aarde is, en geloofd zij hij in de volgende wereld; want hij is wijs
en alwetend. 2. Hij kent alles wat de aarde binnentreedt [1715], en
alles wat daaruit komt [1716], en alles wat van den hemel nederdaalt
[1717], en alles wat daarheen opstijgt [1718]. Hij is barmhartig en
vergevensgezind. 3. De ongeloovigen zeggen: Het uur des oordeels zal
tot ons niet komen. Antwoord: Ja! bij mijn Heer, het zal zekerlijk
tot u komen: hij is het die de verborgen geheimen kent, zelfs tot
het gewicht van een atoom, hetzij zich dit in den hemel of op aarde
bevindt; ieder ding hetzij het kleiner of grooter dan dit mocht
zijn, is hem bekend, en het is opgeschreven in het duidelijke boek
zijner besluiten. 4. Opdat hij hen moge beloonen, die geloofd en
rechtvaardigheid uitgeoefend hebben; zij zullen vergiffenis en eene
eervolle belooning ontvangen. 5. Maar zij, die trachten onze teekenen
krachteloos te doen zijn, zullen de straf eener pijnlijke marteling
ontvangen. 6. Zij, aan wie de kennis is gegeven, zien dat het boek,
hetwelk u van uwen Heer werd geopenbaard, de waarheid is en op den
glorierijken en loffelijken weg leidt. 7. De ongeloovigen zeggen
tot elkander: Zullen wij u een man toonen, die u zal profeteeren,
dat als gij door een volkomen bederf zult zijn uiteengerukt, gij
als een nieuw schepsel zult opstaan? 8. Hij heeft eene leugen nopens
Gods uitgedacht, of liever hij is bezeten. Zeg: Zij, die niet in het
volgende leven gelooven, zullen in straf en eene eindelooze dwaling
vervallen. 9. Hebben zij dus niet overwogen, wat voor hen is en wat
achter hen is, van den hemel en de aarde? Indien het ons behaagt,
zullen wij de aarde zich doen openen en hen verzwelgen, en zullen
wij een deel des hemels op hen doen nedervallen; waarlijk hierin is
een teeken voor iederen dienaar, die zich tot God keert. 10. Wij
schonken vroeger aan David van onze uitnemende gaven en zeiden: O
bergen! zingt beurtelings lofliederen met hem; en wij dwongen ook
de vogels zich daarbij te voegen [1719]. En wij maakten het ijzer
zacht voor hem, zeggende: Maak hiervan volkomen maliÎnkolders [1720],
en schik de kleine plaatjes waaruit zij zijn samengesteld, op juiste
wijze, en oefen rechtvaardigheid uit, o gezin van David! want ik zie
wat gij doet. 11. En wij onderwierpen den wind aan Salomo [1721]; des
ochtends gedurende eene maand, en des avonds gedurende eene maand. En
wij maakten eene fontein van gesmolten koper, om voor hem te vloeien
[1722]. En sommige der geniussen waren door den wil van zijn Heer
verplicht, in zijne tegenwoordigheid te arbeiden, en wie van hen zich
van ons bevel afwendde, zullen wij de pijn van het hellevuur doen
proeven. 12. Zij maakten voor hem wat hem behaagde, zooals paleizen
en standbeelden [1723], en groote schotels, als vischvijvers [1724],
en ketels, die vaststonden op hunne treeften [1725] en wij zeiden:
Oefen rechtvaardigheid uit, o gezin van David! en wees dankbaar;
want weinigen mijner dienaren zijn dankbaar. 13. Toen wij hadden
besloten, dat Salomo zou sterven, ontdekte hun niets zijnen dood,
behalve het kruipend gedierte der aarde, dat zijn staf doorknaagde
[1726]. En toen zijn lijk nederviel, begrepen de geniussen volkomen,
dat, indien zij hadden geweten wat geheim is, zij niet zoolang in
die vernederende straf waren gebleven [1727]. 14. De afstammelingen
van Saba [1728] hadden vroeger een waarschuwend teeken in hunne
woonplaats: namelijk twee tuinen, aan de rechter- en aan de linkerhand
[1729]. Er werd hun gezegd: Eet van den overvloed van uwen Heer,
en weest hun dankbaar: gij hebt een goed land en een barmhartig
Heer. 15. Maar zij wenden zich af van hetgeen wij hun hadden bevolen
weshalve wij de overstrooming van de al Arem [1730] tegen hen zonden;
en wij veranderden hunne twee tuinen voor hen, in twee tuinen die
bittere vruchten voortbrachten, tamarissen [1731] en eenige kleine
vruchten van den lotusboom. 16. Dit gaven wij hun als vergelding,
omdat zij ondankbaar waren. Wordt iemand zoo vergolden, behalve de
ondankbare? 17. En wij plaatsten tusschen hen en de steden welke
wij gezegend hebben [1732], (bloeiende bij elkander gelegen steden)
en wij maakten de reis daartusschen gemakkelijk; zeggende: Reist er
door des nachts en des daags, in zekerheid. 18. Maar zij zeiden! O
Heer! plaats een grooteren afstand tusschen onze wegen, en zij waren
onrechtvaardig omtrent zich zelven. Wij maakten hen tot eene bespotting
onder de volkeren en wij verspreidden hen met eene geheele verstrooiing
[1733]. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar
mensch. 19. En Eblis vond, dan zijne meening omtrent hen, waar was
[1734]. Allen volgden hem, behalve een deel der ware geloovigen
[1735]. 20. Hij had echter geene macht over hen, behalve om hen in
verzoeking te brengen, opdat wij dengeen zouden mogen onderkennen, die
in het toekomstige leven gelooft, van hem, die daaraan twijfelt. Uw
Heer merkt alle dingen op. 21. Zeg tot de afgodendienaren: Roept hen
aan, welke gij u verbeeldt goden te zijn naast God: zij zijn geene
meesters over de zwaarte van een atoom in den hemel of op aarde,
noch hebben zij eenig deel in de schepping of de regeering daarvan,
noch is een van hen helper daarbij. 22. In zijne tegenwoordigheid zal
geene voorspraak van dienst wezen, behalve de bemiddeling van hem,
aan wien God verlof zal geven om voor anderen tusschen beiden te
treden [1736]. Zij zullen afwachten tot de schrik van hunne harten
zal zijn weggenomen [1737], en zij tot elkander zullen zeggen: Wat
zegt uw Heer? Zij zullen antwoorden: Dat wat rechtvaardig is. Hij is
de verhevene, de groote God. 23. Zeg: Wie voorziet u van voedsel van
den hemel en de aarde? Antwoord: God. Of wij, of gij volgen de ware
richting, of verkeeren in eene duidelijke dwaling. 24. Zeg: Gij zult
niet ondervraagd worden, nopens hetgeen wij zullen hebben misdaan,
noch zal ons rekenschap gevraagd worden, om hetgeen gij zult hebben
bedreven. 25. Zeg: Onze Heer zal ons op den jongsten dag allen
verzamelen; dan zal hij met waarheid tusschen ons richten, en hij is
de Rechter [1738], de Alwetende. 26. Zeg: Toon mij hen, welke gij als
deelgenooten met hem vereenigt? Neen! hij is veeleer de machtige,
de wijze God. 27. Wij hebben u niet anders gezonden, dan tot den
mensch in het algemeen; als een boodschapper van goede tijdingen en
een aankondiger van bedreigingen; maar het grootste deel der menschen
begrijpt niet. 28. En zij zeggen: Wanneer zal deze bedreiging worden
vervuld, indien gij de waarheid spreekt? 29. Antwoord: U is eene
bedreiging aangekondigd van een dag, dien geen uwer vertragen noch
verhaasten zal. 30. De ongeloovigen zeggen: Wij zullen op geenerlei
wijze in dezen Koran gelooven, noch in dat gene, wat vÛÛr deze
werd geopenbaard [1739]. Indien gij het slechts kondet zien, als de
onrechtvaardigen voor hunnen Heer zullen worden geplaatst. Zij zullen
elkander verwijtingen doen. De zwakken zullen tot de machtigen der
aarde zeggen: [1740] Zonder u, zouden wij waarlijk ware geloovigen
zijn geweest. 31. De machtigen zullen tot de zwakken zeggen: Zijn
wij het, die u belet hebben, de ware richting te volgen, toen zij
u aangewezen werd? Gij zelven draagt de schuld er van. 32. En de
zwakken zullen antwoordden: Neen, de listige plannen, door u des
nachts en der daags beraamd, hebben ons ongeluk veroorzaakt, toen
gij ons hebt bevolen, dat wij niet in God moesten gelooven en dat
wij andere goden, als gelijkstaande met hem, zouden oprichten. En zij
zullen hun berouw verbergen [1741], nadat zij de straf zullen hebben
gezien, die voor hen is gereed gemaakt. En wij zullen jukken leggen
op den nek van hen, die niet zullen hebben geloofd. Zouden zij op
eene andere wijze worden beloond, dan in overeenstemming met hetgeen
zij hebben verricht? 33. Wij hebben geen waarschuwer tot eenige stad
gezonden, of de inwoners die in overvloed leefden, zeiden: Waarlijk,
wij gelooven niet aan uwe zending. 34. En de bewoners van Mekka zeiden
ook: Wij hebben grooteren overvloed van kinderen en rijkdommen dan gij;
niet wij zullen hiernamaals worden gestraft. 35. Antwoord: Waarlijk,
mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan wien hem behaagt
en spaarzaam wezen naar zijn welbehagen; maar het grootste deel der
menschen weet dit niet. 36. Noch uwe rijkdommen, noch uwe kinderen
zijn de dingen, die u nader tot ons zullen doen komen. Alleen zij
die gelooven en rechtvaardigheid uitoefenen, zullen eene dubbele
belooning ontvangen, voor hetgeen zij gedaan zullen hebben, en zij
zullen in zekerheid, in de verhevenste afdeelingen van het paradijs
wonen. 37. Maar zij, die trachten zullen onze teekens krachteloos te
maken, zullen aan de straf worden overgeleverd. 38. Zeg: Waarlijk,
mijn Heer zal overvloedigen voorraad schenken aan dengeen zijner
dienaren, die hem behaagt en hij zal spaarzaam wezen naar zijn
welbehagen; en wat gij aan aalmoezen geeft, zal hij u teruggeven
en hij voorziet het best van voedsel. 39. Op een zekeren dag zal
hij hen allen bij elkander verzamelen; dan zal hij tot de engelen
zeggen! Bidden deze u aan? 40. En de engelen zullen antwoorden:
God behoede! Gij zijt onze vriend, en niet deze. Zij baden geniussen
(duivels) aan; het grootste deel hunner gelooft in hen. 41. Op dien
dag zal de een uwer niet in staat zijn, den ander van voordeel te
wezen of nadeel toe te brengen. En. wij zullen zeggen tot hen, die
onrechtvaardig gehandeld hebben: Proeft de pijn van het hellevuur,
dat gij als eene leugen, verwerpt. 42 Als hun onze duidelijke teekenen
worden voorgelezen, zeggen zij van u, o Mahomet: Dit is slechts een
man, die u van de goden tracht af te wenden, welke door uwe vaderen
werden aangebeden. En zij zeggen van den Koran: Dit is slechts
eene leugen, die godslasterlijk werd verzonnen. De ongeloovigen
zeggen van de waarheid, als die tot hen komt: Dit is slechts eene
duidelijke tooverij. 43. Wij hebben hun, vÛÛr u, geene boeken der
schrift gegeven, waarin zij zich zouden kunnen oefenen, noch hebben
wij vÛÛr u hun een waarschuwer gezonden. 44. Zij die vÛÛr hen waren,
beschuldigden hunnen profeet op dezelfde wijze van bedrog; maar deze
verkregen niet het tiende gedeelte der rijkdommen en der sterkte welke
wij aan de anderen schonken, en zij beschuldigden mijne gezanten
van valschheid. Hoe gestreng was echter mijne kastijding. 45. Zeg:
Waarlijk, ik raad u eene zaak, namelijk dat gij twee aan twee voor
God staat, of afzonderlijk [1742]; overweeg dan ernstig, en gij
zult bevinden, dat er geene uitzinnigheid bij uwen makker Mahomet
heerscht. Hij is slechts gezonden om u voor eene gestrenge straf te
waarschuwen. 46. Zeg: Ik vraag geenerlei belooning van u voor mijne
prediking [1743]). Het is u overgelaten [1744], al of niet te geven
[1745]. Ik verwacht mijn belooning alleen van God, en hij is getuige
van alle dingen. 47. Zeg: Waarlijk, mijn Heer zendt de waarheid tot
zijne profeten neder. Hij kent alle geheimen. 48. Zeg: De waarheid is
gekomen; de leugen is verdwenen en zal niet meer terugkeeren. 49. Zeg:
indien ik dwaal, waarlijk, dan zal ik slechts tegen mijne eigene ziel
dwalen, maar indien ik richtig geleid word, zal het door datgene wezen,
wat mijn Heer mij heeft geopenbaard; want hij is gereed te verhooren
en nabij hen die hem aanbidden. 50. Indien gij het kondt zien als
de ongeloovigen zullen beven [1746], en geene schuilplaats vinden en
van eene nabijgelegen plaats zullen worden weggenomen [1747]. 51. En
zeggen zullen: Wij gelooven in hem. Maar hoe zullen zij het geloof van
zulk eene afgelegen plaats ontvangen [1748]? 52. Nu zij hem te voren
geloochend en de geheimen van het geloof gesmaad hebben, terwijl zij
er zoo ver af waren? 53. En eene afscheiding zal geplaatst worden
tusschen hen en datgene wat zij zullen begeeren. 54. Zooals het
reeds is geschied met hen, die zich vroeger evenals zij gedroegen,
omdat zij in twijfel verkeerden, waardoor ergernis is voortgesproten.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ENGELEN, OF DE SCHEPPER. [1749].
Geopenbaard te Mekka--45 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Geloofd zij God, de schepper van hemel en aarde, die de engelen
tot zijne boodschappers maakte, voorzien van twee, drie en vier
paren vleugels [1750]. God voegt aan zijne schepselen toe, wat hem
behaagt; want God is almachtig. 2. De genade welke God rijkelijk
aan den mensch zal schenken, kan door niemand worden teruggehouden;
wat hij terughoudt kan door niemand buiten hem worden geschonken,
en hij is de Machtige, de Wijze. 3. O Menschen! herdenkt Gods gunst
omtrent u; is er een ander schepper buiten God, die u van voedsel van
den hemel en de aarde voorziet? Er is geen God buiten hem. Waarom
zijt gij dus afgewend van de erkenning zijner eenigheid? 4. Indien
zij u van bedrog beschuldigen, herinner u dan, dat de gezanten vÛÛr u
mede van bedrog werden beschuldigd; doch tot God zullen alle dingen
terugkeeren. 5. O menschen! waarlijk de belofte van God is waar,
laat dus het tegenwoordige leven u niet misleiden, noch laat de
verleider u omtrent God verblinden. 6. Satan is een vijand van u;
houdt hem dus voor een vijand. Hij noodigt zijne bondgenooten slechts
uit, om bewoners der hel te wezen. 7. Voor hen die niet gelooven, is
daar eene gestrenge kastijding gereed gemaakt. 8. Maar voor hen die
gelooven zullen en doen wat recht is, blijft genade en eene groote
belooning bereid. 9. Zal dus hij wien slechte daden als goed werden
bereid en die zich verbeeldde dat die goed waren, gelijk zijn aan hem,
die tot het rechtvaardige gezind is en de waarheid vereert? Waarlijk,
God zal doen dwalen naar zijn welbehagen, en zal richten wien hem
behaagt. Laat dus uwe ziel, o Mahomet! zich niet door zuchten verteren,
wegens hunne weerspannigheid; want God weet wel wat zij doen. 10. God
is het, die de winden zendt, en wolken op doet rijzen: wij drijven
die naar eene doode plaats en verkwikken daardoor de aarde, nadat
die dood was. Zoo zal de opstanding wezen. 11. Wie ooit uitnemendheid
begeert, aan God behoort alle uitnemendheid; tot hem stijgen de goede
woorden op, en hij zal de rechtvaardige daden verheffen. Maar wat
hen betreft, die zondige listen uitdenken [1751], zij zullen eene
gestrenge straf ondergaan, en de plannen dier menschen zullen ijdel
gemaakt worden. 12. God schiep u het eerst van stof en daarna van zaad
[1752], en hij heeft u tot man en vrouw gemaakt. Geene vrouw ontvangt
of brengt voort, dan met zijne kennis. Niets wordt gevoegd bij den
ouderdom van hem wiens levens is verlengd, noch wordt iets van zijnen
ouderdom verminderd, of het is opgeschreven in het boek van Gods
besluiten. Waarlijk, dit is gemakkelijk voor God. 13. De twee zeeÎn
[1753] kunnen niet met elkander vergeleken worden; deze is frisch,
zoet en aangenaam te drinken, maar gene is zout en bitter [1754]. Toch
eet gij visch uit beide [1755] en haalt gij er versierselen uit [1756]
om die te dragen. Gij ziet ook hoe de schepen hare golven doorploegen,
opdat gij u van Gods overvloed, door den koophandel zoudt trachten te
verrijken; misschien zult gij dankbaar wezen. 14. Hij doet den nacht
aan den dag opvolgen en hij doet den nacht door den dag vervangen,
en hij dwingt de zon en de maan haren dienst te verrichten: ieder
van haar loopt een bepaalde baan af. Dit is God, uw Heer; hem is het
koninkrijk. Maar de afgoden welke gij naast hem aanroept, hebben zelfs
de macht niet over het vlies van eene dadelpit. 15. Indien gij hen
aanroept, zullen zij uwe aanroepingen niet hooren; en al zouden zij
u ook hooren, dan nog zouden zij u niet antwoorden. Op den dag der
opstanding zullen zij loochenen dat gij hen met God hebt vereenigd,
en niemand zal u de waarheid verklaren, dan hij die daarmede bekend
is. 16. O menschen! gij hebt behoefte aan God, maar God volstaat zich
zelven en hij moet geprezen worden. 17. Indien het hem behaagt, kan hij
u wegnemen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 18. Dit
zal voor God niet moeielijk wezen. 19. Eene beladen ziel zal den last
van eene andere niet dragen, en indien eene zwaar beladen ziel eene
andere aanroept, om een deel van hare lasten te dragen, dan zal geen
deel daarvan door den persoon worden gedragen die aangeroepen wordt,
al zij hij ook nog zoo nabij verwant. Gij zult degenen vermanen,
die hunnen Heer in het geheim vreezen en standvastig in het gebed
zijn. Die zich zuivert van de schuld van ongehoorzaamheid, zuivert
zich ten voordeele van zijne eigene ziel; want allen zullen op den
jongsten dag voor God worden verzameld. 20. De blinde en de ziende
zullen niet gelijk gesteld worden; noch duisternis en licht, noch de
koele schaduw en de verzengende wind. 21. Evenmin zullen de levenden
en de dooden gelijk gesteld worden [1757]. God zal degenen doen hooren
die hem behagen; maar gij zult niet hen doen hooren die zich in hunne
graven bevinden [1758]. Gij zijt slechts een prediker. 22. Inderdaad,
wij hebben u met waarheid gezonden, als een overbrenger van goede
tijdingen en een aankondiger van bedreigingen. Er was geen volk, of
een prediker heeft in verloopen tijden onder hen verkeerd. 23. Indien
zij u van bedrog beschuldigen, zij die vÛÛr hen waren beschuldigden
hunne gezanten eveneens van bedrog. Hunne gezanten kwamen tot
hen met duidelijke wonderen, met goddelijke geschriften [1759]
en met het voorlichtende boek. [1760] 24. Daarna kastijdde ik hen
die ongeloovigen waren; en hoe gestreng was mijne wraak! 25. Ziet
gij niet dat God regen van den hemel nederzendt en dat wij daardoor
vruchten van verschillende kleuren [1761] voortbrengen. Ook op de
bergen zijn sommige streken wit en rood, van verschillende kleuren
[1762], en andere zijn donker zwart, en onder de menschen en dieren,
en het vee zijn er wier kleuren eveneens verschillend zijn. Alleen
diegene zijner dienaren vreezen God, welke met verstand zijn begaafd,
waarlijk, God is machtig en vergevensgezind. 26. Waarlijk, die Gods
boek lezen en standvastig in het gebed zijn, en die aalmoezen geven van
hetgeen wij hun hebben geschonken, zoowel in het geheim als openlijk,
hopen op een goed dat niet zal verloren gaan. 27. God zal hun het loon
ten volle betalen en hun eene meer dan overvloedige toelage zijner
vrijgevigheid schenken; want hij is gezind de misslagen zijner dienaren
te vergeven, en hunne pogingen te beloonen. 28. Datgene wat wij u van
het boek (den Koran) hebben geopenbaard, is de waarheid; bevestigende
de schriften die te voren werden geopenbaard; want God is alwetend en
aanschouwt zijne dienaren. 29. En wij hebben het boek van den Koran
als erfgoed gegeven aan degenen onzer dienaren die daartoe door ons
werden uitgekozen. 30. Er is menigeen onder hen, die zijne eigen ziel
beleedigt [1763], en er is een ander van hen die den middenweg houdt
[1764], en er is een ander van hen, die, door Gods verlof, de overigen
in goede werken overtreft. Dit is eene groote uitnemendheid. Zij
zullen in tuinen van eeuwig verblijf worden binnengeleid; zij
zullen daar worden getooid met armbanden van goud en paarlen, en
hunne kleederen zullen van zijde wezen. 31. En zij zullen zeggen:
Geloofd zij God, die de droefheid van ons heeft afgenomen! Waarlijk,
onze Heer is gereed de zondaren te vergeven. 32. Hij heeft ons, door
zijne goedheid, rust doen genieten in eene woning van eeuwigen duur,
waarin kwijning noch eenige vermoeienis ons zal bereiken. 33. Maar
voor de ongeloovigen is het hellevuur gereed gemaakt: er zal niet
over hen worden besloten, hen ten tweeden male te doen sterven (om
hunne straf te doen eindigen;) ook zal geen deel hunner straf verlicht
worden. Zoo zal iedere ongeloovige worden beloond. 34. En zij zullen
overluid in de hel schreeuwen; zeggende: Heer! neem ons van hier,
en wij zullen rechtvaardigheid oefenen, en niet hetgeen wij vroeger
hebben bedreven. Maar men zal hun antwoorden: Hebben wij uw leven niet
lang genoeg doen zijn, opdat hij die kon overdenken, gewaarschuwd
zou wezen; en is de prediker [1765] niet tot u gekomen? 35. Proeft
dus de pijnen der hel. En de onrechtvaardigen zullen geen helper
hebben. 36. Waarlijk, God kent de geheimen zoowel van den hemel
als van de aarde; want hij kent de binnenste deelen van de borst
der menschen. 37. Hij is het, die u heeft gemaakt, om de plaats
op de aarde te bekleeden. Wie ongeloovig zal wezen, op dien drukke
zijn ongeloof, en hun ongeloof zal voor de ongeloovigen slechts nog
meer verontwaardiging in de oogen des Heeren doen ontstaan, en hun
ongeloof zal hunne verdoeming slechts vermeerderen. 38. Zeg: Wat
denkt gij van uwe godheden, welke gij naast God aanroept? Toont mij,
welke gedeelte der aarde zij hebben geschapen; of hadden zij eenig
deel in de schepping der hemelen? Hebben wij den afgodendienaars eenig
boek met openbaringen gegeven, waaruit zij eenig bewijs zouden kunnen
ontleenen tot wettiging hunner handelwijze? Neen! maar de goddeloozen
doen elkander slechts bedriegelijke beloften. 39. Waarlijk, God schoort
de hemelen en de aarde, opdat zij niet zouden bezwijken, en indien
zij bezweken, zou, buiten hem, niemand die kunnen ondersteunen. Hij is
genadig en barmhartig. 40. De KoreÔshieten hebben met een plechtigen
eed bij God gezworen, dat indien er een prediker tot hen ware gekomen,
zij volgzamer zouden zijn geleid geworden dan eenig ander volk; maar nu
een prediker tot hen gekomen is, heeft dit slechts den afkeer van de
waarheid in hen vermeerderd. 41. Evenals hunne verwaandheid op aarde
en hunne booze verzinsels: maar de booze verzinsels zullen alleen de
uitdenkers daarvan omstrikken. Verwachten zij iets anders dan de straf,
waarmede de ongeloovigen van vroegere tijd werden vergolden? Want gij
zult geene verandering in Gods bevel opmerken. 42. Gij zult geenerlei
wijziging in Gods weg vinden. 43. Zijn zij niet over de aarde gegaan,
en hebben zij niet gezien, wat het einde was van degenen, die vÛÛr
hen waren, hoewel zij machtiger en sterker waren dan zij? God wordt
niet gedwarsboomd door eene zaak, noch in den hemel noch op aarde;
want hij is wijs en machtig. 44. Indien God de menschen strafte
naar gelang van hetgeen zij bedrijven, zou hij zelfs geen dier op de
oppervlakte der aarde hebben gelaten; maar hij schenkt u uitstel tot
een bepaalden tijd. 45. En als hun tijd zal zijn gekomen, waarlijk,
dan zal God zijne dienaren beschouwen.
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Y. S. [1766].
Geopenbaard te Mekka--83 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Ya Sin. Ik zweer bij den onderrichtenden Koran. 2. Dat gij
een der gezanten van God zijt. 3. Gezonden om den rechten weg te
toonen. 4. Dit is eene openbaring van den machtigen, den barmhartigen
God. 5. Opdat gij een volk zoudt waarschuwen, welks vaderen niet
gewaarschuwd waren en dat in achteloosheid leeft. 6. Ons oordeel
[1767] is rechtvaardig uitgesproken tegen het meerendeel. Immers,
zij zullen niet gelooven. 7. Wij hebben jukken [1768] op hunnen nek
gelegd, die tot aan hunne kin reiken, en zij zijn gedwongen hunne
hoofden overeind te houden; 8. En wij hebben een staak vÛÛr hen,
en een staak achter hen geplaatst, en wij hebben hen met duisternis
bedekt; daarom zullen zij niet zien. 9. Het zal hun gelijk zijn,
hetzij gij al of niet tot hen predikt: zij zullen niet gelooven
[1769]. 10. Maar gij zult alleen met goeden uitslag prediken tot
hem, die de vermaning van den Koran volgt, en den Barmhartigen in
het geheim vreest. Breng dus goede tijdingen van genade tot hen en
eene eervolle belooning. 11. Waarlijk, wij zullen de dooden tot het
leven terugbrengen, en hunne werken opteekenen, welke zij voor zich
uit zullen hebben gezonden, en hunne voetstappen, die zij achter
zich zullen hebben gelaten [1770]; en iedere zaak plaatsen wij in
een duidelijk register. 12. Stel hun, als een voorbeeld, de bewoners
der stad van AntiochiÎ voor, toen de Apostelen van Jezus daarheen
kwamen [1771]. 13. Toen wij twee van deze tot hen zouden; maar zij
beschuldigden hen van bedrog. Daarom versterkten wij hen met een
derden. En zij zeiden: Waarlijk wij zijn u door God gezonden. 14. De
inwoners antwoordden: Gij zijt niet anders dan menschen, zooals
wij zijn; nimmer heeft de Barmhartige u iets geopenbaard: gij maakt
slechts een leugen bekend. 15. De apostelen hernamen: Onze heer weet,
dat wij werkelijk tot u zijn gezonden. 16. En onze plicht is alleen
in het openbaar te prediken. 17. Die van AntiochiÎ zeiden. Waarlijk,
wij voorzien kwaad van u; indien gij niet met prediken ophoudt, zullen
wij u zekerlijk steenigen, en u zal eene smartelijke straf door ons
worden opgelegd. 18. De apostelen antwoordden: Uwe kwade voorspelling
is met u zelven [1772]; doch gij wilt in uwe dwalingen volharden,
niettegenstaande gij gewaarschuwd zijt. Waarlijk, gij zijt een volk,
dat overmatig zondigt. 19. En zeker man [1773] kwam angstig van de
verder gelegen gedeelten der stad, en zeide: O mijn volk! volgt de
gezanten van God. 20. Volgt hen, die geene belooning van u vragen; want
deze worden op den rechten weg geleid. 21. Welke reden heb ik er voor,
hem niet te vreezen, die mij geschapen heeft, en tot wien gij allen
zult terugkeeren. 22. Zal ik andere goden buiten hem kiezen? Indien
het den Barmhartige behaagt, mij te bedroeven, zal hunne bemiddeling
mij volstrekt niet baten, ook kunnen zij mij niet bevrijden. 23. Dan
zou ik in eene duidelijke dwaling verkeeren. 24. Waarlijk, ik geloof
in uwen Heer; luistert dus naar mij. 25. Maar zij steenigden hem en
toen hij stierf, werd tot hem gezegd: Treed het paradijs binnen. 26. En
hij zeide: O, dat mijn volk wist, hoe genadig God mij is geweest! want
hij heeft mij hoogelijk vereerd. 27. En nadat zij hem hadden gedood,
zonden wij geen leger van den hemel tegen zijn volk af, noch de
andere werktuigen van vernietiging, welke wij in vroegere dagen
tegen de ongeloovigen afzonden. 28. Er was slechts een kreet van
GabriÎl uit den hemel en, zie, zij werden geheel uitgeroeid. 29. O,
hoe ellendig zijn de menschen! Geen gezant kwam tot hen of zij lachten
hem met verachting uit. 30. Overwegen zij niet, hoeveel geslachten
wij vÛÛr hen hebben verdelgd? 31. Waarlijk, zij zullen niet tot hen
terugkeeren. 32. Maar allen, in het algemeen, zullen voor ons worden
verzameld. 33. Een teeken der opstanding voor hen is de verdroogde,
doode aarde [1774]; wij verkwikken die door den regen, en doen daaruit
verschillende soorten van granen voortkomen, waarvan zij eten. 34. En
wij vormden daar tuinen van palmboomen en wijngaarden, en wij deden
er fonteinen ontspringen. 35. Opdat zij van hunne vruchten en van
den arbeid hunner handen zouden mogen eten. Zullen zij daarvoor
niet dankbaar wezen? 36. Geloofd zij hij, die alle soorten heeft
geschapen, zoowel van de planten welke de aarde voorbrengt, als
onder de menschen en onder de dingen, welke zij niet kennen. 37. De
nacht is mede een teeken voor hen: wij nemen den dag daarvan weg en,
zie, zij zijn met duisternis bedekt. 38. En de zon spoedt zich naar
hare rustplaats [1775]. Dit is de beschikking van den machtigen, den
wijzen God. 39. En voor de maan hebben wij zekere verblijfplaatsen
aangewezen [1776], opdat zij verandere, en weder gelijk worde aan
den ouden, gekromden tak van een palm [1777]. 40. Het is der zon
niet gegeven de maan in haren loop te bereiken, noch dat de nacht
den dag vooruitstreeft; maar ieder dezer lichten beweegt zich in
eene afzonderlijke sfeer. 41. Het is ook een teeken voor hen, dat
zij hunne nakomelingschap in een schip bewaarden met alles gevuld
[1778]. 42. En dat wij voor hen andere, daaraan gelijke inrichtingen
hebben gevormd [1779], waarop zij rijden. 43. Indien het ons behaagt,
verdrinken wij hen, en er is niemand om hen te helpen; ook worden
zij niet bevrijd. 44. Tenzij door onze genade, en opdat zij zich
nog eenigen tijd in dit leven zouden mogen verheugen. 45. Toen tot
hen werd gezegd: Vreest hetgeen vÛÛr u en hetgeen achter u is [1780]
opdat gij genade moogt verwerven, keerden zij van u weg. 46. En gij
brengt hun geen teeken van de teekenen van uwen Heer, of zij wenden
zich daarvan af. 47. En als hun wordt gezegd: Geeft aalmoezen van het
geen God u heeft geschonken, zeggen de ongeloovigen, spottenderwijze,
tot hen die gelooven: Zullen wij dengenen voeden, dien God kan voeden,
zoo het hem behaagt [1781]? Waarlijk, gij verkeert in eene duidelijke
dwaling. 48. En zij zeggen: wanneer zal deze belofte der opstanding
vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt? 49. Zij wachten
slechts op een klank van de trompet [1782], die hen zal overvallen,
terwijl zij met elkander twisten. 50. En zij zullen geen tijd hebben
om eenige beschikking over hunne bezittingen te maken, en zij zullen
niet tot hun gezin terugkeeren. 51. De trompet zal weder klinken;
en ziet, zij zullen uit hunne graven voortkomen en zich naar hunnen
Heer spoeden. 52. Zij zullen zeggen: Wee over ons! wie heeft ons van
ons bed gewekt [1783]? Dit is wat de Barmhartige ons heeft beloofd,
en zijne gezanten spraken de waarheid. 53. Het zal slechts ÈÈn
klank van den trompet zijn, en ziet, zij zullen allen voor ons
worden verzameld. 54. Op dien dag zal geene ziel in het minste
onrechtvaardig worden behandeld; ook zult gij niet anders vergolden
worden, dan overeenkomstig hetgeen gij zult hebben verricht. 55. Op
dien dag zullen de bewoners van het paradijs geheel met vreugde vervuld
zijn. 56. Zij en hunne vrouwen zullen in schaduwrijke boschjes rusten,
tegen heerlijke zetels leunende. 57. Daar zullen zij vruchten hebben,
en zij zullen alles verkrijgen, wat zij zullen begeeren. 58. Vrede zal
het woord zijn, dat den rechtvaardige door den barmharigen God zal
worden toegesproken. 59. Maar hij zal tot de zondaren zeggen: Weest
gij, o zondaren! dezen dag van de rechtvaardigen gescheiden. 60. Beval
ik u niet, o zonen van Adam! dat gij Satan niet zoudt aanbidden, daar
hij voor u een openlijke vijand was. 61. En zeide ik niet: Vereert
mij; dit is de ware weg. 62. Maar thans heeft hij een groot aantal
uwer verleid; begrijpt gij het niet? 63. Dit is de hel, waarmede gij
werdt bedreigd. 64. Heden wordt gij er in geworpen om verbrand te
worden, omdat gij ongeloovig waart. 65. Op dien dag zullen wij hunne
monden dichtzegelen, opdat zij die niet te hunner eigen verdediging
kunnen openen, en hunne handen zullen tot ons spreken, en hunne voeten
zullen getuigenis afleggen van hetgeen zij hebben bedreven. 66. Indien
het ons behaagde, konden wij hunne oogen uitsteken, en zij zouden
naijverig op den weg voorthollen, dien zij gewoon zijn te kiezen; en
hoe zouden zij hunne dwaling zien? 67. En indien het ons behaagde,
zouden wij hen in andere gedaante kunnen hervormen; zij zouden
niet instaat zijn te vertrekken, en zij zouden geen berouw gevoelen
[1784]. 68. Hem, wien wij een lang leven schenken, doen wij het lichaam
door ouderdom krommen. Zullen zij dit niet begrijpen? 69. Wij hebben
Mahomet de dichtkunst niet geleerd [1785]; ook is het niet nuttig
voor hem, een dichter te wezen. Dit boek is slechts eene vermaning
van God en een duidelijke Koran. 70. Opdat hij die leeft [1786],
daardoor moge gewaarschuwd worden; en het vonnis der veroordeeling
zal rechtvaardig op de ongeloovigen worden uitgevoerd. 71. Overwegen
zij niet, dat wij onder de dingen, welke onze handen hebben gewrocht,
veel van verschillende soorten hebben geschapen, waarvan zij bezitters
zijn. 72. En dat wij hun dat hebben onderworpen? Sommige van deze
dienen om er op te rijden, en sommige voeden hen. 73. Zij ontvangen
daarvan nog andere voordeelen, en drinken van hare melk. Zullen zij
dus niet dankbaar wezen? 74. Zij hebben andere goden naast God genomen,
in de hoop, dat zij daardoor zouden worden ondersteund. 75. Maar deze
zijn niet in staat, hun eenige ondersteuning te verleenen: zij zijn
het veeleer, die als leger vÛÛr hunne godheden dienen. 76. Laten hunne
woorden u dus niet bedroeven: wij kennen wat zij heimelijk verbergen,
en datgene wat zij openlijk ontdekken. 77. Weet de mensch niet, dat
wij hem van zaad hebben geschapen? Maar ziet, hij is een openlijke
bestrijder der opstanding. 78. Hij stelt ons eene vergelijking
voor, en hij vergeet zijn schepping (zijn oorsprong). Hij zegt: Wie
zal de beenderen, als zij verrot zijn, tot het leven terugbrengen
[1787]? 79. Antwoord: Hij zal ze tot het leven terugbrengen, welke
die het allereerst voortbracht: want hij is bedreven in iedere soort
van schepping. 80. Wie geeft u vuur uit den groenen boom [1788],
waarmede gij uwe brandstof ontsteekt. 81. Is hij, die de hemelen
en de aarde geschapen heeft, niet in staat nieuwe wezens gelijk
aan hen te scheppen. 82. Zijn bevel, als hij een ding verlangt,
is slechts dat hij zegt: Wees! en het is. 83. Geloofd zij dus hij,
in wiens hand het koninkrijk van alle dingen is, en tot wien gij op
den jongsten dag zult terugkeeren.
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
ZIJ DIE ZICH IN ORDE SCHAREN.
Gegeven te MÈdina.--182 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.