willen u, o Mahomet! sommige gedeelten van de geschiedenis van
Mozes en Pharao, met waarheid opzeggen, ten behoeve van hen, die
gelooven. 3. Pharao verhief zich in het land Egypte, en hij deed
zijn volk in afdeelingen splitsen [1570]: hij verdrukte ÈÈn gedeelte
van hen [1571], door hunne kinderen te dooden en hunne vrouwelijke
kinderen te laten leven; want hij was een verdrukker. 4. En het
behaagde ons genadig te zijn nopens de zwakken van het land, en hen
tot toonbeelden van godsdienst te maken, en tot erfgenamen van de
welvaart van Pharao en zijn volk [1572]; 5. En om eene plaats voor
hen op de aarde te vestigen, en Pharao en Haman [1573] en hunne
strijdkrachten de vernietiging van hun koninkrijk en van hun volk
te vertoonen, welke zij trachtten te vermijden. 6. En wij leidden de
moeder van Mozes door openbaring, zeggende: Zoog hem, en indien gij
voor hem vreest werp hem in de rivier; vrees dan niet meer en wees
niet bedroefd; want wij zullen hem u teruggeven en zullen hem tot
een onzer gezanten aanwijzen [1574]. 7. En toen zij het kind in het
korfje gelegd en het in de rivier geworpen had, nam het gezin van
Pharao hem op, terwijl de Voorzienigheid wilde, dat hij een vijand
en eene droefheid voor hen zou worden. Waarlijk Pharao en Haman en
hunne krijgers waren zondaren. 8. En de vrouw van Pharao zeide: Dit
kind is een vermaak voor het oog, zoowel voor u als voor mij [1575]:
dood hem niet; misschien kan het gebeuren, dat hij ons van dienst zij;
of laten wij hem tot onzen zoon aannemen. En zij voorzagen de gevolgen
niet van hetgeen zij deden. 9. En het hart der moeder van Mozes werd
met vrees vervuld, en zij zou bijkans zijne afkomst hebben ontdekt,
hadden wij haar hart niet met standvastigheid gewapend, opdat zij
een van hen zou wezen, die Gods beloften gelooven. 10. En zij zeide
tot zijne zuster: Volg hem. En zij bespiedde hem op een afstand en de
anderen bemerkten het niet. 11. Wij stonden hem niet toe, de borsten
der minnen te nemen, welke verschaft waren, alvorens zijne zuster kwam
[1576] en zeide: Zal ik u tot eene min brengen die hem voor u zoogen
en zorg voor hem dragen zal? En, op hunne begeerte bracht zij zijne
moeder tot hen. 12. Zoo gaven wij hem aan zijne moeder terug, opdat
zij zich weder zou troosten en opdat zij niet bedroefd zou worden,
en opdat zij weten zou, dat de belofte van God waar was; maar het
grootste deel der menschen kent de waarheid niet. 13. En toen Mozes
zijn ouderdom van rijpheid had bereikt en tot een volwassen mensch
was geworden, schonken wij hem wijsheid en kennis; zoo beloonen wij
den deugdzame. 14. En hij ging in de stad op een tijdstip, dat de
bewoners daarvan niet opletten, wat er in de straat gebeurt [1577], en
hij vond daar twee mannen, die met elkander vochten: de een behoorde
tot zijne vijanden [1578]. En hij die tot zijn volk behoorde, riep
zijne hulp in tegen hem, die tot de tegenpartij behoorde, en Mozes
sloeg hem met de vuist en doodde hem; maar daar hij bedroefd was om
hetgeen er geschied was, zeide hij: Dit is het werk van den duivel
[1579]; want, hij is een verleider en een openbare vijand. 15. En
hij zeide: O Heer! waarlijk, ik heb mijne eigene ziel mishandeld;
vergeef mij dus. Zoo vergaf God hem: want hij is vergevensgezind en
barmhartig. 16. Hij zeide: O Heer! bij de gunsten waarmede gij mij hebt
begiftigd, ik zal in het vervolg de zondaren niet ondersteunen. 17. En
den volgenden ochtend was hij bevreesd in de stad, en toen zag hij om
zich heen, als vreesde hij gevaar; en ziet, hij dien hij den vorigen
dag had bijgestaan, riep hem toe hem ten tweeden male te helpen. Maar
Mozes zeide tot hem: Gij zijt een krakeelzuchtige. 18. En toen hij
hem, die een vijand van hen beide was, trachtte te grijpen, zeide
hij: O Mozes! wilt gij mij dooden, zooals gij gisteren een man hebt
gedood? [1580] Gij tracht slechts een verdrukker op aarde te wezen,
en zoekt niet een bijlegger van twisten te zijn. 19. Een zeker man
[1581] kwam uit een ander deel der stad haastig aanloopen en zeide:
O Mozes! waarlijk, de overheden beraadslagen nopens u, om u ter
dood te brengen. Vertrek dus: waarlijk, ik raad u wel. 20. Daarom
verliet hij de stad in groote vrees, dan eens naar dezen, dan weder
naar genen weg ziende, of men hem ook vervolgde. En hij zeide:
O Heer! verlos mij van de onrechtvaardigen. 21. En toen hij naar
Madian reisde, zeide hij: Misschien wil mijn Heer mij op den rechten
weg leiden. 22. Toen hij aan den bron van Madian was aangekomen,
vond hij, nabij haar, een gezelschap van mannen, die bezig waren
hunne kudden te drenken. 23. Bij hen vond hij twee vrouwen, die hare
schapen op eenigen afstand hielden. En hij zeide tot haar: Wat doet
gij hier? Zij antwoordden: Wij zullen onze kudden niet drenken, dan
nadat de schaapherders de hunne zullen hebben weggedreven; want onze
vader is een achtingswaardig man van hoogen ouderdom. 24. Daarop
drenkte Mozes hare schapen voor haar [1582] en leidde die daarna
in de schaduw, zeggende: O Heer! waarlijk, mij ontbreekt het goede,
dat gij mij hebt doen ontmoeten. 25. Een der meisjes kwam tot hem,
beschaamd aantredende en zeide: Mijn vader roept u, opdat hij u
zou mogen beloonen voor de moeite welke gij hebt genomen, door onze
schapen voor ons te drenken. En toen hij tot Shoaib gekomen was en
hem de geschiedenis zijner lotgevallen had verteld, zeide hij tot
hem: Vrees niet, gij zijt den onrechtvaardige ontkomen. 26. En een
der meisjes zeide: Mijn vader, neem dien man, tegen bepaald loon in
dienst; de beste dienaar dien gij kunt huren is een geschikt en trouw
persoon [1583]. 27. En Shoaib zeide tot Mozes: Waarlijk, ik wil u
eene van deze mijne twee dochters ten huwelijk geven, op voorwaarde,
dat gij mij gedurende acht jaren zult dienen, en het ligt geheel aan
u, mij tien jaren te dienen; want ik wil u geen onrecht opleggen,
en zoo het Gode behaagt, zult gij bevinden, dat ik een eerlijk man
ben. 28. Mozes antwoordde: Aldus zij het verbond tusschen mij en u,
en op welk der beide tijdstippen ik vertrek, zal er geene misdaad in
wezen indien ik dan uw dienst verlaat. God is getuige van datgene,
wat wij zeggen. 29. En toen Mozes den bepaalden tijd had bereikt
[1584], en met zijn gezin naar Egypte reisde, zag hij vuur aan de
zijde van den berg SinaÔ. En hij zeide tot zijn gezin: Blijft gij
hier; want ik zie vuur: misschien kan ik eenige tijding van den
weg brengen [1585], of wel een stuk brandend hout van het vuur,
opdat gij verwarmd zoudt mogen worden. 30. En toen hij daar kwam,
riep een stem hem van de rechterzijde der vallei, op den geheiligden
bodem, uit den boom aan, zeggende: O Mozes! waarlijk, ik ben God,
de Heer van alle schepselen. 31. Werp uwen staf neder. En toen
hij zag, dat de staf zich bewoog als ware het eene slang, trok hij
terug en vluchtte, zonder zich om te keeren. En God zeide tot hem:
O Mozes! nader en vrees niet; want gij zijt in zekerheid. 32. Steek
uwe hand in uwen boezem en zij zal wit weder daaruit komen, zonder
eenig ongemak: trek uw hand tot u terug [1586], welke gij uit vrees
hebt uitgestoken. Dit zullen twee duidelijke teekens van uwen Heer
wezen voor Pharao en zijn vorsten; want zij zijn zondaren. 33. Mozes
zeide: O Heer! waarlijk, ik heb een van hen gedood en ik vrees, dat
zij mij ter dood zullen brengen. 34. Maar mijn broeder A‰ron heeft
eene welsprekender tong dan ik; zend hem met mij, als een helper,
opdat hij mij geloof doe vinden; want ik vrees dat zij mij van bedrog
zullen beschuldigen. 35. God zeide: Wij zullen door uwen broeder uwen
arm sterken, en wij zullen ieder van u buitengewone macht geven, zoodat
zij nimmer in onze teekenen tegen u zullen opmogen. Gij beiden en zij,
die u zullen volgen, zullen de overwinnaars zijn. 36. En toen Mozes met
onze duidelijke teekenen tot hen kwam, zeiden zij: Dit is niets dan een
bedriegelijk goochelstuk; nimmer hebben wij onder onze voorvaderen van
iets dergelijks gehoord. 37. En Mozes zeide: Mijn Heer weet het beste,
wie met eene leiding van hem komt, en wie in dit, even als in het
volgende leven, met een goeden uitslag zal worden bekroond; maar de
onrechtvaardigen zullen geen voorspoed genieten. 38. En Pharao zeide:
O Vorsten! ik wist niet, dat gij een anderen god buiten mij bezat
[1587]. Daarom o Haman brand mij klei tot steenen en bouw mij een
hoogen toren [1588], opdat ik tot den God van Mozes moge opstijgen:
want waarlijk, ik houd hem voor een leugenaar. 39. En hij, zoowel als
zijn leger, gedroegen zich onbeschaamd en onrechtvaardig op de aarde,
en verbeeldden zich, dat zij niet voor ons zouden worden gebracht,
om gericht te worden. 40. Daarom grepen wij hem en zijn heir en
wierpen hem in zee. Onthoudt dus wat het einde der onrechtvaardigen
was. 41. En wij gaven hun bedriegelijke goden, die hunne volgers tot
de hel uitnoodigden, en op den dag des oordeels zullen zij tegen
de straf niet beschut worden. 42. Wij vervolgen hen met een vloek
in dit leven en, op den dag der opstanding zullen zij met schande
worden verworpen. 43. En wij gaven aan Mozes het boek der wet,
nadat wij de vroegere geslachten hadden verdelgd, om de harten der
menschen te waarschuwen, en tot eene leiding en tot eene genade,
opdat zij wellicht zouden nadenken. 44. Gij, o profeet, waart niet
in de westerzijde van den berg SinaÔ, toen wij Mozes zijnen last
overgaven; ook waart gij geen van hen, die tegenwoordig waren toen hij
haar ontving. 45. Maar wij deden vele geslachten na Mozes' opstaan en
hun leven werd verlengd. Gij hebt niet onder de bewoners van Madian
gewoond, om hen onze teekenen te herinneren; maar wij hebben u in ieder
opzicht volkomen onderricht. 46. Ook waart gij niet aan de zijde van
den berg tegenwoordig, toen wij Mozes riepen: maar gij zijt gezonden
uit genade van uwen Heer opdat gij zoudt prediken voor een volk,
tot hetwelk voor u nog geen prediker was gekomen [1589], opdat zij
gewaarschuwd zouden worden. 47. En opdat, indien een ramp over hen
zou zijn gekomen, om hetgeen hunne handen voor bedachtelijk hebben
bedreven, zij niet zouden zeggen: O Heer! is het ons niet te vergeven,
nu gij geen gezant tot ons hebt gezonden, opdat wij uwe teekenen zouden
volgen en ware geloovigen worden? 48. Maar indien de waarheid van ons
tot hen komt, zeggen zij: Indien hij niet dezelfde macht als Mozes
ontvangt om wonderen te bewerken, zullen wij niet gelooven. Hebben
zij niet evenzoo de openbaring verworpen, die vroeger aan Mozes werd
gegeven? Zij zeggen: Twee listige bedriegerijen [1590] hebben elkander
wederkeerig ondersteund: en zij zeggen: Waarlijk wij verwerpen die
beide. 49. Zeg: Toon dan een boek van God, dat beter is dan deze twee,
opdat ik het volge, indien gij de waarheid spreekt, 50. Maar indien
zij u geen antwoord geven, weet dan, dat zij slechts hunne eigene
begeerten volgen, en wie dwaalt sterker van de waarheid af dan hij,
die zonder eene leiding van God zijne eigene begeerte volgt? Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 51. En thans hebben wij ons woord
tot hen doen komen, opdat zij gewaarschuwd zouden zijn. 52. Zij aan wie
wij de schriften hebben gegeven, welke voor hen werden geopenbaard,
gelooven daarin. 53. En als deze hun worden voorgelezen, zeggen zij:
Wij gelooven daarin: het is zekerlijk de waarheid van onzen Heer;
waarlijk wij waren Moslems voor zij tot ons kwamen. 54. Dezen zullen
hunne belooning tweemaal ontvangen [1591], omdat zij hebben volhard
en het kwaad door het goede afwenden en aalmoezen uitdeelen van
datgene wat wij hun hebben geschonken. 55. En die, op het hooren
van ijdele gesprekken, deze ontwijken en zeggen: Wij hebben onze
werken en gij hebt uwe werken. Vrede zij over u [1592]! wij zoeken
niet naar betrekkingen met den onwetende. 56. Waarlijk, gij kunt niet
leiden wien gij wilt; maar God leidt wien hem behaagt, en hij weet het
beste, wie zich onderwerpen wil om geleid te worden. 57. De bewoners
van Mekka zeggen: Indien wij dezelfde richting als gij volgen, zullen
wij gewelddadig uit ons land gedreven worden [1593]. Hebben wij geene
zekere wijkplaats voor hen opgericht [1594], waarheen vruchten van
allerlei soort heenvloeien, als een bewijs onzer goedheid. Maar het
grootste deel hunner begrijpt het niet. 58. Hoe vele steden hebben
wij verwoest, wier bewoners in gemak en overvloed leefden? en hunne
woningen zijn na hen niet bewoond, uitgenomen voor een korten tijd
[1595], en wij waren de erfgenamen hunner welvaart [1596]. 59. Maar
uw Heer verwoestte deze steden niet, dan nadat hij een profeet naar
de hoofdstad had gezonden, om hun onze teekenen te herinneren. Ook
verwoestten wij die steden niet, dan nadat de inwoners hunnen
profeet hadden mishandeld. 60. De dingen, die u gegeven zijn, zijn
de genietingen van het tegenwoordige leven en zijne pracht; maar
datgene, wat met God is, is beter en duurzamer. Wilt gij dit niet
begrijpen. 61. Zal hij dus, aan wien wij eene uitnemende belofte
van toekomstig geluk hebben gedaan, en die deze zal ontvangen,
gelijk staan met hem, wien wij de genietingen van dit leven hebben
geschonken, doch die, op den dag der opstanding, een van hen zal wezen,
die aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd? 62. Op dien dag
zal God tot hen komen en zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten die,
naar uwe gedachten met mij zijn? 63. En zij, over wie het vonnis der
verdoemenis rechtvaardig zal geveld zijn, zullen zeggen: Deze, o Heer,
zijn het, welke wij hebben verleid; wij verleidden hen, zoo als wij
werden verleid, maar nu verlaten wij hen geheel en wenden ons tot
u. Zij aanbaden niet ons maar hunne eigene hartstochten [1597]. 64. En
tot de afgodendienaars zal gezegd worden: Roept hen thans aan, welke
gij met God vereenigt; en zij zullen hen aanroepen; maar deze zullen
hun niet antwoorden; en zij zullen de voor hen gereed gemaakte straf
zien, zij zullen wenschen, dat zij zich hadden onderworpen om geleid te
worden. 65. Op dien dag zal God tot hen komen en zeggen: Welk antwoord
hebt gij aan onze gezanten gegeven? 66. Maar zij zullen niet in staat
zijn daarvan op dien dag rekenschap te geven [1598]. Ook zullen zij
geen ander om verlichting vragen. 67. Zij echter die berouw gevoelen,
gelooven en doen zullen wat recht is, mogen verwachten gelukkig te
zijn. 68. Uw Heer schept naar zijn welbehagen en kiest vrijelijk;
maar zij (de valsche goden) hebben geene vrije keuze. Geloofd
zij God, en verre zij hij verwijderd van de afgoden welke zij met
hem vereenigen. 69. Uw Heer kent zoowel de geheime boosaardigheid
welke zij in hunne borst verbergen, als den openbaren haat dien zij
ontdekken. 70. Hij is God; er is geen God buiten hem. Hem zij de lof,
zoowel in dit leven als in het volgende. Hem behoort het oordeel,
en voor hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld. 71. Zeg:
denkt gij? Indien God u met eeuwigen nacht wilde bedekken tot
op den dag der opstanding welke god, buiten God zou u dan licht
brengen? Wilt gij dus niet luisteren. 72. Zeg: Wat denkt gij? Indien
God u aanhoudend dag gaf, tot den dag der opstanding, welke god,
buiten God, zou u dan nacht brengen, opdat gij daarin zoudt kunnen
rusten? Wilt gij dus niet overwegen? 73. In zijne genade heeft hij
den nacht voor u gemaakt, opdat gij daarin zoudt rusten, en den
dag, opdat gij gedurende dezen zoudt trachten door uwen arbeid,
voorraad voor u zelven van zijn overvloed te verkrijgen, en dat gij
dankbaar zoudt zijn. 74. Op een zekeren dag zal God hen oproepen en
zal zeggen: Waar zijn mijne deelgenooten, van welke gij u verbeeldt,
dat zij de goddelijke macht met mij deelen? 75. En wij zullen een
getuige uit ieder volk nemen [1599] en zeggen: Brengt hier uw bewijs
voor hetgeen gij hebt gezegd. En zij zullen weten, dat de waarheid
bij God alleen is; en de godheden welke zij uitgedacht hebben, zullen
hen verlaten. 76. Karoen behoorde tot het volk van Mozes [1600], maar
hij gedroeg zich onbeschaamd omtrent zijne stamgenooten, want wij
hadden hem zoo veel schats gegeven, dat het dragen zijner sleutels
onderscheidene sterke mannen vorderde [1601]. Toen zijn volk tot
hem zeide: Praal niet buitensporig; want God bemint dengene niet,
die overmatig op hunne rijkdommen bogen. 77. Maar tracht door de
welvaart, welke God u gegeven heeft, de toekomstige verblijfplaats
van het paradijs te verkrijgen [1602]. Vergeet uw aandeel niet in
deze wereld, maar wees goed omtrent anderen zoo als God goed omtrent
u was, en tracht niet snood op aarde te handelen; want God bemint de
snoodaards niet. 78. Hij antwoordde: Ik heb deze rijkdommen slechts
ontvangen, om de kennis, die met mij is. Wist hij niet, dat God vÛÛr
hem reeds onderscheiden geslachten had vernietigd, die machtiger dan
hij in sterkte waren en grooteren overvloed van rijkdommen hadden
verzameld? En den zondaren zal niet gevraagd worden, hunne misdaden te
ontdekken. 79. En Karoen ging met zijne pracht onder zijn volk voort
[1603]. En zij die het tegenwoordig leven beminden, zeiden: O! hadden
wij denzelfden rijkdom, als die aan Karoen werd gegeven. Waarlijk,
hij is meester van groote schatten. 80. Maar zij, aan welke verstand
werd geschonken, antwoordden: Ongelukkigen die gij zijt! de belooning
van God in het volgende leven zal beter wezen voor hem, die gelooven
en goede werken doen zal; maar niemand zal die erlangen dan zij, die
met vastberadenheid volharden. 81. Wij spleten den grond, om hem en
zijn paleis te verzwelgen, en zijne knechten konden hem niet redden en
hij werd van de straf niet verlost. 82. Den volgenden ochtend zeiden
zij, die den vorigen dag zijnen toestand hadden benijd: Ja! waarlijk,
God schenkt eene overvloedige belooning aan dengeen die hem behaagt;
en hij is spaarzaam naar zijn welbehagen. Indien God niet genadig
omtrent ons ware geweest, waarlijk, de aarde zoude ons mede hebben
verzwolgen. Ja! de ongeloovigen zullen geen voorspoed hebben. 83. Wat
het toekomstige verblijf van het paradijs betreft, wij zullen het
hun geven, die trachten, zich op aarde niet te buiten te gaan, of
slecht te handelen; want eene gelukkige ontknooping wacht alleen den
godvruchtige. 84. Wie goed doet, zal eene belooning ontvangen, die de
verdienste daarvan zal overtreffen; maar wat hen betreft, die snood
handelen, deze zullen slechts vergolden worden, overeenkomstig datgene
wat zij zullen hebben verricht. 85. Waarlijk, hij die u den Koran heeft
gegeven, als een gids voor het geloof en het leven, zal u zeker naar
Mekka terugbrengen [1604]. Zeg: Mijn Heer weet het beste, wie met een
ware leiding komt en wie in eene duidelijke dwaling verkeert. 86. Gij
hebt niet verwacht, dat u het boek van den Koran zou worden geschonken;
maar gij hebt het door de genade van uwen Heer ontvangen. Ondersteunt
de ongeloovigen dus niet. 87. Laten zij u ook niet afwenden van Gods
teekenen, nadat die u zijn nedergezonden, en noodig de menschen tot
uwen Heer uit, en wees geen afgodendienaar. 88. Roep nimmer een anderen
god te zamen met den waren God aan; er is geen god buiten hem. Ieder
ding zal vergaan, behalve hijzelf. Hem behoort het oordeel, en voor
hem zult gij op den jongsten dag worden verzameld.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE SPIN [1605].
Geopenbaard te Mekka [1606].--69 verzen.
In den naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. A. L. M. [1607] Verbeelden zich de menschen, dat het toereikend
voor hen is, te zeggen: Wij gelooven, zonder dat zij beproefd zijn
[1608]. 2. Wij beproefden vroeger degenen, die hun voorafgingen;
want God kent zekerlijk hen die oprecht zijn, en hij zal voorzeker
de leugenaars kennen. 3. Denken zij, die kwaad bedrijven, dat
zij ons zullen verhinderen, wraak op hen te nemen? Zij oordeelen
slecht. 4. Voor hen, die hopen God te ontmoeten, zal Gods bepaalde tijd
zekerlijk komen, en hij hoort en weet alles. 5. Wie er naar streeft,
den waren godsdienst voort te planten, streeft naar het voordeel van
zijne eigene ziel; want God heeft geen zijner schepselen noodig. 6. En
wat degene betreft, die gelooven en rechtvaardig handelen, wij zullen
hunne slechte daden uitwisschen, en wij zullen hun eene belooning
geven, overeenkomstig de grootste verdiensten hunner daden. 7. Wij
hebben den mensch bevolen, eerbiedig omtrent zijne ouders te zijn,
maar indien zij trachten u over te halen, om datgene met mij te
vereenigen, waarvan gij geene kennis hebt, gehoorzaam hen niet. Tot
mij zult gij terugkeeren, en ik zal u verklaren wat gij gedaan
hebt. 8. Hen, die gelooven en rechtvaardig handelen, zullen wij
zekerlijk onder de godvruchtigen het paradijs binnenleiden. 9. Er
zijn sommige menschen die zeggen: Wij gelooven in God; maar als
zulk een voor Gods zaak wordt beproefd, schat hij de vervolging
der menschen even smartelijk, als de straf van God. Als u God eenig
voordeel schenkt, zeggen zij: Waarlijk wij zijn met u. Weet God dan
niet wat in de borst zijner schepselen schuilt? 10. Waarlijk God kent
de ware geloovigen wel en hij kent de huichelaars. 11. De ongeloovigen
zeggen tot hen die gelooven: Volg onzen weg, en wij zullen uwe zonden
dragen. Zij zullen echter geenerlei deel hunner zonden dragen; want
zij zijn leugenaars. 12. Maar zij zullen zekerlijk hunne eigene
lasten dragen, en andere lasten buiten hunne eigene [1609]; en zij
zullen op den dag der opstanding nopens datgene onderzocht worden,
wat zij valschelijk hebben uitgedacht. 13. Wij zonden vroeger Noach
tot zijn volk, en hij bleef duizend jaren min vijftig jaren onder
hen [1610], en de zondvloed nam hen weg, omdat zij onrechtvaardig
handelden. 14. Maar wij bevrijden hen en degenen, welke met hem in
de ark waren, en wij maakten die [1611] tot een teeken voor alle
schepselen. 15. Wij zonden ook Abraham. Hij zeide tot zijn volk:
Dient God en vreest hem; dat zal beter voor u zijn, indien gij het
begrijpt. Gij aanbidt slechts afgoden naast God en denkt leugens
uit. 16. Waarlijk, zij welke gij naast God vereert, zijn niet in staat
u het noodige te geven. Zoekt dus het noodige bij God, dient hem,
en weest dankbaar; tot hem zult gij terugkeeren. 17. Indien gij mij
van bedrog beschuldigt, waarlijk vele volkeren vÛÛr u hebben hunne
profeten eveneens van bedrog beschuldigd, maar alleen het openbaar
prediken, is den gezant als plicht opgelegd. 18. Zien zij niet hoe
God alle schepselen voortbrengt en die later doet herleven? Waarlijk
dit is voor God gemakkelijk. 19. Zeg: Ga over de aarde en zie hoe hij
oorspronkelijk schepselen voortbrengt, daarna zal God hen door een
nieuwe schepping doen herleven; want God is almachtig. 20. Hij zal
straffen naar zijn welbehagen, en hij zal genade hen voor dengeen
die hem behaagt. Op den dag des oordeels zult gij voor hem worden
gebracht. 21. En gij zult zijn bereik niet ontkomen: noch op aarde,
noch in den hemel [1612]. Nimmer zult gij eenigen schuts of verdediger
buiten God hebben. 22. Wat hen betreft, die niet in Gods teekenen
gelooven, of daaraan, dat zij hem bij de opstanding zullen ontmoeten,
deze zullen aan mijne genade wanhopen, en voor hen is eene pijnlijke
straf gereed gemaakt. 23. En het antwoord van zijn volk was slechts
dat zij zeiden: Doodt of verbrandt hem. Maar God redde hem van het vuur
[1613]. Waarlijk, hierin waren teekenen voor hen die geloofden. 24. En
Abraham zeide: Gij hebt afgoden naast God gekozen, uit gehechtheid aan
dit leven, welke bij u bestaat: maar op den dag der opstanding zal de
een uwer den ander verloochenen, en de een van u zal den ander vloeken;
het hellevuur zal uw verblijf wezen, en er zal niemand zijn om u te
bevrijden. 25. Lot geloofde in hem. En Abraham zeide: Waarlijk, ik
vlucht van mijn volk naar de plaats welke mijn Heer mij heeft bevolen;
want hij is de Machtige, de Wijze. 26. En wij gaven hem Iza‰k en Jacob,
en wij plaatsten onder zijne nakomelingen het geschenk der profetie
en de schriften; wij gaven hem zijne belooning in deze wereld, en in
de volgende zal hij een der rechtvaardigen wezen. 27. Wij zonden ook
Lot, toen hij tot zijn volk zeide: Bedrijft gij eene zonde, welke nog
geen volk voor u heeft bedreven? 28. Nadert gij vol lusten de mannen;
valt gij hen op de groote wegen aan [1614] en begaat gij zonde in uwe
vergaderingen [1615]? En het antwoord van zijn volk was geen ander,
dan dat zij zeiden: Doe de wraak Gods op ons nederkomen, indien gij
de waarheid spreekt. 29. Lot zeide: O Heer! verdedig mij tegen dit
bedorven volk. 30. En toen onze gezanten met goede tijdingen tot
Abraham kwamen [1616], zeiden zij: Wij zullen zekerlijk de inwoners
van deze stad verdelgen; want hare bewoners zijn zondaren. 31. Abraham
antwoordde: Waarlijk, Lot woont daar. Zij hernamen: Wij weten wel wie
daarin woont; wij zullen hem en zijn gezin zekerlijk bevrijden behalve
zijne vrouw: zij zal eene van degenen zijn, die achterblijven. 32. En
toen onze gezanten tot Lot kwamen, was hij bedroefd om hen, en zijn
arm was onmachtig om hen te verdedigen [1617]. Maar zij zeiden:
Vrees niet en wees niet treurig; want wij zullen u en uw gezin
bevrijden, behalve uwe vrouw; want zij zal eene wezen van hen, die
achterblijven. 33. Wij zullen zekerlijk de wraak des hemels over
de bewoners dezer stad brengen, omdat zij zondaren waren 34. En
wij hebben daarvan een duidelijk teeken gelaten [1618] voor hen
die begrijpen willen. 35. En tot de bewoners van Madian zonden wij
hunnen broeder Shoaib, en hij zeide tot hen: O mijn volk? dient God,
verwacht den laatsten dag en zondigt niet, door snood op aarde te
handelen. 36. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, waardoor een
storm van den hemel [1619] hen overviel; en des ochtends werden zij
in hunne woningen dood en voorover liggende gevonden. 37. En wij
verdelgden ook de stammen van Ad en Thamoed; en gij weet wel wat
er nog van hunne woningen is overgebleven. En Satan deed hen hunne
werken goed vinden en wendde hen zijwaarts van den weg der waarheid,
hoewel zij doorzicht hadden. 38. Ook verdelgden wij Karoen, en Pharao
en Haman. Mozes kwam tot hem met duidelijke wonderen. Zij gedroegen
zich echter onbeschaamd op de aarde; maar zij konden onze wraak niet
ontkomen. 39. Hen allen verdelgden wij in hunne zonden. Tegen sommigen
hunner zonden wij een hevigen wind [1620], sommigen werden door een
vreeselijken orkaan van den hemel verdelgd [1621], sommigen deden wij
door de aarde verzwelgen [1622] en sommigen van hen verdronken wij
[1623]. Nimmer was God geneigd hen onrechtvaardig te behandelen, maar
zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen. 40. Degenen,
die andere beschermers naast God nemen, gelijken op de spinnekop, die
zelve zich eene woning vervaardigt: maar het zwakste van alle huizen
is zekerlijk dat van een spinnekop, indien zij dit wisten. 41. God
kent echter de dingen, welke zij buiten hem aanroepen, en hij is de
Machtige, de Wijze. 42. Deze vergelijking stellen wij den menschen
voor; maar niemand verstaat die; behalve de denkende. 43. God
heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen; waarlijk,
hierin is een teeken voor de ware geloovigen. 44. Herdenkt wat u
van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in
het gebed; want het gebed behoedt den mensch voor vele misdaden en
voor hetgeen laakbaar is, en de herdenkingen van God is zeker een der
belangrijkste plichten: God weet wat gij doet. 45. Twist niet met hen
die de schriften hebben ontvangen dan op de zachtste wijze [1624],
behalve met diegene van hen, welke zich slecht tegenover u gedragen,
en zeg: Wij gelooven in de openbaring, welke ons werd nedergezonden
en ook in hetgeen u werd nedergezonden. Onze God en uw God is ÈÈn,
en hem zijn wij onderworpen. 46. Zoo hebben wij u het boek van
den Koran nedergezonden, en zij aan wie wij de vroegere schriften
hebben gegeven, gelooven daarin; en onder deze Arabieren zijn er ook
die daarin gelooven, en niemand verwerpt onze teekenen, behalve de
hardnekkige ongeloovigen. 47. Gij kondt geen (goddelijk) boek voor dit
lezen, noch kondt gij het met uwe rechterhand schrijven. Toen zouden
de tegensprekers terecht aan den goddelijken oorsprong daarvan hebben
getwijfeld. 48. Maar het geeft duidelijke teekens in de borst dergenen
die verstand hebben ontvangen; want niemand verwerpt onze teekenen;
behalve de onrechtvaardigen. 49. Zij zeggen: Zoolang geen teeken van
zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord:
Teekenen zijn alleen in de macht van God, en ik ben slechts een
openbaar prediker. 50. Is het niet toereikend voor hen, dat wij u
het boek van den Koran hebben nedergezonden om hun voorgelezen te
worden? Waarlijk, hierin is eene genade en eene vermaning voor hen
die gelooven. 51. Zeg: God is een toereikende getuige tusschen mij
en u. 52. Hij kent alles wat in den hemel en op aarde is, en zij
die in ijdele afgoden gelooven en God loochenen, zullen gestraft
worden. 53. Zij zullen van u eischen, dat gij de straf verhaast,
welke zij u tarten op hen te doen nederkomen [1625]. Indien er echter
geen bepaalde tijd voor hun uitstel ware geweest, zou de straf reeds
op hen zijn nedergekomen; maar zij zal hen zekerlijk plotseling
overvallen, en zij zullen het niet voorzien. 54. Zij eischen van u,
dat gij spoedig een wraak op hen zult doen nederkomen; maar de hel zal
de ongeloovigen zekerlijk omringen. 55. Op een zekeren dag zal hunne
straf hen plotseling overvallen; zoowel van boven hen als van onder
hunne voeten zal God hun toeroepen: Proef de vergelding van hetgeen
gij hebt bedreven. 56. O mijne dienaren, die geloofd hebt; waarlijk,
mijne aarde is ruim; dient mij dus [1626]. 57. Iedere ziel zal den
dood ondergaan; daarna zult gij tot ons terug keeren. 58. En wat hen
betreft die geloofd en rechtvaardigheid uitgeoefend zullen hebben,
wij zullen hen zekerlijk in de hoogere gedeelten van het paradijs
huisvesten; rivieren zullen onder hen stroomen, en eeuwig zullen
zij daar verblijven. Hoe heerlijk zal de belooning zijn van hen, die
rechtvaardigheid hebben uitgeoefend! 59. Die met geduld volharden en
hun vertrouwen in den Heer stellen. 60. Hoe vele dieren zijn er niet
die voor hun voedsel niet zorgen? God is het die hen en u voorziet,
en hij hoort en kent alles. 61. Waarlijk, indien gij de bewoners van
Mekka vraagt: Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon
en de maan gedwongen hunnen loop te volgen? zullen zij antwoorden:
God. Waarom liegen zij dan in de erkenning van andere goden? 62. God
voorziet diegenen zijner dienaren met overvloed welke hem behagen,
en is karig omtrent hen indien het hem behaagt; want God is alwetend
[1627]. 63. Waarlijk, indien gij hun vraagt: Wie zendt den regen
van den hemel en verkwikt daardoor de aarde, nadat die reeds dood
was? zullen zij antwoorden: God. Zeg: God zij geloofd! Maar het
grootste deel hunner begrijpen niet. 64. Het tegenwoordige leven is
slechts een tijdverdrijf en een spel; maar het toekomstige verblijf in
het paradijs is het werkelijke leven. Indien zij dit wisten, zouden
zij het eerste niet boven het laatste verkiezen. 65. Als zij in een
schip zeilen, roepen zij God aan, en belijden hem oprechtelijk den
waren godsdienst; maar als hij hen veilig aan land brengt, keeren zij
tot hunnen afgodendienst terug; 66. Om zich ondankbaar te betoonen voor
datgene wat wij hun hebben geschonken, en opdat zij de vermaken van dit
leven zouden mogen genieten; maar hierna zullen zij de ontknooping
kennen. 67. Zien zij niet dat wij het grondgebied van Mekka tot
eene onschendbare en zekere wijkplaats hebben gemaakt, terwijl de
menschen in den omtrek worden geplunderd? Gelooven zij daarom in
datgene wat ijdel is, en erkennen niet Gods goedheid? 68. Maar wie
is onrechtvaardiger dan hij die eene logen tegen God uitdenkt, of
de waarheid loochent, nadat die tot hem is gekomen? Is de hel niet
het verblijf voor de ongeloovigen? 69. Wie zijne uiterste pogingen
aanwendt om onzen waren godsdienst voort te planten, dien zullen wij
op onze wegen leiden; want God is met den rechtvaardige.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GRIEKEN [1628].
Geopenbaard te Mekka. [1629].--60 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.