Mahomet dwaalt niet, en hij is niet afgeleid. 3. Evenmin als
hij door zijn eigen wil spreekt. 4. Het is niets anders dan eene
openbaring die hem gedaan werd. 5. Een die machtig is in macht,
een met verstand begaafd. 6. Leerde het hem [2048] en hij verscheen
[2049]. 7. In het hoogste gedeelte van den gezichteinder. 8. Daarna
naderde hij den profeet en kwam immer nader tot hem [2050]. 9. Tot
hij op twee ellebogen afstands van hem, of nog nader was. 10. En
hij openbaarde zijn dienaar, wat deze openbaarde. 11. Het hart
van Mahomet stelde datgene wat hij gezien had, niet valschelijk
voor [2051]. 12. Wilt gij dus met hem twisten, nopens hetgeen hij
zag? 13. Hij zag hem ook op een anderen tijd. 14. Bij den lotus-boom,
naast welken geen doorgang is [2052]. 15. Het is nabij den tuin van
eeuwig verblijf. 16. Toen de lotus-boom bedekte, datgene wat bedekt is
[2053]. 17. Wendde zijn oog zich niet af, en dwaalde evenmin. 18. En
hij aanschouwde werkelijk sommige der grootste teekenen van zijn
Heer [2054]. 19. Wat denkt gij van El-Lat, en al Ozza. 20. En Menat,
die andere, derde godin? [2055]. 21. Hebt gij mannelijke kinderen,
en God vrouwelijke? [2056]. 22. Dit is dan eene onrechtvaardige
verdeeling. 23. Het zijn slechts ijdele namen, welke gij en uwe vaderen
godheden hebt genoemd. God heeft nopens hen niets geopenbaard, wat
hunne vereering wettigt. Zij volgen slechts eene ijdele meening en
wat hunne zielen begeeren; en toch is de ware richting van hunnen Heer
tot hen gekomen. 24. Zal de mensch alles hebben, waarnaar hij wenscht
[2057]? 25. Dit en het volgende leven zijn Gods eigendom. 26. En
hoeveel engelen er ook in den hemel mogen zijn, hunne tusschenkomst
zal niets baten. 27. Tot God verlof zal hebben verleend, aan wien
hem zal behagen, en zich zijner zal aannemen. 28. Waarlijk, zij die
niet in het volgende leven gelooven, beweren dat de engelen vrouwen
zijn. 29. Doch zij hebben geene kennis daarvan; zij volgen slechts
eene bloote meening; en eene bloote meening vervangt geen ding van
waarheid. 30. Wend u dus van hem af, die zich van onze vermaningen
afwendt, en alleen naar het tegenwoordige leven haakt. 31. Dit is
hunne hoogste trap van kennis. Waarlijk, uw Heer kent hem wel, die
van zijnen weg afdwaalt, en hij kent dengeen wel, die op den rechten
weg is geleid. 32. Aan God behoort alles, wat zich in den hemel en
op de aarde bevindt; hij zal hen vergelden die kwaad verrichten,
overeenkomstig datgene wat zij zullen hebben bedreven, en hij zal
hen beloonen die goed doen, met de uitmuntendste belooning. 33. Wat
hen betreft, die groote misdaden en hatelijke zonden vermijden en
alleen lichtere feilen begaan, waarlijk, hun Heer zal hun ruime genade
verleenen. Hij kende u wel, toen hij u uit de aarde voortbracht, en
toen gij vruchten in uw moeders schoot waart. Rechtvaardigt u zelven
dus niet; hij kent het best den mensch die hem vreest. 34. Wat denkt
gij van hem, die zich van den weg der waarheid afwendt. 35. En weinig
geeft en begeerlijk zijne hand ophoudt [2058]? 36. Is de kennis
der toekomst met hem, zoodra hij die ziet [2059]? 37. Is hij niet
onderricht van datgene, wat in de boeken van Mozes is bevat. 38. En
van Abraham, die zijn verbintenissen godvruchtig volbracht? 39. Te
weten: dat eene belaste ziel niet den last van eene andere zal
dragen. 40. En dat den mensch, die rechtvaardig is, niets zal worden
opgelegd, behalve zijn eigen arbeid. 41. Dat zijn arbeid hiernamaals
zekerlijk naar waarde zal worden geschat. 42. En dat hij daarvoor
met de meest overvloedige belooning zal worden beschonken. 43. Dat
het einde van alle dingen bij den Heer zal wezen. 44. Dat hij doet
lachen en doet weenen. 45. Dat hij dood en leven geeft. 46. Dat hij
de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep. 47. Van
zaad als het uitgeworpen is. 48. Dat hem eene andere voortbrenging
behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten
leven. 49. En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen. 50. Dat
hij den Heer van het hondsgesternte is [2060]. 51. Dat hij den ouden
stam van Ad verwoestte. 52. En Thamoed; en niet een van hen liet
leven. 53. Als ook het volk van Noach, vÛÛr hen: want zij waren ten
hoogste onrechtvaardig en zondig. 54. En de straf des hemels bedekte
haar. 55. En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven
gekeerd. [2061] 56. Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult
gij in twijfel trekken? 57. Deze gezant is een prediker, evenals de
predikers, die hem voorafgingen. 58. De dag des oordeels komt nader;
er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve
God. 59. Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring? 60. En
lacht gij, in plaats van te weenen? 61. Terwijl gij uw tijd in ijdele
uitspanningen doorbrengt. 62. Vereert veeleer God en dient hem.
VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE MAAN.
Geopenbaard te Mekka.--55 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten [2062]. 2. Maar
als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende:
dit is eene machtige betoovering. 3. En zij beschuldigen u,
o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder
ding zal onveranderlijk bepaald wezen. 4. En nu is eene zending tot
hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt
opgesloten. 5. Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij
hen niet. 6. Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende
engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen
[2063]. 7. Zullen zij met nedergeslagen blikken uit hunne graven
komen, talrijk, als verspreide sprinkhanen. 8. Zich met schrik naar den
dagvaarder spoedende. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit is een dag van
droefheid. 9. Het volk van Noach beschuldigde dien profeet, alvorens uw
volk u verwierp, het beschuldigde onzen dienaar van bedrog; zeggende:
Hij is een bezetene, en hij werd met verwijtingen verworpen. 10. Hij
riep daarom zijn Heer aan, zeggende: Waarlijk, ik ben overweldigd:
wreek mij dus [2064]. 11. Daarop openden wij de poorten des hemels,
waaruit het water stroomde. 12. Wij deden de aarde waterstralen
uitwerpen, zoodat het water van hemel en aarde zich vereenigde,
overeenkomstig het vastgestelde besluit. 13. Wij droegen hem, op een
schip, uit planken en spijkers samengesteld. 14. Dat zich voor onze
oogen voortbewoog, als eene belooning voor hem, die ondankbaar was
verworpen. 15. Wij lieten dat schip tot een teeken dienen. Maar is
iemand daardoor gewaarschuwd? 16. En hoe gestreng was mijne wraak en
mijne bedreiging! 17, Nu hebben wij den Koran gemakkelijk tot eene
waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 18. De
stam van Ad beschuldigde hunnen profeet van bedrog; maar hoe
ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! 19. Waarlijk, wij
zonden, op een dag van voortdurend ongeluk [2065] een brullenden
[2066] wind tegen hen. 20. Die de menschen wegvoerde, als waren zij
met kracht uitgescheurde wortels van palmboomen [2067]. 21. En hoe
ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging! 22. Thans hebben wij den
Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor
gewaarschuwd? 23. Die van Thamoed beschuldigden de vermaningen van
hunnen profeet van valschheid. 24. En zij zeiden: Zullen wij een enkel
man als wij, onder ons volgen? Waarlijk, wij zouden aan dwaling en
ongerijmde dwaasheid schuldig zijn. 25. Zou de taak van waarschuwing
hem, boven het overige gedeelte van ons, opgedragen zijn? Neen,
hij is een leugenaar en een onbeschaamde bedrieger. 26. Maar God
zeide tot Saleh [2068]: Morgen zullen zij weten wie een leugenaar en
een onbeschaamde is; 27. Want wij zullen zekerlijk de wijfjes-kameel
zenden, om hen te beproeven [2069]; en gij, sla hen gade, en verdraag
hunne beleedigingen met geduld. 28. Voorspel hun, dat het water der
putten tusschen hen zal worden verdeeld [2070], en ieder deel zal
beurtelings nedergezet worden. 29. Zij riepen hunnen makker [2071],
en hij nam een zwaard en doodde haar, 30. Maar hoe ernstig was mijne
wraak en mijne bedreiging! 31. Want wij zonden hun een enkelen kreet
van den engel GabriÎl te gemoet, en zij werden als de droge stokken,
die gebruikt worden door dengeen, welke een kooi voor het vee bouwt
[2072]. 32. En thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing
gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd? 33. Het volk van Lot
beschuldigde zijne prediking van valschheid. 34. Maar wij zonden een
wind tegen hen, die eene regenbui van steenen voortdreef, welke hen
allen verdelgde, behalve het gezin van Lot, dat wij vroeg in den
ochtend bevrijdden. 35. Dit was door onze gunst. Zoo beloonen wij
hen, die dankbaar zijn. 36. En Lot had hen gewaarschuwd voor onze
gestrenge kastijding; maar zij twijfelden aan die waarschuwing. 37. Zij
eischten zijne gasten, opdat zij hen zouden misbruiken; maar wij
staken hunne oogen uit [2073], zeggende: Proeft mijne wraak en mijne
bedreiging. 38. En vroeg in den ochtend verraste hen eene zware straf
[2074]. 39. Proeft dus mijne wraak en mijne bedreiging. 40. Thans
hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing, gemaakt; maar
is iemand daardoor gewaarschuwd? 41. De vermaning van Mozes kwam
mede tot het volk van Pharao, 42. Maar zij beschuldigden al onze
teekenen van bedrog; daarom kastijdden wij hem met eene machtige
en onwederstaanbare kastijding. 43. O bewoners van Mekka! zijn uwe
ongeloovigen beter dan deze? Is u in de schriften vrijstelling van
straf beloofd? 44. Zeggen zij: wij vormen een lichaam van menschen,
die in staat zijn onze vijanden te bemeesteren? 45. De menigte zal
zekerlijk op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hunne ruggen
omkeeren [2075]. 46. Maar het uur des oordeels is hun bedreigde
straftijd, en dat uur zal droeviger en bitterder zijn, dan hunne
droefheden in dit leven. 47. Waarlijk, de zondaar doolt in dwaling
rond, en zal hier namaals in brandende vlammen worden gemarteld. 48. Op
dien dag zullen zij met hunne aangezichten in het vuur worden geworpen,
en men zal hun zeggen: Proeft de aanraking der hel. 49. Alle dingen
hebben wij geschapen, aan een bepaald besluit gebonden. 50. En ons
bevel bestaat slechts in een enkel woord [2076], aan een oogwenk
gelijk. 51. Wij hebben vroeger volken verdelgd, die u gelijk waren;
maar is iemand uwer door hun voorbeeld gewaarschuwd? 52. Alles wat
gij doet, is in het boek vermeld, dat door de wakende engelen wordt
bewaard. 53. Elke daad, klein of groot, is op de welbewaarde tafel
nedergeschreven. 54. De vromen zullen echter te midden van tuinen en
meren wonen. 55. In de vergadering der waarheid, in tegenwoordigheid
van den machtigsten koning.
VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE BARMHARTIGE.
Geopenbaard te Mekka. [2077]--78 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. De Barmhartige heeft zijn dienaar in den Koran onderwezen. 2. Hij
schiep den mensch. 3. Hij heeft hem eene duidelijke spraak
geleerd. 4. De zon en de maan leggen haren loop af, overeenkomstig eene
zekere wet. 5. En de planten, die over den grond kruipen, en de boomen
zijn aan zijne beschikking onderworpen. 6. Hij verhief den hemel,
en stelde de weegschaal vast. 7. Opdat gij niet zoudt zondigen tegen
het gewicht. 8. Weeg dus juist, en verminder het gewicht niet. 9. En
hij heeft de aarde voor levende schepselen ingericht. 10. Daarop zijn
verschillende vruchten en palmboomen, die bloemtrossen dragen. 11. En
graan dat kaf en bladeren heeft. 12. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen [2078]? 13. Hij schiep den mensch
van gedroogde klei, als een aarden vaatwerk. 14. Maar hij schiep de
geniussen van vuur, dat rein van rook was. 15. Welke der voordeelen
van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 16. Hij is de Heer
van het Oosten; 17. En de Heer van het Westen [2079]. 18. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 19. Hij
heeft de beide zeeÎn gescheiden [2080]. 20. Opdat zij elkander zouden
ontmoeten; tusschen haar is eene afscheiding geplaatst, welke zij
niet kunnen overschrijden. 21. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 22. Zij beide leveren paarlen
en koraal op. 23. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus
ondankbaar loochenen? 24. Hem behooren ook de schepen, die, als bergen,
de zee doorklieven. 25. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij
dus ondankbaar loochenen? 26. Ieder schepsel dat op de aarde leeft,
is aan de vergankelijkheid onderworpen. 27. Maar het glorierijke en
heerlijke aangezicht van uwen Heer zal eeuwig blijven. 28. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 29. Aan hem
richten alle schepselen, die in den hemel en op aarde zijn, verzoeken;
iederen dag is hij met een nieuw werk bezig [2081]. 30. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 31. Wij
zullen u zekerlijk op den jongsten dag wachten, om u te richten, o
geniussen en menschen! 32. Welke der voordeelen van uwen Heer zult
gij dus ondankbaar loochenen? 33. O gij, vereeniging van geniussen
en menschen! indien gij in staat zijt, de grenzen van den hemel en
de aarde te overschrijden [2082], doe het; maar gij zult het niet,
dan door eene volstrekte macht doen. 34. Welke der voordeelen van uwen
Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 35. Een vuurvlam zonder rook,
en een rook zonder vlam zullen op u worden nedergezonden, en gij
zult niet in staat zijn, u daartegen te beschutten. 36. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 37. En
als de hemel gespleten wordt, en zich rood als eene roos of als eene
roodgeverfde huid zal vertoonen. 38. Welke der voordeelen van uwen
Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 39. Op dien dag zal mensch
noch genius nopens zijne zonde worden ondervraagd [2083]. 40. Welke
der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 41. De
zondaren zullen door hunne werken worden herkend, en zij zullen van
voren bij hunne lokken en bij hunne voeten gegrepen, en in de hel
geworpen worden. 42. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus
ondankbaar loochenen? 43. Dit is de hel, welke de zondaren als eene
valschheid loochenen. 44. Zij zullen daar, tusschen vlammen en kokend
water, op- en nedergaan [2084]. 45. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 46. Maar voor hem, die de rechtbank
zijns Heeren vreest, zijn twee tuinen gemaakt [2085]. 47. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 48. Met
schaduwrijke boomen beplant. 49. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 50. In elken daarvan zullen
twee fonteinen stroomen. 51. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 52. In elken van hen zullen
twee soorten van elke vrucht zijn [2086]. 53. Welke der voordeelen
van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 54. Zij zullen op
zetels rusten, waarvan de leuningen zullen gevormd zijn van zijde
met goud doorweven, en de vrucht zal dicht bij de hand zijn, om
verzameld te worden. 55. Welke der voordeelen van uwen Heer zult
gij dus ondankbaar loochenen? 56. Daar zullen zij door schoone
maagden worden ontvangen, die hare oogen van ieder, behalve van hare
echtgenooten, zullen afwenden; die nimmer vÛÛr hen, door een man of
een genius zijn aangeraakt. 57. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 58. Hebbende huiden als robijnen
en paarlen. 59. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus
ondankbaar loochenen? 60. Waardoor zou het goede anders dan door
het goede beloond worden? 61. Welke der voordeelen van uwen Heer
zult gij dus ondankbaar loochenen? 62. En naast deze, zullen twee
anderen tuinen zijn. 63. Welke der voordeelen van uwen Heer zult
gij dus ondankbaar loochenen? 64. Van donker groen. 65. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 66. In
elken daarvan zullen twee fonteinen een overvloed van water doen
uitstroomen. 67. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij
dus ondankbaar loochenen? 68. In elken van dezen zullen vruchten,
palmboomen en granaatappelen zijn. 69. Welke der voordeelen van uwen
Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 70. Daarin zullen liefelijke en
schoone maagden zijn. 71. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij
dus ondankbaar loochenen? 72. Hebbende schoone, zwarte oogen, en door
pavilloenen voor het oog verborgen. 73. Welke der voordeelen van uwen
Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 74. Welke vÛÛr de haar bestemde
echtgenooten, door man noch genius, zijn aangeraakt. 75. Welke der
voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen? 76. Daar
zullen zij zich vermaken, liggende op groene kussens en prachtige
tapijten. 77. Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus
ondankbaar loochenen? 78. Geloofd zij de naam van uwen Heer, die met
glans en eer is omgeven.
ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ONVERMIJDELIJKE.
Geopenbaard te Mekka.--96 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Als de onvermijdelijke [2087] dag des oordeels plotseling
zal komen. 2. Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van
valschheid beschuldigen. 3. Sommigen zullen daardoor vernederd, en
anderen verheven worden. 4. Als de aarde door een hevigen schok zal
geschud worden. 5. En de bergen in stukken zullen springen. 6. En als
weggeblazen stof zullen worden. 7. En gij, menschen, in drie duidelijke
klassen zult verdeeld worden. 8. De makkers van de rechterhand
(hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen). 9. En de
makkers der linkerhand [2088], (hoe ellendig zullen de makkers
der linkerhand zijn); 10. En zij, die anderen in het geloof zijn
voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan. 11. Dat zijn
zij, die God zullen naderen. 12. Zij zullen in tuinen van vermaak
wonen. 13. Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten. 14. En
enkelen van den lateren zijn [2089]. 15. Rustende op zetels met goud
en edelgesteenten versierd. 16. En tegenover elkander daarop zittende
[2090]. 17. Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen
heen gaan, om hen te bedienen. 18. Met bekers, kroezen en schalen met
vloeienden wijn. 19. Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door
dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden. 20. En
met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen. 21. En het
vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren. 22. Daar zullen
zij door schoone maagden worden vergezeld, met groote, zwarte oogen,
gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn. 23. Dit zal
een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht. 24. Daar
zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot
zonde. 25. Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede! 26. En de makkers
der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand
wezen!) 27. Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van
doornen. 28. En banaan-boomen [2091], geregeld beladen met hunne
voortbrengselen, van den top tot den stam. 29. In de uitgebreide
schaduw. 30. Nabij een stroomend water [2092]. 31. En te midden
van een overvloed van vruchten. 32. Welke niemand zal afsnijden,
en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn. 33. En zij zullen
op verheven bedden uitrusten. 34. Waarlijk, wij hebben de maagden
van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd [2093];
35. En wij hebben haar tot maagden gemaakt [2094]. 36. Bemind door
hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn. 37. Tot
de geneugten der makkers van de rechterhand. 38. Daar zullen velen
van de vroegere godsdiensten. 39. En velen van den lateren zijn
[2095]. 40. En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de
makkers der linkerhand zijn). 41. Zullen wonen te midden van brandende,
verpestende winden en kokend water. 42. Onder de schaduw van zwarten
rook. 43. Die noch koel, noch aangenaam zal wezen. 44. Want zij
genoten de genoegens van het leven, vÛÛr dit, terwijl zij op de
aarde waren. 45. En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke
zondigheid. 46. En zij zeiden: 47. Nadat wij zullen gestorven,
en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk
tot het leven worden opgewekt? 48. Zullen onze vaderen ook met
ons worden opgewekt? 49. Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de
lateren. 50. Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een
bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden. 51. En
gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid
geloochend hebt. 52. Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms
van al Zakkoem. 53. Gij zult uwen buik daarmede vullen. 54. En gij
zult daar kokend water drinken. 55. Gij zult drinken, zooals een
dorstige kameel drinkt. 56. Dit zal hunne uitspanning op den dag des
oordeels zijn. 57. Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven,
dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij? 58. Het zaad
dat gij uitwerpt. 59. Schept gij dat, of zijn wij er de schepper
van? 60. Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin
door niemand worden belet. 61. Wij zijn in staat anderen, gelijk gij
in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of
den vorm, dien gij niet kent. 62. Gij kent de schepping; wilt gij
dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen
voortbrengen? 63. Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait. 64. Doet
gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten? 65. Indien het ons
behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat
gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende: 66. Waarlijk,
wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid, maar het
is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten. 67. Wat
denkt gij? Het water dat gij drinkt. 68. Zendt gij dat uit de wolken
neder, of zenden wij het? 69. Indien het ons behaagde, zouden wij het
brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen? 70. Wat denkt
gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt, brengt gij den boom
voort, waardoor gij dat doet ontstaan? [2096]. 71. Of brengen wij
dien voort? 72. Wij hebben dit als eene vermaning bevolen [2097] en
tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen. 73. Prijst
dus den naam van uwen Heer, den grooten God. 74. Ik zweer echter,
bij het ondergaan der sterren. 75. (En waarlijk, dit is een groote
eed, indien gij het slechts wist!) 76. Dat dit de uitmuntende
Koran is. 77. Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek
is geschreven. 78. Niemand zal het aanraken, behalve zij, die
rein zijn [2098]. 79. Het is eene openbaring van den Heer van alle
schepselen. 80. Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten? 81. En
is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt,
dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn? 82. Als de
ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt. 83. En gij op
hetzelfde oogenblik rond ziet. 84. (En wij zijn hem nader dan gij;
maar gij ziet zijn waren toestand niet). 85. Zoudt gij dan niet,
indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden. 86. Die
in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt
[2099]? 87. En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen
naderen [2100]. 88. Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van
vermaak. 89. En behoort hij tot de makkers der rechterhand. 90. Dan
zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de
makkers der rechterhand, zijne broeders. 91. Of, indien hij tot hen
behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. 92. En
afgedwaald zijn. 93. Zijn voedsel zal kokend water wezen. 94. En
de verbranding door het hellevuur. 95. Waarlijk, dit is een zekere
waarheid. 96. Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
HET IJZER [2101].
Geopenbaard te Mekka of te Medina [2102]--29 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.