1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen, den wijzen

God. 2. Waarlijk, zoo wel in den hemel als op de aarde zijn teekenen

van de goddelijke macht voor de ware geloovigen. 3. En in de schepping

van u zelven, en de dieren, over de aarde verspreid, zijn teekenen voor

hen, die juist oordeelen. 4. In de wisselvalligheid van nacht en dag,

en den regen, dien God van den hemel nederzendt, waarmede hij de aarde

verkwikt, nadat die dood was, en in de verandering der winden zijn

mede teekenen voor hen die begrijpen. 5. Dit zijn de teekenen van God;

wij herinneren u daaraan met waarheid. In welke openbaring zult gij dus

gelooven, nadat gij God en zijne teekenen hebt verworpen? 6. Wee over

iederen leugenachtigen en goddeloozen persoon. 7. Die de teekens van

God hoort, welke hem worden voorgelezen, en daarna trotsch in zijne

ongetrouwdheid blijft volharden, al hoorde hij die niet! Bedreig

hem met eene pijnlijke straf. 8. En degeen, welke, als hij tot de

kennis van een onzer teekenen komt, die met spot ontvangt; voor dezen

is eene schandelijke straf gereed gemaakt. 9. VÛÛr hen ligt de hel,

en wat zij ook zullen gewonnen hebben, zal hun volstrekt niet baten;

noch de afgoden welke zij, naast God, tot hunne schutsgeesten hebben

genomen; en zij zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 10. Dit is de

ware leiding; en voor hen, die niet aan de teekenen van God gelooven,

is de straf eener pijnlijke marteling gereed gemaakt. 11. Het is God,

die de zee aan u heeft onderworpen, ten einde de schepen daarop zouden

mogen zeilen, op zijn bevel, en dat gij door den handel voordeelen

zoudt trachten te behalen van zijne mildheid, en dat gij dankbaar

zoudt zijn. 12. Hij verplicht alles wat in den hemel en op aarde is,

u te dienen; het geheel behoort hem. Waarlijk, hierin zijn teekenen

voor hen die overwegen. 13. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij

degenen vergiffenis schenken, die niet hopen op de dagen van God

[1953], ingesteld, opdat hij de menschen beloone, overeenkomstig

hetgeen zij zullen verricht hebben. 14. Hij, die doet wat recht is,

doet dat ten voordeele van zijne eigene ziel, en wie kwaad doet, doet

het daartegen; hierna zult gij tot uwen Heer terugkeeren. 15. Wij gaven

den kinderen IsraÎls het boek der wet, de wijsheid en de profetie,

en wij voedden hen met goede dingen en verkozen hen boven alle

natiÎn. 16. Wij gaven hun volkomene bevelen nopens de zaak van den

godsdienst; en zij vervielen niet tot verschil, dan nadat de kennis

tot hen was gekomen, en wel door wederzijdsche afgunst. Maar op den

dag der opstanding zal God hunnen twist beslechten, nopens datgene,

waaromtrent zij verschillen. 17. Later wezen wij u, o Mahomet! aan,

om eene wet te verkondigen, nopens de zaak van den godsdienst;

volg die dus, en volg niet de begeerten van hen, die onwetend zijn

[1954]. 18. Waarlijk, zij zullen u volstrekt niet baten tegen

God. De onrechtvaardigen zijn elkanders beschermers, maar God is

de beschermer der godvruchtigen. 19. Deze Koran geeft den mensch

duidelijke voorschriften, en is eene leiding en eene genade voor

hen, die rechtvaardig oordeelen. 20. Verbeelden de bedrijvers van

onrechtvaardigheid zich, dat wij met hen zullen handelen, zooals

met degenen, die gelooven en goede werken doen; zoodat hun leven en

hun dood gelijk zullen wezen? Zij oordeelen slecht. 21. God heeft de

hemelen en de aarde in waarheid geschapen; hij zal iedereen beloonen,

overeenkomstig hetgene hij zal verricht hebben; en zij zullen niet

onrechtvaardig behandeld worden. 22. Wat denkt gij? Hij, die zijne

eigene lust boven God verkiest, en dien God voorbedachtelijk heeft

doen dwalen, en wiens ooren en wiens hart hij heeft dichtgezegeld, en

over wiens oogen hij een sluier heeft geworpen, wie zal dien richten,

nadat God hem aan zijn lot zal hebben overgelaten? 23. Zij zeggen:

er is geen ander leven, buiten ons tegenwoordig leven. Wij sterven en

wij leven, en niets dan de tijd vernietigt ons. Maar zij hebben geene

kennis van deze zaak; zij volgen slechts eene ijdele meening. 24. En

als hun onze duidelijke teekenen worden herinnerd, kunnen zij geen

ander bewijsmiddel daartegen aanvoeren, dan dat zij zeggen: Breng onze

vaders, die dood zijn, tot het leven terug, indien gij de waarheid

spreekt. 25. Zeg: God gaf u leven en deed u daarna sterven; hierna

zal hij u op den dag der opstanding bijeenverzamelen; daaraan is geen

twijfel; maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet. 26. Aan

God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; en den dag waarop het

uur zal worden bepaald, zullen degenen te gronde gaan, die den Koran

van ijdelheid beschuldigen. 27. En gij zult ieder volk geknield

zien [1955]. Ieder volk zal voor zijn boek van rekenschap worden

geroepen, en men zal tot hem zeggen: Dezen dag zult gij beloond worden,

overeenkomstig datgene wat gij hebt verricht. 28. Dit ons boek zal met

waarheid nopens u spreken; daarin hebben wij alles nedergeschreven,

wat gij hebt gedaan. 29. Wat hen betreft, die geloofd en goede werken

verricht zullen hebben, hun Heer zal hen in zijne genade omvatten:

dit zal duidelijke gelukzaligheid zijn. 30. Wat echter de ongeloovigen

betreft, tot hen zal gezegd worden: Werden u niet mijne teekenen

herinnerd? maar gij verwierpt die trotsch en werdt zondaren! 31. En

toen tot u werd gezegd: Waarlijk, de belofte van God was waar; en wat

het uur des oordeels betreft, dit is ontwijfelbaar, antwoorddet gij:

Wij weten niet wat het uur des oordeels is; wij hebben slechts eene

onzekere meening, en wij hebben daaromtrent geene zekerheid. 32. Maar

op dien dag zal het kwade van hetgeen zij zullen hebben verricht,

voor hen verschijnen, en datgene, waarom zij hebben gespot, zal

hen overal omringen. 33. Er zal dan tot hen worden gezegd: Dezen

dag zullen wij u vergeten, gelijk gij de ontmoeting van dezen uwen

dag hebt vergeten; het hellevuur zal het verblijf zijn, en gij zult

niemand hebben om u te bevrijden. 34. Dit zult gij ondergaan, dewijl

gij de teekenen van God tot onderwerp van uwen spot hebt gemaakt, en

het leven der wereld heeft u misleid. Daarom zullen zij op dien dag

niet worden weggenomen om weder op aarde te verschijnen, en er zal

hun niets meer gevraagd worden, waardoor zij Gods welbehagen op zich

zouden kunnen vestigen. 35. Geloofd zij dus God, de Heer der hemelen,

en de Heer der aarde, de Heer van alle schepselen. 36. En glorie aan

hem in den hemel en op aarde; want hij is de machtige, de wijze God.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

ALAHKAF [1956].

Geopenbaard te Mekka.--35 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. De openbaring van dit boek is van den machtigen den

wijzen God. 2. Wij hebben de hemelen, de aarde, en alles wat daar

tusschen is, niet anders geschapen dan in waarheid [1957], en voor

een bepaald tijdperk [1958] maar de ongeloovigen wenden zich af van de

waarschuwing, welke hun is gegeven. 3. Zeg: wat denkt gij? Toont mij,

welk deel der aarde geschapen is door de afgoden, welke gij aanbidt? Of

hadden zij eenig aandeel in de schepping der hemelen? Brengt mij een

boek, dat vÛÛr dit boek werd geopenbaard, of slechts de sporen der

wetenschap die dit aantoonen, en indien gij menschen van waarheid

zijt. 4. Wie verkeert in eene grootere dwaling dan hij, die naast

God datgeene aanbidt, wat hem, tot op den dag der opstanding, geen

antwoord kan geven, en afgoden, die er geen acht opslaan, dat zij

worden aangeroepen. 5. Die, als de menschen bij elkander verzameld

zullen zijn, om geoordeeld te worden, hunne vijanden worden, en hunne

aanbidding ondankbaar loochenen zullen? 6. Als hun onze duidelijke

teekens worden herinnerd zeggen de ongeloovigen van de waarheid [1959],

als die tot hen komt: Dit is een duidelijk tooverstuk. 7. Zullen

zij zeggen: Mahomet heeft het (den Koran) uitgedacht? Antwoord:

indien ik het heb versierd, waarlijk, dan zult gij geenerlei gunst

voor mij van God verkrijgen. Doch hij kent de beleedigende taal,

welke gij daaromtrent uitspreekt. Hij is een toereikende getuige

tusschen mij en u, en hij is barmhartig en genadig. 8. Zeg: ik ben

niet alleen onder de gezanten [1960]; ik weet niet wat met mij, of

met u, hiernamaals zal worden gedaan; ik volg niets dan hetgeen mij is

geopenbaard (ik ben niets meer dan een openbaar waarschuwer). 9. Zeg:

Wat is uwe meening? Indien dit boek van God is, en gij daarin niet

gelooft, en een getuige uit de kinderen IsraÎls legt de getuigenis

af van zijne overeenstemming met de wet [1961] en gelooft daarin,

terwijl gij het daarentegen trotschelijk verwerpt; zijt gij dan geene

zondaars? waarlijk God leidt den onrechtvaardige niet. 10. Maar zij die

niet gelooven, zeggen van de ware geloovigen: Indien de leer van den

Koran goed ware geweest, hadden zij die niet vroeger dan wij omhelsd

[1962]. En als zij daardoor niet geleid worden, zeggen zij: Dit is

eene overoude leugen. 11. Het boek van Mozes werd vÛÛr den Koran

geopenbaard, om een gids en een bewijs van Gods genade te wezen;

en dit is een boek, waardoor het boek, van Mozes wordt bevestigd,

en dat in de Arabische taal is gegeven, om hen die onrechtvaardig

handelen, bedreigingen aan te kondigen, en om goede tijdingen tot de

rechtvaardigen te brengen. 12. Wat hun betreft die zeggen: Onze Heer

is God, en die zich oprecht gedragen, hen zal geen vrees bereiken, en

zij zullen niet bedroefd worden. 13. Deze zullen de bewoners van het

paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven, ter belooning voor

hetgeen zij gedaan zullen hebben. 14. Wij hebben den mensch geboden,

zijne ouders goed te behandelen; zijne moeder baarde hem uit hare

lendenen met pijn, en bracht hem met pijn voort; en de tijdruimte der

zwangerschap en de zoging tot aan zijne spening, is dertig maanden. Hij

bereikt den ouderdom van zijne sterkte, en den ouderdom van veertig

jaren en zegt: [1963]. O Heer! spoor mij aan door uwe ingeving opdat

ik dankbaar moge zijn voor uwe gunsten, waarmede gij mij en mijne

ouders hebt begiftigd, en dat ik rechtvaardigheid mogen uitoefenen,

naar uw welbehagen, en wees mij en mijne nakomelingschap genadig;

want ik ben tot u gewend en ik ben een Moslem. 15. Dit zijn zij,

van welke wij de goede werken aannemen, welke zij hebben verricht,

en wier slechte daden wij voorbij gaan; en zij zullen onder de

bewoners van het paradijs zijn: Dit is eene ware belofte, welke in

deze wereld is gedaan. 16. Hij die tot zijne ouders zegt: Foei! gij

belooft mij, dat ik uit het graf opgeroepen en weder levend worden

zal, nadat verscheiden geslachten voor mij voorbijgegaan zijn, en

niemand van hen is teruggekeerd [1964]. Zijne ouders zullen Gods

bijstand voor hem inroepen en tot hunnen zoon zeggen: Wee u! Geloof;

want de belofte van God is waarheid. Maar hij zal antwoorden: Dit zijn

slechts dwaze fabelen der ouden. 17. Dit zal een zijn dergenen, wier

vonnis reeds op de volkeren van geniussen en menschen, die vÛÛr hen

waren, rechtvaardig is toegepast. Zij zullen zekerlijk te gronde gaan

[1965]. 18. Voor ieder is een zekere graad van geluk of ellende gereed

gemaakt, overeenkomstig hetgeen zij verricht zullen hebben, opdat God

hen voor hunne werken moge beloonen, en zij niet onrechtvaardig worden

behandeld. 19. Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen voor het

hellevuur geplaatst worden, en men zal tot hen zeggen: Gij ontvingt uwe

goede dingen, gedurende den tijd uws levens, terwijl gij in de wereld

waart; gij hebt die verkwist en hebt u gehaast die te genieten; daarom

zult gij op dezen dag met de straf der schande worden vergolden, omdat

gij u onbeschaamd op de aarde hebt gedragen, zonder rechtvaardigheid

en omdat gij gezondigd hebt. 20. Gedenk den broeder van Ad [1966],

toen hij in Alahkaf tot zijn volk predikte, waar voor hem en na hem

predikers waren, zeggende: Vereert niemand buiten God; waarlijk,

ik vrees voor u de straf van den grooten dag. 21. Zij antwoordden:

Zijt gij tot ons gekomen, om ons van de vereering onzer goden af te

wenden? Breng ons thans de straf, waarmede gij ons bedreigt, indien

gij een waarachtig mensch zijt. 22. Hij zeide: Waarlijk, de kennis

van den tijd, wanneer u uwe straf zal worden opgelegd, is met God,

en ik verklaar u slechts datgene, waartoe ik gezonden ben om het u te

prediken; maar ik zie, gij zijt een onwetend volk. 23. En toen zij de

voorbereiding zagen, die voor hunne straf werd gemaakt, namelijk eene

wolk die de lucht doortrok, en naar hunne valleien dreef, zeiden zij:

Dit is eene doortrekkende wolk, die ons regen brengt. Hoed antwoordde:

Neen, het is datgene waarvan gij verlangd hebt, dat het verhaast

zou worden; een wind, waarin eene gestrenge wraak is. 24. Deze zal,

op het bevel van den Heer, alles verwoesten [1967]. En des ochtends

was er niets te zien, behalve hunne ledige woningen. Zoo vergelden

wij de zondaren. 25. Wij hebben hen in denzelfden, gelukkigen staat

als u geplaatst, o bewoners van Mekka! en wij hebben hun ooren,

oogen en harten gegeven; maar noch hunne ooren, noch hunne oogen,

noch hunne harten, die hun van eenig voordeel waren, toen zij

de teekenen van God verwierpen; maar de wraak welke zij hadden

bespot, kwam op hen neder. 26. Wij verwoestten vroeger de steden,

die rondom u waren [1968]; en wij stelden haar onze teekenen op

verschillende wijzen voor, opdat zij berouw zouden hebben. 27. Waarom

ondersteunden haar niet degenen, welke zij als goden namen naast

God, en met welker toegenegenheid zij waanden vereerd te zijn? Neen,

zij onttrokken zich aan hunne blikken. Maar het was hunne valsche

meening, die hen verleidde, en de godslastering, welke zij hadden

uitgedacht. 28. Gedenk, toen wij zekere geniussen [1969] zich tot

u deden wenden, opdat zij de Koran zouden hooren; en toen zij bij

de lezing daarvan tegenwoordig waren, zeiden zij tot elkander:

Geef gehoor, en toen het geÎindigd was, keerden zij tot hun volk

terug, predikende wat zij gehoord hadden. 29. Zij zeiden: Ons

volk! waarlijk, wij hebben een boek hooren voorlezen, dat in den

tijd van Mozes werd geopenbaard [1970], bevestigende de schrift

die te voren werd gegeven, en leidende tot de waarheid en den

rechten weg. 30. Ons volk! gehoorzaam Gods prediker, en geloof in

hem, opdat hij u uwe zonden vergeve, en u van eene pijnlijke straf

moge bevrijden. 31. En hij, die Gods prediker niet gelooft, zal op

geenerlei wijze Gods wraak op aarde verijdelen: nooit zal hij eenigen

beschermer buiten hem hebben. Deze zullen in eene duidelijke dwaling

verkeeren. 32. Weten zij niet dat God, die de hemelen en de aarde

heeft geschapen, en door de schepping daarvan niet vermoeid werd,

in staat is den doode tot het leven op te wekken? Ja, waarlijk; want

hij is almachtig. 33. Op een zekeren dag zullen de ongeloovigen aan

het hellevuur worden blootgesteld, en er zal tot hen worden gezegd:

Is dit niet werkelijk gebeurd? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen

Heer. God zal antwoorden: Proeft dus de straf der hel, omdat gij

ongeloovigen waart. 34. Verdraag, o profeet! de beleedigingen van

uw volk met geduld, gelijk onze gezanten, die met standvastigheid

waren begaafd, de beleedigingen van hun volk hebben verdragen, en

eisch niet, dat hunne straf voor hun worde verhaast. 35. Op den dag,

waarop zij de straf zullen zien, waarmede zij bedreigd zijn geworden,

zal het hun toeschijnen, als waren zij slechts een uur van een dag in

de wereld (of in de graven) gebleven. Dit is eene waarschuwing. Wie

zal dan te gronde gaan, buiten de zondaren?

ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

MAHOMET [1971].

Geopenbaard te Medina [1972]--40 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. God zal de daden van degenen zonder uitwerking doen zijn, die

niet gelooven, en de menschen van Gods weg afleiden. 2. Maar wat hen

betreft, die godvruchtig zijn, rechtvaardigheid uitoefenen, en de

openbaring gelooven, welke aan Mahomet werd nedergezonden (want het

is de waarheid van hunnen Heer), hij zal hen van hunne slechte daden

zuiveren, en hun hart ten goede neigen. 3. Dit zal hij doen, omdat

zij die gelooven, geene ijdelheid voeden, en omdat zij die gelooven,

de waarheid van hunnen Heer volgen. Zoo stelt God voorbeelden aan

de menschen voor: 4. Als gij de ongeloovigen ontmoet, slaat hun het

hoofd af, tot gij eene groote slachting onder hen hebt aangericht;

of bindt hen, opdat zij niet ontkomen. 5. Daarna zult gij hen in

vrijheid stellen, of hen teruggeven tegen een losprijs, tot de oorlog

zal geÎindigd zijn [1973]. Dit zult gij doen. Waarlijk, indien het Gode

behaagde, zou hij, zonder uwen bijstand, wraak op hen kunnen nemen,

maar hij beveelt u in zijne veldslagen te strijden, opdat hij den een

van u, door den ander zou kunnen beproeven. En wat hen betreft, die ter

verdediging van Gods waren godsdienst strijden, God zal hunne werken

niet doen verloren gaan. 6. Hij zal hen leiden en hun hart ten goede

neigen. 7. En hij zal hen in het paradijs voeren, waarvan hij hun heeft

verhaald. 8. O ware geloovigen! indien gij God ondersteunt, met voor

zijnen godsdienst te strijden, zal hij u tegen uwe vijanden bijstaan,

en uwen voet vast zetten. 9. Maar wat de ongeloovigen betreft, laat

hen te gronde gaan, en God zal hunne werken krachteloos maken. 10. Dit

zal hen overkomen, omdat zij met afschuw hebben verworpen, wat God

heeft geopenbaard; daarom zullen hunne werken niets baten. 11. Reizen

zij niet op de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen,

die vÛÛr hen waren? God verdelgde hen geheel, en dezelfde ramp wacht

de ongeloovigen. 12. Dit zal geschieden, dewijl God de beschermer

der ware geloovigen is, en omdat de ongeloovigen geen ondersteuner

hebben. 13. Waarlijk, God zal hen, die gelooven en goede werken doen,

binnenleiden in tuinen waardoor rivieren stroomen [1974]; maar laat

de ongeloovigen zwelgen in genot, en eten zooals de redelooze dieren

eten; hun verblijf zal het hellevuur wezen. 14. Hoevele steden waren

machtiger in sterkte dan uwe stad, die u heeft verdreven; maar wij

hebben haar uitgeroeid, en er was niemand om haar te helpen? 15. Zal

hij dus, die de geheele verklaring van zijn Heer volgt, behandeld

worden als hij, wiens slechte werken door den duivel voor hem

aanlokkend zijn gemaakt, en die zijne eigene lusten volgt? 16. Dit is

de beschrijving van het paradijs, dat den vromen is beloofd, daarin

zijn rivieren van water dat niet kan bederven, en rivieren van melk,

welker smaak nooit verandert, en rivieren van wijn, behaaglijk voor

hen, die er van drinken. 17. En rivieren van gezuiverden honing,

en daar zullen zij overvloed van alle soorten van vruchten hebben

en vergiffenis van hunnen Heer vinden. Zal de mensch voor wien deze

dingen zijn toebereid, evenals hij wezen, die voor altijd in het

hellevuur moet wonen, en die met kokend water zal gelescht worden,

dat hem de ingewanden zal verscheuren? 18. Onder de ongeloovigen zijn

sommigen, die u gehoor verleenen, tot zij, als zij van u uitgaan,

al spottend tot degenen zeggen, aan wie kennis werd gegeven [1975];

Wat heeft hij thans gezegd? Dit zijn zij, wier harten door God zijn

verzegeld, en die hunne eigene lusten volgen. 19. Maar wat hen betreft,

die geleid worden, God zal hun een uitgebreider leiding schenken, en

hij zal hen onderrichten nopens datgene, wat zij te vermijden hebben

[1976]. 20. Wat wachten de ongeloovigen dan? Op het laatste uur? Dat

het plotseling op hen moge nederkomen! Sommige teekens daarvan zijn

reeds gekomen [1977], en als het hen werkelijk zal overvallen, hoe

kunnen zij dan eene waarschuwing ontvangen? 21. Weet dus, dat er

geen God buiten God is, en vraag vergiffenis voor uwe zonden [1978],

en voor de ware geloovigen, zoowel mannelijke als vrouwelijke. God

kent de zaken, welke gij in de wereld verricht, en uwe verblijfplaats

hiernamaals. 22. De ware geloovigen zeggen: Werd er niet eene Soera

geopenbaard, waarin de oorlog tegen de ongeloovigen wordt bevolen? Maar

als een Hoofdstuk zonder eenige dubbelzinnigheid is geopenbaard, en

de oorlog daarin is vermeld, zult gij hen, in wier hart een gebrek is

[1979], naar u zien blikken, met het gelaat van iemand, die door den

dood wordt overschaduwd. Maar gehoorzaamheid en datgene te spreken,

wat gepast is, zou verkieslijker voor hen wezen. 23. En als de zaak

(de oorlog) stellig besloten is, zal het beter voor hen zijn, dat zij

de verbintenis met God nakomen. 24. Zoudt gij dus gereed zijn geweest,

indien gij gemachtigd waart geworden, buitensporigheden op aarde te

bevrijden [1980] en de banden des bloeds te schenden? 25. Dit zijn

zij, die door God zijn gevloekt en doof gemaakt, en wier oogen hij

verblind heeft. 26, Overwegen zij dus den Koran niet aandachtig? Zijn

er sloten op hun hart? 27. Waarlijk, zij die hunne ruggen toewenden,

nadat hun de ware richting duidelijk gemaakt is, Satan zal hunne

zonden voor hen gereed maken en hun het gedrag voorschrijven,

en God zal hen eenigen tijd verdragen. 28. Dit zal hen overkomen,

omdat zij in het geheim zeggen tot hen, die het door God geopenbaarde

verachten: Wij zullen u in een gedeelte der zaak volgen [1981]. Maar

God kent hunne geheimen. 29. Hoe zal het dus met hen gesteld zijn,

als de engelen hen zullen doen sterven en op hunne aangezichten

en ruggen zullen slaan [1982]? 30. Dit zullen zij ondergaan, omdat

zij volgden wat Gods verontwaardiging opwekt, en afkeerig waren van

hetgeen hem behaagt; en hij zal hunne werken zonder vrucht doen zijn

[1983]. 31. Verbeelden zij zich, in wier harten een gebrek huist,

dat God hunne boosheid niet aan het licht zal brengen? 32. Indien het

ons behaagde, zouden wij u hen zekerlijk kunnen toonen, en gij zoudt

hen door hunne werken kennen; doch gij zult hen zekerlijk reeds door

de verwarde uitspraak hunner woorden onderscheiden. Maar God kent uwe

daden. 33. En wij zullen u beproeven, tot wij diegenen uwer kennen,

welke dapper voor den godsdienst strijden en volharden. Wij zullen uw

gedrag onderzoeken. 34. Waarlijk, zij die niet gelooven en de menschen

van Gods weg afleiden, en aan zijnen gezant weerstand bieden, nadat

hun de goddelijke leiding duidelijk gemaakt is, zullen God volstrekt

niet deren, maar hij zal hunne werken verloren doen gaan. 35. O ware

geloovigen! gehoorzaamt God, en gehoorzaamt den gezant; en vernietigt

de uitwerking uwer daden niet. 36. Waarlijk, hun, die niet gelooven,

en de menschen van Gods weg afleiden en daarna als ongeloovigen

sterven, zal God op geenerlei wijze vergeven. 37. Bezwijkt dus

niet en noodigt uwe vijanden niet tot vrede uit, terwijl gij de

bovenhand behoudt; want God is met u, en zal u de verdiensten uwer

werken niet ontrooven. 38. Waarlijk, dit leven is slechts een spel

en een ijdel vermaak; maar indien gij geloofd en God vreest, zal

hij u uwe belooning geven. Hij eischt uw geheel vermogen niet van

u. 39. Indien hij het geheel van u vorderde, en ernstig bij u zou

aandringen, zoudt gij vrekkig worden, en het zou uwen haat tegen

uw gezant opwekken. 40. Ziet, gij zijt diegenen, welke uitgenoodigd

zijn, een deel van uw vermogen voor de ondersteuning van Gods waar

geloof te besteden, en er zijn sommigen uwer die gierig zijn. Maar wie

vrekkig is zal dit nopens zijne eigene ziel wezen; want God is rijk,

maar gij zijt behoeftig, en indien gij u afwendt, zal hij een ander

volk in uwe plaats stellen, dat niet gelijk aan u zal wezen [1984].

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE OVERWINNING.

Geopenbaard te Medina--29 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 42 / 89 段