huichelaars niet [1666]. Waarlijk, God is alwetend en wijs. 2. Maar
volgt datgene, waar u van uwen Heer is geopenbaard; want God is
wel bekend met hetgeen gij doet. 3. Stelt uw vertrouwen in God;
want God is een voldoende beschermer. 4. God heeft den mensch geene
twee harten gegeven; ook heeft hij uwe vrouwen (van welke sommigen
uwer zich scheiden, haar daarna als hunne moeders aanziende)
niet tot uwe ware moeders gemaakt, ook heeft hij uwe aangenomen
zonen niet tot uwe ware zonen gemaakt [1667]. Dit zijn slechts
de woorden die in uwen monden zijn; maar God spreekt de waarheid,
en hij leidt op den rechten weg. 5. Noemt hen die aangenomen zijn,
de zonen hunner wezenlijke vaders, die zal rechtvaardiger zijn in de
oogen van God. En indien gij hunne vaders niet kent, laat hen dan
zijn als broeders in den godsdienst en uwe makkers; en er zal geen
misdaad in liggen dat gij op deze wegen dwaalt [1668]; maar wat uwe
harten opzettelijk ontwerpen zal misdadig zijn; want God is genadig
en barmhartig. 6. De profeet is den waren geloovigen nader dan hunne
eigene zielen [1669] en zijne vrouwen zijn hunne moeders [1670]. Zij
die door bloedverwantschap zijn verbonden, zijn, overeenkomstig het
boek van God, elkander nader verwant dan de andere ware geloovigen en
de Moharejun [1671]; maar doet wat voegzaam en redelijk is omtrent
uwe verwanten in het algemeen. Dit wordt in Gods boek opgeschreven
[1672]. 7. Gedenkt, toen wij het verbond van de profeten aannamen,
en van u, o Mahomet! en van Noach, en Abraham, en Mozes en Jezus
den zoon van Maria, en een standvastig verbond van hen ontvingen
[1673]. 8. Opdat God de waarheidsprekers omtrent hunne waarachtigheid
zou kunnen ondervragen [1674]. En hij heeft eene smartelijke straf
voor de ongeloovigen gereed gemaakt. 9. O ware geloovigen! herdenkt
Gods gunst omtrent u, toen legers van ongeloovigen tegen u opkwamen
[1675], en wij zonden hun een wind, en scharen van engelen, welke gij
niet zaagt [1676]. En God onthield wat gij deedt. 10. Toen zij tegen
u opkwamen, van boven u en van onder u, en toen uw gezicht beneveld
werd en uwe harten u, door vrees, tot in uwe keelen stegen, en gij
omtrent God verschillende denkbeelden uitdacht. 11. Toen werden
de ongeloovigen beproefd, en met eene hevige beving tot sidderen
gebracht. 12. En toen de huichelaars, en zij in wier hart een gebrek
huisde zeiden: God en de gezanten hebben u slechts eene bedriegelijke
belofte gedaan. 13. En toen een partij van hen zeide: [1677] O bewoners
van Yathreb [1678] er is hier geen plaats van zekerheid voor u; keert
dus terug naar huis. En een deel van hen vroeg verlof van den profeet
om te mogen vertrekken, zeggende: Waarlijk, onze huizen zijn zonder
verdediging en aan den vijand blootgesteld; maar zij waren niet zonder
verdediging en hunne bedoeling was slechts te ontvluchten. 14. Indien
op dat oogenblik de vijand van de aangrenzende gedeelten de stad
waren binnengetrokken; en men had hun gevraagd, de ware geloovigen te
verlaten en tegen hen te strijden, zouden zij zekerlijk daarin hebben
toegestemd; maar in dat geval waren zij er niet in gebleven [1679]
dan voor een korte poos. 15. Zij hadden vroeger een verbond met God
gesloten, dat zij hunne ruggen niet zouden keeren; en de nakoming
van hun verbond met God zal hier namaals worden onderzocht. 16. Zeg:
De vlucht zal u van geen voordeel zijn. Indien gij den dood of het
gevecht ontvlucht, zult gij slechts weinig van het leven in deze
wereld genieten. 17. Zeg: Wie is het die u tegen God zal verdedigen,
indien het hem behaagt u met kwaad te treffen, of indien het hem
behaagt u genade te betoonen? Zij zullen buiten God niemand vinden,
om hen te beschutten of te ondersteunen. 18. God kent reeds degenen
onder u, die anderen verhinderen zijnen profeet te volgen, en die
tot hunne broeders zeggen: Komt hier tot ons; en die niet dan op
flauwe wijze in den slag komen [1680]. 19 Dit is, omdat zij gierig
omtrent u zijn [1681]; maar als de vrees hen bereikt, ziet gij hen
naar u opzien om hulp; hunne oogen rollen dan als de oogen van hem
die op sterven ligt. Doch als hunne vrees voorbij is, varen zij met
scherpe tongen tegen u uit, terwijl zij vol begeerte zijn omtrent het
beste en meest waardige gedeelte van den buit. Dezen gelooven niet
oprechtelijk; daarom heeft God hunne werken krachteloos gemaakt, en
dit is God gemakkelijk. 20. Zij verbeeldden zich, dat de verbondenen
niet zouden aftrekken en het beleg opheffen; en indien de verbondenen
ten tweedenmale opkwamen, zouden zij wenschen in de woestijn te wezen,
onder de Arabieren die in tenten wonen [1682] en daar slechts naar
nieuws van u te vernemen; want hoewel zij dien tijd met u waren,
vochten zij niet dan flauw. 21. Gij hebt in Gods gezant een uitmuntend
voorbeeld voor hem, die op God en op den laatsten dag hoopt, en God
dikwijls herdenkt. 22. Toen de ware geloovigen de verbondenen zagen,
zeiden zij: Dit is wat God en zijn profeet ons hebben voorspeld
[1683]. God en zijn profeet hebben de waarheid gesproken, en het
vermeerdert slechts hun geloof en hunne onderwerping aan God. 23. Van
de ware geloovigen vervullen sommigen rechtschapen wat zij God hebben
beloofd [1684]; sommigen van hen hebben hunne loopbaan geÎindigd
[1685], en sommigen van hen verwachten hetzelfde voordeel [1686],
en zij veranderen hunne belofte niet, door daarvan in het minst af
te wijken. 24. God zal degenen die hun verbond rechtschapen zijn
nagekomen, voor hunne getrouwheid beloonen en de huichelachtigen
straffen, of, naar zijn welbehagen hun genade schenken; want God is
vergevensgezind en genadig. 25. God heeft de ongeloovigen met hunne
woede teruggedreven. Zij verkregen geen voordeel uit dien krijg, en
God was een toereikende beschermer voor de geloovigen in den slag;
want God is sterk en machtig. 26. Hij deed degenen van hen die de
schriften hebben ontvangen en de verbondenen ondersteunden, uit hunne
sterkten komen [1687]. en hij wierp schrik en verslagenheid in hunne
harten; gij versloegt een deel van hen, en een deel van hen maaktet
gij krijgsgevangenen. 27. God heeft u hun land, hunne huizen en hunne
welvaart doen erven, en een land, dat gij nog niet betreden hebt
[1688]; want God is almachtig. 28. O profeet! zeg tot uwe vrouwen:
Indien gij naar dit leven en zijne pracht streeft, komt, en ik zal u
een schoon deel en een eervol ontslag geven [1689]. 29. Maar indien
gij God en zijn profeet zoekt en ook het volgende leven, waarlijk,
dan heeft God voor haar van u, die deugd betracht een groote belooning
gereed maakt. 30. O vrouwen van den profeet! wie uwer eene duidelijke
zonde zal bedrijven, daarvoor zal de straf tweevoudig toegepast
worden [1690]; en dit is gemakkelijk voor God. 31. Maar wie u
gehoorzaam zal wezen aan God en zijn gezant, en doen wat recht is,
deze zullen wij hare belooning tweemaal geven [1691], en wij hebben
een onbekrompen deel in het paradijs voor haar gereed gemaakt. 32. O
vrouwen van den profeet! gij zijt niet gelijk andere vrouwen. Indien
gij God vreest, toont dan niet te veel voorkomendheid in uwe woorden,
opdat de man, in wiens hart een gebrek huist, geene begeerte hebbe;
maar spreekt eene gepaste taal. 33. Zit gerust in uwe huizen, en
geeft u niet over aan de uiterlijke praal van de vroegere tijden van
onwetendheid [1692]; neemt de bepaalde tijden voor het gebed in acht,
geeft aalmoezen en gehoorzaamt God en zijn gezant; want God begeert
alleen de schande der ijdelheid van u af te nemen, nu gij tot het
gezin van den profeet behoort, en u door eene volkomen zuivering
te reinigen. 34. En herdenkt wat in uwe huizen is gelezen van Gods
teekenen, en van de wijsheid in den Koran geopenbaard is; want God
is scherpziende en wel bekend met uwe daden. 35. Waarlijk de Moslems
van beiderlei kunne en de ware geloovigen van beide geslachten,
en de vrome mannen en de godvruchtige vrouwen, en de mannen van
rechtvaardigheid en de vrouwen van rechtvaardigheid en de nederige
mannen en vrouwen, en de gevers van aalmoezen van beiderlei kunne,
en de mannen en vrouwen die vasten, en de kuische mannen en de
kuische vrouwen, en degenen van beiderlei kunnen die God dikwijls
gedenken, voor dezen heeft God vergiffenis gereed gemaakt en eene
groote belooning. 36. Het is niet gepast voor een waar geloovige,
onverschillig van welke kunne, als God en zijn gezant eene zaak hebben
besloten, dat zij de vrijheid nemen hunne eigene keuze te volgen. Wie
aan God ongehoorzaam is en aan zijn gezant, dwaalt waarlijk met eene
duidelijke dwaling. 37. En gedenk, toen gij zeidet tot hem, omtrent
wien God barmhartig is geweest [1693] en aan wien gij mede gunsten
hebt verleend [1694]. Behoud uwe vrouw voor u zelven en vrees God: en
gij datgene in uw gemoed verbergdet, wat God bepaald had, dat ontdekt
zou worden, en de menschen vreesdet, terwijl het rechtvaardiger ware
geweest, God te vreezen. En toen ZeÔd omtrent hare zaak had besloten,
en vastgesteld had, zich te laten scheiden, verbonden wij haar door
het huwelijk aan u, opdat er geene misdaad op de ware geloovigen
zou worden geladen, door het huwen van de vrouwen hunner aangenomen
zonen, nadat zij verstooten waren [1695]; en het bevel van God werd
vervuld. 38. Er wordt geene misdaad op den profeet geladen, door te
doen hetgeen God hem heeft veroorloofd overeenkomstig het Godsbevel,
met betrekking tot hen die hem voorafgingen (want het bevel van
God is een bepaald besluit). 39. Voor hen, die de boodschappen van
God brachten en hem vreesden, en niemand vreesden buiten God. God
volstaat voor allen. 40. Mahomet is niet de vader van een uwer, maar
de gezant van God, en het zegel der profeten [1696]. God kent alle
dingen. 41. O ware geloovigen! herdenkt God dikwijls, en verkondigt
zijn lof des ochtends en des avonds. 42. Hij is het, die barmhartig
voor u is, en zijne engelen zijn uwe bemiddelaars, opdat hij u uit de
duisternis tot het licht zou mogen leiden; en hij is barmhartig omtrent
de ware geloovigen. 43. Hunne groete op den dag, waarop zij hem zullen
ontmoeten, zal wezen: Vrede! en hij heeft eene eervolle belooning voor
hen gereed gemaakt. 44. O profeet! Waarlijk, wij hebben u gezonden,
om een getuige, een overbrenger van goede tijdingen, en een verkondiger
van bedreigingen te wezen. 45. Gij zijt een uitnoodiger tot God, door
zijn welbehagen, en een schijnend licht. 46. Breng dus goede tijdingen
tot de ware geloovigen, dat zij grooten overvloed van God zullen
ontvangen. 47. En gehoorzaam niet de ongeloovigen en de huichelaars,
en, geef geen acht op hunne slechte behandeling: maar vertrouw op
God: Gods ondersteuning is volstaande. 48. O ware geloovigen! indien
gij vrouwen huwt, die geloovig zijn en haar daar na verstoot zonder
haar te hebben aangeraakt, dan is u niets voorgeschreven, wat gij
na hare echtscheiding, omtrent haar hebt te vervullen [1697]; maar
geeft haar een geschenk [1698] en ontslaat haar vrijelijk met een
eervol ontslag. 49. O profeet! wij hebben u uwe vrouwen toegestaan,
aan welke gij haren bruidschat hebt gegeven, en ook de slaven welke
door uwe rechterhand worden bezeten, van den buit dien God u heeft
verleend [1699], en de dochters uwer ooms, en de dochters uwer moeien,
zoowel van vaders zijde, als van moeders zijde, die met u van Mekka
zijn gevlucht, en elke andere geloovige vrouw, indien zij zich aan
den profeet overgeeft [1700], voor het geval, dat de profeet haar tot
zijne vrouw wil nemen. Dit is een bijzonder voorrecht, dat u boven
de overige ware geloovigen is verleend [1701]. 50. Wij weten wat
wij hun nopens hunne vrouwen hebben bevolen, en omtrent de slaven,
welke door hunne rechterhand worden bezeten, opdat het u tot geene
misdaad zou worden aangerekend, indien gij van het u verleende
voorrecht gebruik maakt; want God is barmhartig en genadig. 51. Gij
moogt de beurt van dezulke uwer vrouwen uitstellen, als u mocht behagen
en gij moogt haar tot u nemen, die u zal behagen en haar, die gij
zult begeeren van degenen, welke gij vroeger verworpen hebt, en er
zal daarin geene misdaad voor u liggen [1702]. Dit zal gemakkelijker
zijn, opdat zij geheel tevreden mogen wezen, en niet bedroefd worden,
om hetgeen gij elke van haar zult geven, God kent alles wat in uwe
harten is, en God is alwetend en barmhartig. 52. Het zal u niet
geoorloofd wezen, daarna andere vrouwen te nemen [1703], noch eene
uwer vrouwen tegen andere te ruilen, niettegenstaande hare schoonheid
u behage, behalve de slaven welke door uwe rechterhand zullen worden
bezeten. En God merkt alle dingen op. 53. O ware geloovigen! treedt
de huizen van den profeet niet binnen, tenzij het u geoorloofd worde
met hem te eten, zonder den gepasten tijd af te wachten; maar als
gij uitgenoodigd zijt, treedt dan binnen. En als gij zult gegeten
hebben, scheidt dan van elkander, en blijft niet om vertrouwelijke
gesprekken aan te knoopen, want dit doet den profeet ongemak aan. Hij
schaamt zich, u te verzoeken weg te gaan; maar God schaamt zich niet
de waarheid te zeggen. En als gij zijne vrouwen iets wilt vragen,
vraagt het haar dan achter een gordijn [1704]. Dit zal zuiverder voor
uwe harten en de hare wezen. Het is niet gepast voor u, den profeet
van God eenig ongemak aan te doen, of zijne vrouwen na hem te huwen
[1705]; want dit zou eene bedroevende zaak voor het gezicht van God
wezen. 54. Hetzij gij eene zaak vertoont of dit verbergt, waarlijk, God
kent alle dingen. 55. Er zal geene misdaad in liggen, noch voor hare
vaders, noch hare zoons, noch hare broeders, of hare broeders zonen,
of hunne vrouwen, of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten,
met haar te spreken [1706], terwijl zij ongesluierd zijn. Vreest God
[1707]; want God is getuige van alle dingen. 56. Waarlijk, God en
zijne engelen zegenen den profeet. O ware geloovigen! zegent hem
mede en groet hem met eene eerbiedvolle groete [1708]. 57. Wat hen
betreft die God en zijn profeet beleedigen, God zal hen in deze
en in de volgende wereld vloeken, en hij heeft eene schandelijke
straf voor hen gereed gemaakt. 58. En zij die de ware geloovigen,
van welke kunne ook, zullen beleedigen, zonder dat zij dit verdienen,
zullen zekerlijk de schuld van laster en van eene klaarblijkelijke
onrechtvaardigheid dragen. 59. O profeet! spreek tot uwe vrouwen,
en uwe dochters, en de vrouwen der ware geloovigen, dat zij hare
opperkleederen omslaan [1709] indien zij naar buiten wandelen;
dit zal geschikter zijn om haar als huisvrouwen van eerbaar gedrag
te doen kennen, opdat zij niet door onwelvoegelijke woorden of
daden beleedigd worden, God is barmhartig en genadig. 60. Waarlijk,
indien de huichelaars, en zij, in wier harten een gebrek huist, en
zij die onrust te Medina veroorzaken, niet ophouden, zullen wij u
zekerlijk tegen hen opwinden om hen te tuchtigen; voortaan zal het
hun niet veroorloofd wezen nabij u daarin te wonen, behalve voor
een korten tijd. 61. En zij zullen vervloekt wezen; waar zij ook
zullen gevonden worden, zal men hen grijpen en met eene algemeene
slachting dooden. 62. Overeenkomstig de uitspraak van God nopens hen,
die vroeger bestonden: en gij zult geenerlei verandering in Gods
uitspraak vinden. 63. De menschen zullen u ondervragen nopens de
nadering van het laatste uur; antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan
is alleen met God, en hij zal u niet onderrichten; misschien is
het uur nabij. 64. Waarlijk, God heeft de ongeloovigen gevloekt en
een fel vuur voor hen gereed gemaakt. 65. Eeuwig zullen zij daarin
verblijven, en zullen geen schuts of verdediger vinden. 66. Op den dag,
waarop hunne aangezichten in het hellevuur zullen worden gewenteld:
zullen zij zeggen: O dat wij God en zijn gezant slechts gehoorzaamd
hadden! 67. En zij zullen zeggen: O Heer! Waarlijk, wij hebben onzen
vorsten en onzen grooten mannen gehoorzaamd, en zij hebben ons van
den rechten weg afgeleid. 68. Heer, geef hun het dubbele onzer straf,
en vloek hen met een zwaren vloek! 69. O ware geloovigen! weest niet
als zij, die Mozes beleedigden; maar God zuiverde hem van de lastering,
welke zij nopens hem hadden gesproken [1710], en hij werd in Gods oog
geacht [1711]. 70. O ware geloovigen! vreest God en laat de waarheid
uwe woorden besturen. 71. Opdat God uwe werken voor u moge verbeteren,
en u uwe zonden vergeven; en wie God en zijn gezant gehoorzaamt,
zal eene groote gelukzaligheid genieten. 72. Wij stelden het geloof
aan de hemelen, de aarde en de bergen voor, en zij weigerden zich er
mede te belasten, en waren er bevreesd voor. De mensch belastte er
zich mede [1712]; doch niettemin handelde hij onrechtvaardig omtrent
zich zelven en dwaas [1713]. 73. God zal de huichelachtige mannen en de
huichelachtige vrouwen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen
straffen, en God zal zich tot de ware geloovigen wenden, zoowel de
mannen als de vrouwen; want God is genadig en barmhartig.
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
SABA [1714].
Geopenbaard te Mekka.--54 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God,