God. 2. Waarlijk, wij hebben u dit boek met waarheid geopenbaard:
dient dus God, en vertoont hun den waren godsdienst. 3. Zijt gij
Gode geen waren godsdienst verschuldigd? 4. Maar wat hen betreft,
die zich andere beschermers naast hem uitkiezen, zeggende: Wij
aanbidden hen alleen, opdat zij ons nader tot God zouden mogen
brengen, waarlijk, God zal tusschen hen richten, nopens hetgeen
waaromtrent zij verschillen. 5. Waarlijk, God zal dengeen niet
richten, die leugenaar of ondankbaar is. 6. Indien God begeerd zou
hebben, een zoon te bezitten, zou hij zeker naar zijn welbehagen
gekozen hebben, uit datgene wat hij geschapen heeft. Maar zoo iets
zij verre van hem! Hij is de eenige, de almachtige God. 7. Hij heeft
de hemelen en de aarde geschapen met waarheid: hij doet den dag door
den nacht opvolgen, en hij doet den nacht door den dag vervangen, en
hij dwingt de zon en de maan hare diensten te volbrengen: ieder van
haar haast zich, een bepaalden tijdkring te voltooien. Is hij niet
de Machtige, de Vergever van zonden? 8. Hij schiep u uit een man,
en vormde daarna uit hem zijne vrouw; en Hij heeft u vier paren vee
[1845] geschonken. Hij vormde u, in de ingewanden uwer moeders door
verschillende, trapsgewijze vormingen [1846], in de de duisternis van
drie sluiers [1847]. Dit is God uw Heer; hem behoort het koninkrijk;
er is geen God buiten hem. Waarom hebt gij u dus van zijne vereering
tot den afgodendienst gewend? 9. Indien gij ondankbaar zijt, waarlijk,
God heeft u niet noodig; doch hij bemint geene ondankbaarheid bij
zijne dienaren; maar indien gij dankbaar zijt, zal hij zich zeer met
u verheugen. Eene beladen ziel zal den last eener andere niet dragen;
daarna zult gij tot uwen Heer wederkeeren, en hij zal u verklaren
wat gij verricht hebt en u dienovereenkomstig beloonen; 10. Want hij
kent de binnenste deelen uwer borsten. 11. Als de droefheid een mensch
overvalt, roept hij zijnen Heer aan en wendt zich tot hem; maar daarna,
als God hem van zijne gunst heeft geschonken, vergeet hij het Wezen,
dat hij te voren heeft aangeroepen, en stelt anderen gelijk met God,
opdat hij de menschen van hunnen weg zou afleiden. Zeg tot zulk een
man: Geniet dit leven in uwe ongetrouwheid voor een korten tijd;
maar hierna zult gij zekerlijk een der bewoners van het hellevuur
zijn. 12. Zal hij, die zich in de uren des nachts aan het gebed
overgeeft, nedergebogen en staande, en die zorg draagt voor het
volgende leven en op de genade van zijn Heer hoopt, behandeld worden
als de goddeloozen? Zeg: Zullen zij, die hunnen plicht kennen en zij,
die dien niet kennen, gelijk staan? Waarlijk alleen de man van verstand
zal gewaarschuwd worden. 13. Zeg: o mijne dienaren, die gelooft! vreest
uwen Heer. Zij, die goed in deze wereld doen, zullen goede belooning in
de volgende ontvangen [1848] en Gods aarde is ruim [1849]. Waarlijk,
zij die met geduld volharden, zullen hunne belooning, zonder maat
ontvangen. 14. Zeg: Mij is bevolen God te vereeren en hem den zuiveren
godsdienst te wijden, en mij is bevolen de eerste Moslem te zijn [1850]
15. Zeg: Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik
mijn Heer ongehoorzaam ben. 16. Zeg: ik vereer God, terwijl ik hem
eenen zuiveren godsdienst wijde. 17. Maar gij aanbidt, buiten hem,
wat gij wilt. Zeg: Waarlijk, zij zullen de verliezers zijn, die op
den dag der opstanding hunne eigene zielen en hunne gezinnen zullen
verliezen; is dit geen duidelijk verlies? 18. Boven hen zullen daken
van vuur, en onder hen vloeren van vuur wezen. Daarmede bedreigt God
zijne dienaren; vreest mij dus, o mijne dienaren! 19. Maar zij, die
de vereering van afgoden vermijden en tot God gewend zijn, zullen
goede tijdingen ontvangen. Breng dus goede tijdingen tot mijne
dienaren, die naar mijn woord luisteren, en volgen wat daarin het
uitnemendst is. Dit zijn degenen die God richt en dat zijn menschen
van verstand. 20. Kunt gij dus hem, o Mahomet! over wien het vonnis
der eeuwige straf rechtvaardig werd uitgesproken, of hem bevrijden,
die bestemd is het hellevuur te bewonen. 21. Maar voor hen, die hunnen
God vreezen, zullen verheven verblijfplaatsen in het paradijs gereed
gemaakt wezen, waarboven andere vertrekken zullen gebouwd zijn, en
onder welke rivieren zullen stroomen. Dit is Gods belofte, en God
zal niet te kort doen aan zijne belofte. 22. Ziet gij niet, dat God
water van den hemel nederzendt en dit in de aarde doet gaan om er
bronnen van te vormen, en daardoor graan (planten) van verschillende
soorten voortbrengt? Daarna doet hij die verdorren, en gij ziet haar
geel worden; en daarna doet hij die tot stof worden. Waarlijk hierin
is eene onderrichting voor mannen van verstand. 23. Zal dus hij,
wiens borst verwijd is, om den godsdienst van den Islam te ontvangen,
en die het licht van zijn Heer volgt, zoo als hij wezen, wiens hart
versteend is omtrent de herdenking van God! Zij verkeeren in eene
duidelijke dwaling. 24. God heeft een uitnemend woord geopenbaard;
een boek, dat overeenkomstig zichzelven is, en herhaalde vermaningen
bevat. De huid van hen die hunnen Heer vreezen, krimpt uit vrees
daarvoor ineen, daarna worden, bij de herdenking van hunnen Heer,
hunne huiden en ook hunne harten zacht. Dit is de leiding van God;
hij wil daardoor leiden wien hem behaagt, en hij, dien God zal doen
dwalen, zal geen leider hebben. 25. Zal dus hij, die op den dag der
opstanding verplicht zal wezen, zich met zijn aangezicht te beschutten
[1851] tegen de gestrengheid der straf, gelijk zijn aan hem, die
daarvoor veilig is? Den goddeloozen zal gezegd worden: Proeft wat
gij hebt verdiend. 26. Zij die vÛÛr hen waren, beschuldigden hunnen
gezanten van bedrog; daarom kwam eene straf op hen, van waar zij het
niet verwachtten. 27. En God vernederde hen in dit leven, maar de straf
van het volgende leven zal zekerlijk grooter wezen. Indien zij mannen
van verstand waren, zouden zij dit weten. 28. Wij hebben den mensch
thans, in dezen Koran, alle soorten van gelijkenissen voorgesteld,
opdat hij gewaarschuwd zou wezen. 29. Een Arabische Koran waarin geen
bochten zijn [1852]; opdat zij God zouden vreezen. 30. God stelt
als eene gelijkenis een man voor, die verscheidene makkers heeft,
welke onder elkander verschillen, en een man die zich geheel aan een
persoon overgeeft [1853]: zullen dezen met elkander gelijk gesteld
worden? Dank den Heere. Neen! Maar het meerendeel hunner begrijpen
niet. 31. Waarlijk, gij, o Mahomet! zult sterven. 32. En gij zult
met elkander daarover, op den dag der opstanding, voor uwen Heer
twisten. 33. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen omtrent
God uitdenkt, en waarheid loochent als die tot hem komt? Bestaat er
dan geene woning in de hel voor de ongeloovigen. 34. Maar hij die
waarheid brengt, en hij die daaraan geloof hecht [1854], dat zijn
zij die God vreezen. 35. Zij zullen alles verkrijgen, wat zij voor het
aangezicht van hunnen Heer ook mogen begeeren; dit zal de belooning der
rechtvaardigen wezen. 36. God zal het slechtste uitwisschen van hetgeen
zij hebben bedreven, en zal hun hunne belooning geven, overeenkomstig
de uiterste verdiensten van het goede, dat zij gedaan zullen
hebben. 37. Is God geen toereikend beschermer van zijn dienaar? Zij
zullen nog trachten u bevreesd te maken voor de valsche godheden
welke zij nevens God aanbidden [1855]. Maar hij, wien God doet dwalen,
zal niemand hebben om hem te leiden. 38. En hij, die door God gericht
wordt, zal door niemand kunnen misleid worden. Is God niet machtig,
en in staat te wreken? Indien gij hun vraagt, wie de hemelen en de
aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden: God. 39. Zeg:
Denkt gij dus, dat de godheden, die gij naast God aanroept, in
staat zijn, mij van zijne bezoeking te verlossen, indien het Gode
behaagt mij te bezoeken? of dat zij in staat zijn, zijne genade te
weerhouden, indien het hem behaagt mij genade te betoonen? Zeg: God
is mijn toereikende ondersteuner; laten zij in hem hun vertrouwen
stellen, die dat in niemand trachten te plaatsen. 40. Zeg: O mijn,
volk! handelt gij overeenkomstig uw vermogen; waarlijk, ik zal
handelen overeenkomstig het mijne. 41. Hierna zult gij weten aan
wien van ons eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte
bedekken, en op wien eene zware straf nederkomen zal. 42. Waarlijk,
wij hebben u het boek van den Koran, tot onderrichting van den mensch,
in waarheid geopenbaard. Wie daardoor gericht zal worden, zal gericht
zijn ten voordeele zijner eigene ziel, en wie dwalen zal, zal slechts
tegen zijne ziel dwalen; en gij zijt geen bewaker van hen. 43. God
neemt de zielen der menschen, op den tijd van hunnen dood tot zich
en ook van hen, die niet sterven, neemt hij de ziel in hunnen slaap
[1856], en hij onthoudt haar hun, omtrent welke hij het besluit
des doods heeft genomen [1857]; maar hij zendt de overigen tot een
bepaald tijdperk terug [1858]. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen
die overwegen. 44. Hebben de KoreÔshieten afgoden genomen tot hunne
tusschenpersonen bij God? Zeg: Wat! niettegenstaande deze geene macht
over iets bezitten, noch verstand bezitten. 45. Zeg: Tusschentreding
is geheel in Gods bestiering [1859]: hem is het koninkrijk van hemel
en aarde, en hierna zult gij tot hem terugkeeren. 46. Als de eenige
God wordt vermeld, krimpt het hart van spijt ineen van hen, die niet
in het volgende leven gelooven; maar als de valsche goden, die naast
hem vereerd worden, vermeld worden, ziet, dan zijn zij met vreugde
vervuld. 47. Zeg: O God! schepper van hemel en aarde, die weet wat
geheim en wat duidelijk is, gij zult tusschen uwe dienaren richten
nopens datgene waaromtrent zij verschillen. 48. Indien zij, die
onrechtvaardig handelen, meesters waren van alles wat op de aarde is
en nog meer daarenboven, waarlijk, zij zouden het geven om zich zelven
los te koopen, van de smart der straf op den dag der opstanding, en
daar zullen hun, van God verschrikkingen verschijnen, welke zij zich
nimmer konden verbeelden. 49. En daar zullen hun hunne booze daden
duidelijk verschijnen, en datgene, waarover zij gespot hebben, zal hen
omringen. 50. Als de mensch door droefheid wordt getroffen, roept hij
ons aan, doch daarna, als wij hem van onze gunst hebben geschonken,
zegt hij: ik heb het alleen ontvangen wegens Gods bekendheid met mijne
verdiensten [1860]. Integendeel, het is eene proef; maar het meerendeel
hunner weet het niet. 51. Zij die vÛÛr hen waren, zeiden hetzelfde
[1861]; maar datgene wat zij gewonnen hebben, is hun niet van voordeel,
en het booze, dat zij hebben bedreven, valt op hen. 52. En al wie van
Mekka's bewoners onrechtvaardig zal hebben gehandeld, op dien zullen
eveneens de booze daden vallen, welke zij verdiend hebben, [1862];
nimmer zullen zij de goddelijke wraak verijdelen. 53. Weten zij niet,
dat God zijnen voorraad overvloedig besteedt aan wien hem behaagt,
en dat hij spaarzaam is naar zijn welbehagen? Waarlijk, hierin zijn
teekenen voor hen die gelooven. 54. Zeg: O mijne dienaren! die tegen
uwe eigene zielen hebt gezondigd, wanhoopt niet omtrent Gods genade;
gij weet dat God alle zonden vergeeft [1863]; want hij is genadig en
barmhartig. 55. En weest tot uwen Heer gekeerd en onderwerpt u aan hem,
voor de bedreigde straf u overvalle; want dan zult gij niet geholpen
worden. 56. En volgt de uitmuntendste onderrichtingen, die u van
uwen Heer zijn nedergezonden, alvorens de straf plotseling op u
nederkome, en gij de nadering daarvan niet bemerkt. 57. En eene
ziel zegt, helaas! Ik was zorgeloos omtrent mijn plicht nopens God;
waarlijk, ik was een spotter. 58. Of die zegt: Indien God mij zou
geleid hebben, waarlijk, dan ware ik een vrome geweest. 59. Of die
zegt, op het zien der gereedgemaakte straf: indien ik nog eens in de
wereld kon terugkeeren, zou ik een rechtvaardige worden. 60. Maar God
zal antwoorden: Mijne teekens kwamen vroeger tot u, en gij hebt die
van valschheid beschuldigd; gij waart opgeblazen door trotschheid
en werd een ongeloovige. 61. Op den dag der opstanding zult gij de
aangezichten van hen, die leugens omtrent God hebben uitgedacht,
zwart zien worden. Is er geen verblijf voor de laatdunkenden in de
hel gereed gemaakt? 62. Maar God zal degenen bevrijden die hem zullen
vreezen, en hen in hunne plaats van veiligheid leiden: het kwaad zal
hen niet bereiken en zij zullen niet bedroefd worden. 63. God is de
schepper van alle dingen, en hij is de beheerscher van alle dingen. Hem
behooren de sleutels van hemel en aarde; en zij die niet in de teekens
van God gelooven, zullen te gronde gaan. 64. Zeg: Gebiedt gij mij
daarom iets anders dan God te aanbidden, gij dwazen? 65. Nadat het u
door openbaring is gezegd, en ook tot de profeten die vÛÛr u waren,
zeggende: Waarlijk, indien gij deelgenooten met God vereenigt, zullen
al uwe werken zonder eenig nut wezen, en gij zult zekerlijk een van
hen zijn, die te gronde gaan. 66. Vreest dus veeleer God, en weest
dankbaar. 67. Maar zij schatten God niet op de juiste waarde, terwijl
de geheele aarde op den dag der opstanding, slechts eene handvol
voor hem zal uitmaken, en de hemelen in zijne rechterhand ineengerold
zullen worden. Geloofd zij hij, en verre verheven boven de afgoden,
welke zij met hem vereenigen! 68. Eene trompet zal geblazen worden
[1864], en allen die in den hemel en op aarde zijn, behalve zij,
omtrent welke het Gode zal behagen, hen van het algemeene lot uit te
zonderen [1865], zullen den geest geven. Daarna zal nog eens geblazen
worden, en ziet, zij zullen verrijzen en opzien. 69. En de aarde zal
schitteren door het licht van haren Heer, en het boek zal opengelegd
worden, en de profeten en martelaren zullen als getuige worden
gebracht; en er zal met waarheid tusschen hen worden geoordeeld;
en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 70. En iedere
ziel zal ten volle worden beloond, overeenkomstig hetgeen zij zal
hebben verricht; want hij weet volkomen wat zij doen. 71. En de
ongeloovigen zullen bij scharen in de hel worden gedreven, totdat,
als zij daar zullen aankomen, hare poorten zullen worden geopend, en
de bewaarders daarvan zullen tot hen zeggen: Kwamen geene gezanten
uit uw midden tot u, die de teekens van uwen Heer herinnerden, en
u voor de ontmoeting van dezen uwen dag waarschuwden. Zij zullen
antwoorden: Ja; maar het vonnis van eeuwige straf is rechtvaardig
over de ongeloovigen uitgesproken [1866]. 72. Men zal tot hen zeggen:
Treedt de poorten der hel binnen, om daarin voor eeuwig te wonen,
en ellendig zal het verblijf der trotschen zijn! 73. Maar zij, die
hunnen Heer hebben gevreesd, zullen bij scharen naar het paradijs
worden geleid, tot zij daar zullen aankomen; en de poorten daarvan
zullen dadelijk worden opengezet, en de wachten daarvan zullen tot
hen zeggen: Vrede zij op u! gij waart goed: treedt dus het paradijs
binnen, ten einde daar voor eeuwig te verblijven. 74. En zij zullen
antwoorden: Geloofd zij God, die zijne belofte heeft vervuld en ons
de aarde heeft doen erven [1867], opdat wij in het paradijs zouden
wonen, waar het ons behaagt. Hoe uitmuntend is de belooning van hen,
die rechtvaardigheid uitoefenen! 75. En gij zult de engelen zien,
gaande in optocht om den troon, den lof van hunnen Heer verkondigende,
en er zal met waarheid tusschen hen worden geoordeeld, en zij zullen
zeggen: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE WARE GELOOVIGE [1868].
Geopenbaard te Mekka--85 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.