machtig en wijs. 2. Hem is het koninkrijk van hemel en aarde; hij
geeft leven en hij doet sterven, en hij is almachtig. 3. Hij is de
eerste en de laatste: de blijkbare en de verborgene, en hij kent alle
dingen. 4. Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep,
en daarop zijn troon beklom. Hij kent datgene wat in de aarde gaat, en
datgene wat daaruit voortkomt; datgene, wat van den hemel nederdaalt en
datgene wat er in opstijgt, en hij is met u, waar gij ook moogt zijn;
want God ziet wat gij doet. 5 Hem is het koninkrijk van hemel en aarde:
en tot God zullen alle dingen terugkeeren. 6. Hij doet den nacht op
den dag volgen en hij doet den dag op den nacht volgen, en hij kent
de binnenste deelen van des menschen borst. 7. Gelooft in God en
zijn gezant, en geef in aalmoezen een gedeelte weg van de welvaart,
waarvan God u de erfgenamen heeft gemaakt; want aan degenen van u,
die gelooven en aalmoezen geven, zal eene groote belooning worden
geschonken. 8. En wat scheelt u, dat gij niet in God gelooft, terwijl
de gezant u uitnoodigt, in uwen Heer te gelooven, die uw verbond
heeft ontvangen [2103] nopens deze zaak, indien uwe harten oprecht
zijn? 9. Hij is het, die duidelijke teekenen aan zijn dienaar heeft
nedergezonden, ten einde u uit de duisternis in het licht te leiden;
want God is medelijdend en barmhartig voor u. 10. En wat scheelt u, dat
gij niet van uw vermogen bijdraagt, voor de verdediging van Gods waren
godsdienst, daar Gode de erfenis van hemel en aarde behoort? Degenen
van u, die van hun goed zullen hebben bijgedragen tot, en gestreden
zullen hebben voor de verdediging van het geloof, vÛÛr de inneming van
Mekka, zullen niet gelijk gesteld worden met hen, die naderhand daartoe
bijgedragen en medegestreden zullen hebben [2104]). Zij zullen hooger
in rang staan dan degenen, die na de hierboven vermelde overwinning
ter verspreiding van het geloof zullen bijdragen en strijden;
maar aan allen heeft God de meest uitmuntende belooning toegezegd;
en God weet wel wat gij doet. 11. Waar is degeen, die aan God een
onbekrompen leening wil doen; want God zal die voor hem verdubbelen
en hij zal daarenboven eene uitmuntende belooning ontvangen. 12. Op
een zekeren dag zult gij de ware geloovigen van beide kunnen zien;
hun licht zal voor hen uitgaan en aan hunne rechterhanden [2105]. Men
zal tot hen zeggen: Goede tijdingen komen heden tot u: tuinen met
rivieren doorsneden; eeuwig zult gij daarin verblijven. Dit zal eene
groote gelukzaligheid wezen. 13. Op dien dag zullen de huichelachtige
mannen en de huichelachtige vrouwen tot degenen zeggen, die gelooven:
Blijft vÛÛr ons, opdat wij een weinig van uw licht mogen ontleenen. Er
zal hun geantwoord worden: Keert in de wereld terug, en zoekt daar
licht. En een hooge muur zal tusschen hen geplaatst worden, waarin
eene poort: daar binnen zal genade wezen en daar buiten, en tegenover,
de martelingen der hel. De huichelaars zullen de ware geloovigen
aanroepen, zeggende: Waren wij niet met u? Zij zullen antwoorden:
Ja! maar gij hebt door uwe huichelarij uwe eigen zielen verleid, en ons
verderf verwacht. Gij twijfeldet nopens het geloof, en uwe wenschen
hebben u bedrogen, tot een besluit van God kwam, en gij stierft;
en de verleider bedroog u nopens God. 14. Daarom zal er dien dag
geen losprijs van u worden aangenomen, noch van hen die ongeloovigen
waren. Het hellevuur zal uw verblijf zijn; dit is hetgeen gij verdiend
hebt; en daar zal het eene ellendige woning wezen. 15. Is de tijd thans
niet gekomen voor hen die gelooven, dat hunne harten zich ootmoedig aan
de waarschuwing van God zouden onderwerpen, en aan de waarheid, welke
geopenbaard is geworden? Dat zij niet zijn als degenen, aan wie de
schrift vroeger werd gegeven, en voor welke de tijd van toegevendheid
werd verlengd? Maar hunne harten waren versteend, en velen van hen
waren zondaren. 16. Weet, dat God de aarde verkwikt, welke dood
is geweest. Thans hebben wij u onze teekenen duidelijk verklaard,
opdat gij zoudt begrijpen. 17. Waarlijk, voor hen die aalmoezen geven,
zoowel mannen als vrouwen, en God eene onbekrompen leening doen, voor
hen zal hij die verdubbelen, en zij zullen bovendien eene uitmuntende
belooning ontvangen. 18. En zij, die in God en zijne gezanten gelooven,
zijn menschen van waarachtigheid, en getuigen in de tegenwoordigheid
van hunnen Heer; zij zullen hunne belooning en hun licht hebben. Maar
wat degenen betreft die niet gelooven en onze teekens van valschheid
beschuldigen, zij zullen de bewoners der hel zijn. 19. Weet, dat dit
leven slechts een spel en een ijdel vermaak is; en wereldlijke pracht
en de zucht naar eer onder u, en de vermeerdering van rijkdommen en
kinderen, zijn als de planten, door den regen gevoed, waarvan de
opschieting den landman verheugt: later verwelken zij, zoodat gij
haar geel ziet worden, en daarna veranderen zij in droge stoppels. En
in het volgende leven zal eene gestrenge straf zijn voor hen, die
naar wereldsche grootheid hunkeren. 20. En vergiffenis van God,
en gunst voor hen, die daarvan afstand doen; want dit tegenwoordige
leven is slechts een verblindend schijngenot. 21. Wedijvert dus met
spoed, om vergiffenis van uwen Heer te verkrijgen en het paradijs,
waarvan de uitgebreidheid gelijk is aan de uitgebreidheid van hemel
en aarde, en dat gereed gemaakt is voor hen, die in God en zijne
gezanten gelooven. Dit is Gods gunst: hij zal die schenken aan wien
hem behaagt, en Gods goedheid is oneindig. 22. Geen ongeval komt er op
aarde noch aan uwe personen voor, zonder dat dit in het boek van onze
besluiten was opgeteekend, alvorens wij het voortbrachten. Waarlijk,
dit is gemakkelijk voor God. 23. Bedroef u dus niet om het goede dat
u ontsnapt, noch verblijd u overmatig, om datgene wat u toevloeit;
want God bemindt den trotschaard, den ijdele niet. 24. Of hen die
zelve gierig zijn, en den mensch gierigheid gebieden. En wat hen
betreft die zich afwenden van het aalmoezen geven; waarlijk, God is
rijk genoeg, en prijzenswaardig. 25. Wij zonden onze gezanten vroeger
met duidelijke wonderen, en wij hebben de schriften en de weegschaal
met hen medegezonden [2106], opdat de mensch de rechtvaardigheid zou
in acht nemen. En wij zonden hun ijzer neder [2107], waarin machtige
sterkte voor den oorlog is en verscheiden voordeelen voor den mensch:
opdat God dengene zou kennen, die hem en zijne gezanten in het geheim
ondersteunt [2108]; want God is sterk en machtig. 26. Wij zonden
vroeger Noach en Abraham, en wij gaven hunne nakomelingen de gift der
profetie en de schrift en sommigen van hen werden geleid; maar velen
van hen waren boosdoeners. 27. Daarna deden wij onze gezanten in hunne
voetstappen treden, en wij deden hen door Jezus, den zoon van Maria,
opvolgen, wien wij het evangelie gaven, en wij stortten medelijden en
liefderijkheid in de harten van degenen, die hen volgden. Maar wat den
monnikenstand betreft, zij stelden dien zelven in, wij schreven hun
dien niet voor [2109]; wij schreven alleen de begeerte voor, Gode te
behagen; maar zij namen het niet in acht, zooals het in acht genomen
moest worden. En wij gaven hun, die geloofden, hunne belooning; maar
velen van hen waren zondaren. 28. O gij! die in de profeten gelooft
[2110], vreest God, en gelooft in zijn gezant Mahomet; hij zal u
twee deelen van zijne genade schenken, en hij zal u een licht geven,
waarin gij zult wandelen, en hij zal u vergiffenis schenken; want
God is vergevensgezind en barmhartig. 29. Dat zij, die de schriften
hebben ontvangen, mogen weten, dat zij geene macht hebben over eenige
der gunsten van God, en dat het goede in zijne hand is. Hij schenkt
dat naar zijn welbehagen; want Gods goedheid is oneindig.
ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE KLAAGSTER [2111].
Geopenbaard te Medina [2112].--22 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. God heeft de woorden gehoord van haar, die zich bij u over haren
echtgenoot heeft beklaagd, en hare klachten tot God heeft gericht
[2113], God heeft uwe wederzijdsche gesprekken gehoord; want God
hoort en ziet alles. 2. Wat degenen onder u betreft, die van hunne
vrouwen scheiden, met de verklaring, dat zij haar daarna als hunne
moeders zullen beschouwen, laat hen weten, dat zij hunne moeders
niet zijn. Hunne moeders zijn slechts zij, die hen baarden [2114],
en zij spreken waarlijk onrechtvaardig en logentaal; 3. Maar God is
barmhartig en vergevensgezind. 4. Zij die van hunne vrouwen scheiden,
met de verklaring, dat zij haar in de toekomst als hunne moeders
zullen beschouwen, en daarna terugnemen willen wat zij hebben gezegd,
zullen genoodzaakt zijn een slaaf te bevrijden [2115], alvorens zij
elkander zullen mogen aanraken. Dit wordt u gewaarschuwd in acht
te nemen, en God is wel onderricht van hetgeen gij doet. 5. En hij
die geen slaaf vindt, om dien eed los te koopen, zal een vasten
van twee achtereenvolgende maanden houden, alvorens zij elkander
aanraken. En hij die niet in staat zal zijn dien tijd te vasten,
zal zestig arme lieden voeden. Dit is u bevolen, opdat gij God en
zijn gezant zoudt gelooven. Dit zijn de bevelen van God. Voor de
ongeloovigen is eene pijnlijke marteling gereed gemaakt. 6. Zij die
God en zijn gezant wederstand bieden, zullen ten onder gebracht
worden, zooals de ongeloovigen die hen voorafgingen, werden ten
onder gebracht. En wij hebben duidelijke teekens nedergezonden,
en eene schandelijke straf wacht de ongeloovigen. 7. Op een zekeren
dag zal God hen allen ten leven opwekken, en hij zal hun verklaren
wat zij verricht hebben. God heeft eene nauwkeurige rekening daarvan
opgemaakt; maar zij hebben die vergeten, en God is getuige van alle
dingen. 8. Bemerkt gij niet dat God alles kent, wat in den hemel en
op aarde is? Er is geen geheim gesprek tusschen drie personen, of
hij is er de vierde van, noch van vijf, of hij is er de zesde van,
noch tusschen een kleiner, noch tusschen een grooter getal dan dit,
of hij is met hen, waar zij ook mochten zijn: en hij zal hun op den
dag der opstanding verklaren, wat zij hebben gedaan; want God kent
alle dingen. 9. Hebt gij degenen niet opgemerkt, aan wie het ontzegd
werd, verboden gesprekken te voeren, maar die nochtans terugkeerden
tot hetgeen hun was verboden, en heimelijk onder elkander van
zonde spraken en van vijandschap en van ongehoorzaamheid nopens
den gezant? En als zij tot u komen, begroeten zij u met een groet,
waarmede God u niet begroet [2116], en zij zeggen spottenderwijze tot
elkander: Zou God ons niet straffen voor hetgeen wij zeggen, indien
deze man een profeet ware? De hel zal eene toereikende straf voor
hen zijn; zij zullen die binnengaan om verbrand te worden, en dat zal
een ongelukkig verblijf wezen. 10. O ware geloovigen! als gij in het
geheim met elkander spreekt, spreekt dan niet van zonde en vijandschap
en ongehoorzaamheid opzichtens den gezant; en vreest God, voor wien
gij zult worden verzameld. 11. Waarlijk, de verboden gesprekken der
ongeloovigen gaan van Satan uit, ten einde de ware geloovigen te
grieven; maar niemand zal hen in het minst kunnen deren, tenzij met
verlof van God: laat dus de geloovige op God vertrouwen. 12. O ware
geloovigen! als men u zegt: Maakt ruimte in de vergadering, maakt
ruimte [2117]: God zal u groote ruimte in het paradijs schenken. En
als u gezegd wordt: staat op, staat op; God zal degenen van u die
gelooven, en hen aan welke kennis werd geschonken, doen oprijzen
in een hoogen graad. En God is volkomen onderricht van hetgeen gij
doet. 13. O ware geloovigen! indien gij gaat om met den gezant te
spreken, geeft dan aalmoezen, eer gij met hem spreekt; dit zal beter
voor u zijn en reiner; maar indien gij niet hebt waarvan te geven,
waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig omtrent u zijn. 14. Vreest
gij aalmoezen te geven vÛÛr uw gesprek met den profeet, duchtende u
te verarmen? Indien gij het niet doet, hetgeen God u zal vergeven,
verricht dan ten minste het gebed, geeft de voorgeschreven (wettige)
aalmoezen (de schatting), en gehoorzaamt God en zijn gezant in alle
andere zaken; want God weet wel wat gij doet. 15. Hebt gij degenen
niet opgemerkt, die een volk tot hunne vrienden hebben genomen,
op hetwelk God vertoornd is [2118]? Zij zijn van hunne partij noch
van de uwe [2119], en zij zweren voorbedachtelijk bij eene leugen
[2120]. 16. God heeft eene gestrenge straf voor hen gereed gemaakt;
want datgene wat zij doen is slecht. 17. Zij bedienen zich van hunne
eeden als van een kleed, en zij hebben de menschen van Gods weg
afgeleid. 18. Noch hunne welvaart, noch hunne kinderen zullen hun
bij God van nut zijn. Zij zullen de bewoners van het hellevuur zijn,
eeuwig zullen zij daarin verblijven. 19. Op een zekeren dag zal God
hen allen opwekken; dan zullen zij bij hen zweren, zooals zij het
thans bij u doen, denkende dat dit hun van dienst zal wezen. Zijn
zij geene leugenaars? 20. Satan heeft hen overmeesterd, en heeft
hen de herdenking van God doen vergeten. Dezen vormen de partij van
den duivel; en zal de partij des duivels niet tot verderf worden
gedoemd? 21. Waarlijk, zij die God en zijn gezant wederstand bieden,
zullen onder de laagsten worden geplaatst. God heeft geschreven:
waarlijk, ik en mijn gezant zullen overwinnen; want God is sterk en
machtig. 22. Gij zult onder degenen die in God en in den jongsten
dag gelooven, geene menschen vinden, welke de ongeloovigen beminnen
die God en zijn gezant weÍrstand bieden, al waren zij hunne vaders,
of hunne zonen, of hunne broeders of hunne naaste betrekkingen. In de
harten van dezen heeft God het geloof geschreven, en hij heeft hen met
zijn geest gesterkt. Hij zal hen in tuinen, doorsneden met rivieren,
leiden, om er voor eeuwig te verblijven. God is over hen voldaan,
en zij zijn wel voldaan over hem. Dit is de partij van God; en zal
de partij van God geen voorspoed genieten?
NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE LANDVERHUIZING [2121].
Geopenbaard te Medina--24 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Alles wat in den hemel of op aarde is, verkondigt den lof van
God, en hij is de Machtige, de Wijze. 2. Hij was het, die degenen
van het volk dat de schrift ontving welke niet geloofden, bij de
eerste landverhuizing uit hunne woningen deed vertrekken [2122]. Gij
dacht niet, dat zij van daar zouden gaan, en zij dachten, dat hunne
sterkte hen tegen God zoude bijstaan. Maar Gods kastijding kwam over
hen, van waar zij die niet verwacht hadden, en hij wierp schrik in
hunne harten. Zij verwoestten hunne huizing met eigen handen [2123]
en met de handen der ware geloovigen. Neemt dus een voorbeeld aan
hen, o gij die oogen hebt! 3. En indien God hen niet tot verbanning
had gedoemd, zou hij hen zeker hebben uitgeroeid; en in de volgende
wereld zullen zij de marteling van het hellevuur ondergaan. 4. Dit
geschiedt, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden; en
wie God weÍrstand biedt, waarlijk, die zal door God streng gestraft
worden. 5. De palmboomen welke gij nederhouwt, of die gij met hunne
wortelen laat staan, werden nedergehouwen of bleven staan door den
wil van God om de zondaren gerust te stellen. 6. En wat den buit
betreft van het volk, dat God geheel aan zijn gezant heeft geschonken
[2124], gij hebt daartegen noch paarden, noch kameelen aangevoerd
[2125]; maar God geeft de heerschappij aan zijne gezanten over wien
hij wil; want God is almachtig. 7. De buit der bewoners van de steden
die God aan zijn gezant heeft geschonken is aan God en zijn gezant
verschuldigd, en aan hem, die tot de nabestaanden van den gezant
behoort, en aan de weezen en aan den arme en aan den reiziger, opdat
die niet immer in een kring zoude verdeeld worden, van diegenen uwer,
welke rijk zijn. Neemt aan wat de profeet u zal geven, en onthoudt
u van hetgeen hij u verbiedt, en vreest God; want God is gestreng in
het kastijden. 8. Ook behoort een deel aan de arme Mohajerin [2126]
die van hunne huizen en hunne bezittingen werden beroofd, terwijl
zij naar Gods gunst en naar zijn welgevallen streefden en God en
zijn gezant bijstonden. Dit zijn de lieden der waarachtigheid. 9. En
zij die, vÛÛr hen, de stad Medina geheel bezaten en het geloof zonder
beletsel beleden, beminnen dengeen, die tot hen is gevlucht, en vinden
in hunne borsten geene begeerte naar datgene wat den Mohajerin werd
gegeven, maar verkiezen die boven zich zelven, hoewel zij mede door
nooddruftigheid worden gekweld. En hij die zich voor de gierigheid
zijner eigene ziel behoedt, zal zeker voorspoed genieten. 10. En zij
die na hen zijn gekomen [2127] zeggen: O Heer! vergeef ons en onze
broederen, die ons in het geloof zijn voorgegaan, en werp geen kwaden
wil in onze harten, omtrent hen, die geloofd hebben: O Heer! Waarlijk,
gij zijt medelijdend en genadig. 11. Hebt gij degenen niet gezien,
welke huichelachtig zijn. Zij zeggen tot hunne broeders, van degenen
welke de schriften hebben ontvangen, en die niet gelooven: Waarlijk,
indien gij uit uwe woningen wordt verdreven, zullen wij zekerlijk met
u vertrekken; wij zullen nimmer iemand gehoorzamen als er sprake van
u zal zijn, en indien gij wordt aangevallen, zullen wij u zekerlijk
bijstaan. Maar God is getuige, dat zij leugenaars zijn. 12. Waarlijk,
indien zij verdreven worden, zullen dezen niet met hen heengaan, en
indien zij aangevallen worden, zullen deze hen niet bijstaan [2128]
en indien zij hen al in 't eerst bijstaan, zullen zij hun de ruggen
toewenden, en zij zullen niet ondersteund worden. 13. Waarlijk,
gij zijt sterker dan zij, uithoofde van de vrees, die door God in
hunne borsten is geworpen. Dit is omdat zij lieden zonder doorzicht
zijn. 14. Zij zullen niet vereenigd tegen u strijden, behalve
in versterkte steden of van achter muren. Hunne hevigheid in den
oorlog onder elkander is groot: gij denkt dat zij vereenigd zijn,
maar hunne harten zijn verdeeld. Dit is, omdat zij lieden zijn, die
niet begrijpen willen. 15. Gelijk degenen, die hen voorafgingen hebben
zij het booze gevolg van hunne daden geproefd, en eene pijnlijke straf
is hiernamaals voor hen gereed gemaakt. 16. Zoo hebben de huichelaars
de Joden bedrogen; gelijk de duivel, toen hij tot een mensch zeide:
Wees een ongeloovige! En toen hij een ongeloovige was geworden,
riep hij: Waarlijk, ik ben onschuldig aan u; want ik vrees God, den
Heer van alle schepselen. 17. Daarom zal het einde van hen zijn, dat
zij in het hellevuur zullen verblijven, en dit zal de vergelding der
onrechtvaardigen wezen. 18. O ware geloovigen! vreest God. Dat iedere
ziel zie, wat zij zich voor morgen gereed maakt [2129], en vreest
God; want God is welbekend met hetgeen gij doet. 19. En weest niet
als zij, die God hebben vergeten, en welke hij hunne eigenen zielen
heeft doen vergeten: dit zijn de zondaren. 20. De bewoners van het
hellevuur en de bewoners van het paradijs zullen niet gelijk gesteld
worden. De bewoners van het paradijs zijn zij, die gelukzaligheid
genieten. 21. Indien wij dezen Koran op een berg hadden nedergezonden,
zoudt gij zeker gezien hebben, hoe die zich verootmoedigd had, en uit
vrees voor God gespleten ware. Dit zijn de voorbeelden welke wij den
mensch geven, opdat hij zou mogen overwegen. 22. Hij is de God, buiten
wien geen god is. Hij kent het zichtbare en het onzichtbare. Hij is de
Goedertierene, de Barmhartige. 23. Hij is God, buiten wien geen god
is: de Koning, de Heilige, de Verlosser, de Getrouwe, de Beschermer,
de Sterke, de Vermogende, de Verhevenste. God is verre verheven boven
de afgoden, welke zij met hem vereenigen. 24. Hij is de eenige God,
de Schepper, de Maker, de Vormer. Hij heeft de meest uitmuntende namen
[2130]. Alles wat in den hemel of op aarde is, prijst hem. Hij is de
Machtige, de Wijze.
ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ DIE BEPROEFD IS [2131].
Geopenbaard te Medina--13 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. O ware geloovigen! kiest mijne vijanden en uwe vijanden niet tot
uwe vrienden [2132]. Betoont hun geene vriendschap, nu zij niet de
waarheid gelooven, die tot u is gekomen; en den gezant en u zelven
uit uwe geboortestad hebben verdreven, omdat gij in God uwen Heer
gelooft. Indien gij uit uwe woonplaatsen vertrekt ter verdediging
van mijnen godsdienst en uit begeerte mij te behagen, en hun in het
verborgen vriendschap betoont [2133], waarlijk, ik ken wel wat gij
verbergt en wat gij ontdekt; en gij die dit doet, is reeds van den
rechten weg afgedwaald. 2. Indien zij u slechts ergens ontmoeten,
zullen zij uwe vijanden zijn; zij zullen hunne handen en hunne
tongen met boosheid naar u uitstrekken, en zij begeeren ernstig,
dat gij ongeloovigen zult worden. 3. Noch uwe bloedverwanten, noch
uwe kinderen zullen u van eenig nut zijn op den dag der opstanding,
die u van elkander zal scheiden: en God ziet wat gij doet. 4. Gij
hebt een uitmuntend voorbeeld in Abraham, en zij die met hem waren,
toen zij tot hun volk zeiden: Waarlijk wij zijn onschuldig aan u en
aan de afgoden, welke gij naast God vereert; wij hebben afstand van
u gedaan (u verloochend; en er is voor eeuwig haat en vijandschap
tusschen ons gekomen, tot gij in God alleen gelooft. Doch gij
zult Abraham niet navolgen in hetgeen hij tot zijn vader zeide:
Waarlijk ik wil vergiffenis voor u vragen [2134]; maar ik kan niets
ten uwen behoeve van God verkrijgen. O Heer! in u vertrouwen wij,
en tot u zijn wij gewend, en voor u zullen wij hiernamaals worden
verzameld. 5. O Heer! leid ons niet in verzoeking door hen die niet
gelooven, en vergeef ons, o Heer! want gij zijt de Machtige, en de
Wijze. 6. Waarlijk, gij hebt een uitmuntend voorbeeld in hen en in
hem; gij die op God en den jongsten dag vertrouwt. Maar hij die zich
afwendt, waarlijk, God is almachtig en lofwaardig. 7. Misschien zal God
vriendschap doen onstaan tusschen u en hen, welke gij thans voor uwe
vijanden houdt [2135]; want God is machtig, en God is vergevensgezind
en barmhartig. 8. Wat hen betreft, die geene wapenen tegen u hebben
gevoerd wegens den godsdienst, en u niet uit uwe woningen verdreven
hebben. 9. God verbiedt u niet, hen vriendschappelijk te behandelen
en rechtvaardig jegens hen te zijn. Doch wat degenen betreft, die
u om uwen godsdienst bestreden en u uit uwe woningen verdreven,
of daartoe mede geholpen hebben, verbiedt God u vriendschap met
hen aan te knoopen, en wie het doen, zijn snoodaards. 10. O ware
geloovigen! indien geloovige vrouwen als vluchtelingen tot u komen,
beproeft haar: God is wel bekend met haar geloof. En als gij weet dat
zij ware geloovigen zijn, zendt haar dan niet tot de ongeloovigen
terug. Het is haar niet geoorloofd de ongeloovigen te huwen, en de
ongeloovigen mogen haar niet huwen. Maar geeft haren ongeloovigen
echtgenooten, wat zij voor hare bruidschatten zullen hebben besteed
[2136]. Het is u geoorloofd haar te huwen; maar verzeker haar heuren
bruidschat [2137]. Behoudt de ongeloovige vrouwen niet, maar vraagt
datgene terug, wat gij besteed hebt voor den bruidschat van diegene
uwer vrouwen, welke tot de ongeloovigen overloopen, en laat hen
terugvragen, wat zij besteed hebben voor de bruidschatten hunner
vrouwen, die tot u overloopen. Dit is Gods oordeel, hetgeen hij
voor u vaststelt; en God is alwetend en wijs. 11. Indien eene uwer
vrouwen, van u naar de ongeloovigen vlucht, en gij zijt schadeloos
gesteld door het vluchten van eene der vrouwen van de ongeloovigen
tot u geef dan aan de geloovigen, wier vrouwen ontvlucht zullen
zijn, zooveel van de bruidschatten der laatsten, als zij voor de
bruidschatten der eersten zullen hebben besteed, en vreest God
in wien gij gelooft. 12. O profeet! als geloovige vrouwen tot u
komen, en u haar geloof bekennen, dat zij niets met God verbinden,
niet stelen, geen overspel bedrijven, of hare kinderen niet dooden
[2138] en niet zullen komen met eene lastering, welke zij tusschen
hare handen en hare voeten hebben uitgedacht, en u niet ongehoorzaam
zullen wezen, in hetgeen redelijk is [2139], verbindt u dan met haar
en vraagt vergiffenis voor haar aan God; want God is vergevensgezind
en barmhartig. 13. O ware geloovigen! knoopt geene vriendschap aan met
een volk, waartegen God vertoornd is. Zij wanhopen aan het volgende
leven, gelijk de ongeloovigen aan de opstanding twijfelen van hen,
die de graven bewonen.
EEN EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
SLAGORDE.
Geopenbaard te Mekka [2140]--14 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.