wijzen God. 2. Den vergever van zonden, en den aannemer van berouw,
die streng in het straffen is. 3. Hij is lankmoedig. Er is geen God
buiten hem; en voor hem zal de algemeene verzameling op den jongsten
plaats hebben. 4. Niemand twist tegen de teekenen van God, behalve de
ongeloovigen; maar laat hunne voorspoedige ondernemingen in het land
[1869], u niet met ijdelen schijn verleiden. 5. Het volk van Noach
en de verbonden ongeloovigen, die na hen kwamen, beschuldigden hunne
verschillende profeten van bedrog, en ieder volk broedde slechte
plannen tegen zijne profeten, opdat zij hen in hunne macht zouden
krijgen; en zij twistten met ijdele woorden, om daardoor de waarheid
krachteloos te maken. Deswege kastijdde ik hen, en hoe gestreng was
mijne straf. 6. Zoo is het vonnis van uwen Heer met rechtvaardigheid
op de ongeloovigen toegepast geworden, en zij zullen de bewoners van
het hellevuur zijn. 7. De engelen, die den troon van God dragen, en zij
die in zijnen omtrek staan [1870], verkondigen den lof van hunnen Heer
en gelooven in hem, en zij vragen vergiffenis voor de ware geloovigen,
zeggende: O Heer! gij omringt alle zaken door uwe genade en kennis;
vergeef dus hun, die berouw betoonen en uw pad volgen, en bevrijd hen
van de pijnen der hel. 8. O Heer! leid hen ook in tuinen van eeuwig
verblijf, welke gij hun hebt beloofd, en iederen persoon van hunne
vaders en hunne vrouwen en hunne kinderen die recht zal handelen:
want gij zijt de machtige, de wijze God. 9. Bevrijd hen van het kwaad;
want al wie zich van boosheid zal vrij houden, zult gij op dien dag uwe
genade toonen, en dit zal eene groote gelukzaligheid wezen. 10. Maar
de ongeloovigen zullen op den dag des oordeels eene stem hooren, die
hun zal toeroepen: Waarlijk de haat van God omtrent u, is smartelijker
dan uw haat jegens u zelven, toen gij tot het geloof werdt geroepen
en niet gelooven wildet. 11. Zij zullen zeggen: O Heer! gij hebt
ons den dood tweemaal gegeven en gij hebt ons tweemaal het leven
geschonken [1871], en wij belijden onze zonden. Is er dus geen weg,
om aan dit vuur te ontkomen? 12. En men zal hun antwoorden: Dit is u
wedervaren, omdat, als er van een eenigen God tot u werd gepredikt,
gij niet geloofdet; maar indien eene meervoudigheid van goden met hem
werd vereenigd, gij geloofdet; en het oordeel behoort den hoogen,
den grooten God. 13. Hij is het, die u zijne teekenen toont, en u
voedsel van den hemel nederzendt; maar niemand zal vermaand worden,
dan hij, die zich tot God wendt. 14. Roep dus God aan, en wijd hem
eenen zuiveren godsdienst, hoewel de ongeloovigen afkeerig daarvan
zijn. 15. Hij is het wezen van verheven aard, de bezitter van den
troon, die den geest op zijn bevel nederzendt, aan diegenen zijner
dienaren, welke hem behagen, opdat hij den mensch voor den dag
der ontmoeting zou waarschuwen [1872]. 16. Op dien dag zullen de
menschen uit hunne graven verrijzen, en niets wat hen betreft, zal
voor God verborgen zijn. Aan wien zal op dien dag het koninkrijk
behooren? Aan den eenigen, den almachtigen God. 17. Op dien dag
zal iedere ziel overeenkomstig hare verdiensten worden beloond;
op dien dag zal geene onrechtvaardigheid plaats hebben. Waarlijk,
God zal snel zijn in het opmaken der rekeningen. 18. Waarschuw
hen dus, o profeet! voor den dag die spoedig zal naderen, als de
harten der menschen tot hunne kelen opstijgen en hen smoren. 19. De
ongeloovigen zullen geen vriend of tusschenpersoon hebben, die gehoord
zal worden. 20. God zal het bedriegelijke oog kennen en datgene wat
hunne borsten verbergen. 21. En God zal met waarheid oordeelen; maar
de valsche goden, welke zij naast hem aanroepen, kunnen volstrekt
niet oordeelen; want God alleen hoort en ziet alles. 22. Zijn zij
niet over de aarde gegaan, en hebben zij het einde niet gezien van
hen, die vÛÛr hen waren? Deze waren machtiger dan zij in sterkte,
en lieten aanzienlijker sporen van hunne macht op de aarde; doch God
kastijdde hen om hunne zonden, en er was niemand om hen bij God te
ondersteunen. 23. Dit ondergingen zij, omdat hunne apostelen met
duidelijke teekens tot hen waren gekomen en zij niet geloofden:
daarom kastijdde God hen: want hij is sterk en gestreng in het
straffen. 24. Wij zonden vroeger Mozes met onze teekenen en duidelijke
macht, 25. Tot Pharao, en Haman, en Karoen [1873], en zij zeiden: Hij
is een toovenaar en een leugenaar. 26. En toen hij met waarheid van ons
tot hen kwam, zeiden zij: Doodt de zonen van hen, die met hem hebben
geloofd, en redt het leven hunner dochters [1874]; maar de list der
ongeloovigen was ijdel. 27. En Pharao zeide: Laat mij alleen, opdat
ik Mozes doode [1875], en laat hem zijnen Heer aanroepen. Waarlijk,
ik vrees dat hij uw godsdienst zal doen veranderen, of geweld op de
aarde zal doen heersenen [1876]. 28. En Mozes zeide tot zijn volk:
Waarlijk, ik heb toevlucht tot mijn Heer en uw Heer genomen ten einde
mij te verdedigen tegen iederen trotschen persoon, die niet aan den
dag der rekenschap gelooft. 29. En een man, van het gezin van Pharao
[1877], die een waar geloovige was en zijn geloof verborg, zeide:
Wilt gij een mensch ter dood brengen omdat hij zegt: God is mijn Heer,
terwijl gij ziet, dat hij met duidelijke teekenen van uwen Heer tot u
is gekomen? Indien hij een leugenaar is, zal de straf zijner valschheid
op hem vallen, maar indien hij de waarheid spreekt, zullen eenige
dier vonnissen, waarmede hij u bedreigt, op u nederkomen; waarlijk,
God leidt niet hem, die een zondaar of een leugenaar is. 30. O mijn
volk! heden is u het koninkrijk, en gij zijt machtig; maar wie zal
ons tegen den geesel van God verdedigen, als die op ons nederkomt
[1878]. Pharao zeide: Ik stel u alleen voor, wat mij het geschiktste
dunkt, en ik leid u alleen op het rechte pad. 31. En hij die geloofd
had, zeide: O mijn volk! waarlijk, ik vrees voor u een dag, gelijk aan
dien van de verbondenen tegen de profeten, in vroegere tijden. 32. Een
toestand gelijk aan dien van het volk van Noach, en de stammen van
Ad en Thamoed. 33. En van hen, die na hen hebben geleefd; want God
wil niet dat er eenige onrechtvaardigheid op zijne dienaren worde
uitgeoefend. 34. O mijn volk! waarlijk, ik vrees voor u den dag,
waarop de menschen elkander zullen aanroepen [1879]. 35. Den dag
waarop gij van de rechtbank zult afgewend, en naar de hel gedreven
worden zult gij niemand hebben, om u tegen God te ondersteunen. En
hij dien God zal doen dwalen, zal geen leider hebben. 36. Jozef
kwam, vÛÛr Mozes, met duidelijke teekens tot u, maar gij hieldt
niet op te twijfelen omtrent den godsdienst, dien hij u predikte,
tot gij zeidet, toen hij stierf: God zal op geenerlei wijze een
anderen profeet na hem zenden. Zoo deed God dengeen dwalen, die een
zondaar en een twijfelaar is. 37. Zij, die Gods teekenen betwisten,
zonder dat er een bewijs tot hen is gekomen, zijn in groote verachting
bij God en bij hen die gelooven; zoo verzegelt God ieder trotsch en
weÍrbarstig hart. 38. En Pharao zeide: O Haman! bouw mij een toren,
opdat ik de sferen kunne bereiken: 39. De sferen des hemels en dat
ik den God van Mozes [1880] moge zien; want waarlijk, ik houd hem
voor een leugenaar. 40. Zoo vertoonden Pharaos snoode werken zich
lofwaardig voor hem; hij wendde zich van het rechte pad af, en de
listen van Pharao eindigden slechts met verlies. 41. En hij die
geloofd had, zeide: O mijn volk! volg mij: ik wil u op den rechten
weg leiden. 42. O mijn volk! waarlijk, dit tegenwoordige leven is
slechts een tijdelijk genot, maar het volgende leven is de woning van
onwrikbare duurzaamheid. 43. Wie kwaad bedrijft, zal slechts vergolden
worden in gelijke evenredigheid daarmede, maar wie goed doet, hetzij
man of vrouw, en een waar geloovige is, zal onder de uitverkorenen
zijn, die het paradijs binnengaan, en daarin overvloediglijk zullen
worden voorzien. 44. O mijn volk! wat mij betreft, ik noodig u tot de
gelukzaligheid uit; maar gij noodigt mij tot het hellevuur. 45. Gij
noodigt mij uit, God te loochenen, en datgene met hem te vereenigen
waarvan ik geene kennis; maar ik noodig u tot den Machtigste, den
Vergever van zonden. 46. Het is ontwijfelbaar, dat de valsche goden,
waartoe gij mij uitnoodigt, niet verdienen aangeroepen te worden
noch in deze, noch in de volgende wereld: dat wij tot God moeten
terugkeeren, en dat de zondaren de bewoners van het hellevuur zullen
wezen. 47. En gij zult u dan herinneren wat ik thans tot u zeg. Wat
mij betreft, ik onderwerp mijne zaak aan God; want God beschouwt zijne
dienaren. 48. Daarom bevrijdde God hem van het kwaad, dat zij tegen hem
hadden uitgedacht, en eene gestrenge straf omringde het volk van Pharao
[1881]. 49. Zij zullen, des ochtends en des avonds, aan het hellevuur
zijn blootgesteld [1882], en op den dag waarop het oordeel zal plaats
hebben, zal hun worden gezegd; Treed binnen, o volk van Pharao! in de
gestrengste marteling. 50. En denk aan den tijd, als de ongeloovigen,
in het hellevuur met elkander zullen twisten, en de zwakken tot
de hoovaardigen (de grooten) zullen zeggen: Waarlijk, wij waren uwe
volgers; wilt gij ons dus niet van een deel van dit vuur redden? 51. De
hoovaardigen zullen antwoorden: Waarlijk, wij zijn allen gedoemd daarin
te lijden; want God heeft thans zijne dienaren geoordeeld. 52. En zij,
die in het vuur zullen wezen, zullen tot de wachters der hel zeggen
[1883]: Roept uwen Heer aan, opdat hij ons voor een dag deze straf
verlichte. 53. Zij zullen antwoorden! kwamen uwe gezanten niet,
met duidelijke bewijzen, tot u? Zij zullen zeggen: Ja. De bewaarders
zullen daarop zeggen: Roept dus God aan: maar zijne aanroeping door
de ongeloovigen zal slechts ijdel wezen. 54. Wij zullen zekerlijk
onze profeten en hen die gelooven, in dit tegenwoordige leven helpen,
en op den dag waarop de getuigen zullen opstaan. 55. Een dag waarop de
verontschuldiging der ongeloovigen hen niet zal baten; maar een vloek
zal hen wachten en een ellendig verblijf. 56. Wij gaven vroeger aan
Mozes eene leiding, en wij lieten het boek der wet, als eene erfenis
voor de kinderen IsraÎls, na; als eene leiding en eene vermaning voor
menschen, die verstand bezitten. 57. Daarom, o profeet! verdraag de
beleedigingen der ongeloovigen met geduld; want de belofte van God
is waar. Vraag vergiffenis voor uwe dwaling [1884] en verkondig den
lof van uwen Heer, des avonds en des ochtends. 58. Wat hen betreft,
die de teekenen van God bestrijden, zonder dat hun een overtuigend
bewijs werd geopenbaard, er is slechts trotschheid in hunne borsten;
doch zij zullen hun verlangen niet verkrijgen; vlucht dus tot God,
als een toevluchtsoord; want hij hoort en ziet alles. 59. Waarlijk,
de schepping van hemel en aarde is grooter dan de schepping van den
mensch, maar het meerendeel der menschen begrijpt het niet. 60. De
blinde en de ziende zullen niet gelijk gesteld worden, noch zij die
gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen met de boosdoeners. Hoe
weinigen overwegen dit in hun binnenste! 61. Het laatste uur zal
zekerlijk komen: dit is ontwijfelbaar; maar het meerendeel der
menschen gelooft het niet 62. Uw Heer zeide: Roept mij aan en ik zal
u verhooren, maar zij die met trotschheid mijnen dienst versmaden,
zullen met schande de hel binnen gaan. 63. God is het, die den nacht
voor u heeft aangewezen, om daarin uwen rust te nemen, en den dag om
u licht te geven. Waarlijk, God is milddadig omtrent den mensch; maar
het meerendeel der menschen is ondankbaar. 64. Dit is God, uw Heer,
de schepper van al dingen; er is geen God buiten hem; waarom hebt gij
u dan van zijne vereering afgewend? 65. Zoo zijn degenen afgewend,
die Gods teekenen weerstand bieden. 66. God is het, die u de aarde
heeft gegeven tot een vasten grond, en de hemel als eene overdekking;
die u gevormd heeft, uwe vormen schoon heeft gemaakt en u met
goede dingen voedt. Dit is God, uw Heer. Daarom zij God gezegend,
de Heer van alle schepselen! 67. Hij is de levende God, en er is
geen God buiten hem. Roept hem dus aan, en wijdt hem den zuiveren
godsdienst. Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 68. Zeg:
Waarlijk, het is mij verboden de godheden te aanbidden, welke gij
buiten God aanroept, nadat er duidelijke bewijzen van mijnen Heer
tot u zijn gekomen, en mij is bevolen, mij aan den Heer van alle
schepselen te onderwerpen. 69. Hij is het, die u het eerste van stof
schiep, daarna van zaad en gestold bloed, en u vervolgens als kinderen
uit de ingewanden uwer moeders voortbracht; daarna veroorloofde hij
u, uwen ouderdom van volle sterkte te bereiken, en vervolgens tot
oude menschen op te groeien (maar sommigen van u sterven voor dien
leeftijd), en den bepaalden tijd van uw leven te bereiken [1885],
opdat gij misschien zoudt begrijpen. 70. Hij is het, die leven geeft en
sterven doet, en als hij iets besluit, zegt hij slechts: Wees! en het
is. 71. Bemerkt gij hen niet, die tegen de teekenen van God twisten,
hoezeer zij van het ware geloof zijn afgewend? 72. Zij, die het boek
van den Koran van valschheid beschuldigen, en ook de andere schriften
en andere leeren, welke wij onze vroegere profeten hebben gezonden om
te prediken, zullen hierna hunne dwaasheid kennen. 73. Als de kragen
zich om hunne nekken zullen bevinden, zullen zij geketend in de hel
worden gesleept; daarna zullen zij in het vuur worden verbrand. 74. En
er zal tot hen worden gezegd: Waar zijn de goden, welke gij met God
hebt vereenigd? Zij zullen antwoorden: Zij hebben zich zelven aan ons
onttrokken; ja, wij riepen vroeger een niets aan [1886]. Zoo leidt
God de ongeloovigen in dwaling. 75. Dit is u wedervaren, omdat gij
u onbeschaamd op aarde hebt verheugd, in datgene wat valsch was, en
waarom gij met toomelooze vreugde waart vervuld. 76. Gaat de poorten
der hel binnen, om daarin voor eeuwig te verblijven; en het verblijf
der hoogmoedigen zal ellendig zijn! 77. Daarom volhard met geduld,
o Mahomet! want de belofte van God is waar. Hetzij wij u een deel der
straf doen zien, waarmede wij hen bedreigden, hetzij wij u doen sterven
vÛÛr gij het ziet; zij zullen op den jongsten dag voor ons worden
verzameld. 78. Wij hebben vÛÛr u een groot aantal profeten gezonden;
van sommige onder welke wij u de geschiedenissen hebben geopenbaard,
en de geschiedenissen van andere hebben wij u niet medegedeeld; maar
geen gezant heeft de macht een teeken voor te brengen, tenzij door het
verlof van God. Als dus het bevel van God zal komen, zal het oordeel
met waarheid worden uitgesproken, en dan zullen zij ten gronde gaan,
die de teekens van God zonder uitwerking trachten te doen zijn. 79. Het
is God die u het vee heeft gegeven, teneinde gij op sommige dieren
zoudt kunnen rijden en van andere zoudt kunnen eten. 80. Gij ontvangt
daarvan ook andere voordeelen [1887], en door deze volbrengt gij de
zaak, welke gij u innerlijk hebt voorgesteld, en door hen wordt gij
te land, en door schepen ter zee vervoerd. 81. En hij toont u zijne
teekenen. Welke van Gods teekenen zult gij dus loochenen? 82. Gaan
zij niet over de aarde, en zien zij niet wat het einde was van hen,
die vÛÛr hen bestonden? Deze waren talrijker dan zij en machtiger in
sterkte, en lieten aanzienlijker gedenkteekenen van hunne macht op
aarde; maar wat zij verworven hadden was hun van geen voordeel. 83. En
toen hunne apostelen tot hen kwamen met duidelijke bewijzen hunner
zending verheugden zij zich vol overmoed in de kennis, die met
hen was [1888], doch de straf, waarover zij hadden gespot, omringde
hen. 84. En toen zij onze wraak zagen, zeiden zij: Wij gelooven in God
alleen en wij doen afstand van de afgoden, welke wij met hem hebben
vereenigd. 85. Maar hun geloof baatte hen niet, nadat zij onze wraak
hadden gezien. Dit was het bevel van God, dat vroeger in acht genomen
werd, nopens zijne dienaren, en de ongeloovigen deed te gronde gaan.
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE DUIDELIJK UITGELEGDEN. [1889].
Geopenbaard te Mekka--54 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ha. Mim. Dit is een boek van den Barmhartigste. 2. Een boek,
waarvan de verzen duidelijk zijn uitgelegd [1890], een Arabische
Koran; tot onderricht van een volk, dat verstaat; 3. Brengende
goede tijdingen, en bedreigingen aankondigende, maar het meerendeel
hunner wendt zich af en luistert niet daarnaar. 4. En zij zeggen:
onze harten zijn gesluierd voor de leer waartoe gij ons uitnoodigt;
er is doofheid in onze ooren, en eene gordijn tusschen ons en ulieden;
handel dus zooals gij gepast zult oordeelen; want wij zullen handelen
overeenkomstig onze eigene gevoelens. 5. Zeg: Waarlijk, ik ben slechts
een mensch zooals gij. Mij is het geopenbaard, dat uw God ÈÈn God
is; richt dus uwen weg naar hem, en vraagt vergiffenis voor hetgeen
voorbij is. En wee over de ongeloovigen. 6. Die de bepaalde aalmoezen
niet geven, en in het volgende leven niet gelooven! 7. Maar wat hen
betreft, die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zij zullen
eene eeuwigdurende belooning ontvangen. 8. Zeg: Gelooft gij werkelijk
niet in hem, die de aarde in twee dagen schiep [1891], en stelt gij
anderen met hem gelijk? Hij is de heer van alle schepselen! 9. En hij
heeft vastgewortelde bergen op de aarde geplaatst [1892], die zich
daarboven verhieven. Hij zegende haar en voorzag haar van het voedsel
der schepselen, die aangewezen waren de bewoners daarvan te zijn, in
vier dagen [1893], gelijkelijk, voor hen die vragen [1894]. 10. En
hij ondernam de schepping des hemels: en deze was rook [1895], en
hij zeide tot den hemel en tot de aarde: Komt, hetzij gehoorzaam of
tegen uwen wil. Zij zeiden: Wij komen gehoorzaam aan uw bevel. 11. En
hij vormde die in zeven hemelen in twee dagen, en openbaarde aan
iederen hemel zijne verrichting. En wij tooiden den lageren hemel
met lichten, en plaatsten eene wacht van engelen daarin [1896]. Dat
is de beschikking van den machtigen, den wijzen God. 12. Indien de
bewoners van Mekka zich aan deze onderrichtingen onttrekken, zeg:
Ik kondig u eene plotselinge vernietiging aan, zooals de vernietiging
van Ad en Thamoed. 13. Toen de profeten tot hen kwamen, voor hen en
achter hen [1897], zeggende: Vereert God alleen, antwoordden zij:
Indien het onzen Heer zou hebben behaagd, gezanten af te vaardigen,
zou hij zeker engelen hebben gezonden, en wij gelooven de zending
niet, waarmede gij zijt belast. 14. Wat den stam Ad betreft, zij
gedroegen zich, zonder reden, onbeschaamd op de aarde en zeiden:
Wie is machtiger dan wij in sterkte? Zagen zij niet dat God, die hen
geschapen heeft, machtiger dan zij in sterkte was? En zij verwierpen
onze teekenen met voordacht! 15. Daarom deden wij een fellen wind
van ongeluk tegen hen opsteken [1898], opdat wij hun de straf der
schande in deze wereld zouden doen proeven; maar de straf van het
volgende leven zal nog schandelijker wezen, en zij zullen daartegen
niet worden beschermd. 16. En wat Thamoed betreft wij leidden hen,
maar zij beminden de blindheid meer dan de ware richting; daarom
overviel hen het vreeselijk gedruisch van eene schandelijke straf,
om hetgeen zij hadden verdiend. 17. Maar wij bevrijdden hen die
geloofden en God vreesden [1899]. 18. En waarschuw hen voor den dag,
waarop de vijanden van God in het hellevuur bijeenverzameld zullen
worden, en in onderscheiden scharen zullen optrekken. 19. Totdat,
wanneer zij daar zullen aangekomen zijn, hunne ooren, hunne oogen en
hunne huiden getuigenis tegen hen zullen afleggen, van datgene wat
zij verricht zullen hebben. 20. En zij zullen tot hunne huiden zeggen:
Waarom legt gij getuigenis tegen ons af? Deze zullen antwoorden: God
heeft ons doen spreken; hij die de spraak schenkt aan alle wezens, hij
schiep u eens, en tot hem zijt gij teruggekeerd. 21. Gij kondt u niet
verbergen terwijl gij zondigdet, opdat uwe ooren en uwe oogen en uwe
huiden geene getuigenis tegen u konden afleggen [1900]; maar gij dacht,
dat God onbekend was met vele dingen welke gij deedt. 22. Dit was
uwe meening welke gij van uwen Heer uitdacht; dit heeft u ten gronde
gericht, en gij zijt verloren. 23. Laten zij hunne marteling verdragen:
het hellevuur zal hun verblijf zijn. Ofschoon zij om genade smeeken,
zullen zij die niet erlangen. 24. En wij zullen hun de duivels tot
onafscheidbare makkers geven, die hun valsche denkbeelden voorstelden,
welke zij nopens deze tegenwoordige wereld en de volgende voedden; en
voor hen is het vonnis juist passend, dat vroeger werd uitgesproken
over de volkeren van geniussen en menschen die voor hen waren, en
waardoor zij ten gronde gingen. 25. De ongeloovigen zeggen: Luister
niet naar dezen Koran, maar voer ijdele gesprekken bij de lezing
daarvan, opdat gij de stem van den lezer, door uwe spotternijen en uw
lachen, bedekt. 26. Daarom zullen wij de ongeloovigen zekerlijk eene
gestrenge straf doen ondergaan. 27. En wij zullen zekerlijk het booze
vergelden, dat zij bedreven zullen hebben. 28. Dit zal de vergelding
van Gods vijanden zijn; namelijk het hellevuur; daarin is voor hen
een eeuwigdurend verblijf gereed gemaakt, als eene vergelding, wegens
het voorbedachtelijk verwerpen onzer teekenen. 29. En de ongeloovigen
zullen in de hel gillen: O Heer! toon ons degenen der geniussen en
menschen [1901], die ons hebben verleid, en wij zullen hen onder
onze voeten werpen, opdat zij vernederd en veracht worden. 30. Wat
hen betreft die zeggen: Onze Heer is God, en zij die zich oprechtelijk
gedragen, de engelen zullen tot hen nederdalen [1902] en zeggen: Vreest
niet, en treurt ook niet; maar verheugt u in de hoop van het paradijs,
dat u is beloofd. 31. Wij zijn uwe vrienden in dit leven, en in datgene
wat komen zal; daarin zult gij hebben, wat uwe zielen zullen begeeren,
alles wat gij zult verlangen. 32. Daarin zult gij alles verkrijgen,
waarom gij zult vragen, als een geschenk van den barmhartigen en
genadigen God. 33. Wie spreekt beter dan hij, die tot God noodigt,
rechtvaardigheid uitoefent, en zegt: Ik ben een Moslem? 34. Goed en
kwaad zullen niet gelijk gesteld worden. Vergeld het kwade met goed,
en ziet: de man, die uw vijand was, zal uw beschermer en warmste vriend
worden. 35. Maar niemand zal deze volmaaktheid bereiken, behalve zij,
die lijdzaam zijn; ook zal niemand die bereiken, behalve hij, die met
een zeer gelukkig gemoed begiftigd is. 36. En indien u door Satan
eene slechte ingeving wordt aangeboden, neem dan uwe toevlucht tot
God; want hij is het, die alles ziet en weet. 37. Onder de teekenen
zijner macht zijn de dag en de nacht, de zon en de maan. Vereer de
zon niet, noch de maan, maar vereer God, die haar heeft geschapen,
indien gij hem wilt dienen. 38. Maar indien zij trotschelijk zijnen
dienst versmaden, waarlijk, de engelen die met uwen Heer zijn prijzen
hem nacht en dag, en zijn niet vermoeid. 39. En onder zijne teekenen
is een ander, dat gij het land woest ziet, maar als wij er regen op
nederzenden, wordt het in beweging en gisting gebracht. En hij die
de aarde verkwikt, zal zekerlijk ook de dooden bezielen; want hij is
almachtig. 40. Waarlijk, zij die goddeloos onze teekenen miskennen,
zijn niet voor ons verborgen. Is dus hij beter, die in het hellevuur
zal worden geworpen, of hij die op den dag der opstanding zeker
zal verschijnen? Doet wat gij wilt, maar hij ziet gewis alles
wat gij doet. 41. Waarlijk, zij die niet in de vermaning van den
Koran gelooven, nadat die tot hen is gekomen, zullen eens ontdekt
worden. Zekerlijk, het is een boek van onschatbare waarde. 42. Geene
ijdelheid zal het bereiken, noch van voren noch van achteren [1903];
het is een openbaring van den wijzen God, wiens lof terecht wordt
verkondigd. 43. De ongeloovigen van Mekka zeggen u niets anders,
dan datgene, wat vÛÛr u, tot de profeten werd gezegd; waarlijk, hun
Heer is tot de vergiffenis geneigd, en hij is mede in staat ernstig
te kastijden. 44. Indien wij den Koran in eene vreemde taal hadden
geopenbaard [1904], zouden zij zekerlijk gezegd hebben: Wij zullen
dien niet ontvangen, zoo lang de teekenen daarvan niet duidelijk
zijn uitgelegd. Is dan het boek in eene vreemde taal geschreven,
en de persoon, aan wien het werd gericht een Arabier? Antwoord: Het
is een zekere gids voor hen die gelooven, en een heelmiddel tegen
twijfel en onzekerheid; maar voor hen, die niet gelooven, een zwaar
gehoor in hunne ooren, en het is eene duisternis die hen bedekt, deze
zijn gelijk degenen, die van eene afgelegene plaats worden aangeroepen
[1905]. 45. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes en er rees een
twist over. Indien er vooraf geen besluit van uwen Heer ware uitgegaan,
ten einde den tegenstanders dier openbaring uitstel te verleenen,
waarlijk, dan zou de zaak tusschen hen zijn besloten geworden, door
de vernietiging der ongeloovigen; want zij verkeerden daaromtrent
in een zeer grooten twijfel. 46. Hij die goed doet, verricht dit
ten voordeele zijner eigene ziel, en hij die kwaad bedrijft doet het
tegen zijne ziel; want uw Heer is niet onrechtvaardig omtrent zijne
dienaren. 47. Hem is de kennis van het uur des oordeels voorbehouden,
en er komt geene vrucht uit den knop voort, die haar omwikkeld houdt,
noch ontvangt eene vrouw in hare ingewanden, noch wordt zij van
hare vrucht bevrijd, dan met zijne kennis. Op den dag waarop hij
hen tot zich zal roepen, zeggende: Waar zijn de makkers, welke gij
mij hebt toegeschreven? zullen zij antwoorden: Wij verzekeren u, dat
daar voor geen getuige onder ons is [1906]. 48. En de afgoden, welke
zij te voren aanriepen zullen zich aan hen onttrekken, en zij zullen
bemerken, dat er geen weg zal wezen om te ontkomen. 49. Het vermoeit
den mensch niet, het goede te vragen, maar als het kwade hem overvalt,
vertwijfelt en wanhoopt hij. 50. En indien wij hem onze genade doen
genieten, nadat hem droefenis bereikt, zegt hij zekerlijk: Dit is men
mij schuldig, wegens mijne verdiensten; ik geloof niet, dat het uur des
oordeels ooit zal komen, en indien ik voor mijn Heer word gebracht,
zal ik zeker bij hem den uitnemendsten toestand bereiken. Maar wij
zullen dan aan hen die niet geloofd hebben, datgene verklaren, wat
zij verricht hebben en wij zullen hen zekerlijk de meest gestrenge
straf doen ondergaan. 51. Als wij den mensch gunsten verleenen, wendt
hij zich af en vertrekt, zonder zijnen dank te betuigen: maar als het
kwaad hem bereikt, bidt hij dikwijls. 52. Zeg: Wat denkt gij? Indien
de Koran van God is en gij daaraan niet gelooft, wie zal dan onder eene
grootere dwaling liggen dan hij, die daarvan sterk afwijkt? 53. Hierna
zullen wij hun onze teekenen toonen in de verschillende streken der
aarde en in henzelven, tot dat het hun duidelijk worde, dat dit boek
de waarheid is. Is het u niet toereikend, dat uw Heer getuige is van
alle dingen? 54. Zijn zij niet in twijfel nopens de ontmoeting van
hunnen Heer, bij de opstanding? Omvat hij niet alle dingen?
TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
OVERWEGING. [1907]
Geopenbaard te Mekka [1908]--53 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.