1. A. L. M. [1630]. De Grieken zijn door de Perzen overwonnen [1631] in

een zeer nabij gelegen gedeelte van het land; maar na hunne nederlaag

zullen zij de andere op hunne beurt [1632]. 2. Binnen eenige jaren

overwinnen. Aan God behoort de beschikking hierover, zoowel voor

hetgeen voorbij is, als voor hetgeen komen zal. 3. Op dien dag zullen

de geloovigen zich verblijden 4. In het voordeel door God verleend;

want hij verleent goeden uitslag aan degene die hem behaagt, en hij

is de Machtige, de Barmhartige. 5. Dit is de belofte van God: God

zal niet in tegenspraak met zijne belofte handelen; maar het grootste

deel der menschen kennen Gods waarachtigheid niet. 6. Zij kennen het

uiterlijke aanzien van het tegenwoordige leven; maar zij zijn zorgeloos

nopens het volgende leven. 7. Overdenken zij niet bij zich zelven,

dat God de hemelen en de aarde, en ook alles wat daartusschen is,

niet anders dan in waarheid heeft geschapen en voor hen een bepaald

tijdvak aangewezen heeft? Waarlijk een groot aantal der menschen

verwerpen het geloof aan hunne toekomstige ontmoeting van den Heer bij

de opstanding. 8. Gaan zij niet over de aarde, en zien zij niet wat

het einde was van degenen die hen voorafgingen? Deze overtroffen de

bewoners van Mekka in kracht, braken de aarde open [1633] en woonden

daar in grooteren overvloed en voorspoed dan zij; en hunne gezanten

kwamen met duidelijke wonderen tot hen, en God was niet geneigd,

hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij mishandelden hunne eigene

zielen door hun hardnekkig ongeloof. 9. En het einde van hen, die snood

gehandeld hadden, was slecht, omdat zij Gods teekens van valschheid

beschuldigden en bespotten. 10. God brengt schepselen voort en doet

die daarna tot hem terugkomen. Tot hem zult gij wederkeeren. 11. En

op den dag waarop het uur zal komen, zullen de zondaren stom van

wanhoop worden. 12. Zij zullen geene tusschenpersonen hebben onder de

afgoden welke zij met God vereenigen. En zij zullen de valsche goden

verloochenen, welke zij met hem vereenigen. 13. Op den dag waarop het

uur zal komen, zullen de ware geloovigen en de ongeloovigen gescheiden

zijn. 14. En zij die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen

hebben, zullen zich vermeien in een schoonen bloemgaard. 15. Maar

wat hen betreft, die niet geloofd en onze teekens en de ontmoeting in

het volgende leven verworpen zullen hebben, zij zullen aan de straf

worden overgeleverd. 16. Verheerlijkt dus God als de avond u overvalt,

en als gij des ochtends opstaat. 17. Hij zij geloofd in den hemel en

op aarde, en bij zonsondergang en als gij des middags rust. 18. Hij

brengt het levende uit het doode voort, en hij brengt het doode uit

het levende voort [1634], en hij verkwikt de aarde, nadat die dood

was. Evenzoo zult gij uit uwe graven worden voortgebracht. 19. Een

zijner teekenen is, dat hij u van stof heeft geschapen; en, onthoudt

het, gij zijt menschen geworden die over de oppervlakte der aarde zijn

verspreid. 20. En een ander zijner teekenen is, dat hij u vrouwen uit

u zelven heeft geschapen, opdat gij met haar zoudt samenwonen, en hij

heeft liefde en teederheid tusschen u geplaatst. Waarlijk, hierin zijn

teekenen voor hen die begrijpen. 21. Tot zijne teekenen behooren ook

de schepping van de hemelen en de aarde, en de verscheidenheid uwer

talen en uwe gelaatskleur. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor menschen

van verstand. 22. En tot zijne teekenen behooren uw slaap bij nacht

en bij dag, en uwe pogingen om u van zijn overvloed te voorzien;

waarlijk, hierin zijn teekens voor hen die luisteren. 23. Onder

zijne teekens behoort ook, dat hij u den bliksem toont om schrik

te verwekken, en hoop op regen te geven, en dat hij water uit den

hemel nederzendt en daardoor de aarde verkwikt, nadat die stervende

was. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die begrijpen. 24. En

onder zijne teekenen is er een; namelijk dat de aarde en de hemel

op zijn bevel stil staan. Als hij u hierna uit de ingewanden der

aarde zal oproepen, zult gij daaruit voortkomen. 25. Aan hem zijn

allen onderworpen die zich in de hemelen en op aarde bevinden; allen

zijn hem gehoorzaam. 26. Hij is het die oorspronkelijk een schepsel

voortbrengt en daarna weder tot hem terugvoert, en dit is hem zeer

gemakkelijk. Hij eischt terecht de meest verheven vergelijking in den

hemel en op de aarde [1635], en hij is de Machtige, de Wijze. 27. Hij

stelt u vergelijkingen voor, aan u zelven ontleend. Hebt gij onder

de slaven, welke door uwe rechterhand worden bezeten, een deelgenoot

in het vermogen dat wij u hebben geschonken, zoodat gij daarvan

gelijke bezitters met hen wordt, of dat gij hen vreest, zoo als gij

elkander vreest [1636]? Zoo leggen wij onze teekens duidelijk uit,

voor hen die begrijpen. 28. Maar zij die onrechtvaardig handelen,

door anderen naast God te plaatsen, volgen hunne eigene lusten zonder

kennis; en wie zal degenen richten, welke God doet dwalen? Zij zullen

niemand hebben om hem te helpen. 29. Weest dus godvruchtig en wendt uw

aangezicht naar den waren godsdienst; de instelling van God, die den

mensch heeft geschapen om haar te omhelzen. Er is geene verandering

in hetgeen God heeft geschapen [1637]. Dit is de ware godsdienst;

maar het grootste deel der menschen weet het niet. 30. Weest tot hem

gewend en vreest hem; zijt standvastig in het gebed, en dient geene

afgoden. 31. Van hen die eene scheuring in hunnen godsdienst hebben

gemaakt, en in verschillende secten zijn verdeeld, verblijdt iedere

secte zich in hare eigen meening. 32. Als tegenspoed hen treft,

roepen zij hunnen Heer aan, zich tot hem wendende; daarna als hij

hun van zijne genade heeft doen proeven, vereenigt een deel van hen

andere godheden met hunnen Heer. 33. Om zich ondankbaar te betoonen

voor de gunsten, welke wij hun hebben geschonken. Verblijdt u dus in

de ijdele vermaken dezer wereld; maar hierna zult gij de gevolgen

kennen. 34. Hebben wij hun eenig gezag nedergezonden, dat van de

valsche goden spreekt; welke zij met hem vereenigen [1638]? 35. Als

wij de menschen de weldaden der genade doen smaken, verblijden zij

zich daarin; doch indien hun kwaad overkomt, om hetgeen hunne handen

te voren hebben bedreven, wanhopen zij [1639]. 36. Zien zij niet dat

God een overvloedigen voorraad schenkt aan degenen die hem behagen en

spaarzaam is naar zijn wil? 37. Geef hem, die met u verwant is, datgene

wat gij hem in billijkheid verplicht zijt, en ook aan den arme en den

vreemdeling; dit is beter voor hen die Gods aangezicht zoeken, en zij

zullen voorspoed genieten. 38. Wat gij in woeker zult geven [1640], om

het uwe met der menschen bezittingen te vergrooten, zal niet vergroot

worden, dan door Gods zegen; maar wat gij aan aalmoezen geeft voor Gods

zaak, daarvoor zult gij eene tweevoudige belooning ontvangen. 39. God

is het die u geschapen en van voedsel voorzien heeft; daarna zal

hij u doen sterven, en daarna zal hij u ten leven opwekken. Is er

een uwer valsche goden, die in staat is het minste dezer dingen

te doen? Geloofd zij hij en verre zij het van hem, wat zij met hem

vereenigen. 40. Verderf [1641] is te land en ter zee verschenen, om de

misdaden door menschenhanden bedreven; ten einde zij daardoor een deel

der vruchten zouden proeven van hetgeen zij hebben gewrocht, opdat zij

misschien van hunne slechte wegen zouden mogen terugkeeren. 41. Zeg:

Ga over de aarde en zie wat het einde was van hen die voor u waren: het

grootste deel hunner waren afgodendienaars. 42. Wend dus uw aangezicht

naar den rechten godsdienst, alvorens de dag kome, dien niemand van

God kan verwijderen. Op dien dag zullen zij in twee groepen worden

gescheiden. 43. Die een ongeloovige mocht zijn geweest, zal de lasten

van zijn ongeloof dragen, en die gedaan zullen hebben, wat recht is,

zullen zich rustplaatsen in het paradijs spreiden; 44. Opdat hij van

zijne overvloedige milddadigheid degenen mogen beloonen, die geloofd en

rechtvaardig gehandeld zullen hebben; want hij bemint de ongeloovigen

niet. 45. Onder zijne teekenen is er een: dat hij de winden zendt,

welkome tijding dragende van regen, opdat hij u van zijne genade zou

mogen doen proeven en opdat de schepen op zijn bevel mogen zeilen,

en gij dankbaar wezen zoudt. 46. VÛÛr u zonden wij gezanten onder

die verschillende volkeren; zij kwamen met duidelijke bewijzen tot

hen en wij namen wraak op degenen die zondig handelden. Het was onze

plicht de ware geloovigen te ondersteunen. 47. Het is God die de

winden zendt, en de wolken doet oprijzen, deze naar zijn welbehagen

in den hemel uitspreidt en naderhand verdrijft; en gij kunt den

regen uit haar midden zien voortkomen, en als hij dien op degenen

zijner dienaren uitgiet welke hem behagen, worden zij met vreugde

vervuld. 48. Hoewel zij, voor hij hun werd nedergezonden en vÛÛr

dien troost, wanhopig waren. 49. Beschouw daarom de sporen van Gods

genade hoe hij de aarde verkwikt na haren kwijnenden staat. Waarlijk,

hij zal de dooden doen opstaan; want hij is almachtig. 50. Indien

wij een verzengenden wind zonden, en zij zouden hun koren zien geel

worden en verbranden, zouden zij zeker ondankbaar worden, in weerwil

onzer vroegere gunsten. 51. Gij kunt de dooden niet doen hooren, noch

kunt de dooven uwen kreet doen vernemen, als zij zich verwijderen en

u hunne ruggen toewenden. 52. Ook kunt gij den blinde niet uit zijne

dwaling leiden. Gij zult niemand hoorend maken, behalve hen die in

onze teekenen gelooven; want deze zijn ons onderworpen. 53. Het is God

die u vol zwakheid heeft geschapen, en u, na de zwakte, kracht heeft

gegeven: maar na de kracht zal hij u wederom tot zwakte terugbrengen

en tot grijze haren. Hij schept wat hem behaagt, en hij is de Wijze,

de Machtige. 54. Op den dag waarop het laatste uur zal komen, zullen

de zondaren willen zweren. 55. Dat zij niet langer dan een uur zijn

gebleven [1642]. Op dezelfde wijze spraken zij gedurende hunnen

leeftijd leugens uit. 56. Maar zij aan wie kennis en geloof werd

geschonken, zullen zeggen: Gij zijt gebleven, overeenkomstig Gods boek

[1643], tot den dag der opstanding; maar gij wist het niet. 57.Op dien

dag zal hunne verontschuldiging degenen niet helpen, die onrechtvaardig

hebben gehandeld; ook zullen zij niet meer worden uitgenoodigd, zich

bij God aangenaam te maken. 58. En thans hebben wij den mensch in dezen

Koran vergelijkingen van allerlei aard voorgesteld; maar indien gij

de ongeloovigen een vers daarvan brengt, zullen zij zekerlijk zeggen;

Gij zijt slechts verkondigers van ijdele leugens. 59. Zoo heeft God

de harten dichtgezegeld van hen die niet gelooven. 60. Maar gij,

o Mahomet, volhard met standvastigheid; want God is waar, en laten

niet zij u tot wankelen brengen, die geene zekere kennis bezitten.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

LOKMAN. [1644]

Gegeven te Mekka [1645]--34 verzen.

In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. Dit zijn de teekens van het wijze boek. 2. Eene leiding

en eene genade voor de rechtvaardigen. 3. Die de tijden voor het

gebed bepaald in acht nemen, aalmoezen geven en vast overtuigd zijn

van het toekomstige leven. 4. Deze worden door hunnen Heer geleid

en zullen voorspoed genieten. 5. Er is een man die een beuzelachtig

verhaal voortplant [1646], om de menschen zonder kennis van Gods

weg af te leiden, en hem te doen bespotten. De zoodanigen zullen

eene schandelijke straf ondergaan. 6. En als hem onze teekenen worden

medegedeeld, keert hij zich met verachting af, als hoorde hij die niet,

en als ware er eene doofheid in zijne ooren. Kondig hem dus eene

gestrenge straf aan. 7. Maar zij die gelooven en rechtvaardigheid

uitoefenen, zullen tuinen des vermaaks genieten. 8. Eeuwig zullen

zij daarin verblijven. Dit is de zekere belofte van God; en hij is

de Machtige, de Wijze. 9. Hij heeft de hemelen geschapen, zonder

zichtbare zuilen om die te ondersteunen, en vastgewortelde bergen op

de aarde geplaatst opdat zij zich niet met u zoude bewegen [1647],

en hij heeft haar met alle soorten van dieren bevolkt: en wij zenden

regen van den hemel neder, en doen allerlei soorten van edele gewassen

daarop voortspruiten. 10. Dit is de schepping van God: toont mij nu wat

zij geschapen hebben, welke naast hem worden aangebeden? Waarlijk,

de goddeloozen verkeeren in eene duidelijke dwaling. 11. Daarom

schonken wij wijsheid aan Lokman [1648] en geboden hem, zeggende:

Wees God dankbaar; want wie dankbaar is, zal in het voordeel van zijn

eigen ziel wezen, en indien iemand ondankbaar mocht zijn, waarlijk,

dan volstaat God voor zich zelven; en hij is waardig geprezen te

worden. 12. En gedenk, toen Lokman tot zijn zoon zeide, terwijl

hij hem vermaande: O mijn zoon! geef God geen deelgenoot; want het

veelgodendom is eene groote snoodheid. 13. Wij hebben den mensch

bevelen gegeven nopens zijne ouders [1649], (zijne moeder bewaarde

hem in haren boezem met zwakheid en smart, en hij wordt na twee jaren

gespeend), zeggende: Wees dankbaar jegens mij en jegens uwe ouders:

Tot mij zullen allen komen om geoordeeld te worden. 14. Maar indien

uwe ouders trachten, u datgene met mij te doen vereenigen, waarvan gij

geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet: houd hun gezelschap in deze

wereld, in hetgeen redelijk mocht wezen, maar volg den weg van hem,

die zich oprechtelijk tot mij wendt [1650]. Daarna zult gij tot mij

terugkeeren, en dan zal ik verklaren wat gij hebt bedreven. 15. O mijn

zoon! waarlijk, iedere zaak, hetzij die goed of kwaad zij, hetzij

die de zwaarte van een korrel mostaardzaad hebbe en in eene rots,

of in de hemelen of in de aarde zij verborgen, zal door God aan het

licht worden gebracht; want God is helderziende en alwetend. 16. O

mijn zoon! wees standvastig in het gebed, en beveel wat rechtvaardig

is; verbied het kwade en wees geduldig onder de rampen die u zullen

treffen: want dit is een volstrekt noodzakelijke plicht voor alle

menschen. 17. Verwring uw aangezicht niet tot verachting der menschen,

noch wandel onbeschaamd over de aarde; want God bemint den verwaanden,

den ingebeelden mensch niet. 18. Wees gematigd in uwe schreden

en verzacht uwe stem; want de onaangenaamste van alle stemmen is

zekerlijk de stem van ezels [1651]. 19. Ziet gij niet dat God alles,

wat in den hemel en op aarde is, aan uwen dienst heeft onderworpen,

en zijne gunsten overvloedig over u heeft uitgestort, zoowel uit- als

inwendig [1652]? Er zijn sommigen, die zonder kennis en zonder eene

leiding, en zonder een voorlichtend boek nopens God twisten. 20. En

als er tot hen wordt gezegd: Volgt wat God heeft geopenbaard,

antwoorden zij: Neen! wij zullen volgen wat wij hebben bevonden dat

onze vaderen deden. Maar wat! ofschoon de duivel hen tot de marteling

der hel noodigt? 21. Die zich aan God onderwerpt en rechtvaardigheid

uitoefent houdt zich aan een sterk handvatsel vast en Gode behoort

de uitkomst van alle dingen. 22. Maar wie een ongeloovige is, laat

diens ongeloof u niet bedroeven; tot ons zullen zij terugkeeren;

dan zullen wij hun verklaren, wat zij gedaan hebben; want God kent

de binnenste gedeelten van de borst der menschen. 23. Wij zullen hun

deze wereld voor een korten tijd doen genieten; daarna zullen wij

hen tot een strenge straf voeren. 24. Indien gij hun vraagt, wie de

hemelen en de aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden:

God. Zeg: God zij geloofd! maar het grootste deel hunner begrijpt het

niet. 25. Aan God behoort alles wat in den hemelen op aarde is; want

God is de Almachtige, de Prijzenswaardige. 26. Indien alle boomen

die zich op de aarde bevinden, pennen waren, en hij zou daarna de

zee tot zeven zeeÎn van inkt doen opzwellen, zouden Gods woorden niet

uitgeput zijn [1653]; want God is almachtig en wijs. 27. Uwe schepping

en uwe opstanding zijn hem slechts als de schepping en de opstanding

van ÈÈne ziel [1654]. Waarlijk, God hoort en ziet alles. 28. Ziet

gij niet, dat God den dag door den nacht doet vervangen, en den

dag aan den nacht doet opvolgen, en de zon en de maan dwingt u te

dienen? Ieder dezer lichten legt zijne baan gedurende een bepaald

tijdvak af, en God is wel bekend met hetgeen gij doet. 29. Dit laat

zich verklaren door de goddelijke kennis en macht, omdat God het

ware wezen is, en omdat alles wat gij naast hem aanroept, ijdel is,

en omdat God de verhevene, de groote God is. 30. Ziet gij niet, dat

de schepen door de gunst van God de zee bevaren, opdat hij u zijne

teekenen zou kunnen toonen. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder

geduldig en dankbaar mensch. 31. Als de golven hen bedekken, zooals

schaduw afwerpende wolken, roepen zij God aan, en bekeeren zich tot

den zuiveren godsdienst: maar als hij hen ongedeerd aan land brengt,

zijn er van hen, die tusschen het ware geloof en de afgoderij

twijfelen. Niemand verwerpt echter onze teekenen, behalve de

trouweloozen en de ondankbaren. 32. O menschen! vreest uwen Heer,

en ducht den dag, waarop de vader geene voldoening hoe gering ook,

voor zijnen zoon, noch een zoon voldoening voor zijnen vader zal

kunnen geven. 33. Zekerlijk, de belofte van God is waar. Laat

het tegenwoordige leven u dus niet misleiden, en laat de bedrieger

[1655] u niet omtrent God verblinden. 34. Waarlijk, de kennis van het

uur des oordeels is bij God, en hij doet den regen op zijn eigen,

bepaalden tijd nederdalen, en hij weet, wat zich in den schoot der

vrouwen bevindt. Geene ziel weet, wat zij morgen zal winnen en geene

ziel weet in welk land zij zal sterven [1656]; maar God is wijs en

volkomen bekend met alle dingen.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE AANBIDDING [1657].

Gegeven te Mekka.--30 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. A. L. M. De openbaring van dit boek, dit lijdt geen twijfel, is

van den Heer van alle schepselen. 2. Zullen zij zeggen: Mahomet heeft

het uitgedacht? Neen, Mahomet! het is de waarheid van uwen Heer,

opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk vÛÛr u geen

prediker werd gezonden [1658]; opdat zij ten goede geleid mochten

worden. 3. God is het, die de hemelen en de aarde heeft geschapen en

alles wat daartusschen is, in zes dagen, en toen zijn troon beklom;

gij hebt geen schuts of tusschenpersoon buiten hem. Wilt gij dit

niet bedenken? 4. Hij regeert alle dingen, van den hemel tot de

aarde: hierna zal alles tot hem terugkeeren, op den dag, welks

lengte duizend jaren zal wezen [1659], van diegene volgens welke gij

rekent. 5. Hij is het, die de toekomst en het tegenwoordige kent; de

Machtige de genadige. 6. Hij is het, die ieder ding dat hij schiep,

buitengewoon goed gemaakt en den mensch het eerst van klei gevormd

heeft. 7. En daarna zijne nakomelingschap uit een uittreksel van

een verachtelijken droppel water maakte [1660]. 8. Hem daarna in

een geschikten vorm bracht, hem van zijn geest inblies, en u de

zintuigen van het gehoor en gezicht heeft geschonken, en harten om

te verstaan. Hoe weinig dankbaar zijt gij daarvoor! 9. En zij zeggen:

Als wij in de aarde bedolven zullen liggen, zullen wij dan als nieuwe

schepsels worden opgewekt? 10. Ja, zij loochenen de ontmoeting van

hunnen Heer bij de opstanding. 11. Zeg: De engel des doods, die boven

u is gesteld, zal u doen sterven: dan zult gij tot uwen Heer worden

teruggebracht. 12. Indien gij het zoudt kunnen aanschouwen, als de

zondaren hunne hoofden voor hunnen Heer zullen nederbuigen, zeggende:

O Heer! wij hebben gezien en wij hebben gehoord; sta ons dus toe in de

wereld terug te keeren en wij zullen doen wat recht is, nu wij zeker

zijn van de waarheid van hetgeen ons werd gepredikt, dan zoudt gij een

verbazend gezicht zien. 13. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden

wij zekerlijk iedere ziel hare leiding gegeven; maar het woord dat van

mij is uitgegaan, moest noodzakelijk worden vervuld, toen ik namelijk

zeide: Waarlijk ik zal de hel met geniussen en menschen te zamen vullen

[1661]. 14. Proef dus de marteling welke voor u is gereed gemaakt,

dewijl gij het komen van dezen uwen dag hebt vergeten: wij hebben ook

u vergeten. Proef dus de eeuwig durende straf voor hetgeen gij hebt

verricht. 15. Waarlijk, zij alleen gelooven in onze teekenen, die,

wanneer zij daardoor gewaarschuwd worden, in aanbidding nederzinken,

den lof van hunnen Heer verkondigen en niet van trotschheid zijn

vervuld. 16. Die hunne lichamen van hunne bedden opheffen, onder het

aanroepen van hunnen Heer met vrees en hoop; die aalmoezen uitdeelen

van hetgeen wij hun hebben geschonken. 17. Geene ziel [1662] kent de

volkomen voldoening, die heimelijk voor hen (de deugdzamen) is gereed

gemaakt als eene belooning voor hetgeen zij hebben verricht. 18. Zal

dus hij, die een waar geloovige is, als degeen wezen, die een

goddelooze zondaar is. Zij zullen niet gelijk staan. 19. Wat hen

betreft, die gelooven en doen wat rechtvaardig is, zij zullen tuinen

van eeuwig verblijf bezitten, als eene ruime belooning, voor hetgeen

zij hebben verricht. 20. Maar wat hen betreft, die goddeloos zondigen,

hun verblijf zal het hellevuur wezen. Zoo dikwijls zij zullen trachten

daaruit te gaan, zullen zij daarin teruggesleept worden, en men zal tot

hen zeggen: Proeft de marteling van het hellevuur, welke gij als eene

logen verwerpt. 21. En wij zullen hun de lichtere straf dezer wereld

doen lijden, buiten de strengere straf der volgende wereld; misschien

zullen zij berouw gevoelen. 22. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die

door de teekens van zijnen Heer is gewaarschuwd en zich daarna er van

afwendt? Wij zullen zekerlijk wraak nemen op de zondaren? 23. Wij gaven

vroeger het boek der wet aan Mozes; verkeer dus niet in twijfel omtrent

de openbaring daarvan, en wij gelastten, dat het eene leiding voor de

kinderen IsraÎls zou zijn. 24. En wij wezen leeraren onder hen aan,

die het volk op ons bevel zouden leiden, indien zij met geduld volhard

en standvastig in onze teekenen geloofd zouden hebben. 25. Waarlijk,

uw Heer zal tusschen hen richten op den dag der opstanding, nopens

datgene, waaromtrent zij hebben verschild. 26. Is het hun niet bekend,

hoe vele geslachten wij voor hen hebben verdelgd, door welker woningen

zij wandelen [1663]? Waarlijk, hierin zijn teekenen: zullen zij dus

niet luisteren? 27. Zien zij niet dat wij den regen over een land

voeren, dat van gras ontbloot en uitgedroogd is, en daaruit graan

voortbrengen, waarvan hun vee en ook zij eten? Zullen zij dit niet

overwegen? 28. De ongeloovigen zeggen tot de ware geloovigen: wanneer

zal deze beslissing tusschen ons plaats hebben, indien gij de waarheid

spreekt? 29. Antwoord: Op den dag dier beslissing [1664] zal het geloof

van hen, die niet geloofd zullen hebben, hun niet baten: ook zullen

zij geen langer uitstel ontvangen. 30. Vermijdt hen dus, en verwacht

den uitslag. Waarlijk, zij verwachten eenig voordeel op u te behalen.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERBONDENEN [1665].

Geopenbaard te Medina--73 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 35 / 89 段