1. Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen [1789]. 2. En

bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden. 3. En bij hen,

die den Koran lezen als eene vermaning, 4. Waarlijk, uw Heer is

eenig. 5. De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is,

en de Heer van het Oosten [1790]. 6. Wij hebben den ondersten hemel

met het versiersel der sterrren getooid. 7. En wij hebben daarin een

wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst. 8. Opdat zij

niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden

van alle zijden bestormd), 9. En eene zware marteling is voor hen

gereed gemaakt. 10. Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt,

en door eene vlammende schicht wordt getroffen [1791]. 11. Vraag

daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan

de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van

harde klei geschapen. 12. Gij verbaast u over Gods macht en hunne

weÍrspannigheid; maar zij spotten over de bewijsmiddelen, welke

aangevoerd worden om hen te overtuigen. 13. Als zij gewaarschuwd

worden, nemen zij geene waarschuwing aan. 14. En als zij iets

zien, spotten zij er mede. 15. En zeggen: Dit is niet anders dan

duidelijke tooverij. 16. Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en

beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden

opgewekt. 17. En onze voorvaderen ook? 18. Antwoord: Ja! en dan zult

gij veracht wezen. 19. Er zal slechts eenmaal op de trompet worden

geblazen, en zij zullen rond zien. 20. En zullen zeggen: Wee over

ons! Dit is de dag des oordeels. 21. Dit is de dag der onderscheiding

tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen

verwerpt. 22. Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld

en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden. 23. Naast God, en

leidt hen op den weg der hel. 24. En plaats hen voor Gods vierschaar;

want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen. 25. Wat

deert u, dat gij elkander niet verdedigt? 26. Maar op dien dag

zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen. 27. En zij zullen

elkander naderen en onder elkander twisten. 28. En de verleiden

zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt

tot ons met voorspellingen van voorspoed. 29. En de verleiders zullen

antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen; want wij

hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig

gezondigd. 30. Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over

ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven. 31. Wij

verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven. 32. Zij zullen op

dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn. 33. Zoo

zullen wij met de zondaren handelen; 34. Want toen er tot hen werd

gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op

met hoogmoed. 35. En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten

dichter verlaten? 36. Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis

af voor de vroegere gezanten. 37. Gij zult zekerlijk de pijnlijke

martelingen der hel proeven. 38. En gij zult niet vergolden worden,

dan overeenkomstig uwe werken. 39. Maar wat de oprechte dienaren Gods

betreft. 40. Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:

41. Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen geÎerd worden. 42. Zij

zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden. 43. Leunende in

tegenover elkander geplaatste zetels [1792]. 44. Een beker zal

onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;

45. Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken. 46 Het

zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd

worden. 47. En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen,

hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende,

hebbende groote, zwarte oogen, en gelijkende op de eieren van een

struisvogel, zorgvol met vederen bedekt [1793]. 48. En zij zullen

zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen. 49. En een van

hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik

op de wereld leefde. 50. Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die

de waarheid der opstanding betuigen? 51. Nadat wij dood zullen zijn,

en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk

worden geoordeeld? 52. Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt

gij nederzien? 53. En zij zullen nederzien en hem in het midden der

hel ontwaren. 54. En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak

weinig aan, of gij hadt mij verdorven. 55. En was het niet door de

genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling

overgeleverd geworden. 56. Zullen wij een anderen dan onzen eersten

dood sterven? 57. Of ondergaan wij eenige straf? 58. Waarlijk,

wij genieten eene groote gelukzaligheid. 59. Laten de arbeiders

arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven. 60. Is dit

een beter onthaal, of de boom van al Zakkum? [1794] 61. Waarlijk,

wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de

onrechtvaardigen [1795] 62. Het is een boom die aan den bodem der

hel ontspruit. 63. De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van

duivelen [1796]. 64. De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne

buiken daarmede vullen. 65 Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en

kokend water te drinken worden gegeven. 66. Daarna zullen zij in de

hel terugkeeren. 67. Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren

[1797]. 68. En zij traden haastig in hunne voetstappen; 69. Want

het meerendeel der oude volken dwaalden vÛÛr hen. 70. Wij zonden

vroeger waarschuwers tot hen; 71. Maar zie hoe ellendig het einde

was van degenen, die gewaarschuwd werden. 72. En die niet onze

oprechte dienaren waren. 73. Noach riep ons in vroegere dagen aan,

en wij verhoorden hem genadiglijk. 74. En wij bevrijdden hem en zijn

gezin uit de groote ellende. 75. Wij deden zijne nakomelingschap

den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken. 76. En wij lieten

hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:

77. Vrede zij op Noach onder alle schepselen! 78. Zoo beloonen wij

de rechtvaardigen. 79. Want hij was een van onze dienaren, de ware

geloovigen. 80. Daarna verdronken wij de anderen. 81. Abraham was

mede van zijnen godsdienst [1798]; 82. Toen hij met een volkomen

hart tot zijn Heer kwam. 83 Toen hij tot zijn vader en zijn volk

zeide: Wat vreest gij? 84. Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven

den waren God? 85. Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller

schepselen? 86. En hij beschouwde de sterren. 87. En zeide: Waarlijk,

ik zal ziek wezen [1799] en niet bij uwe offeringen tegenwoordig

zijn. 88. En zij keerden zich af en verlieten hem [1800]. 89. En

Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende

tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet? 90. Wat

deert u, dat gij niet spreekt? 91. En hij keerde zich tot hen,

en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen. 92. En zijn

volk kwam haastig tot hem. 93. Hij zeide: Aanbidt gij de beelden

die gij zelven snijdt? 94. Terwijl God u heeft geschapen en ook

datgene wat gij maakt. 95. Zij zeiden: Richt een brandstapel voor

hem op en werp hem in het gloeiende vuur. En zij smeedden eene list

tegen hem. 96. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden

hem [1801]. 97. En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer

[1802], die mij zal richten. 98. O Heer! geef mij eene rechtvaardige

nakomelingschap. 99. Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon

zou bekomen, die een zachten aard zou hebben. 100. En toen hij den

ouderdom der jongelingschap had bereikt [1803], en zich met hem in de

verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. 101. Zeide Abraham

tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als

eene offerande zoude aanbieden [1804]. overweeg dus wat gij meent,

dat ik zal doen. 102 Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen

werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam

zal ondergaan. 103. En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil

hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had

gelegd [1805]. 104. Riepen wij hem toe: O Abraham! 105. Gij hebt aan

uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 106. Waarlijk,

dit was eene duidelijke proef. 107. En wij losten zijn zoon met een

edel slachtoffer uit. 108. En wij lieten hem de volgende groete

door de verste nakomelingschap bewaren; 109. Namelijk: Vrede zij

op Abraham! 110. Zoo beloonen wij den rechtvaardige; 111. Want

hij was een onzer geloovige dienaren. 112. Wij verblijdden hem

met de belofte van Iza‰k, een rechtvaardigen profeet. 113. En wij

zegenden hem en Iza‰k; en onder hunne nakomelingschap waren eenige

rechtvaardigen, en anderen, die klaarblijkelijk hunne eigene zielen

nadeel toebrachten. 114. Wij waren ook vroeger genadig omtrent

Mozes en A‰ron. 115. En wij bevrijdden hen en hun volk van eene

groote ellende. 116. Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren,

en zij werden overwinnaars. 117. Wij gaven hun het duidelijke

boek der wet. 118. Wij leidden hen op den rechten weg. 119. En

wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor

hen bewaren; 120. Namelijk: Vrede zij op Mozes en A‰ron! 121. Zoo

beloonen wij de rechtvaardigen. 122. Want zij waren twee onzer

geloovige dienaren. 123. En Elias [1806] was mede een dergenen,

die door ons werden gezonden. 124. Toen hij tot zijn volk zeide:

Vreest gij God niet? 125. Roept gij Baal aan, en verzaakt gij

den uitmuntendsten schepper? 126. God is uw Heer en de Heer uwer

voorvaderen. 127. Maar zij beschuldigden hem van bedrog. 128. Weshalve

zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de

oprechte dienaren Gods 129. En wij lieten de volgende groete door de

verste nakomelingschap voor hem bewaren. 130. Namelijk: Vrede zij op

Ilyasin [1807]! 131. Zoo beloonen wij den rechtvaardige. 132. Want hij

was een onzer geloovige dienaren. 133. En Lot was mede een dergenen,

die door ons werden gezonden. 134. Toen wij hem en zijn geheel gezin

bevrijden. 135. Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam

met hen die achterbleven. 136. Daarna verdelgden wij de anderen

[1808]. 137. En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij

waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist. 138. En des

nachts. Zult gij dan niet begrijpen? 139. Jonas was mede een dergenen

die door ons werden gezonden [1809]. 140. Toen hij in een geladen

schip vluchtte [1810]. 141. En zij die aan boord waren, lootten onder

elkander en hij werd veroordeeld [1811]. 142. En de visch verzwolg

hem; want hij had eene bestraffing verdiend. 143 En indien hij

niet eene ware geweest van hen die God loven [1812]. 144. Waarlijk,

dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den

visch gebleven. 145. En wij wierpen hem op het naakte strand,

en hij was ziek [1813]. 146. Wij deden een pompoenplant [1814]

over hem heen groeien. 147. Wij zonden hem daarna tot een volk van

honderdduizend zielen of meer. 148. En zij geloofden: daarom lieten

wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten. 149. Vraag aan de

bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben

[1815]? 150. Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht

geschapen, en waren zij er getuigen van? 151. Zeggen zij niet, volgens

hunne eigene, valsche uitvinding: 152. God heeft eene nakomelingschap

gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars? 153. Heeft hij bij

voorkeur dochters boven zonen verkozen? 154. Gij hebt geene reden

aldus te oordeelen. 155. Wilt gij dus niet vermaand wezen? 156. Of

hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt? 157. Brengt

thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid

spreekt. 158. En zij maken hem tot een verwante der geniussen [1816],

terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart,

aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd. 159. (God is verheven,

boven datgene wat zij nopens hem verklaren): 160. Maar niet Gods

oprechte dienaren. 161. Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,

162. Zullen niemand nopens God verleiden. 163. Behalve hem die

bestemd is om in de hel verbrand te worden. 164. Er is niemand van

ons, of hij heeft een bestemde plaats. 165. Wij scharen ons in orde,

166. Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken

lof [1817]. 167. De ongeloovigen zeiden: 168. Indien wij door een

boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van

diegene welke aan de ouden werden geschonken. 169. Zouden wij zeker

oprechte dienaren Gods zijn geweest; 170. Maar thans, nu de Koran is

geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij

het gevolg van hun ongeloof kennen. 171. Ons woord werd vroeger aan

onze dienaren, de gezanten, gegeven. 172. Dat zij zekerlijk tegen de

ongeloovigen zouden ondersteund worden, 173. En dat onze legers de

overwinning zouden behalen. 174. Wend u dus gedurende eenen tijd van

hen af. 175. En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen

uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien. 176. Trachten

zij daarom onze wraak te verhaasten? 177. Waarlijk, wanneer die in

hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend

zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd. 178. Wend u dus

voor eenigen tijd van hen af. 179. Hierna zullen zij uwe overwinning

en hunne straf ontwaren. 180. Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre

verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren! 181. Vrede zij op

zijne gezanten. 182. En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

S.

Geopenbaard te Mekka.--88 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

S [1818]. 1. Ik zweer bij den Koran, gevuld met

waarschuwingen. Waarlijk, de ongeloovigen zijn verkleefd aan

trotschheid en twist. 2. Hoevele geslachten hebben wij voor hen

verdelgd en zij riepen om genade; maar het was geen tijd meer om aan

de straf te ontkomen. 3. Zij zijn verbaasd, dat een uit hen geboren

waarschuwer tot hen is gekomen. En de ongeloovigen zeggen: Deze man

is een toovenaar en een leugenaar. 4. Verklaart hij dat de goden ÈÈn

God zijn? Waarlijk dit is eene zonderlinge zaak. 5. En de voornaamste

lieden onder hen vertrokken [1819], zeggende tot elkander: Gaat en

volhardt in de vereering uwer goden, waarlijk; u er van af te trekken

is de bedoelde zaak [1820]. 6. Wij hebben niet van zoo iets in den

laatsten godsdienst gehoord. [1821]. Dit is niets dan eene valsche

uitvinding. 7. Werd hem bij voorkeur boven een ander onzer eene

waarschuwing nedergezonden? Waarlijk, zij verkeeren in eene dwaling

omtrent mijne waarschuwing; doch zij hebben mijne wraak nog niet

geproefd. 8. Zijn de schatten der genade van uwen Heer, den Machtige,

den Milddadige, in hunne handen? 9. Is het koninkrijk der hemelen en

der aarde, en van hetgeen er tusschen is, in hun bezit? Indien dit zoo

is, laat het dan met ladders (touwen) ten hemel opstijgen. 10. Maar

hunne legers, hoe talrijk die ook mochten zijn, zullen op de vlucht

gejaagd worden. 11. Het volk van Noach, de stam van Ad en Pharao,

de bezitter der staken [1822] beschuldigden, voor hen, de profeten

van bedrog. 12. Ook de stam van Thamoed en het volk van Lot, en

de bewoners van het woud nabij Madian [1823] deden dit en waren de

bondgenooten tegen Gods gezanten. 13. Zij allen deden niet anders,

dan hunne gezanten van valschheid beschuldigen, waardoor mijne wraak

rechtvaardig op hen werd uitgeoefend. 14. En deze wachten slechts

op een klank der trompet, die niet uitgesteld zal worden. 15. En

zij zeggen spottende: O Heer! geef ons ons deel voor den dag der

rekenschap. 16. Verdraag geduldig wat zij bedrijven en herinner hen

onzen dienaar David, die met sterkte [1824] begaafd was; want hij was

iemand, die zich ernstig tot God wendde. 17. Wij dwongen de bergen,

onzen lof met hem te verkondigen, des avonds en bij het opgaan

der zon; 18. Alsook de vogelen die zich tot hem verzamelen [1825],

en die allen dikwijls met dat doel bij hem terug keerden. 19. Wij

stichten zijn koninkrijk, en wij gaven hem wijsheid en welsprekendheid

van woorden. 20. Is het verhaal der twee twistende [1826] tot uwe

kennis gekomen, toen zij, over den muur, in de bovenste vertrekken

kwamen? 21. Toen zij tot David binnenkwamen, en hij bevreesd voor

hen was [1827], zeiden zij: Vrees niet, wij zijn twee tegenstanders,

die een twist met elkander te beslechten hebben. De een van ons heeft

den ander nadeel toegebracht: richt dus tusschen ons met waarheid:

wees niet onrechtvaardig en leid ons op den rechten weg. 22. Deze,

mijn broeder heeft negenennegentig schapen, en ik had slechts eene

ooi, en hij zeide: Geef mij die, om ze te houden, en hij overwon

mij in den twist, dien wij te zamen hadden. 23. David antwoordde:

Waarlijk hij heeft u slecht behandeld, door u uwe ooi te vragen,

als eene bijvoeging tot zijne eigen schapen; en velen van hen, die

eene zaak met elkander hebben, benadeelen elkander, behalve zij,

die gelooven en doen wat rechtvaardig is. Maar hoe weinigen zijn

dat! En David bemerkte, dat wij hem door deze gelijkenis hadden

beproefd, en hij vroeg vergiffenis van zijn Heer; hij viel neder,

boog zich en betoonde berouw [1828]. 24. Daarom vergaven wij hem

zijne fout, en hij zal toegelaten worden om ons te naderen, en hij

zal eene uitmuntende verblijfplaats in het paradijs hebben. 25. O

David! wij hebben u aangewezen, als een uitverkoren vorst op de aarde;

oordeel dus tusschen de menschen met waarheid, en volg niet uw eigen

hartstocht, opdat hij u niet van Gods weg doe afdwalen; want zij die

van Gods weg afdwalen, zullen eene ernstige straf ondergaan, dewijl

zij den dag van hulp hebben vergeten. 26. Wij hebben de hemelen

en de aarde en wat daartusschen is, niet in ijdelheid geschapen

[1829]. Dit is het oordeel der ongeloovigen; maar wee over hen, die

niet gelooven, hun deel is het hellevuur. 27. Zullen wij met hen,

die gelooven en goede werken verrichten, evenzoo doen, als met hen,

die verderfelijk op aarde handelen? Zullen wij met den vrome even als

met den zondaar handelen? 28. O Mahomet! wij hebben u een gezegend boek

nedergezonden, opdat gij aandachtig over de teekenen daarvan zoudt

nadenken, en de met verstand begiftigde menschen gewaarschuwd zouden

mogen wezen. 29. En wij gaven aan David Salomo. Welk een uitmuntende

dienaar! want hij wendde zich dikwijls tot den Heer. 30. Toen de

paarden, staande op drie pooten, en den grond met den kant van den

vierden poot aanrakende en vlug in hunnen loop, des avonds voor hem

werden ten toon gesteld [1830]. 31. Zeide hij: Waarlijk, ik heb de

liefde der aardsche goederen bemind, boven de herdenking van mijn

Heer, en heb den tijd besteed aan het beschouwen dezer paarden,

terwijl de zon door den sluier des nachts is verborgen; breng de

paarden weder voor mij. 32. En toen zij teruggebracht waren, begon

hij hunne pooten en halzen af te snijden. 33. Ook beproefden wij

Salomo, en plaatsten een nagebootst (misvormd) lichaam op zijn troon

[1831]. Daarna wendde hij zich tot God. 34. En zeide: O Heer! vergeef

mij en mijn koninkrijk, dat door niemand na mij zal worden verkregen;

want gij zijt de schenker van koninkrijken. 35. En wij onderwierpen

den wind aan hem, die op zijn bevel zachtjes heengleed, werwaarts wij

dien richtten. 36. En wij onderwierpen hem ook de duivels en, onder

deze, degenen die behendig waren in het bouwen en van het duiken naar

parelen. 37. En wij leverden hem anderen over, die geketend waren,

zeggende: 38. Dit is ons geschenk; wees dus mild, of wees spaarzaam

tegenover wien gij dit geschikt zult oordeelen [1832], zonder daarvan

rekenschap af te leggen. 39. En hij zal ons naderen, en een heerlijk

verblijf in het paradijs hebben. 40. En gedenk onzen dienaar Job

[1833], toen hij tot zijnen Heer riep, zeggende: Waarlijk, Satan

heeft mij met rampen en pijn bedroefd. 41. En er werd tot hem

gezegd: Strijk de aarde met uwen voet; en toen hij dit had gedaan,

ontsprong er eene fontein, en er werd tot hem gezegd: Dit is voor u,

om u er mede te wasschen, te verfrisschen en om te drinken. 42. En

wij gaven hem zijn gezin terug, en nog eens zooveel bovendien,

door onze genade. 43. En wij zeiden tot hem: Neem een handvol

(of bundel) [1834] in uwe hand en sla er uwe vrouw mede [1835],

en breek uwen eed niet [1836]. Waarlijk, wij bevonden, dat hij een

geduldig persoon was. 44. Welk een uitmuntend dienaar was hij: want

hij was iemand, die zich dikwijls tot ons wendde. 45. Gedenk ook

onze dienaren Abraham, Iza‰k en Jacob, die dappere en voorzichtige

menschen waren. 46. Waarlijk, wij zuiverden hen met eene volkomene

zuivering, door de herdenking van het volgende leven. 47. En zij

waren goede menschen en voor ons aangezicht uitverkoren. 48. En

gedenk IsraÎl, en Elisha [1837] en Dhoe'lkefl [1838]: want deze

allen waren goede menschen. 49. Dit is eene vermaning. Waarlijk, de

vromen zullen eene uitnemende plaats hebben, om er terug te keeren;

50. Namelijk, tuinen van eeuwig verblijf, waarvan de ingangen voor

hen zullen openstaan. 51. Als zij daarin nederliggen, zullen zij er

verschillende soorten vruchten en dranken vinden. 52. En nabij hen

zullen de maagden van het paradijs zitten, hare blikken van ieder

afwendende; behalve van hare bruidegommen, van gelijken ouderdom als

zij [1839]. 53. Dit is, wat u vÛÛr den dag der rekenschap beloofd

werd. 54. Dit is onze overvloed, die niet falen zal. 55. Dit zal

de belooning der rechtvaardigen wezen. Maar voor de zondaren is

eene slechte schuilplaats gereed gemaakt; 56. Namelijk de hel:

zij zullen daarin geroepen worden om verbrand te worden, en dat zal

eene ellendige rustplaats wezen; 57. Proef dit, zal men hun zeggen;

namelijk kokend water en het bedorven vocht, dat uit de lijken der

verdoemden vloeit. 58 En verschillende andere dingen van dezelfde

soort. 59. En er zal tot de verleiders gezegd worden: Deze schaar,

die door u werd geleid, zal te zamen met u, van boven neder in de

hel geworpen worden. Zij zullen niet verwelkomd worden; want zij

zullen het vuur binnengaan om verbrand te worden. 60. En de verleiden

zullen tot hunne verleiders zeggen: Waarlijk, gij zult niet verwelkomd

worden; gij hebt deze kastijding over ons gebracht, en de hel is een

ellendig verblijf! 61. Zij zullen zeggen: O Heer! verdubbel in het

hellevuur de marteling van hen, die deze straf over ons gebracht

hebben. 62. En de ongeloovigen zullen zeggen: Waarom zien wij de

menschen niet, welke wij onder de zondaren telden. 63. En die wij met

spot ontvingen? Of missen onze oogen hen? 64. Inderdaad, dat is eene

waarheid; namelijk de twist onder de bewoners van het hellevuur. 65. O

Mahomet! zeg tot de afgodendienaars. Waarlijk, ik ben slechts een

waarschuwer, en er is geen god, buiten den eenen, eenigen God, den

Almachtige. 66. Den Heer van hemel en aarde en alles wat daartusschen

is, den Machtige, den Vergever van zonden. 67. Zeg: het is eene

gewichtige zending. 68. Waarvan gij u afwendt. 69. Ik had geene kennis

van de verheven vorsten [1840], toen zij omtrent de schepping van den

mensch twistten. 70. (Het werd mij slechts geopenbaard als een bewijs,

dat ik een openbaar prediker was); 71. Toen uw Heer tot de engelen

zeide: Ik zal den mensch van klei scheppen. 72. Als ik hem geschapen,

en hem mijn geest zal hebben ingeblazen, valt gij voor hem neder,

en aanbidt hem [1841]. 73. En al de engelen vereerden hem in het

algemeen. 74. Behalve Eblis, die door hoogmoed was opgeblazen en een

ongeloovige werd. 75. God zeide tot hem: O Eblis! wat verhindert u,

datgeene te vereeren, wat ik met mijne handen heb geschapen. 76. Zijt

gij opgeblazen door ijdele trotschheid? of zijt gij werkelijk iemand

van verheven verdienste? 77. Hij antwoordde: Ik ben uitnemender

dan hij. Gij hebt mij van vuur geschapen, en hem hebt gij van klei

gemaakt. 78. God zeide tot hem: Ga dus weg van hier; want gij zult

van de genade verdreven (gesteenigd) worden. 79. En mijn vloek zal

op u rusten, tot den dag des oordeels. 80. Hij hernam: O Heer! geef

mij uitstel tot den dag der opstanding. 81. God zeide: Waarlijk,

gij zult een van hen zijn, die uitstel zullen ontvangen. 82. Tot den

dag van den bepaalden tijd. 83. Eblis zeide: Ik zweer bij uw macht,

dat ik hen allen zal verleiden. 84. Behalve uwe dienaren, die bijzonder

onder hen gekozen zullen worden. 85. God zeide: Het is een rechtvaardig

vonnis, en ik spreek de waarheid; ik zal zekerlijk de hel met u vullen,

en met dezulken die u volgen; allen te zamen [1842]. 86. Zeg tot de

bewoners van Mekka: Ik vraag geenerlei belooning van u, voor deze

mijne prediking, noch ben ik een van hen, die zich meester maken van

een deel van datgene wat hun niet toebehoort. 87. De Koran is niets

anders dan een vermaning aan alle schepselen. 88. En na een zekeren

tijd zult gij zekerlijk weten, wat van het daarin geschonkene, waar is.

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE SCHAREN [1843].

Geopenbaard te Mekka. [1844]--75 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 38 / 89 段