bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden. 3. En bij hen,
die den Koran lezen als eene vermaning, 4. Waarlijk, uw Heer is
eenig. 5. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is,
en de Heer van het Oosten [1790]. 6. Wij hebben den ondersten hemel
met het versiersel der sterrren getooid. 7. En wij hebben daarin een
wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst. 8. Opdat zij
niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden
van alle zijden bestormd), 9. En eene zware marteling is voor hen
gereed gemaakt. 10. Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt,
en door eene vlammende schicht wordt getroffen [1791]. 11. Vraag
daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan
de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van
harde klei geschapen. 12. Gij verbaast u over Gods macht en hunne
weÍrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke
aangevoerd worden om hen te overtuigen. 13. Als zij gewaarschuwd
worden, nemen zij geene waarschuwing aan. 14. En als zij iets
zien, spotten zij er mede. 15. En zeggen: Dit is niet anders dan
duidelijke tooverij. 16. Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en
beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden
opgewekt. 17. En onze voorvaderen ook? 18. Antwoord: Ja! en dan zult
gij veracht wezen. 19. Er zal slechts eenmaal op de trompet worden
geblazen, en zij zullen rond zien. 20. En zullen zeggen: Wee over
ons! Dit is de dag des oordeels. 21. Dit is de dag der onderscheiding
tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen
verwerpt. 22. Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld
en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden. 23. Naast God, en
leidt hen op den weg der hel. 24. En plaats hen voor Gods vierschaar;
want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen. 25. Wat
deert u, dat gij elkander niet verdedigt? 26. Maar op dien dag
zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen. 27. En zij zullen
elkander naderen en onder elkander twisten. 28. En de verleiden
zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt
tot ons met voorspellingen van voorspoed. 29. En de verleiders zullen
antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen; want wij
hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig
gezondigd. 30. Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over
ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven. 31. Wij
verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven. 32. Zij zullen op
dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn. 33. Zoo
zullen wij met de zondaren handelen; 34. Want toen er tot hen werd
gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op
met hoogmoed. 35. En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten
dichter verlaten? 36. Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis
af voor de vroegere gezanten. 37. Gij zult zekerlijk de pijnlijke
martelingen der hel proeven. 38. En gij zult niet vergolden worden,
dan overeenkomstig uwe werken. 39. Maar wat de oprechte dienaren Gods
betreft. 40. Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:
41. Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geÎerd worden. 42. Zij
zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden. 43. Leunende in
tegenover elkander geplaatste zetels [1792]. 44. Een beker zal
onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;
45. Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken. 46 Het
zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd
worden. 47. En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen,
hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende,
hebbende groote, zwarte oogen, en gelijkende op de eieren van een
struisvogel, zorgvol met vederen bedekt [1793]. 48. En zij zullen
zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen. 49. En een van
hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik
op de wereld leefde. 50. Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die
de waarheid der opstanding betuigen? 51. Nadat wij dood zullen zijn,
en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk
worden geoordeeld? 52. Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt
gij nederzien? 53. En zij zullen nederzien en hem in het midden der
hel ontwaren. 54. En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak
weinig aan, of gij hadt mij verdorven. 55. En was het niet door de
genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling
overgeleverd geworden. 56. Zullen wij een anderen dan onzen eersten
dood sterven? 57. Of ondergaan wij eenige straf? 58. Waarlijk,
wij genieten eene groote gelukzaligheid. 59. Laten de arbeiders
arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven. 60. Is dit
een beter onthaal, of de boom van al Zakkum? [1794] 61. Waarlijk,
wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de
onrechtvaardigen [1795] 62. Het is een boom die aan den bodem der
hel ontspruit. 63. De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van
duivelen [1796]. 64. De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne
buiken daarmede vullen. 65 Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en
kokend water te drinken worden gegeven. 66. Daarna zullen zij in de
hel terugkeeren. 67. Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren
[1797]. 68. En zij traden haastig in hunne voetstappen; 69. Want
het meerendeel der oude volken dwaalden vÛÛr hen. 70. Wij zonden
vroeger waarschuwers tot hen; 71. Maar zie hoe ellendig het einde
was van degenen, die gewaarschuwd werden. 72. En die niet onze
oprechte dienaren waren. 73. Noach riep ons in vroegere dagen aan,
en wij verhoorden hem genadiglijk. 74. En wij bevrijdden hem en zijn
gezin uit de groote ellende. 75. Wij deden zijne nakomelingschap
den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken. 76. En wij lieten
hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:
77. Vrede zij op Noach onder alle schepselen! 78. Zoo beloonen wij
de rechtvaardigen. 79. Want hij was een van onze dienaren, de ware
geloovigen. 80. Daarna verdronken wij de anderen. 81. Abraham was
mede van zijnen godsdienst [1798]; 82. Toen hij met een volkomen
hart tot zijn Heer kwam. 83 Toen hij tot zijn vader en zijn volk
zeide: Wat vreest gij? 84. Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven
den waren God? 85. Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller
schepselen? 86. En hij beschouwde de sterren. 87. En zeide: Waarlijk,
ik zal ziek wezen [1799] en niet bij uwe offeringen tegenwoordig
zijn. 88. En zij keerden zich af en verlieten hem [1800]. 89. En
Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende
tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet? 90. Wat
deert u, dat gij niet spreekt? 91. En hij keerde zich tot hen,
en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen. 92. En zijn
volk kwam haastig tot hem. 93. Hij zeide: Aanbidt gij de beelden
die gij zelven snijdt? 94. Terwijl God u heeft geschapen en ook
datgene wat gij maakt. 95. Zij zeiden: Richt een brandstapel voor
hem op en werp hem in het gloeiende vuur. En zij smeedden eene list
tegen hem. 96. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden
hem [1801]. 97. En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer
[1802], die mij zal richten. 98. O Heer! geef mij eene rechtvaardige
nakomelingschap. 99. Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon
zou bekomen, die een zachten aard zou hebben. 100. En toen hij den
ouderdom der jongelingschap had bereikt [1803], en zich met hem in de
verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. 101. Zeide Abraham
tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als
eene offerande zoude aanbieden [1804]. overweeg dus wat gij meent,
dat ik zal doen. 102 Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen
werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam
zal ondergaan. 103. En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil
hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had
gelegd [1805]. 104. Riepen wij hem toe: O Abraham! 105. Gij hebt aan
uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 106. Waarlijk,
dit was eene duidelijke proef. 107. En wij losten zijn zoon met een
edel slachtoffer uit. 108. En wij lieten hem de volgende groete
door de verste nakomelingschap bewaren; 109. Namelijk: Vrede zij
op Abraham! 110. Zoo beloonen wij den rechtvaardige; 111. Want
hij was een onzer geloovige dienaren. 112. Wij verblijdden hem
met de belofte van Iza‰k, een rechtvaardigen profeet. 113. En wij
zegenden hem en Iza‰k; en onder hunne nakomelingschap waren eenige
rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen
nadeel toebrachten. 114. Wij waren ook vroeger genadig omtrent
Mozes en A‰ron. 115. En wij bevrijdden hen en hun volk van eene
groote ellende. 116. Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren,
en zij werden overwinnaars. 117. Wij gaven hun het duidelijke
boek der wet. 118. Wij leidden hen op den rechten weg. 119. En
wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor
hen bewaren; 120. Namelijk: Vrede zij op Mozes en A‰ron! 121. Zoo
beloonen wij de rechtvaardigen. 122. Want zij waren twee onzer
geloovige dienaren. 123. En Elias [1806] was mede een dergenen,
die door ons werden gezonden. 124. Toen hij tot zijn volk zeide:
Vreest gij God niet? 125. Roept gij Baal aan, en verzaakt gij
den uitmuntendsten schepper? 126. God is uw Heer en de Heer uwer
voorvaderen. 127. Maar zij beschuldigden hem van bedrog. 128. Weshalve
zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de
oprechte dienaren Gods 129. En wij lieten de volgende groete door de
verste nakomelingschap voor hem bewaren. 130. Namelijk: Vrede zij op
Ilyasin [1807]! 131. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 132. Want hij
was een onzer geloovige dienaren. 133. En Lot was mede een dergenen,
die door ons werden gezonden. 134. Toen wij hem en zijn geheel gezin
bevrijden. 135. Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam
met hen die achterbleven. 136. Daarna verdelgden wij de anderen
[1808]. 137. En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij
waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist. 138. En des
nachts. Zult gij dan niet begrijpen? 139. Jonas was mede een dergenen
die door ons werden gezonden [1809]. 140. Toen hij in een geladen
schip vluchtte [1810]. 141. En zij die aan boord waren, lootten onder
elkander en hij werd veroordeeld [1811]. 142. En de visch verzwolg
hem; want hij had eene bestraffing verdiend. 143 En indien hij
niet eene ware geweest van hen die God loven [1812]. 144. Waarlijk,
dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den
visch gebleven. 145. En wij wierpen hem op het naakte strand,
en hij was ziek [1813]. 146. Wij deden een pompoenplant [1814]
over hem heen groeien. 147. Wij zonden hem daarna tot een volk van
honderdduizend zielen of meer. 148. En zij geloofden: daarom lieten
wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten. 149. Vraag aan de
bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben
[1815]? 150. Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht
geschapen, en waren zij er getuigen van? 151. Zeggen zij niet, volgens
hunne eigene, valsche uitvinding: 152. God heeft eene nakomelingschap
gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars? 153. Heeft hij bij
voorkeur dochters boven zonen verkozen? 154. Gij hebt geene reden
aldus te oordeelen. 155. Wilt gij dus niet vermaand wezen? 156. Of
hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt? 157. Brengt
thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid
spreekt. 158. En zij maken hem tot een verwante der geniussen [1816],
terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart,
aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd. 159. (God is verheven,
boven datgene wat zij nopens hem verklaren): 160. Maar niet Gods
oprechte dienaren. 161. Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
162. Zullen niemand nopens God verleiden. 163. Behalve hem die
bestemd is om in de hel verbrand te worden. 164. Er is niemand van
ons, of hij heeft een bestemde plaats. 165. Wij scharen ons in orde,
166. Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken
lof [1817]. 167. De ongeloovigen zeiden: 168. Indien wij door een
boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van
diegene welke aan de ouden werden geschonken. 169. Zouden wij zeker
oprechte dienaren Gods zijn geweest; 170. Maar thans, nu de Koran is
geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij
het gevolg van hun ongeloof kennen. 171. Ons woord werd vroeger aan
onze dienaren, de gezanten, gegeven. 172. Dat zij zekerlijk tegen de
ongeloovigen zouden ondersteund worden, 173. En dat onze legers de
overwinning zouden behalen. 174. Wend u dus gedurende eenen tijd van
hen af. 175. En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen
uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien. 176. Trachten
zij daarom onze wraak te verhaasten? 177. Waarlijk, wanneer die in
hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend
zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd. 178. Wend u dus
voor eenigen tijd van hen af. 179. Hierna zullen zij uwe overwinning
en hunne straf ontwaren. 180. Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre
verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren! 181. Vrede zij op
zijne gezanten. 182. En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
S.
Geopenbaard te Mekka.--88 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
S [1818]. 1. Ik zweer bij den Koran, gevuld met
waarschuwingen. Waarlijk, de ongeloovigen zijn verkleefd aan
trotschheid en twist. 2. Hoevele geslachten hebben wij voor hen
verdelgd en zij riepen om genade; maar het was geen tijd meer om aan
de straf te ontkomen. 3. Zij zijn verbaasd, dat een uit hen geboren
waarschuwer tot hen is gekomen. En de ongeloovigen zeggen: Deze man
is een toovenaar en een leugenaar. 4. Verklaart hij dat de goden ÈÈn
God zijn? Waarlijk dit is eene zonderlinge zaak. 5. En de voornaamste
lieden onder hen vertrokken [1819], zeggende tot elkander: Gaat en
volhardt in de vereering uwer goden, waarlijk; u er van af te trekken
is de bedoelde zaak [1820]. 6. Wij hebben niet van zoo iets in den
laatsten godsdienst gehoord. [1821]. Dit is niets dan eene valsche
uitvinding. 7. Werd hem bij voorkeur boven een ander onzer eene
waarschuwing nedergezonden? Waarlijk, zij verkeeren in eene dwaling
omtrent mijne waarschuwing; doch zij hebben mijne wraak nog niet
geproefd. 8. Zijn de schatten der genade van uwen Heer, den Machtige,
den Milddadige, in hunne handen? 9. Is het koninkrijk der hemelen en
der aarde, en van hetgeen er tusschen is, in hun bezit? Indien dit zoo
is, laat het dan met ladders (touwen) ten hemel opstijgen. 10. Maar
hunne legers, hoe talrijk die ook mochten zijn, zullen op de vlucht
gejaagd worden. 11. Het volk van Noach, de stam van Ad en Pharao,
de bezitter der staken [1822] beschuldigden, voor hen, de profeten
van bedrog. 12. Ook de stam van Thamoed en het volk van Lot, en
de bewoners van het woud nabij Madian [1823] deden dit en waren de
bondgenooten tegen Gods gezanten. 13. Zij allen deden niet anders,
dan hunne gezanten van valschheid beschuldigen, waardoor mijne wraak
rechtvaardig op hen werd uitgeoefend. 14. En deze wachten slechts
op een klank der trompet, die niet uitgesteld zal worden. 15. En
zij zeggen spottende: O Heer! geef ons ons deel voor den dag der
rekenschap. 16. Verdraag geduldig wat zij bedrijven en herinner hen
onzen dienaar David, die met sterkte [1824] begaafd was; want hij was
iemand, die zich ernstig tot God wendde. 17. Wij dwongen de bergen,
onzen lof met hem te verkondigen, des avonds en bij het opgaan
der zon; 18. Alsook de vogelen die zich tot hem verzamelen [1825],
en die allen dikwijls met dat doel bij hem terug keerden. 19. Wij
stichten zijn koninkrijk, en wij gaven hem wijsheid en welsprekendheid
van woorden. 20. Is het verhaal der twee twistende [1826] tot uwe
kennis gekomen, toen zij, over den muur, in de bovenste vertrekken
kwamen? 21. Toen zij tot David binnenkwamen, en hij bevreesd voor
hen was [1827], zeiden zij: Vrees niet, wij zijn twee tegenstanders,
die een twist met elkander te beslechten hebben. De een van ons heeft
den ander nadeel toegebracht: richt dus tusschen ons met waarheid:
wees niet onrechtvaardig en leid ons op den rechten weg. 22. Deze,
mijn broeder heeft negenennegentig schapen, en ik had slechts eene
ooi, en hij zeide: Geef mij die, om ze te houden, en hij overwon
mij in den twist, dien wij te zamen hadden. 23. David antwoordde:
Waarlijk hij heeft u slecht behandeld, door u uwe ooi te vragen,
als eene bijvoeging tot zijne eigen schapen; en velen van hen, die
eene zaak met elkander hebben, benadeelen elkander, behalve zij,
die gelooven en doen wat rechtvaardig is. Maar hoe weinigen zijn
dat! En David bemerkte, dat wij hem door deze gelijkenis hadden
beproefd, en hij vroeg vergiffenis van zijn Heer; hij viel neder,
boog zich en betoonde berouw [1828]. 24. Daarom vergaven wij hem
zijne fout, en hij zal toegelaten worden om ons te naderen, en hij
zal eene uitmuntende verblijfplaats in het paradijs hebben. 25. O
David! wij hebben u aangewezen, als een uitverkoren vorst op de aarde;
oordeel dus tusschen de menschen met waarheid, en volg niet uw eigen
hartstocht, opdat hij u niet van Gods weg doe afdwalen; want zij die
van Gods weg afdwalen, zullen eene ernstige straf ondergaan, dewijl
zij den dag van hulp hebben vergeten. 26. Wij hebben de hemelen
en de aarde en wat daartusschen is, niet in ijdelheid geschapen
[1829]. Dit is het oordeel der ongeloovigen; maar wee over hen, die
niet gelooven, hun deel is het hellevuur. 27. Zullen wij met hen,
die gelooven en goede werken verrichten, evenzoo doen, als met hen,
die verderfelijk op aarde handelen? Zullen wij met den vrome even als
met den zondaar handelen? 28. O Mahomet! wij hebben u een gezegend boek
nedergezonden, opdat gij aandachtig over de teekenen daarvan zoudt
nadenken, en de met verstand begiftigde menschen gewaarschuwd zouden
mogen wezen. 29. En wij gaven aan David Salomo. Welk een uitmuntende
dienaar! want hij wendde zich dikwijls tot den Heer. 30. Toen de
paarden, staande op drie pooten, en den grond met den kant van den
vierden poot aanrakende en vlug in hunnen loop, des avonds voor hem
werden ten toon gesteld [1830]. 31. Zeide hij: Waarlijk, ik heb de
liefde der aardsche goederen bemind, boven de herdenking van mijn
Heer, en heb den tijd besteed aan het beschouwen dezer paarden,
terwijl de zon door den sluier des nachts is verborgen; breng de
paarden weder voor mij. 32. En toen zij teruggebracht waren, begon
hij hunne pooten en halzen af te snijden. 33. Ook beproefden wij
Salomo, en plaatsten een nagebootst (misvormd) lichaam op zijn troon
[1831]. Daarna wendde hij zich tot God. 34. En zeide: O Heer! vergeef
mij en mijn koninkrijk, dat door niemand na mij zal worden verkregen;
want gij zijt de schenker van koninkrijken. 35. En wij onderwierpen
den wind aan hem, die op zijn bevel zachtjes heengleed, werwaarts wij
dien richtten. 36. En wij onderwierpen hem ook de duivels en, onder
deze, degenen die behendig waren in het bouwen en van het duiken naar
parelen. 37. En wij leverden hem anderen over, die geketend waren,
zeggende: 38. Dit is ons geschenk; wees dus mild, of wees spaarzaam
tegenover wien gij dit geschikt zult oordeelen [1832], zonder daarvan
rekenschap af te leggen. 39. En hij zal ons naderen, en een heerlijk
verblijf in het paradijs hebben. 40. En gedenk onzen dienaar Job
[1833], toen hij tot zijnen Heer riep, zeggende: Waarlijk, Satan
heeft mij met rampen en pijn bedroefd. 41. En er werd tot hem
gezegd: Strijk de aarde met uwen voet; en toen hij dit had gedaan,
ontsprong er eene fontein, en er werd tot hem gezegd: Dit is voor u,
om u er mede te wasschen, te verfrisschen en om te drinken. 42. En
wij gaven hem zijn gezin terug, en nog eens zooveel bovendien,
door onze genade. 43. En wij zeiden tot hem: Neem een handvol
(of bundel) [1834] in uwe hand en sla er uwe vrouw mede [1835],
en breek uwen eed niet [1836]. Waarlijk, wij bevonden, dat hij een
geduldig persoon was. 44. Welk een uitmuntend dienaar was hij: want
hij was iemand, die zich dikwijls tot ons wendde. 45. Gedenk ook
onze dienaren Abraham, Iza‰k en Jacob, die dappere en voorzichtige
menschen waren. 46. Waarlijk, wij zuiverden hen met eene volkomene
zuivering, door de herdenking van het volgende leven. 47. En zij
waren goede menschen en voor ons aangezicht uitverkoren. 48. En
gedenk IsraÎl, en Elisha [1837] en Dhoe'lkefl [1838]: want deze
allen waren goede menschen. 49. Dit is eene vermaning. Waarlijk, de
vromen zullen eene uitnemende plaats hebben, om er terug te keeren;
50. Namelijk, tuinen van eeuwig verblijf, waarvan de ingangen voor
hen zullen openstaan. 51. Als zij daarin nederliggen, zullen zij er
verschillende soorten vruchten en dranken vinden. 52. En nabij hen
zullen de maagden van het paradijs zitten, hare blikken van ieder
afwendende; behalve van hare bruidegommen, van gelijken ouderdom als
zij [1839]. 53. Dit is, wat u vÛÛr den dag der rekenschap beloofd
werd. 54. Dit is onze overvloed, die niet falen zal. 55. Dit zal
de belooning der rechtvaardigen wezen. Maar voor de zondaren is
eene slechte schuilplaats gereed gemaakt; 56. Namelijk de hel:
zij zullen daarin geroepen worden om verbrand te worden, en dat zal
eene ellendige rustplaats wezen; 57. Proef dit, zal men hun zeggen;
namelijk kokend water en het bedorven vocht, dat uit de lijken der
verdoemden vloeit. 58 En verschillende andere dingen van dezelfde
soort. 59. En er zal tot de verleiders gezegd worden: Deze schaar,
die door u werd geleid, zal te zamen met u, van boven neder in de
hel geworpen worden. Zij zullen niet verwelkomd worden; want zij
zullen het vuur binnengaan om verbrand te worden. 60. En de verleiden
zullen tot hunne verleiders zeggen: Waarlijk, gij zult niet verwelkomd
worden; gij hebt deze kastijding over ons gebracht, en de hel is een
ellendig verblijf! 61. Zij zullen zeggen: O Heer! verdubbel in het
hellevuur de marteling van hen, die deze straf over ons gebracht
hebben. 62. En de ongeloovigen zullen zeggen: Waarom zien wij de
menschen niet, welke wij onder de zondaren telden. 63. En die wij met
spot ontvingen? Of missen onze oogen hen? 64. Inderdaad, dat is eene
waarheid; namelijk de twist onder de bewoners van het hellevuur. 65. O
Mahomet! zeg tot de afgodendienaars. Waarlijk, ik ben slechts een
waarschuwer, en er is geen god, buiten den eenen, eenigen God, den
Almachtige. 66. Den Heer van hemel en aarde en alles wat daartusschen
is, den Machtige, den Vergever van zonden. 67. Zeg: het is eene
gewichtige zending. 68. Waarvan gij u afwendt. 69. Ik had geene kennis
van de verheven vorsten [1840], toen zij omtrent de schepping van den
mensch twistten. 70. (Het werd mij slechts geopenbaard als een bewijs,
dat ik een openbaar prediker was); 71. Toen uw Heer tot de engelen
zeide: Ik zal den mensch van klei scheppen. 72. Als ik hem geschapen,
en hem mijn geest zal hebben ingeblazen, valt gij voor hem neder,
en aanbidt hem [1841]. 73. En al de engelen vereerden hem in het
algemeen. 74. Behalve Eblis, die door hoogmoed was opgeblazen en een
ongeloovige werd. 75. God zeide tot hem: O Eblis! wat verhindert u,
datgeene te vereeren, wat ik met mijne handen heb geschapen. 76. Zijt
gij opgeblazen door ijdele trotschheid? of zijt gij werkelijk iemand
van verheven verdienste? 77. Hij antwoordde: Ik ben uitnemender
dan hij. Gij hebt mij van vuur geschapen, en hem hebt gij van klei
gemaakt. 78. God zeide tot hem: Ga dus weg van hier; want gij zult
van de genade verdreven (gesteenigd) worden. 79. En mijn vloek zal
op u rusten, tot den dag des oordeels. 80. Hij hernam: O Heer! geef
mij uitstel tot den dag der opstanding. 81. God zeide: Waarlijk,
gij zult een van hen zijn, die uitstel zullen ontvangen. 82. Tot den
dag van den bepaalden tijd. 83. Eblis zeide: Ik zweer bij uw macht,
dat ik hen allen zal verleiden. 84. Behalve uwe dienaren, die bijzonder
onder hen gekozen zullen worden. 85. God zeide: Het is een rechtvaardig
vonnis, en ik spreek de waarheid; ik zal zekerlijk de hel met u vullen,
en met dezulken die u volgen; allen te zamen [1842]. 86. Zeg tot de
bewoners van Mekka: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze
mijne prediking, noch ben ik een van hen, die zich meester maken van
een deel van datgene wat hun niet toebehoort. 87. De Koran is niets
anders dan een vermaning aan alle schepselen. 88. En na een zekeren
tijd zult gij zekerlijk weten, wat van het daarin geschonkene, waar is.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE SCHAREN [1843].
Geopenbaard te Mekka. [1844]--75 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.