd van toegevendheid

werd verlengd? Maar hunne harten waren versteend, en velen van hen

waren zondaren. 16. Weet, dat God de aarde verkwikt, welke dood

is geweest. Thans hebben wij u onze teekenen duidelijk verklaard,

opdat gij zoudt begrijpen. 17. Waarlijk, voor hen die aalmoezen geven,

zoowel mannen als vrouwen, en God eene onbekrompen leening doen, voor

hen zal hij die verdubbelen, en zij zullen bovendien eene uitmuntende

belooning ontvangen. 18. En zij, die in God en zijne gezanten gelooven,

zijn menschen van waarachtigheid, en getuigen in de tegenwoordigheid

van hunnen Heer; zij zullen hunne belooning en hun licht hebben. Maar

wat degenen betreft die niet gelooven en onze teekens van valschheid

beschuldigen, zij zullen de bewoners der hel zijn. 19. Weet, dat dit

leven slechts een spel en een ijdel vermaak is; en wereldlijke pracht

en de zucht naar eer onder u, en de vermeerdering van rijkdommen en

kinderen, zijn als de planten, door den regen gevoed, waarvan de

opschieting den landman verheugt: later verwelken zij, zoodat gij

haar geel ziet worden, en daarna veranderen zij in droge stoppels. En

in het volgende leven zal eene gestrenge straf zijn voor hen, die

naar wereldsche grootheid hunkeren. 20. En vergiffenis van God,

en gunst voor hen, die daarvan afstand doen; want dit tegenwoordige

leven is slechts een verblindend schijngenot. 21. Wedijvert dus met

spoed, om vergiffenis van uwen Heer te verkrijgen en het paradijs,

waarvan de uitgebreidheid gelijk is aan de uitgebreidheid van hemel

en aarde, en dat gereed gemaakt is voor hen, die in God en zijne

gezanten gelooven. Dit is Gods gunst: hij zal die schenken aan wien

hem behaagt, en Gods goedheid is oneindig. 22. Geen ongeval komt er op

aarde noch aan uwe personen voor, zonder dat dit in het boek van onze

besluiten was opgeteekend, alvorens wij het voortbrachten. Waarlijk,

dit is gemakkelijk voor God. 23. Bedroef u dus niet om het goede dat

u ontsnapt, noch verblijd u overmatig, om datgene wat u toevloeit;

want God bemindt den trotschaard, den ijdele niet. 24. Of hen die

zelve gierig zijn, en den mensch gierigheid gebieden. En wat hen

betreft die zich afwenden van het aalmoezen geven; waarlijk, God is

rijk genoeg, en prijzenswaardig. 25. Wij zonden onze gezanten vroeger

met duidelijke wonderen, en wij hebben de schriften en de weegschaal

met hen medegezonden [2106], opdat de mensch de rechtvaardigheid zou

in acht nemen. En wij zonden hun ijzer neder [2107], waarin machtige

sterkte voor den oorlog is en verscheiden voordeelen voor den mensch:

opdat God dengene zou kennen, die hem en zijne gezanten in het geheim

ondersteunt [2108]; want God is sterk en machtig. 26. Wij zonden

vroeger Noach en Abraham, en wij gaven hunne nakomelingen de gift der

profetie en de schrift en sommigen van hen werden geleid; maar velen

van hen waren boosdoeners. 27. Daarna deden wij onze gezanten in hunne

voetstappen treden, en wij deden hen door Jezus, den zoon van Maria,

opvolgen, wien wij het evangelie gaven, en wij stortten medelijden en

liefderijkheid in de harten van degenen, die hen volgden. Maar wat den

monnikenstand betreft, zij stelden dien zelven in, wij schreven hun

dien niet voor [2109]; wij schreven alleen de begeerte voor, Gode te

behagen; maar zij namen het niet in acht, zooals het in acht genomen

moest worden. En wij gaven hun, die geloofden, hunne belooning; maar

velen van hen waren zondaren. 28. O gij! die in de profeten gelooft

[2110], vreest God, en gelooft in zijn gezant Mahomet; hij zal u

twee deelen van zijne genade schenken, en hij zal u een licht geven,

waarin gij zult wandelen, en hij zal u vergiffenis schenken; want

God is vergevensgezind en barmhartig. 29. Dat zij, die de schriften

hebben ontvangen, mogen weten, dat zij geene macht hebben over eenige

der gunsten van God, en dat het goede in zijne hand is. Hij schenkt

dat naar zijn welbehagen; want Gods goedheid is oneindig.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KLAAGSTER [2111].

Geopenbaard te Medina [2112].--22 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. God heeft de woorden gehoord van haar, die zich bij u over haren

echtgenoot heeft beklaagd, en hare klachten tot God heeft gericht

[2113], God heeft uwe wederzijdsche gesprekken gehoord; want God

hoort en ziet alles. 2. Wat degenen onder u betreft, die van hunne

vrouwen scheiden, met de verklaring, dat zij haar daarna als hunne

moeders zullen beschouwen, laat hen weten, dat zij hunne moeders

niet zijn. Hunne moeders zijn slechts zij, die hen baarden [2114],

en zij spreken waarlijk onrechtvaardig en logentaal; 3. Maar God is

barmhartig en vergevensgezind. 4. Zij die van hunne vrouwen scheiden,

met de verklaring, dat zij haar in de toekomst als hunne moeders

zullen beschouwen, en daarna terugnemen willen wat zij hebben gezegd,

zullen genoodzaakt zijn een slaaf te bevrijden [2115], alvorens zij

elkander zullen mogen aanraken. Dit wordt u gewaarschuwd in acht

te nemen, en God is wel onderricht van hetgeen gij doet. 5. En hij

die geen slaaf vindt, om dien eed los te koopen, zal een vasten

van twee achtereenvolgende maanden houden, alvorens zij elkander

aanraken. En hij die niet in staat zal zijn dien tijd te vasten,

zal zestig arme lieden voeden. Dit is u bevolen, opdat gij God en

zijn gezant zoudt gelooven. Dit zijn de bevelen van God. Voor de

ongeloovigen is eene pijnlijke marteling gereed gemaakt. 6. Zij die

God en zijn gezant wederstand bieden, zullen ten onder gebracht

worden, zooals de ongeloovigen die hen voorafgingen, werden ten

onder gebracht. En wij hebben duidelijke teekens nedergezonden,

en eene schandelijke straf wacht de ongeloovigen. 7. Op een zekeren

dag zal God hen allen ten leven opwekken, en hij zal hun verklaren

wat zij verricht hebben. God heeft eene nauwkeurige rekening daarvan

opgemaakt; maar zij hebben die vergeten, en God is getuige van alle

dingen. 8. Bemerkt gij niet dat God alles kent, wat in den hemel en

op aarde is? Er is geen geheim gesprek tusschen drie personen, of

hij is er de vierde van, noch van vijf, of hij is er de zesde van,

noch tusschen een kleiner, noch tusschen een grooter getal dan dit,

of hij is met hen, waar zij ook mochten zijn: en hij zal hun op den

dag der opstanding verklaren, wat zij hebben gedaan; want God kent

alle dingen. 9. Hebt gij degenen niet opgemerkt, aan wie het ontzegd

werd, verboden gesprekken te voeren, maar die nochtans terugkeerden

tot hetgeen hun was verboden, en heimelijk onder elkander van

zonde spraken en van vijandschap en van ongehoorzaamheid nopens

den gezant? En als zij tot u komen, begroeten zij u met een groet,

waarmede God u niet begroet [2116], en zij zeggen spottenderwijze tot

elkander: Zou God ons niet straffen voor hetgeen wij zeggen, indien

deze man een profeet ware? De hel zal eene toereikende straf voor

hen zijn; zij zullen die binnengaan om verbrand te worden, en dat zal

een ongelukkig verblijf wezen. 10. O ware geloovigen! als gij in het

geheim met elkander spreekt, spreekt dan niet van zonde en vijandschap

en ongehoorzaamheid opzichtens den gezant; en vreest God, voor wien

gij zult worden verzameld. 11. Waarlijk, de verboden gesprekken der

ongeloovigen gaan van Satan uit, ten einde de ware geloovigen te

grieven; maar niemand zal hen in het minst kunnen deren, tenzij met

verlof van God: laat dus de geloovige op God vertrouwen. 12. O ware

geloovigen! als men u zegt: Maakt ruimte in de vergadering, maakt

ruimte [2117]: God zal u groote ruimte in het paradijs schenken. En

als u gezegd wordt: staat op, staat op; God zal degenen van u die

gelooven, en hen aan welke kennis werd geschonken, doen oprijzen

in een hoogen graad. En God is volkomen onderricht van hetgeen gij

doet. 13. O ware geloovigen! indien gij gaat om met den gezant te

spreken, geeft dan aalmoezen, eer gij met hem spreekt; dit zal beter

voor u zijn en reiner; maar indien gij niet hebt waarvan te geven,

waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent u zijn. 14. Vreest

gij aalmoezen te geven vÛÛr uw gesprek met den profeet, duchtende u

te verarmen? Indien gij het niet doet, hetgeen God u zal vergeven,

verricht dan ten minste het gebed, geeft de voorgeschreven (wettige)

aalmoezen (de schatting), en gehoorzaamt God en zijn gezant in alle

andere zaken; want God weet wel wat gij doet. 15. Hebt gij degenen

niet opgemerkt, die een volk tot hunne vrienden hebben genomen,

op hetwelk God vertoornd is [2118]? Zij zijn van hunne partij noch

van de uwe [2119], en zij zweren voorbedachtelijk bij eene leugen

[2120]. 16. God heeft eene gestrenge straf voor hen gereed gemaakt;

want datgene wat zij doen is slecht. 17. Zij bedienen zich van hunne

eeden als van een kleed, en zij hebben de menschen van Gods weg

afgeleid. 18. Noch hunne welvaart, noch hunne kinderen zullen hun

bij God van nut zijn. Zij zullen de bewoners van het hellevuur zijn,

eeuwig zullen zij daarin verblijven. 19. Op een zekeren dag zal God

hen allen opwekken; dan zullen zij bij hen zweren, zooals zij het

thans bij u doen, denkende dat dit hun van dienst zal wezen. Zijn

zij geene leugenaars? 20. Satan heeft hen overmeesterd, en heeft

hen de herdenking van God doen vergeten. Dezen vormen de partij van

den duivel; en zal de partij des duivels niet tot verderf worden

gedoemd? 21. Waarlijk, zij die God en zijn gezant wederstand bieden,

zullen onder de laagsten worden geplaatst. God heeft geschreven:

waarlijk, ik en mijn gezant zullen overwinnen; want God is sterk en

machtig. 22. Gij zult onder degenen die in God en in den jongsten

dag gelooven, geene menschen vinden, welke de ongeloovigen beminnen

die God en zijn gezant weÍrstand bieden, al waren zij hunne vaders,

of hunne zonen, of hunne broeders of hunne naaste betrekkingen. In de

harten van dezen heeft God het geloof geschreven, en hij heeft hen met

zijn geest gesterkt. Hij zal hen in tuinen, doorsneden met rivieren,

leiden, om er voor eeuwig te verblijven. God is over hen voldaan,

en zij zijn wel voldaan over hem. Dit is de partij van God; en zal

de partij van God geen voorspoed genieten?

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE LANDVERHUIZING [2121].

Geopenbaard te Medina--24 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Alles wat in den hemel of op aarde is, verkondigt den lof van

God, en hij is de Machtige, de Wijze. 2. Hij was het, die degenen

van het volk dat de schrift ontving welke niet geloofden, bij de

eerste landverhuizing uit hunne woningen deed vertrekken [2122]. Gij

dacht niet, dat zij van daar zouden gaan, en zij dachten, dat hunne

sterkte hen tegen God zoude bijstaan. Maar Gods kastijding kwam over

hen, van waar zij die niet verwacht hadden, en hij wierp schrik in

hunne harten. Zij verwoestten hunne huizing met eigen handen [2123]

en met de handen der ware geloovigen. Neemt dus een voorbeeld aan

hen, o gij die oogen hebt! 3. En indien God hen niet tot verbanning

had gedoemd, zou hij hen zeker hebben uitgeroeid; en in de volgende

wereld zullen zij de marteling van het hellevuur ondergaan. 4. Dit

geschiedt, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden; en

wie God weÍrstand biedt, waarlijk, die zal door God streng gestraft

worden. 5. De palmboomen welke gij nederhouwt, of die gij met hunne

wortelen laat staan, werden nedergehouwen of bleven staan door den

wil van God om de zondaren gerust te stellen. 6. En wat den buit

betreft van het volk, dat God geheel aan zijn gezant heeft geschonken

[2124], gij hebt daartegen noch paarden, noch kameelen aangevoerd

[2125]; maar God geeft de heerschappij aan zijne gezanten over wien

hij wil; want God is almachtig. 7. De buit der bewoners van de steden

die God aan zijn gezant heeft geschonken is aan God en zijn gezant

verschuldigd, en aan hem, die tot de nabestaanden van den gezant

behoort, en aan de weezen en aan den arme en aan den reiziger, opdat

die niet immer in een kring zoude verdeeld worden, van diegenen uwer,

welke rijk zijn. Neemt aan wat de profeet u zal geven, en onthoudt

u van hetgeen hij u verbiedt, en vreest God; want God is gestreng in

het kastijden. 8. Ook behoort een deel aan de arme Mohajerin [2126]

die van hunne huizen en hunne bezittingen werden beroofd, terwijl

zij naar Gods gunst en naar zijn welgevallen streefden en God en

zijn gezant bijstonden. Dit zijn de lieden der waarachtigheid. 9. En

zij die, vÛÛr hen, de stad Medina geheel bezaten en het geloof zonder

beletsel beleden, beminnen dengeen, die tot hen is gevlucht, en vinden

in hunne borsten geene begeerte naar datgene wat den Mohajerin werd

gegeven, maar verkiezen die boven zich zelven, hoewel zij mede door

nooddruftigheid worden gekweld. En hij die zich voor de gierigheid

zijner eigene ziel behoedt, zal zeker voorspoed genieten. 10. En zij

die na hen zijn gekomen [2127] zeggen: O Heer! vergeef ons en onze

broederen, die ons in het geloof zijn voorgegaan, en werp geen kwaden

wil in onze harten, omtrent hen, die geloofd hebben: O Heer! Waarlijk,

gij zijt medelijdend en genadig. 11. Hebt gij degenen niet gezien,

welke huichelachtig zijn. Zij zeggen tot hunne broeders, van degenen

welke de schriften hebben ontvangen, en die niet gelooven: Waarlijk,

indien gij uit uwe woningen wordt verdreven, zullen wij zekerlijk met

u vertrekken; wij zullen nimmer iemand gehoorzamen als er sprake van

u zal zijn, en indien gij wordt aangevallen, zullen wij u zekerlijk

bijstaan. Maar God is getuige, dat zij leugenaars zijn. 12. Waarlijk,

indien zij verdreven worden, zullen dezen niet met hen heengaan, en

indien zij aangevallen worden, zullen deze hen niet bijstaan [2128]

en indien zij hen al in 't eerst bijstaan, zullen zij hun de ruggen

toewenden, en zij zullen niet ondersteund worden. 13. Waarlijk,

gij zijt sterker dan zij, uithoofde van de vrees, die door God in

hunne borsten is geworpen. Dit is omdat zij lieden zonder doorzicht

zijn. 14. Zij zullen niet vereenigd tegen u strijden, behalve

in versterkte steden of van achter muren. Hunne hevigheid in den

oorlog onder elkander is groot: gij denkt dat zij vereenigd zijn,

maar hunne harten zijn verdeeld. Dit is, omdat zij lieden zijn, die

niet begrijpen willen. 15. Gelijk degenen, die hen voorafgingen hebben

zij het booze gevolg van hunne daden geproefd, en eene pijnlijke straf

is hiernamaals voor hen gereed gemaakt. 16. Zoo hebben de huichelaars

de Joden bedrogen; gelijk de duivel, toen hij tot een mensch zeide:

Wees een ongeloovige! En toen hij een ongeloovige was geworden,

riep hij: Waarlijk, ik ben onschuldig aan u; want ik vrees God, den

Heer van alle schepselen. 17. Daarom zal het einde van hen zijn, dat

zij in het hellevuur zullen verblijven, en dit zal de vergelding der

onrechtvaardigen wezen. 18. O ware geloovigen! vreest God. Dat iedere

ziel zie, wat zij zich voor morgen gereed maakt [2129], en vreest

God; want God is welbekend met hetgeen gij doet. 19. En weest niet

als zij, die God hebben vergeten, en welke hij hunne eigenen zielen

heeft doen vergeten: dit zijn de zondaren. 20. De bewoners van het

hellevuur en de bewoners van het paradijs zullen niet gelijk gesteld

worden. De bewoners van het paradijs zijn zij, die gelukzaligheid

genieten. 21. Indien wij dezen Koran op een berg hadden nedergezonden,

zoudt gij zeker gezien hebben, hoe die zich verootmoedigd had, en uit

vrees voor God gespleten ware. Dit zijn de voorbeelden welke wij den

mensch geven, opdat hij zou mogen overwegen. 22. Hij is de God, buiten

wien geen god is. Hij kent het zichtbare en het onzichtbare. Hij is de

Goedertierene, de Barmhartige. 23. Hij is God, buiten wien geen god

is: de Koning, de Heilige, de Verlosser, de Getrouwe, de Beschermer,

de Sterke, de Vermogende, de Verhevenste. God is verre verheven boven

de afgoden, welke zij met hem vereenigen. 24. Hij is de eenige God,

de Schepper, de Maker, de Vormer. Hij heeft de meest uitmuntende namen

[2130]. Alles wat in den hemel of op aarde is, prijst hem. Hij is de

Machtige, de Wijze.

ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

ZIJ DIE BEPROEFD IS [2131].

Geopenbaard te Medina--13 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. O ware geloovigen! kiest mijne vijanden en uwe vijanden niet tot

uwe vrienden [2132]. Betoont hun geene vriendschap, nu zij niet de

waarheid gelooven, die tot u is gekomen; en den gezant en u zelven

uit uwe geboortestad hebben verdreven, omdat gij in God uwen Heer

gelooft. Indien gij uit uwe woonplaatsen vertrekt ter verdediging

van mijnen godsdienst en uit begeerte mij te behagen, en hun in het

verborgen vriendschap betoont [2133], waarlijk, ik ken wel wat gij

verbergt en wat gij ontdekt; en gij die dit doet, is reeds van den

rechten weg afgedwaald. 2. Indien zij u slechts ergens ontmoeten,

zullen zij uwe vijanden zijn; zij zullen hunne handen en hunne

tongen met boosheid naar u uitstrekken, en zij begeeren ernstig,

dat gij ongeloovigen zult worden. 3. Noch uwe bloedverwanten, noch

uwe kinderen zullen u van eenig nut zijn op den dag der opstanding,

die u van elkander zal scheiden: en God ziet wat gij doet. 4. Gij

hebt een uitmuntend voorbeeld in Abraham, en zij die met hem waren,

toen zij tot hun volk zeiden: Waarlijk wij zijn onschuldig aan u en

aan de afgoden, welke gij naast God vereert; wij hebben afstand van

u gedaan (u verloochend; en er is voor eeuwig haat en vijandschap

tusschen ons gekomen, tot gij in God alleen gelooft. Doch gij

zult Abraham niet navolgen in hetgeen hij tot zijn vader zeide:

Waarlijk ik wil vergiffenis voor u vragen [2134]; maar ik kan niets

ten uwen behoeve van God verkrijgen. O Heer! in u vertrouwen wij,

en tot u zijn wij gewend, en voor u zullen wij hiernamaals worden

verzameld. 5. O Heer! leid ons niet in verzoeking door hen die niet

gelooven, en vergeef ons, o Heer! want gij zijt de Machtige, en de

Wijze. 6. Waarlijk, gij hebt een uitmuntend voorbeeld in hen en in

hem; gij die op God en den jongsten dag vertrouwt. Maar hij die zich

afwendt, waarlijk, God is almachtig en lofwaardig. 7. Misschien zal God

vriendschap doen onstaan tusschen u en hen, welke gij thans voor uwe

vijanden houdt [2135]; want God is machtig, en God is vergevensgezind

en barmhartig. 8. Wat hen betreft, die geene wapenen tegen u hebben

gevoerd wegens den godsdienst, en u niet uit uwe woningen verdreven

hebben. 9. God verbiedt u niet, hen vriendschappelijk te behandelen

en rechtvaardig jegens hen te zijn. Doch wat degenen betreft, die

u om uwen godsdienst bestreden en u uit uwe woningen verdreven,

of daartoe mede geholpen hebben, verbiedt God u vriendschap met

hen aan te knoopen, en wie het doen, zijn snoodaards. 10. O ware

geloovigen! indien geloovige vrouwen als vluchtelingen tot u komen,

beproeft haar: God is wel bekend met haar geloof. En als gij weet dat

zij ware geloovigen zijn, zendt haar dan niet tot de ongeloovigen

terug. Het is haar niet geoorloofd de ongeloovigen te huwen, en de

ongeloovigen mogen haar niet huwen. Maar geeft haren ongeloovigen

echtgenooten, wat zij voor hare bruidschatten zullen hebben besteed

[2136]. Het is u geoorloofd haar te huwen; maar verzeker haar heuren

bruidschat [2137]. Behoudt de ongeloovige vrouwen niet, maar vraagt

datgene terug, wat gij besteed hebt voor den bruidschat van diegene

uwer vrouwen, welke tot de ongeloovigen overloopen, en laat hen

terugvragen, wat zij besteed hebben voor de bruidschatten hunner

vrouwen, die tot u overloopen. Dit is Gods oordeel, hetgeen hij

voor u vaststelt; en God is alwetend en wijs. 11. Indien eene uwer

vrouwen, van u naar de ongeloovigen vlucht, en gij zijt schadeloos

gesteld door het vluchten van eene der vrouwen van de ongeloovigen

tot u geef dan aan de geloovigen, wier vrouwen ontvlucht zullen

zijn, zooveel van de bruidschatten der laatsten, als zij voor de

bruidschatten der eersten zullen hebben besteed, en vreest God

in wien gij gelooft. 12. O profeet! als geloovige vrouwen tot u

komen, en u haar geloof bekennen, dat zij niets met God verbinden,

niet stelen, geen overspel bedrijven, of hare kinderen niet dooden

[2138] en niet zullen komen met eene lastering, welke zij tusschen

hare handen en hare voeten hebben uitgedacht, en u niet ongehoorzaam

zullen wezen, in hetgeen redelijk is [2139], verbindt u dan met haar

en vraagt vergiffenis voor haar aan God; want God is vergevensgezind

en barmhartig. 13. O ware geloovigen! knoopt geene vriendschap aan met

een volk, waartegen God vertoornd is. Zij wanhopen aan het volgende

leven, gelijk de ongeloovigen aan de opstanding twijfelen van hen,

die de graven bewonen.

EEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

SLAGORDE.

Geopenbaard te Mekka [2140]--14 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 45 / 89 段