1. Ha. Mim. AÔn. Sin. Kap. Zoo openbaart de wijze God u zijnen wil,

en op dezelfde wijze openbaarde hij dien aan de profeten, die voor

u waren. 2. Aan hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is,

en hij is de verheven, de groote God. 3. Er is weinig toe noodig,

dat de hemelen door de ontzaglijkheid zijner majesteit, vaneen

worden gescheurd; de engelen verkondigen den lof van hunnen Heer,

en vragen vergiffenis voor hen, die op de aarde wonen. Is God niet

de Vergever van zonden, de Barmhartige? 4. Maar wat hen betreft, die

andere goden tot hunne beschermers nevens hem nemen, God slaat hunne

daden gade; want gij zijt geen opzichter over hen. 5. Zoo hebben wij

u een Arabischen Koran geopenbaard, opdat gij de stad Mekka zoudt

waarschuwen, en de Arabieren die er omheen wonen, en dat gij hen met

den dag der algemeene verzameling zoudt bedreigen, waaraan niet te

twijfelen valt. Een deel zal dan in het paradijs worden geplaatst en

een ander deel in de hel. 6. Indien het Gode had behaagd, zou hij hen

allen ÈÈnen godsdienst hebben doen belijden; maar hij leidt in zijne

genade dengeen die hem behaagt, en de onrechtvaardigen zullen geen

beschermer of helper hebben. 7. Nemen zij andere beschermers naast

hem, terwijl toch God de eenige, ware beschermer is? Hij bezielt en

doodt, en is almachtig. 8. Over welke zaak gij ook moogt verschillen,

de beslissing daarvan behoort aan God. Dit is God, mijn Heer, op

hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 9. De schepper van hemel en

aarde heeft u vrouwen van uwe eigene soort gegeven, en mannelijke en

vrouwelijk vee, waardoor hij u vermenigvuldigt. Er is niets aan hem

gelijk, en hij is het, die alles hoort en ziet. 10. Hem behooren de

sleutels van hemel en aarde; hij geeft overvloedigen voorraad aan

wien hem behaagt, en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen: want

hij kent alle dingen. 11. Hij heeft u den godsdienst aangewezen,

welken hij aan Noach gaf, dien wij u, o Mahomet! hebben geopenbaard,

en welken wij aan Abraham, Mozes en Jezus hebben aanbevolen, zeggende:

Neemt dezen godsdienst in acht, en weest daarin niet verdeeld. De

aanbidding van ÈÈn God, waartoe gij hen uitnoodigt, is bedroevend

voor de ongeloovigen. 12. God zal daartoe verkiezen wien hem behaagt,

en hij zal door die aanbidding leiden, wie berouw betoont. 13. Zij,

die in verleden tijden leefden, waren niet onder elkander verdeeld,

dan nadat de kennis van Gods eenheid tot hen was gekomen, en dit was

door hunne eigene verdorvenheid. Indien Gods woord, dat de straf op

een vooraf bepaalden tijd uitstelde, niet vroeger ware uitgesproken,

zou er reeds tusschen hen zijn beslist. Zij, die de schriften na hen

hebben geÎrfd [1909], verkeeren zekerlijk daaromtrent in een verwarden

twijfel [1910]. 14. Noodig hen dus uit, het zekere geloof te ontvangen,

en dring bij hen aan, zooals u is bevolen. Volg niet hunne ijdele

begeerten, en zeg: Ik geloof in al de schriften welke God heeft

nedergezonden, en mij is bevolen rechtvaardigheid tusschen u uit te

oefenen. God is onze Heer en uw Heer: aan ons zullen onze werken worden

toegekend, en aan u zullen uwe werken worden toegeschreven: laat er

tusschen ons en u geen krakeel bestaan; want God zal ons allen op den

jongsten dag verzamelen en tot hem zullen wij terugkeeren. 15. Wat hen

betreft, die nopens God twisten, nadat zij zich reeds aan hem hadden

onderworpen, door het ontvangen van zijnen godsdienst, hun twist zal

ijdel zijn in het gezicht van hunnen Heer. Zijne gramschap zal over hen

komen, en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan. 16. God is het,

die de schrift en de weegschaal van het ware oordeel met waarheid heeft

nedergezonden, en wat zal u onderrichten, of het uur nabij is? 17. Zij,

die daaraan niet gelooven, wenschen het langs den weg der spotternij te

verhaasten; maar zij die gelooven, beven daarvoor en weten dat het de

waarheid is. Verkeeren niet zij, die omtrent het jongste uur twisten,

in eene dwaling? 18. God is goed voor zijne dienaren, hij zorgt voor

hen die hem behagen, en hij, de Almachtige, is gestreng. 19. Hij

die het veld des volgenden levens ter bebouwing verkiest [1911],

zullen wij eene vermeerdering zijner bebouwing schenken, en wie het

veld van deze wereld ter bebouwing verkiest, dezen zullen wij de

vruchten daarvan geven; maar hij zal geen deel in het volgende leven

hebben. 20. Hebben de afgodendienaars godheden die hun een godsdienst

bevelen, welken God niet heeft veroorloofd? Maar indien het besluit

niet ware genomen tot uitstel hunner straf, tot den dag waarop de

ongeloovigen van de ware geloovigen zullen worden gescheiden, waarlijk,

dan zou reeds tusschen hen zijn geoordeeld; want de onrechtvaardige

zal zekerlijk eene pijnlijke marteling ondergaan. 21. Op dien dag zult

gij de onrechtvaardigen in grooten schrik zien, om hunne booze daden,

en de straf daarvan zal op hen nederkomen; maar zij die gelooven

en goede werken doen, zullen de heerlijke perken van het paradijs

bewonen; zij zullen bij hunnen Heer alles verkrijgen wat zij zullen

begeeren. Dit is de grootste belooning. 22. Dit is wat God aan zijne

dienaren beloofde, die gelooven en goede werken verrichten. Zeg: Ik

vraag geenerlei belooning van u, voor deze mijne prediking, behalve de

liefde jegens uwe verwanten; en hij die het goede verdiend zal hebben

door eene goede daad, aan dien zullen wij de verdienste van eene andere

goede daad toevoegen; want God is tot vergeven geneigd, en gereed te

beloonen. 23. Zeggen zij: Mahomet heeft lasterlijk eene leugen nopens

God uitgedacht? Indien het Gode behaagde, kon hij uw hart dichtzegelen

[1912], en de leugen volkomen vernietigen en de waarheid in zijne

woorden staven: want hij kent de binnenste deelen der menschelijke

borst. 24. Hij is het, die het berouw van zijne dienaren aanneemt,

zonden vergeeft en weet wat gij doet. 25. Hij zal zijn oor neigen tot

hen, die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, en zal van zijne

gunsten bijvoegen, boven hetgeen zij zullen vragen of verdienen; maar

de ongeloovigen zullen eene gestrenge straf doorstaan. 26. Indien

God den menschen zijne gunsten in overvloed schonk, zouden zij zich

zekerlijk onbeschaamd op aarde gedragen; maar hij zendt met mate

tot ieder neder die hem behaagt: want hij ziet en kent den toestand

zijner dienaren wel. 27. Hij is het, die den regen nederzendt, nadat

de menschen daaraan hebben gewanhoopt; hij spreidt zijne genade uit,

en hij is de schuts die, terecht, moet worden geprezen. 28. Onder zijne

teekenen is de schepping van hemel en aarde, van de levende schepselen,

waarmede hij beiden heeft gevuld. Hij is in staat hen voor zijne

rechtbank te verzamelen, wanneer hem dit behaagt. 29. Welk ongeluk u

ook treffe, het is u door God toegezonden, om hetgeen uwe vaders hebben

verdiend, en toch vergeeft hij vele dingen. 30. Gij zult de goddelijke

wraak op aarde niet verijdelen, en gij zult geen ondersteuner of helper

tegen God hebben. 31. Onder zijne teekenen behooren ook de schepen,

die met vlugheid de golven der zee klieven, en als hooge bergen

oprijzen; indien het hem behaagt, doet hij den wind ophouden en de

schepen op den rug van het water stil liggen (waarlijk hierin zijn

teekenen voor iederen lijdzame en dankbare). 32. Of hij vernietigt

die door schipbreuk, om hetgeen hunne bemanning heeft verdiend. Doch

hij vergeeft vele dingen. 33. En zij, die onze teekenen betwisten,

zullen weten, dat er geen weg voor hen zal wezen, om onze wraak te

ontkomen. 34. Welke dingen u ook zijn geschonken, zij zijn slechts het

genot van dit tegenwoordige leven; maar de belooning, die met God is,

blijft beter en duurzamer, voor hen die gelooven, en hun vertrouwen in

hunnen Heer stellen; 35. En die hatelijke en lage misdaden vermijden,

en vergeven, als zij misnoegd zijn; 36. En die naar hunnen Heer

luisteren en standvastig in het gebed zijn, en wier zaken geregeld

worden door wederzijdsche raadpleging, en die aalmoezen geven van

hetgeen wij hun hebben geschonken; 37. En hij, die, wanneer hem nadeel

is toegebracht, het zelf wreekt [1913]. 38. En de wedervergelding van

het kwaad daaraan geÎvenredigd doet zijn; maar hij die vergeeft en

met zijn vijand verzoend is, zal zijne belooning van God ontvangen

[1914]; want hij bemint de onrechtvaardigheid niet. 39. En hij

die zich zelven zal wreken, nadat hem nadeel zal zijn toegebracht;

40. Opzichtens dezen is het niet geoorloofd, hen daarvoor te straffen;

maar is alleen geoorloofd hen te straffen, die de menschen onrecht

doen en onbeschaamd op aarde tegen de rechtvaardigheid handelen;

deze zullen eene gestrenge straf ondergaan. 41. Die beleedigingen

geduldig verdraagt en vergeeft, waarlijk, het is een noodzakelijk

werk. 42. Hij, dien God zal doen dwalen, zal hierna geen ondersteuner

hebben. Gij zult de goddeloozen zien. 43. Die zeggen zullen als zij de

straf zullen aanschouwen, welke voor hen is gereed gemaakt: Is er geen

weg om in de wereld terug te keeren? 44. En gij zult hen aan het vuur

der hel blootgesteld zien, verplet door de schande welke zij zullen

ondergaan; zij zullen zijdelings en steelsgewijze naar het vuur zien,

en de ware geloovigen zullen zeggen: Waarlijk, de verliezers zijn zij,

die op den dag der opstanding hunne eigene zielen en hunne gezinnen

hebben verloren. Zullen de goddeloozen niet in de eeuwige marteling

verblijven? 45. Zij zullen geene ondersteuners hebben om hen tegen

God te verdedigen, en dien God zal doen dwalen, zal geen weg tot de

waarheid vinden. 46. Luister naar uwen Heer alvorens de dag komt, dien

God niet zal achterhouden, Gij zult geen toevluchtsoord op dien dag

hebben, noch zult gij in staat zijn uwe zonden te loochenen. 47. Maar

indien zij, tot wie gij predikt, zich van uwe vermaningen afwenden,

waarlijk, wij hebben u niet gezonden om een bewaker over hen te wezen;

uw plicht is slechts om te prediken. Als wij den mensch van onze

genade doen proeven, verblijdt hij zich daarin, maar indien hem kwaad

overvalt, om hetgeen zijne handen vroeger hebben bedreven, waarlijk,

dan wordt de mensch ondankbaar. 48. Aan God behoort het koninkrijk van

hemel en aarde. Hij schept wat hem behaagt; hij geeft dochters of zonen

aan wie hem behaagt. 49. Of hij geeft hun kinderen van beiderlei kunne,

en hij doet, naar zijn welbehagen kinderloos blijven; want hij is wijs

en machtig. 50. Het is niet weggelegd voor den mensch, dat God op eene

andere wijze tot hem zou spreken dan door afzonderlijke openbaring, of

van achter een sluier [1915]. 51. Of door een gezant af te vaardigen,

om, door zijn verlof, datgene te openbaren, wat hem behaagt; want hij

is hoog en wijs. 52. Zoo hebben wij door ons bevel eene openbaring

gedaan [1916]. Gij begreept voor dat tijdstip niet, noch wat het

boek van den Koran, noch wat het geloof was; maar wij hebben dit als

een licht aangewezen; wij willen daardoor diegenen onzer dienaren

leiden, welke ons behagen, en gij zult hen zekerlijk op den rechten

weg leiden. 53. Den weg van God, aan wien alles behoort, wat in den

hemel en op de aarde is. Zullen niet alle dingen tot God terugkeeren?

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GOUDEN VERSIERSELEN. [1917].

Geopenbaard te Mekka. [1918].--89 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het duidelijke boek, 2. Waarlijk, wij hebben dit als

een Arabischen Koran bevolen, opdat gij dien zoudt begrijpen. 3. En

het is zekerlijk in het oorspronkelijke boek [1919] geschreven, dat

door ons bewaard, heerlijk en vol van wijsheid is. 4. Zullen wij dus

de vermaning van u afwenden en u daarvan berooven, omdat gij een volk

van overtreders zijt? 5. Hoeveel profeten hebben wij tot de vroegere

volkeren gezonden? 6. En er kwam geen profeet tot hen, of zij lachten

verachtelijk, 7. Daarom vernietigden wij volkeren die machtiger

dan deze in sterkte waren, en het voorbeeld der vroegere volkeren

is voor hen geplaatst. 8. Indien gij hun vraagt wie de hemelen,

en de aarde schiep, zullen zij zekerlijk antwoorden: De machtige,

de wijze God schiep die. 9. Wie heeft de aarde als een bed voor u

uitgespreid, en heeft daarop paden voor u gemaakt, opdat gij geleid

zoudt worden? 10. En wie zendt den regen bij mate neder waardoor

wij een dood land verkwikken? (Zoo zult gij uit uwe graven worden

opgewekt). 11. En wie heeft al de verschillende dingen geschapen, en

u schepen en vee gegeven? 12. Waardoor gij vervoerd wordt, opdat gij

stevig op hunne ruggen zoudt zitten, en de gunst van uwen Heer zoudt

gedenken, als gij daarop zit, en zeggen zoudt: Geloofd zij hij, die

deze schepen en dieren aan onzen dienst heeft onderworpen! want wij

zouden die door eigene macht niet hebben kunnen bemeesteren. 13. En

tot onzen Heer zullen wij zekerlijk terugkeeren. 14. Toch hebben

zij sommige zijner dienaren als zijne kinderen gehouden; waarlijk de

mensch is klaarblijkelijk ondankbaar. 15. Heeft God dochters genomen

uit de wezens, die hij heeft geschapen, en heeft hij zonen uit u

gekozen? 16. Maar als aan een van hen het bericht wordt gebracht

der geboorte van een kind dier kunne, welke zij den Barmhartige

als hem gelijk toeschrijven, dan wordt zijn aangezicht zwart en hij

is met spijt vervuld [1920]. 17. Schrijven zij daarom aan God eene

vrouwelijke nakomelingschap toe, uit de wezens die onder versierselen

worden opgevoed en zonder reden twisten? 18. En maken zij de engelen,

die de dienaren des Barmhartigen zijn vrouwelijk? Waren zij bij hunne

schepping tegenwoordig? Hunne getuigenis zal nedergeschreven worden,

en zij zullen daaromtrent op den dag des oordeels ondervraagd

worden. 19. En zij zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden

wij hen niet hebben vereerd. Zij hebben geene kennis daarvan, zij

spreken slechts eene ijdele leugen uit. 20. Hebben wij hun ooit te

voren een boek met openbaringen vÛÛr dit gegeven, en houden zij dat

in hunne bewaring? 21. Neen! Maar zij zeggen: Waarlijk, wij bevonden

dat onze vaderen dezen godsdienst uitoefenden, en wij richten ons

naar hunne voetstappen. 22. Wij zouden geen prediker voor u, naar

geene stad, of de bewoners daarvan, die in overvloed leefden, zeiden:

Waarlijk, wij bevonden dat onze vaderen eenen godsdienst uitoefenden,

en wij traden in hunne voetstappen. 23. En de prediker antwoordde:

Wat! niettegenstaande ik u eenen meer waren godsdienst breng, dan

die welken gij bevondt dat door uwe vaderen werd gevolgd? En zij

hernamen: Waarlijk, wij gelooven datgene niet, wat gij gezonden zijt te

prediken. 24. Daarom namen wij wraak op hen; en aanschouw wat het einde

was van hen, die onze gezanten van bedrog beschuldigden. 25. Herdenk

toen Abraham tot zijn vader en tot zijn volk zeide: Waarlijk ik ben

rein van de goden welke gij vereert. 26. Ik aanbid slechts hem die mij

heeft geschapen: voor hem zal ik mij op den waren weg richten. 27. En

hij (Abraham) beval, dat dit een vaste leer voor zijn nakomelingschap

zou wezen, opdat zij van den afgodendienst zouden worden afgewend, naar

de vereering van den eenigen, waren God. 28. Waarlijk, ik heb dezen

bewoners van Mekka en hunnen vaderen veroorloofd in voorspoed te leven,

tot de waarheid tot hen zou komen en een duidelijke gezant. 29. Maar

nu de waarheid tot hen is gekomen, zeggen zij: Dit is een goochelstuk,

en wij gelooven niet daaraan. 30. En zij zeggen: Indien deze Koran

aan sommige voorname menschen van elke der beide steden [1921] ware

nedergezonden, zouden wij dien hebben ontvangen. 31. Deelen zij dan de

genade van uwen Heer uit [1922]. Wij verdeelen den noodigen voorraad

onder hen, in dit tegenwoordige leven, en wij verheffen sommigen van

hen, eenige graden boven de anderen, opdat de een van hen zich door

den ander van hen doe dienen, en de genade van uwen Heer is meer waard

dan de rijkdommen welke zij bijeenverzamelen. 32. Indien het niet

ware, geheel het menschelijk geslacht ongeloovigen te zien worden,

waarlijk, dan hadden wij aan hen, die niet in den Barmhartige gelooven,

zilveren daken op hunne huizen gegeven, en zilveren trappen, waardoor

zij daarin hadden kunnen opklimmen; 33. En zilveren zetels om er op

te leunen. 34. En gouden versiersels; want dit alles is de voorraad

van dit leven; maar het volgende leven met uwen Heer zal voor degenen

wezen, die hem vreezen. 35. Wie van de vermaning van den Barmhartige

zal afdwalen, zullen wij aan een duivel vastketenen, en hij zal zijn

onafscheidelijke makker wezen. 36. De duivels zullen de menschen

van het pad der waarheid afwenden, en zij zullen zich verbeelden,

op den waren weg te zijn geleid. 37. Totdat, wanneer de mensch op

den jongsten dag voor ons zal verschijnen, hij tot den duivel zal

zeggen [1923]: Had God gegeven, dat er tusschen ons een afstand ware

geweest, als van het Oosten tot het Westen! O welk een vreeselijke

makker zijt gij! 38. Maar geene wenschen zullen u op dien dag baten;

want gij zult deelgenooten derzelfde straf zijn. 39. Kunt gij, o

profeet! den doove hoorend maken, of den blinde richten, en hem, die

in eene duidelijke dwaling verkeert? 40. Hetzij wij u uit hun midden

wegnemen, wij zullen zekerlijk wraak op hen nemen. 41. Of hetzij wij

u de uitvoering der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd,

wij zullen zekerlijk de overmacht over hen hebben. 42. Houdt dus

de leer vast, die u werd geopenbaard; want gij bewandelt den waren

weg. 43. Zij is een gedenkteeken voor u en uw volk, en hierna zult gij

ondervraagd worden, nopens de inachtneming daarvan. 44. Ondervraag onze

gezanten, welke wij vÛÛr u hebben gezonden [1924], of wij godheden,

buiten den Barmhartige, ter vereering hebben aangewezen. 45. Wij

zonden vroeger Mozes met zijn teekenen tot Pharao en diens vorsten,

en hij zeide: Waarlijk, ik ben de gezant van den Heer van alle

schepselen. 46. En toen hij met onze teekenen tot hen kwam, ziet, toen

lachten zij verachtelijk om hem. 47. Wij toonden hun echter teekenen

waarvan het eene grooter dan het andere was, en wij legden hun eene

straf op [1925], opdat zij wellicht zouden worden bekeerd. 48. En zij

zeiden tot Mozes: O toovenaar! bid uwen Heer voor ons, overeenkomstig

het verbond, dat hij met u heeft gesloten; want wij zullen zekerlijk

goed geleid worden. 49. Maar toen wij de plaag van hen afnamen, ziet,

toen braken zij hunne belofte. 50. En Pharao richtte eene bekendmaking

tot zijn volk, zeggende: O mijn volk! is het koninkrijk Egypte niet

mijn, en deze rivieren [1926], die onder mij stroomen? Ziet gij

niet? 51. Ben ik niet beter dan deze Mozes, die een verachtelijk

persoon is, 52. En zich slechts zelden verstaanbaar kan uitdrukken

[1927]. 53. Zijn hem dan gouden armbanden gegeven [1928], of volgen

de engelen hem in geregelden optocht? 54. En Pharao haalde zijn volk

tot een lichtvaardig gedrag over, en het gehoorzaamde hem; want zij

waren zondaren. 55. En toen zij onze woede hadden uitgelokt, namen wij

wraak op hen en wij verdronken hen allen. 56. Wij maakten hen tot een

voorbeeld, en eene waarschuwing voor anderen. 57. Toen de zoon van

Maria als een voorbeeld werd gesteld, ziet, toen schreeuwde uw volk

het, door overmaat van vreugde, uit [1929]. 58. Zij zeiden: Zijn onze

goden beter dan hij, of is Maria's zoon beter dan onze goden? Zij

hebben u deze vraag slechts voorgesteld, als eene aanleiding tot

twist. Ja, zij zijn twistgierige menschen. 59. Jezus is slechts een

dienaar (een mensch), dien wij met onze gunsten overlaadden, en wij

wezen hem als een voorbeeld voor de kinderen IsraÎls aan, 60. (Indien

het ons behaagde, ja, waarlijk, dan konden wij uit u zelven engelen

voortbrengen, om u op de aarde op te volgen). 61. En hij zal een

teeken zijn van de nadering van het jongste uur [1930]; twijfelt er

dus niet aan; volgt mij; dit is de ware weg. 62. Laat Satan er u niet

van afwenden; want hij is uw openlijke vijand. 63. En toen Jezus met

duidelijke wonderen kwam, zeide hij: Thans ben ik met wijsheid tot

u gekomen, en om u een deel te verklaren van de dingen, nopens welke

gij verschilt. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 64. Waarlijk God is

mijn Heer, en uw Heer; vereert hem dus; dit is de ware weg. 65. En

de verschillende partijen onder hen geraakten in twist met elkander

[1931]. Maar wee over hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld,

om de straf van een droevigen dag. 66. Verwachten de ongeloovigen

iets anders dan het uur des oordeels; dat het plotseling tot hen

moge komen, terwijl zij het niet voorzien? 67. De vertrouwdste

vrienden zullen op dien dag elkanders vijanden zijn, behalve de

godvruchtigen. 68. O mijne dienaren! er zal op dien dag geene vrees tot

u komen, en gij zult niet bedroefd worden. 69. Wie in onze teekenen

hebben geloofd en aan mijn wil onderworpen (Moslems) zijn geweest,

tot hen zal men zeggen: 70. Treedt gij het paradijs binnen, gij en

uwe vrouwen, met groote vreugde. 71. Gouden schotels zullen onder

hen worden rondgedragen en bekers, en daaruit zullen zij genieten,

wat hunne zielen zullen begeeren, en waarin hunne oogen vermaak

zullen scheppen, en eeuwig zult gij daarin verblijven. 72. Dit is

het paradijs, dat gij geÎrfd hebt, als eene belooning voor hetgeen

gij hebt verricht. 73. Gij hebt daar vruchten in overvloed, voedt u

daarmede. 74. Maar de zondaren zullen voor eeuwig in de marteling

der hel verblijven. 75. Zij zal voor hen niet verlicht worden, en

zij zullen daarin vertwijfelen. 76. Wij handelden niet onrechtvaardig

met hunne eigene zielen, maar zij zelven. 77. Zij zullen luid roepen,

zeggende: O Malek! [1932] treedt voor ons tusschen beiden, opdat uw

Heer onze marteling door vernietiging doe eindigen. Hij zal antwoorden

[1933]: Waarlijk, gij zult voor eeuwig hierin verblijven. 78. Wij

brachten u vroeger de waarheid, maar het meerendeel uwer hadden er

afschuw van. 79. Hebben de ongeloovigen een stelsel opgemaakt, om onzen

profeet te verschalken? 80. Verbeelden zij zich, dat wij hunne geheimen

en hunne gesprekken niet hooren? Ja, en onze gezanten, die hen volgen

[1934], schrijven die neder. 81. Zeg: Indien de Barmhartige een zoon

had, zou ik de eerste zijn, die hem vereerde. 82. Verre zij het van

den Heer van hemel en aarde, den Heer des troons, datgene wat zij van

hem betuigen! 83. Laat hen dus door ijdelheid waden, en zich vermaken,

tot zij aan hunnen dag komen, waarmede zij werden bedreigd. 84. Hij,

die de God in den hemel is, is ook God op aarde, en hij is de Wijze,

de Alwetende. 85. Gezegend zij hij, wien het koninkrijk van hemel en

aarde behoort en alles wat daartusschen is, met wien de kennis van het

laatste uur is, en voor wien gij zult worden verzameld. 86. Degenen,

welke zij nevens God aanroepen, hebben het voorrecht niet, anderen

tot voorspraak te strekken, behalve zij, die getuigenis der waarheid

afleggen en haar kennen [1935]. 87. Indien gij hun vraagt, wie hen

heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. Waarom zijn

zij dus tot de vereering van anderen afgewend? 88. God hoorde ook,

toen de profeet zeide: O Heer! waarlijk, deze zijn ongeloovigen, en

hij antwoordde: 89. Wend dus van hen af en zeg: Vrede [1936]!--Hierna

zullen zij hunne dwaling kennen.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ROOK [1937].

Geopenbaard te Mekka. [1938]--59 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Ha. Mim. Bij het doorzichtige boek van den Koran. 2. Waarlijk

wij hebben dit in eenen gezegenden nacht [1939] nedergezonden:

want wij hadden ons verbonden zoo te handelen. 3. In den nacht

waarin, gij duidelijke wijze, het besluit van ieder bepaald ding is

nedergezonden [1940]. 4. Als een bevel van ons. Waarlijk wij waren

immer gewoon, gezanten met openbaringen, met zeker tusschenpoozen te

zenden. 5. Als bewijs der genade van uwen Heer; want hij is het die

alles hoort en ziet. 6. De Heer van hemel en aarde en van alles wat

daar tusschen is; indien gij menschen van vast geloof zijt. 7. Er

is geen God buiten hem: hij geeft leven en hij doet sterven; hij

is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 8. Thans vermaken zij zich

door te twijfelen. 9. Maar sla hen gade, op den dag dat de hemel een

zichtbaren rook zal voortbrengen. 10. Die den mensch zal bedekken

[1941]. Dit zal eene martelende plaag wezen. 11. Zij zullen zeggen: O

Heer! neem deze plaag van ons af; waarlijk wij zullen ware geloovigen

worden. 12. Wat heeft onze vermaning hen in dezen toestand gebaat,

toen een duidelijke gezant tot hen kwam. 13. En zij zich van hem

verwijderden, zeggende: Deze man is door anderen onderricht [1942],

of hij is een uitzinnig mensch. 14. Indien wij de plaag eenigermate van

u afnemen, zult gij zekerlijk tot uwe ongetrouwheid terugkeeren. 15. Op

den dag waarop wij hen fel en met groote macht zullen aanvallen [1943],

waarlijk, dan zullen wij wraak op hen nemen. 16. Wij beproefden het

volk van Pharao vÛÛr hen, en een achtingswaardige gezant kwam tot

hen. 17. Zeggende: Zendt de dienaren van God tot mij [1944], waarlijk,

ik ben een verzoenend zendeling voor u. 18. En staat niet op tegen

God, want ik kom met eene duidelijke macht tot u. 19. Ik zoek eene

schuilplaats bij mijn Heer en uw Heer, opdat gij mij niet steenigt

[1945]. 20. Indien gij mij niet gelooft, scheidt dan voor het minst

van mij [1946]. 21. En toen zij hem van bedrog beschuldigden, riep

hij zijn Heer aan, zeggende: Dit is een zondig volk. 22. En God

zeide tot hem: Trek des nachts met mijne dienaren voort; want gij

zult vervolgd worden, en laat de zee gespleten achter u, opdat de

Egyptenaren er in gaan. 23. Want zij vormen eene schaar, gedoemd

om verdronken te worden. 24. Hoe vele tuinen en fonteinen. 25. En

bezaaide korenvelden en schoone woningen. 26. En voordeelen welke

gij geniet, lieten zij niet achter zich? 27. Zoo ontnamen wij hun

het bezit daarvan, en wij gaven het, als eene erfenis, aan een ander

volk [1947]. 28. Hemel noch aarde hebben om hen geweend [1948]; en

zij verkregen geen uitstel. 29. Wij bevrijdden de kinderen IsraÎls

van eene schandelijke mishandeling. 30. Van Pharao; want hij was

hoovaardig en een zondaar. 31. Wij kozen hen, voorbedachtelijk,

boven alle volkeren. 32. Wij toonden hun verschillende teekenen,

waarin een duidelijke proef was gelegen. 33. Waarlijk deze bewoners

van Mekka (ongeloovigen) zeggen: 34. Zekerlijk zal ons bepaald

einde geen ander dan onze eerste, natuurlijke dood wezen; nimmer

zullen wij weder worden opgewekt. 35. Breng dan onze voorvaderen

tot het leven terug, indien gij de waarheid spreekt. 36. Zijn

zij beter of het volk van Tobba [1949]. 37. En zij die vÛÛr hen

bestonden? Wij verdelgden hen, omdat zij zonden bedreven. 38. Wij

hebben de hemelen en de aarde, en alles wat daar tusschen is, niet

geschapen, bij wijze van uitspanning. 39. Wij hebben die in waarheid

(ernst) geschapen [1950]; maar het grootste deel hunner begrijpt

het niet. 40. Waarlijk, de dag der scheiding zal de bepaalde tijd

van hen allen wezen. 41. Een dag, waarop de meester en de dienaren

elkander niet van voordeel zullen wezen, en niet geholpen zullen

worden. 42. Uitgezonderd zij, aan welke God genade zal verleend hebben:

want hij is de Machtige, de Genadige. 43. Waarlijk, de vrucht van

den boom van al Zakkoem. 44. Zal het voedsel van den goddelooze wezen

[1951]. 45. Als de droesem van olie, zal het in de buiken der verdoemde

koken (als gesmolten metaal). 46. Zooals het koken, van het heetste

water. 47. Men zal tot de volvoerders van Gods wil zeggen: Grijpt

den snoodaard en sleept hem naar het midden der hel. 48. En werpt

op zijn hoofd de marteling van heet water; 49. Zeggende: Proef dit;

want gij zijt de machtige en eerbiedwaardige persoon. 50. Waarlijk,

dit is de straf waaraan gij twijfeldet. 51. Maar de vromen zullen op

eene plaats van zekerheid worden gehuisvest. 52. Tusschen tuinen en

fonteinen. 53. Zij zullen gekleed worden in fijne zijde en satijn,

en zij zullen met de aangezichten tegenover elkander zitten. 54. Zoo

zal het wezen, en zij zullen huwen, met schoone meisjes, die groote,

zwarte oogen hebben. 55. Op die plaats zullen zij, in volle zekerheid,

zich alle soorten van vruchten doen toedienen. 56. Zij zullen daar

den dood niet proeven na den eersten dood, en God zal hen van de

hellepijnen bevrijden. 57. Het is door den genadige goedheid van uwen

Heer. Dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 58. Daarenboven hebben

wij den Koran gemakkelijk gemaakt, door dien in uwe eigen taal te

openbaren, opdat gij tot het einde vermaand zoudt wezen. 59. Daarom,

o Mahomet! wacht den uitslag af; want ook zij wachten slechts, u door

een of ander onheil te zien overvallen.

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE NEDERKNIELING. [1952]

Geopenbaard te Mekka.--36 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 41 / 89 段