een zeer nabij gelegen gedeelte van het land; maar na hunne nederlaag
zullen zij de andere op hunne beurt [1632]. 2. Binnen eenige jaren
overwinnen. Aan God behoort de beschikking hierover, zoowel voor
hetgeen voorbij is, als voor hetgeen komen zal. 3. Op dien dag zullen
de geloovigen zich verblijden 4. In het voordeel door God verleend;
want hij verleent goeden uitslag aan degene die hem behaagt, en hij
is de Machtige, de Barmhartige. 5. Dit is de belofte van God: God
zal niet in tegenspraak met zijne belofte handelen; maar het grootste
deel der menschen kennen Gods waarachtigheid niet. 6. Zij kennen het
uiterlijke aanzien van het tegenwoordige leven; maar zij zijn zorgeloos
nopens het volgende leven. 7. Overdenken zij niet bij zich zelven,
dat God de hemelen en de aarde, en ook alles wat daartusschen is,
niet anders dan in waarheid heeft geschapen en voor hen een bepaald
tijdvak aangewezen heeft? Waarlijk een groot aantal der menschen
verwerpen het geloof aan hunne toekomstige ontmoeting van den Heer bij
de opstanding. 8. Gaan zij niet over de aarde, en zien zij niet wat
het einde was van degenen die hen voorafgingen? Deze overtroffen de
bewoners van Mekka in kracht, braken de aarde open [1633] en woonden
daar in grooteren overvloed en voorspoed dan zij; en hunne gezanten
kwamen met duidelijke wonderen tot hen, en God was niet geneigd,
hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij mishandelden hunne eigene
zielen door hun hardnekkig ongeloof. 9. En het einde van hen, die snood
gehandeld hadden, was slecht, omdat zij Gods teekens van valschheid
beschuldigden en bespotten. 10. God brengt schepselen voort en doet
die daarna tot hem terugkomen. Tot hem zult gij wederkeeren. 11. En
op den dag waarop het uur zal komen, zullen de zondaren stom van
wanhoop worden. 12. Zij zullen geene tusschenpersonen hebben onder de
afgoden welke zij met God vereenigen. En zij zullen de valsche goden
verloochenen, welke zij met hem vereenigen. 13. Op den dag waarop het
uur zal komen, zullen de ware geloovigen en de ongeloovigen gescheiden
zijn. 14. En zij die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen
hebben, zullen zich vermeien in een schoonen bloemgaard. 15. Maar
wat hen betreft, die niet geloofd en onze teekens en de ontmoeting in
het volgende leven verworpen zullen hebben, zij zullen aan de straf
worden overgeleverd. 16. Verheerlijkt dus God als de avond u overvalt,
en als gij des ochtends opstaat. 17. Hij zij geloofd in den hemel en
op aarde, en bij zonsondergang en als gij des middags rust. 18. Hij
brengt het levende uit het doode voort, en hij brengt het doode uit
het levende voort [1634], en hij verkwikt de aarde, nadat die dood
was. Evenzoo zult gij uit uwe graven worden voortgebracht. 19. Een
zijner teekenen is, dat hij u van stof heeft geschapen; en, onthoudt
het, gij zijt menschen geworden die over de oppervlakte der aarde zijn
verspreid. 20. En een ander zijner teekenen is, dat hij u vrouwen uit
u zelven heeft geschapen, opdat gij met haar zoudt samenwonen, en hij
heeft liefde en teederheid tusschen u geplaatst. Waarlijk, hierin zijn
teekenen voor hen die begrijpen. 21. Tot zijne teekenen behooren ook
de schepping van de hemelen en de aarde, en de verscheidenheid uwer
talen en uwe gelaatskleur. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor menschen
van verstand. 22. En tot zijne teekenen behooren uw slaap bij nacht
en bij dag, en uwe pogingen om u van zijn overvloed te voorzien;
waarlijk, hierin zijn teekens voor hen die luisteren. 23. Onder
zijne teekens behoort ook, dat hij u den bliksem toont om schrik
te verwekken, en hoop op regen te geven, en dat hij water uit den
hemel nederzendt en daardoor de aarde verkwikt, nadat die stervende
was. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die begrijpen. 24. En
onder zijne teekenen is er een; namelijk dat de aarde en de hemel
op zijn bevel stil staan. Als hij u hierna uit de ingewanden der
aarde zal oproepen, zult gij daaruit voortkomen. 25. Aan hem zijn
allen onderworpen die zich in de hemelen en op aarde bevinden; allen
zijn hem gehoorzaam. 26. Hij is het die oorspronkelijk een schepsel
voortbrengt en daarna weder tot hem terugvoert, en dit is hem zeer
gemakkelijk. Hij eischt terecht de meest verheven vergelijking in den
hemel en op de aarde [1635], en hij is de Machtige, de Wijze. 27. Hij
stelt u vergelijkingen voor, aan u zelven ontleend. Hebt gij onder
de slaven, welke door uwe rechterhand worden bezeten, een deelgenoot
in het vermogen dat wij u hebben geschonken, zoodat gij daarvan
gelijke bezitters met hen wordt, of dat gij hen vreest, zoo als gij
elkander vreest [1636]? Zoo leggen wij onze teekens duidelijk uit,
voor hen die begrijpen. 28. Maar zij die onrechtvaardig handelen,
door anderen naast God te plaatsen, volgen hunne eigene lusten zonder
kennis; en wie zal degenen richten, welke God doet dwalen? Zij zullen
niemand hebben om hem te helpen. 29. Weest dus godvruchtig en wendt uw
aangezicht naar den waren godsdienst; de instelling van God, die den
mensch heeft geschapen om haar te omhelzen. Er is geene verandering
in hetgeen God heeft geschapen [1637]. Dit is de ware godsdienst;
maar het grootste deel der menschen weet het niet. 30. Weest tot hem
gewend en vreest hem; zijt standvastig in het gebed, en dient geene
afgoden. 31. Van hen die eene scheuring in hunnen godsdienst hebben
gemaakt, en in verschillende secten zijn verdeeld, verblijdt iedere
secte zich in hare eigen meening. 32. Als tegenspoed hen treft,
roepen zij hunnen Heer aan, zich tot hem wendende; daarna als hij
hun van zijne genade heeft doen proeven, vereenigt een deel van hen
andere godheden met hunnen Heer. 33. Om zich ondankbaar te betoonen
voor de gunsten, welke wij hun hebben geschonken. Verblijdt u dus in
de ijdele vermaken dezer wereld; maar hierna zult gij de gevolgen
kennen. 34. Hebben wij hun eenig gezag nedergezonden, dat van de
valsche goden spreekt; welke zij met hem vereenigen [1638]? 35. Als
wij de menschen de weldaden der genade doen smaken, verblijden zij
zich daarin; doch indien hun kwaad overkomt, om hetgeen hunne handen
te voren hebben bedreven, wanhopen zij [1639]. 36. Zien zij niet dat
God een overvloedigen voorraad schenkt aan degenen die hem behagen en
spaarzaam is naar zijn wil? 37. Geef hem, die met u verwant is, datgene
wat gij hem in billijkheid verplicht zijt, en ook aan den arme en den
vreemdeling; dit is beter voor hen die Gods aangezicht zoeken, en zij
zullen voorspoed genieten. 38. Wat gij in woeker zult geven [1640], om
het uwe met der menschen bezittingen te vergrooten, zal niet vergroot
worden, dan door Gods zegen; maar wat gij aan aalmoezen geeft voor Gods
zaak, daarvoor zult gij eene tweevoudige belooning ontvangen. 39. God
is het die u geschapen en van voedsel voorzien heeft; daarna zal
hij u doen sterven, en daarna zal hij u ten leven opwekken. Is er
een uwer valsche goden, die in staat is het minste dezer dingen
te doen? Geloofd zij hij en verre zij het van hem, wat zij met hem
vereenigen. 40. Verderf [1641] is te land en ter zee verschenen, om de
misdaden door menschenhanden bedreven; ten einde zij daardoor een deel
der vruchten zouden proeven van hetgeen zij hebben gewrocht, opdat zij
misschien van hunne slechte wegen zouden mogen terugkeeren. 41. Zeg:
Ga over de aarde en zie wat het einde was van hen die voor u waren: het
grootste deel hunner waren afgodendienaars. 42. Wend dus uw aangezicht
naar den rechten godsdienst, alvorens de dag kome, dien niemand van
God kan verwijderen. Op dien dag zullen zij in twee groepen worden
gescheiden. 43. Die een ongeloovige mocht zijn geweest, zal de lasten
van zijn ongeloof dragen, en die gedaan zullen hebben, wat recht is,
zullen zich rustplaatsen in het paradijs spreiden; 44. Opdat hij van
zijne overvloedige milddadigheid degenen mogen beloonen, die geloofd en
rechtvaardig gehandeld zullen hebben; want hij bemint de ongeloovigen
niet. 45. Onder zijne teekenen is er een: dat hij de winden zendt,
welkome tijding dragende van regen, opdat hij u van zijne genade zou
mogen doen proeven en opdat de schepen op zijn bevel mogen zeilen,
en gij dankbaar wezen zoudt. 46. VÛÛr u zonden wij gezanten onder
die verschillende volkeren; zij kwamen met duidelijke bewijzen tot
hen en wij namen wraak op degenen die zondig handelden. Het was onze
plicht de ware geloovigen te ondersteunen. 47. Het is God die de
winden zendt, en de wolken doet oprijzen, deze naar zijn welbehagen
in den hemel uitspreidt en naderhand verdrijft; en gij kunt den
regen uit haar midden zien voortkomen, en als hij dien op degenen
zijner dienaren uitgiet welke hem behagen, worden zij met vreugde
vervuld. 48. Hoewel zij, voor hij hun werd nedergezonden en vÛÛr
dien troost, wanhopig waren. 49. Beschouw daarom de sporen van Gods
genade hoe hij de aarde verkwikt na haren kwijnenden staat. Waarlijk,
hij zal de dooden doen opstaan; want hij is almachtig. 50. Indien
wij een verzengenden wind zonden, en zij zouden hun koren zien geel
worden en verbranden, zouden zij zeker ondankbaar worden, in weerwil
onzer vroegere gunsten. 51. Gij kunt de dooden niet doen hooren, noch
kunt de dooven uwen kreet doen vernemen, als zij zich verwijderen en
u hunne ruggen toewenden. 52. Ook kunt gij den blinde niet uit zijne
dwaling leiden. Gij zult niemand hoorend maken, behalve hen die in
onze teekenen gelooven; want deze zijn ons onderworpen. 53. Het is God
die u vol zwakheid heeft geschapen, en u, na de zwakte, kracht heeft
gegeven: maar na de kracht zal hij u wederom tot zwakte terugbrengen
en tot grijze haren. Hij schept wat hem behaagt, en hij is de Wijze,
de Machtige. 54. Op den dag waarop het laatste uur zal komen, zullen
de zondaren willen zweren. 55. Dat zij niet langer dan een uur zijn
gebleven [1642]. Op dezelfde wijze spraken zij gedurende hunnen
leeftijd leugens uit. 56. Maar zij aan wie kennis en geloof werd
geschonken, zullen zeggen: Gij zijt gebleven, overeenkomstig Gods boek
[1643], tot den dag der opstanding; maar gij wist het niet. 57.Op dien
dag zal hunne verontschuldiging degenen niet helpen, die onrechtvaardig
hebben gehandeld; ook zullen zij niet meer worden uitgenoodigd, zich
bij God aangenaam te maken. 58. En thans hebben wij den mensch in dezen
Koran vergelijkingen van allerlei aard voorgesteld; maar indien gij
de ongeloovigen een vers daarvan brengt, zullen zij zekerlijk zeggen;
Gij zijt slechts verkondigers van ijdele leugens. 59. Zoo heeft God
de harten dichtgezegeld van hen die niet gelooven. 60. Maar gij,
o Mahomet, volhard met standvastigheid; want God is waar, en laten
niet zij u tot wankelen brengen, die geene zekere kennis bezitten.
EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
LOKMAN. [1644]
Gegeven te Mekka [1645]--34 verzen.
In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M. Dit zijn de teekens van het wijze boek. 2. Eene leiding
en eene genade voor de rechtvaardigen. 3. Die de tijden voor het
gebed bepaald in acht nemen, aalmoezen geven en vast overtuigd zijn
van het toekomstige leven. 4. Deze worden door hunnen Heer geleid
en zullen voorspoed genieten. 5. Er is een man die een beuzelachtig
verhaal voortplant [1646], om de menschen zonder kennis van Gods
weg af te leiden, en hem te doen bespotten. De zoodanigen zullen
eene schandelijke straf ondergaan. 6. En als hem onze teekenen worden
medegedeeld, keert hij zich met verachting af, als hoorde hij die niet,
en als ware er eene doofheid in zijne ooren. Kondig hem dus eene
gestrenge straf aan. 7. Maar zij die gelooven en rechtvaardigheid
uitoefenen, zullen tuinen des vermaaks genieten. 8. Eeuwig zullen
zij daarin verblijven. Dit is de zekere belofte van God; en hij is
de Machtige, de Wijze. 9. Hij heeft de hemelen geschapen, zonder
zichtbare zuilen om die te ondersteunen, en vastgewortelde bergen op
de aarde geplaatst opdat zij zich niet met u zoude bewegen [1647],
en hij heeft haar met alle soorten van dieren bevolkt: en wij zenden
regen van den hemel neder, en doen allerlei soorten van edele gewassen
daarop voortspruiten. 10. Dit is de schepping van God: toont mij nu wat
zij geschapen hebben, welke naast hem worden aangebeden? Waarlijk,
de goddeloozen verkeeren in eene duidelijke dwaling. 11. Daarom
schonken wij wijsheid aan Lokman [1648] en geboden hem, zeggende:
Wees God dankbaar; want wie dankbaar is, zal in het voordeel van zijn
eigen ziel wezen, en indien iemand ondankbaar mocht zijn, waarlijk,
dan volstaat God voor zich zelven; en hij is waardig geprezen te
worden. 12. En gedenk, toen Lokman tot zijn zoon zeide, terwijl
hij hem vermaande: O mijn zoon! geef God geen deelgenoot; want het
veelgodendom is eene groote snoodheid. 13. Wij hebben den mensch
bevelen gegeven nopens zijne ouders [1649], (zijne moeder bewaarde
hem in haren boezem met zwakheid en smart, en hij wordt na twee jaren
gespeend), zeggende: Wees dankbaar jegens mij en jegens uwe ouders:
Tot mij zullen allen komen om geoordeeld te worden. 14. Maar indien
uwe ouders trachten, u datgene met mij te doen vereenigen, waarvan gij
geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet: houd hun gezelschap in deze
wereld, in hetgeen redelijk mocht wezen, maar volg den weg van hem,
die zich oprechtelijk tot mij wendt [1650]. Daarna zult gij tot mij
terugkeeren, en dan zal ik verklaren wat gij hebt bedreven. 15. O mijn
zoon! waarlijk, iedere zaak, hetzij die goed of kwaad zij, hetzij
die de zwaarte van een korrel mostaardzaad hebbe en in eene rots,
of in de hemelen of in de aarde zij verborgen, zal door God aan het
licht worden gebracht; want God is helderziende en alwetend. 16. O
mijn zoon! wees standvastig in het gebed, en beveel wat rechtvaardig
is; verbied het kwade en wees geduldig onder de rampen die u zullen
treffen: want dit is een volstrekt noodzakelijke plicht voor alle
menschen. 17. Verwring uw aangezicht niet tot verachting der menschen,
noch wandel onbeschaamd over de aarde; want God bemint den verwaanden,
den ingebeelden mensch niet. 18. Wees gematigd in uwe schreden
en verzacht uwe stem; want de onaangenaamste van alle stemmen is
zekerlijk de stem van ezels [1651]. 19. Ziet gij niet dat God alles,
wat in den hemel en op aarde is, aan uwen dienst heeft onderworpen,
en zijne gunsten overvloedig over u heeft uitgestort, zoowel uit- als
inwendig [1652]? Er zijn sommigen, die zonder kennis en zonder eene
leiding, en zonder een voorlichtend boek nopens God twisten. 20. En
als er tot hen wordt gezegd: Volgt wat God heeft geopenbaard,
antwoorden zij: Neen! wij zullen volgen wat wij hebben bevonden dat
onze vaderen deden. Maar wat! ofschoon de duivel hen tot de marteling
der hel noodigt? 21. Die zich aan God onderwerpt en rechtvaardigheid
uitoefent houdt zich aan een sterk handvatsel vast en Gode behoort
de uitkomst van alle dingen. 22. Maar wie een ongeloovige is, laat
diens ongeloof u niet bedroeven; tot ons zullen zij terugkeeren;
dan zullen wij hun verklaren, wat zij gedaan hebben; want God kent
de binnenste gedeelten van de borst der menschen. 23. Wij zullen hun
deze wereld voor een korten tijd doen genieten; daarna zullen wij
hen tot een strenge straf voeren. 24. Indien gij hun vraagt, wie de
hemelen en de aarde heeft geschapen, zullen zij zekerlijk antwoorden:
God. Zeg: God zij geloofd! maar het grootste deel hunner begrijpt het
niet. 25. Aan God behoort alles wat in den hemelen op aarde is; want
God is de Almachtige, de Prijzenswaardige. 26. Indien alle boomen
die zich op de aarde bevinden, pennen waren, en hij zou daarna de
zee tot zeven zeeÎn van inkt doen opzwellen, zouden Gods woorden niet
uitgeput zijn [1653]; want God is almachtig en wijs. 27. Uwe schepping
en uwe opstanding zijn hem slechts als de schepping en de opstanding
van ÈÈne ziel [1654]. Waarlijk, God hoort en ziet alles. 28. Ziet
gij niet, dat God den dag door den nacht doet vervangen, en den
dag aan den nacht doet opvolgen, en de zon en de maan dwingt u te
dienen? Ieder dezer lichten legt zijne baan gedurende een bepaald
tijdvak af, en God is wel bekend met hetgeen gij doet. 29. Dit laat
zich verklaren door de goddelijke kennis en macht, omdat God het
ware wezen is, en omdat alles wat gij naast hem aanroept, ijdel is,
en omdat God de verhevene, de groote God is. 30. Ziet gij niet, dat
de schepen door de gunst van God de zee bevaren, opdat hij u zijne
teekenen zou kunnen toonen. Waarlijk, hierin zijn teekens voor ieder
geduldig en dankbaar mensch. 31. Als de golven hen bedekken, zooals
schaduw afwerpende wolken, roepen zij God aan, en bekeeren zich tot
den zuiveren godsdienst: maar als hij hen ongedeerd aan land brengt,
zijn er van hen, die tusschen het ware geloof en de afgoderij
twijfelen. Niemand verwerpt echter onze teekenen, behalve de
trouweloozen en de ondankbaren. 32. O menschen! vreest uwen Heer,
en ducht den dag, waarop de vader geene voldoening hoe gering ook,
voor zijnen zoon, noch een zoon voldoening voor zijnen vader zal
kunnen geven. 33. Zekerlijk, de belofte van God is waar. Laat
het tegenwoordige leven u dus niet misleiden, en laat de bedrieger
[1655] u niet omtrent God verblinden. 34. Waarlijk, de kennis van het
uur des oordeels is bij God, en hij doet den regen op zijn eigen,
bepaalden tijd nederdalen, en hij weet, wat zich in den schoot der
vrouwen bevindt. Geene ziel weet, wat zij morgen zal winnen en geene
ziel weet in welk land zij zal sterven [1656]; maar God is wijs en
volkomen bekend met alle dingen.
TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE AANBIDDING [1657].
Gegeven te Mekka.--30 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M. De openbaring van dit boek, dit lijdt geen twijfel, is
van den Heer van alle schepselen. 2. Zullen zij zeggen: Mahomet heeft
het uitgedacht? Neen, Mahomet! het is de waarheid van uwen Heer,
opdat gij zoudt prediken voor een volk, tot hetwelk vÛÛr u geen
prediker werd gezonden [1658]; opdat zij ten goede geleid mochten
worden. 3. God is het, die de hemelen en de aarde heeft geschapen en
alles wat daartusschen is, in zes dagen, en toen zijn troon beklom;
gij hebt geen schuts of tusschenpersoon buiten hem. Wilt gij dit
niet bedenken? 4. Hij regeert alle dingen, van den hemel tot de
aarde: hierna zal alles tot hem terugkeeren, op den dag, welks
lengte duizend jaren zal wezen [1659], van diegene volgens welke gij
rekent. 5. Hij is het, die de toekomst en het tegenwoordige kent; de
Machtige de genadige. 6. Hij is het, die ieder ding dat hij schiep,
buitengewoon goed gemaakt en den mensch het eerst van klei gevormd
heeft. 7. En daarna zijne nakomelingschap uit een uittreksel van
een verachtelijken droppel water maakte [1660]. 8. Hem daarna in
een geschikten vorm bracht, hem van zijn geest inblies, en u de
zintuigen van het gehoor en gezicht heeft geschonken, en harten om
te verstaan. Hoe weinig dankbaar zijt gij daarvoor! 9. En zij zeggen:
Als wij in de aarde bedolven zullen liggen, zullen wij dan als nieuwe
schepsels worden opgewekt? 10. Ja, zij loochenen de ontmoeting van
hunnen Heer bij de opstanding. 11. Zeg: De engel des doods, die boven
u is gesteld, zal u doen sterven: dan zult gij tot uwen Heer worden
teruggebracht. 12. Indien gij het zoudt kunnen aanschouwen, als de
zondaren hunne hoofden voor hunnen Heer zullen nederbuigen, zeggende:
O Heer! wij hebben gezien en wij hebben gehoord; sta ons dus toe in de
wereld terug te keeren en wij zullen doen wat recht is, nu wij zeker
zijn van de waarheid van hetgeen ons werd gepredikt, dan zoudt gij een
verbazend gezicht zien. 13. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden
wij zekerlijk iedere ziel hare leiding gegeven; maar het woord dat van
mij is uitgegaan, moest noodzakelijk worden vervuld, toen ik namelijk
zeide: Waarlijk ik zal de hel met geniussen en menschen te zamen vullen
[1661]. 14. Proef dus de marteling welke voor u is gereed gemaakt,
dewijl gij het komen van dezen uwen dag hebt vergeten: wij hebben ook
u vergeten. Proef dus de eeuwig durende straf voor hetgeen gij hebt
verricht. 15. Waarlijk, zij alleen gelooven in onze teekenen, die,
wanneer zij daardoor gewaarschuwd worden, in aanbidding nederzinken,
den lof van hunnen Heer verkondigen en niet van trotschheid zijn
vervuld. 16. Die hunne lichamen van hunne bedden opheffen, onder het
aanroepen van hunnen Heer met vrees en hoop; die aalmoezen uitdeelen
van hetgeen wij hun hebben geschonken. 17. Geene ziel [1662] kent de
volkomen voldoening, die heimelijk voor hen (de deugdzamen) is gereed
gemaakt als eene belooning voor hetgeen zij hebben verricht. 18. Zal
dus hij, die een waar geloovige is, als degeen wezen, die een
goddelooze zondaar is. Zij zullen niet gelijk staan. 19. Wat hen
betreft, die gelooven en doen wat rechtvaardig is, zij zullen tuinen
van eeuwig verblijf bezitten, als eene ruime belooning, voor hetgeen
zij hebben verricht. 20. Maar wat hen betreft, die goddeloos zondigen,
hun verblijf zal het hellevuur wezen. Zoo dikwijls zij zullen trachten
daaruit te gaan, zullen zij daarin teruggesleept worden, en men zal tot
hen zeggen: Proeft de marteling van het hellevuur, welke gij als eene
logen verwerpt. 21. En wij zullen hun de lichtere straf dezer wereld
doen lijden, buiten de strengere straf der volgende wereld; misschien
zullen zij berouw gevoelen. 22. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die
door de teekens van zijnen Heer is gewaarschuwd en zich daarna er van
afwendt? Wij zullen zekerlijk wraak nemen op de zondaren? 23. Wij gaven
vroeger het boek der wet aan Mozes; verkeer dus niet in twijfel omtrent
de openbaring daarvan, en wij gelastten, dat het eene leiding voor de
kinderen IsraÎls zou zijn. 24. En wij wezen leeraren onder hen aan,
die het volk op ons bevel zouden leiden, indien zij met geduld volhard
en standvastig in onze teekenen geloofd zouden hebben. 25. Waarlijk,
uw Heer zal tusschen hen richten op den dag der opstanding, nopens
datgene, waaromtrent zij hebben verschild. 26. Is het hun niet bekend,
hoe vele geslachten wij voor hen hebben verdelgd, door welker woningen
zij wandelen [1663]? Waarlijk, hierin zijn teekenen: zullen zij dus
niet luisteren? 27. Zien zij niet dat wij den regen over een land
voeren, dat van gras ontbloot en uitgedroogd is, en daaruit graan
voortbrengen, waarvan hun vee en ook zij eten? Zullen zij dit niet
overwegen? 28. De ongeloovigen zeggen tot de ware geloovigen: wanneer
zal deze beslissing tusschen ons plaats hebben, indien gij de waarheid
spreekt? 29. Antwoord: Op den dag dier beslissing [1664] zal het geloof
van hen, die niet geloofd zullen hebben, hun niet baten: ook zullen
zij geen langer uitstel ontvangen. 30. Vermijdt hen dus, en verwacht
den uitslag. Waarlijk, zij verwachten eenig voordeel op u te behalen.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VERBONDENEN [1665].
Geopenbaard te Medina--73 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.