[1985]. 2. Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde [1986]
moge vergeven [1987], en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en
u richten op den rechten weg. 3. En dat God u ondersteune met eene
machtige hulp. 4. Hij is het die in de harten der ware geloovigen
volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen
boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn
Godes, en God is alwetend en wijs). 5. Dat hij de ware geloovigen
van beiderlei kunne in tuinen leide, waardoor rivieren stroomen, om
daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte
daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen. 6. Hij zal
de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de
afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van
God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig
omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed
gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen. 7. Aan God behooren de
heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs. 8. Waarlijk,
wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede
tijdingen en aankondiger van bedreigingen. 9. Opdat gij, o menschen! in
God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen,
en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt. 10. Waarlijk, zij
die valsch zweren [1988] onder u, zweren valsch bij God, en de hand
van God rust op hunne handen [1989]. Hij die zijn eed zal schenden,
zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij
die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem
eene heerlijke belooning schenken. 11. De Arabieren van de woestijn,
die achtergelaten [1990] werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen
en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met
u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken
datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord:
Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God
te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het
hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is
wel bekend met hetgeen gij doet. 12. Waarlijk, gij hebt u verbeeld,
dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden
terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij
zijt een verdorven volk. 13. Zij die in God en zijn gezant gelooven,
weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed
gemaakt. 14. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hij
schenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn
welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig. 15. Zij
die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit
te halen [1991], sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord
te veranderen [1992]. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God
vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel
van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand. 16. Zeg
tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult
tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij
zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij
gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien
gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met
eene gestrenge kastijding straffen. 17. Het zal geene misdaad voor
den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het
eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken;
en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen
geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal
door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden. 18. God was
den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder
den boom [1993], en hij kende datgene, wat in hunne harten was;
daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloonde
hij hen met eene spoedige overwinning [1994]. 19. En den grooten
buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs. 20. God
beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf
u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug
[1995], opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om
u op den rechten weg te leiden. 21. Hij beloofde u ook anderen buit,
dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien
voor u ingesloten; en God is almachtig. 22. Indien de ongeloovige
bewoners van Mekka tegen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden
u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner
gevonden hebben. 23. Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger
op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want
gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden. 24. Hij was het
die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de
vallei van Mekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken
[1996]; en God zag hetgeen gij deedt. 25. Zij die niet gelooven,
verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende
van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het
geofferd moest worden [1997]. Ware het niet, dat gij verscheiden ware
geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met
de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad
ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist,
dan zou hij uwe handen van hen niet hebben afgehouden; maar dit
geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou
kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest,
zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd
hebben. 26. Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede,
de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet
en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht
vast in hen [1998], en zij waren de waardigsten van hen, en zij
die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen. 27. Thans
heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt
[1999], zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den
heiligen tempel van Mekka met volkomen zekerheid binnentreden; met
geschoren hoofden en gesneden haren [2000]: gij zult niet vreezen;
want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene
spoedige overwinning toegezegd [2001]. 28. Hij is het, die zijnen
gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden,
om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor
een toereikende getuige. 29. Mahomet is Gods gezant; en zij die met
hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig
omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende,
eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne
teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne
herhaalde nederbuigingen [2002]. Dit is hunne beschrijving in den
Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad,
dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar;
zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems
beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld
zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen,
vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.
NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE BINNEN-VERTREKKEN
Geopenbaard te Medina--18 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet
vooruit [2003], en vreest God; want God hoort en weet alles. 2. O
ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den
profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder
elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat
gij het bemerkt. 3. Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de
tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte
God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime
belooning erlangen. 4. Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken
om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien
zij u verplicht zijn. 5. Indien zij met geduld wachten, totdat gij
onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar
God is vergevensgezind en barmhartig. 6. O ware geloovigen! Indien
een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig
onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door
onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om
hetgeen gij hebt gedaan [2004]. 7. Weet, dat Gods profeet onder u
is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk
schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar
God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in
uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en
ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die
den rechten weg bewandelen. 8. Door barmhartigheid van God en genade
en God is alwetend en wijs. 9. Indien twee partijen der geloovigen
met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een
den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij,
die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften
terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen
met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen
die rechtvaardig handelen. 10. Inderdaad, de ware geloovigen zijn
broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade
moogt verwerven. 11. O ware geloovigen! laat de menschen geene andere
menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven
zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen,
die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet,
en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is
het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd,
en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners [2005]. 12. O ware
geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige
verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet te nieuwsgierig de
feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid,
kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden
broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest
dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig. 13. O
menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk
wezen geschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld,
opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in
Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend. 14. De Arabieren
van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt
niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd [2006]; want het geloof
is uwe harten nog niet binnengetreden [2007]. Indien gij God en zijn
gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken
berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig. 15. Waarlijk, de
ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven
en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor
de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die
oprechtelijk spreken. 16. Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst
inlichten [2008]? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op
aarde bevindt; want God is alwetend. 17. Zij verwijten u (als een
weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij
niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten,
dat hij u naar de waarheid heeft gericht [2009]. Erkent dit, indien
gij oprechtelijk spreekt. 18. Waarlijk, God kent de geheimen van
hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.
VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
K.
Geopenbaard te Mekka.--45 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Kaf [2010] Bij den glorierijken Koran; 2. Waarlijk, gij verwondert
u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de
ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak. 3. Nadat wij dood
en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit
is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer. 4. Nu weten wij
wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons
daarvan onderricht. 5. Maar zij beladen de waarheid met leugen,
nadat de eerste tot hen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde
zaak gestort [2011] 6. Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en
overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat
daarin geene gebreken zijn? 7. Wij hebben ook de aarde uitgespreid,
en daarop vastgewortelde bergen geworpen [2012], en wij doen elke
schoone soort van planten daarop voortspruiten. 8. Als een onderwerp
ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot
ons wendt. 9. En wij zenden den regen als eene zegening van den
hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan
dat men oogst. 10. En de rijzige palmboomen met takken vol dadels,
die boven elkander hangen. 11. Als een voorraad voor den mensch. Wij
verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden
uit hunne graven wezen. 12. Het volk van Noach, en zij die te Al Rass
[2013] woonden, en Thamoed en Ad en Pharao beschuldigden de profeten
van bedrog voor de bewoners van Mekka. 13. Alsmede de broeders van
Loth en de bewoners van het woud nabij Midian en het volk van Tobba
[2014]; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden
de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd. 14. Is
onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn,
omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking
der dooden. 15. Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel
hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader. 16. Als
de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van
het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de
rechter- en de andere aan de linkerhand zit. 17. Uit hij niet een
woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven
[2015]. 18. En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen:
dat is, o mensch! wat gij getracht hebt te ontgaan. 19. En de trompet
zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd. 20. En
iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige
zijn. 21. En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart
vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van
u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden. 22. En
zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te
worden. 23. En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder
verdorven mensch in de hel. 24. En iedereen die het goede verbood,
en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof; 25. Die een
anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge
marteling ondergaan. 26. Zijn makker [2016] zal zeggen: O Heer! ik
heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling
[2017]. 27. God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid,
nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor
u ziet gereed gemaakt. 28. Het vonnis is niet bij mij veranderd;
even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig. 29. Op dien
dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden:
Moet er nog iets bijgevoegd worden [2018]? 30. En het paradijs zal den
vromen nader gebracht worden. 31. En men zal tot hen zeggen: Dat is
wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne
bevelen volgde; 32. Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een
bekeerd hart tot hem kwam. 33. Treedt hier in vrede binnen; dit is de
dag der eeuwigheid. 34. Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren,
en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid
met ons zijn. 35. Hoevele geslachten hebben wij vÛÛr de bewoners van
Mekka verdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom
door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne
wraak is. 36. Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een
hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig
gemoed aanwezig is. 37. Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles
wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons
[2019]. 38. Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den
lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang. 39. Prijs
hem in een gedeelte van den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen
der vereering [2020]. 40. Luister naar den dag, waarop de uitroeper de
menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen
[2021]. 41. De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen
hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen
voortkomen. 42. Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle
schepselen terugkeeren. 43. De dag, waarop de aarde plotseling zal
worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk
voor ons, hen te verzamelen. 44. Wij weten wel, wat de ongeloovigen
zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof
te dwingen. 45. Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging
vreest.
EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VERSPREIDING.
Geopenbaard te Mekka--60 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Bij de winden, die het stof verspreiden [2022] en verstrooien. 2. En
bij de wolken, die een last van regen dragen [2023]; 3. Bij de
schepen, die de zee snel doorklieven [2024]. 4. En bij de engelen,
die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen
[2025] 5. Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is
zekerlijk waar, 6. En het laatste oordeel zal gewis komen. 7. Bij
den hemel met paden voorzien [2026]. 8. Gij verschilt zeer in
hetgeen gij zegt [2027]. 9. Men zal zich afwenden van dengeen,
die van het ware geloof is afgekeerd! 10. Vervloekt mogen de
leugenaars zijn. 11. Die in diepe wateren van onwetendheid waden,
terwijl zij hun heil verwaarloozen. 12. Zij vragen: Wanneer zal de
dag des oordeels komen? 13. Op dien dag zullen zij in het hellevuur
verbrand worden. 14. En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf;
dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden. 15. Maar
de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen. 16. Datgene
ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vÛÛr dezen dag
rechtvaardigen waren. 17. Zij slapen slechts gedurende een klein
gedeelte van den nacht [2028]. 18. En vroeg in den ochtend vragen zij
vergiffenis van God. 19. Een voegzaam deel van hunne welvaart werd
hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden
werd te vragen. 20. Er zijn teekenen van goddelijke macht en
goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip. 21. Ook
in u zelven: zult gij dus niet overwegen? 22. Uw onderhoud is
in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd
[2029]. 23. Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat
dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf
zegt [2030]. 24. Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten
[2031] niet tot uwe kennis gekomen? 25. Toen zij tot hem ingingen
en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende:
Dit zijn onbekende menschen. 26. En hij ging heimelijk tot zijn
gezin, en bracht een gemest kalf. 27. Hij zette het voor hen
neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij:
Eet gij niet? 28. En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij
zeiden: Vrees niet [2032], en zij verklaarden hem de belofte van
een wijzen zoon. 29. Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil,
sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en
onvruchtbaar! 30. De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk,
hij is de Wijze, de Alwetende. 31. En Abraham zeide tot hen: wat is
dus uwe boodschap, o gezanten van God? 32. Zij antwoordden: waarlijk,
wij worden tot een zondig volk gezonden. 33. Opdat wij steenen van
gebakken klei op hen zouden nederzenden. 34. Gemerkt door uwen Heer,
ter verdelging der zondaren. 35. En wij telden de ware geloovigen,
die in de stad waren. 36. Maar wij vonden niet meer, dan ÈÈn gezin
van Moslems. 37. Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar,
voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen. 38. In Mozes
was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao
zond. 39. Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze
man is een toovenaar of een bezetene. 40. Daarom grepen wij hem en
zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te
worden. 41. En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een
verwoestenden wind tegen hen zonden [2033]. 42. Die niets aanraakte,
waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp,
en maakte het tot stof. 43. In Thamoed was eveneens een teeken
toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd
[2034]. 44. Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer,
waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij
daarheen blikten. 45. Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan,
evenmin als zij zich van de verdediging konden redden [2035]. 46. En
het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk,
dat vreeselijk zondigde. 47. Wij hebben den hemel met macht gebouwd,
en dien eene groote uitgebreidheid gegeven. 48. Wij hebben de aarde
daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan. 49. En
van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen [2036], opdat
gij wellicht zoudt overwegen. 50. Vlucht dus tot God; waarlijk,
ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u. 51. Aanbidt geene
andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn
naam. 52. Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers
of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene. 53. Hebben
zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij
zondigen vreeselijk. 54. Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van
blaam zijn, indien gij aldus handelt. 55. Maar ga voort met vermanen;
want vermaning is den waren geloovigen van voordeel. 56. Ik heb de
geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij
mij zouden dienen. 57. Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin
verlang ik, dat zij mij zullen voeden. 58. Waarlijk, God is degene, die
alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit. 59. Aan
hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk
aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben
gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde. 60. Wee
dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd!
TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE BERG.
Geopenbaard te Mekka.--49 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ik zweer bij den berg SinaÔ. 2. En bij het boek, geschreven
3. Op eene afgewikkelde rol [2037]. 4. En bij het bezochte huis
[2038], 5. En bij het verheven dak des hemels. 6. En bij den
zwellenden oceaan. 7. Waarlijk de straf van uwen Heer zal zekerlijk
nederdalen. 8. Niemand zal haar kunnen terughouden. 9. Op dien
dag zullen de hemelen schudden en waggelen. 10. En de bergen zullen
wandelen en weggaan. 11. En wee op dien dag over hen, die Gods gezanten
van bedrog beschuldigen. 12. Die zich vermaken door zich in ijdele
twisten te mengen. 13. Op dien dag zullen zij naar het hellevuur
gedreven en er in geworpen worden. 14. En men zal tot hen zeggen:
Dit is het vuur, dat gij als een verdichtsel hebt geloochend. 15. Is
dit eene beguichelende verbeelding? Of ziet gij niet? 16. Treedt
er binnen, om verschroeid te worden. Hetzij gij uwe marteling
geduldig of ongeduldig verdraagt, het zal voor u gelijk wezen:
gij zult zekerlijk de vergelding ontvangen, van hetgeen gij hebt
verricht. 17. Maar de vromen zullen te midden van tuinen en vermaken
wonen. 18. Zich verlustigende, in hetgeen hun Heer hun zal hebben
gegeven; en hun Heer zal hen van de pijnen der hel bevrijden. 19. En
men zal tot hen zeggen: Verzadigt u met de zegeningen, welke u zijn
aangeboden, wegens hetgeen gij hebt verricht. 20. Leunende op in orde
geschikte zetels. Wij zullen hen maagden met groote, zwarte oogen
doen huwen. 21. En bij hen, die gelooven, en wier nakomelingschap
hen in het geloof volgt, zullen wij hunne nakomelingschap in het
paradijs voegen. Wij zullen niets van de verdienste hunner werken
verminderen. (Ieder mensch strekt tot gijzelaar, voor hetgeen hij zal
hebben verricht) [2039]. 22. En wij zullen hun vruchten in overvloed
geven, en vleesch van de soorten welke zij zullen begeeren. 23. Daar
zulllen zij elkander een beker aanbieden, waardoor geen ijdel gesprek,
of zonde zal worden uitgelokt. 24. En kinderen, aangewezen om hem
te bedienen, zullen rondgaan, schoon als paarlen in hare schelpen
verborgen. 25. En zij zullen elkander naderen en wederkeerig vragen
doen. 26. En zij zullen zeggen: Waarlijk wij verkeerden vroeger,
te midden van ons gezin, in groote vrees, nopens onzen staat na
den dood. 27. Maar God is ons genadig geweest, en heeft ons van de
pijn van het brandende vuur verlost. 28. Wij riepen hem vroeger aan,
en hij is goed en barmhartig. 29. Derhalve, o profeet! vermaan gij
uw volk. Gij zijt door de genade van uwen Heer noch een waarzegger,
noch een bezetene. 30. Zeggen zij: Hij is een dichter; wij verwachten,
dat hij door een of anderen tegenspoed zal worden getroffen. 31. Zeg:
Wacht gij mijn ongeluk? Waarlijk, ik wacht, met u, den tijd uwer
verdelging [2040]. 32. Doet hun onontwikkeld verstand hun dit zeggen,
of zijn zij verdorven zondaren? 33. Zeggen zij: Hij heeft den Koran
verzonnen? Waarlijk, zij gelooven niet. 34. Laat hen een gesprek
toonen gelijk dit, indien zij de waarheid spreken. 35. Werden zij door
niets geschapen, of waren zij hunne eigene scheppers? 36. Schiepen
zij de hemelen en de aarde? Waarlijk, zij zijn niet vast overtuigd,
dat God hen heeft geschapen [2041]. 37. Zijn de schatten van hunnen
Heer in hunne handen? Zijn zij de opperste uitdeelers van alle
dingen? 38. Hebben zij eene ladder, waardoor zij naar den hemel kunnen
opstijgen, en de gesprekken der engelen hooren? Laat dus een, die deze
heeft gehoord, een duidelijk bewijs daarvoor aanwijzen. 39. Heeft God
dochters en hebt gij zonen [2042]? 40. Vraagt gij hun eene belooning
voor uwe prediking? Maar zij zijn met schulden beladen. 41. Zijn
de geheimen der toekomst hun bekend, en schrijven zij die van de
tafel van Gods besluiten over? 42. Trachten zij u een valstrik te
spannen? Maar de ongeloovigen zijn het, die verschalkt zullen worden
[2043]. 43. Hebben zij een god buiten God? God zij verre verheven
boven de afgoden, welke zij met Hem vereenigen! 44. Indien zij een
deel van den hemel op zich zagen nedervallen. Zouden zij zeggen:
het is slechts eene dikke wolk [2044]. 45. Daarom verlaat hen,
tot zij aan hunnen dag zullen zijn gekomen, waarop zij, uit vrees,
in zwijm zullen vallen [2045]. 46. Een dag, waarop hunne doortrapte
verzinsels hun volstrekt niet zullen baten en zij niet ondersteund
zullen worden. 47. En zij, die onrechtvaardig handelen, zullen
zekerlijk eene andere straf buiten deze ondergaan [2046]; maar het
meerendeel hunner begrijpt niet. 48. Wacht geduldig het oordeel van
uwen Heer nopens hen af; want gij zijt onder onze oogen. Verkondig
den lof van uwen Heer als gij opstaat. 49. En prijs hem des nachts
en als de sterren beginnen te verdwijnen.
DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
DE STER.
Geopenbaard te Mekka.--62 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.