boek. 2. Eene leiding en goede tijding voor de ware geloovigen. 3. Die
hun gebed geregeld verrichten en aalmoezen geven, en vast in het
volgend leven gelooven. 4. Wat hen betreft, die niet in het volgende
leven gelooven, wij hebben hunne werken voor hen gereed gemaakt [1529],
zij zullen door verbazing getroffen worden, over hunne teleurstelling,
als zij weder zullen worden opgewekt. 5. Zij zijn het, welken eene
strenge straf in dit leven en in het toekomstige wacht: zij zullen
de ongelukkigsten zijn. 6. Gij hebt den Koran voorzeker van een
wijzen en alwetenden God ontvangen. 7. Gedenk, toen Mozes tot zijn
gezin zeide: Waarlijk, ik bemerk vuur, ik zal u tijdingen daarvan
brengen, of ik zal u een brandend hout daarvan brengen, ten einde
u te verwarmen [1530]. 8. En toen hij nabij het vuur was gekomen,
riep hem eene stem toe: Gezegend hij, die in, en hij die nabij het
vuur is [1531], en geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 9. O
Mozes! waarlijk, ik ben God, de machtige, de wijze. 10. Werp thans uwen
staf neder. En toen hij zag dat deze zich bewoog als ware die eene
slang, week hij achteruit en vlood, en keerde zich niet om. En God
zeide: O Mozes! vrees niet; want mijne gezanten hebben niets van mij
te duchten. 11. Behalve hij die onrechtvaardig zal hebben gehandeld;
maar voor wien daarna kwaad door goed zal hebben vervangen, ben ik
genadig en barmhartig [1532]. 12. Steek uwe hand in uwe borst, en
uwe hand zal wit en ongedeerd te voorschijn komen; dit zal een der
negen teekenen [1533] voor Pharao en zijn volk wezen; want zij zijn
zondaren. 13. En toen onze zichtbare teekenen tot hen waren gekomen,
zeiden zij: Dit is duidelijke tooverij. 14. En zij loochenden deze,
uit onrechtvaardigheid en trotschheid, hoewel hunne zielen zekerlijk
wisten, dat die van God waren; maar gedenk, wat het einde der zondaren
was. 15. Wij schonken vroeger verstand aan David en Salomo, en zij
zeiden: Geloofd zij God, die ons boven zoo menige zijner geloovige
dienaren heeft doen uitmunten! 16. En Salomo was David's erfgenaam
[1534], en hij zeide: O menschen! men heeft ons geleerd, de taal der
vogelen te verstaan [1535], en alles werd ons geschonken; dit is een
duidelijk teeken van Gods gunst. 17. En Salomo's legers werden onder
hem vergaderd, bestaande uit geniussen, menschen en ook vogelen; en zij
werden in verschillende troepen gerangschikt. 18. Toen zij in de vallei
der mieren kwamen [1536], zeide eene mier, toen zij de heirscharen zag
naderen: O, mieren! gaat in uwe woningen, opdat Salomo en zijn leger
u niet onder den voet trede, zonder het te bemerken. 19. En Salomo
glimlachte op die woorden, en zeide: O Heer! geef dat ik dankbaar zij
voor uwe gunst, waarmede gij mij en mijne vaderen hebt begunstigd,
en dat ik moge doen wat recht is en u behaagt; en leid mij door uwe
genade in het paradijs, onder uwe dienaren, de rechtvaardigen. 20. En
hij zag de vogelen en hij zeide: Wat is de reden dat ik de kievit
niet zie [1537]? Is hij afwezig? 21. Waarlijk, ik zal hem straffen
met eene strenge kastijding [1538], of ik zal hem dooden, tenzij
hij mij eene gegronde verontschuldiging make. 22. En het duurde
niet lang, voor hij zich aan Salomo vertoonde, en zeide: Ik heb eene
plaats gezien, welke gij niet gezien hebt, en ik kom tot u van Saba,
met zeker nieuws. 23. Ik vond eene vrouw [1539], die daar regeerde,
die voorzien is van alles, wat begeerlijk is voor een vorst, en een
prachtigen troon heeft [1540]. 24. Ik vond dat zij en haar volk de zon
naast God aanbaden, en Satan heeft hunne werken in hunne oogen goed
doen schijnen, en hen van den weg der waarheid afgeleid (waardoor zij
niet recht geleid worden). 25. Opdat zij God niet zouden aanbidden,
die aan het licht brengt wat in den hemel en op aarde is verborgen,
en kent wat zij verbergen en wat zij ontdekken. 26. God! Er is geen
God buiten hem, den Heer van den grootschen troon. 27. Salomo zeide:
wij zullen zien of gij de waarheid hebt gesproken, dan of gij een
leugenaar zijt. 28. Gaat met dezen brief van mij en werp dien onder hen
neder; wend u daarna van hen af en wacht, om te weten, welk antwoord
zij zullen geven. 29. En toen de koningin van Saba den brief had
ontvangen [1541], zeide zij: O edelen! waarlijk, mij is een eervolle
brief overgebracht. 30. Hij is van Salomo, en dit is de inhoud:
In den naam van den barmhartigsten God. 31. Staat niet op tegen mij,
maar komt en geeft u aan mij over [1542]. 32. Zij zeide: O edelen! raad
mij in mijne zaak, ik wil omtrent niets besluiten, tenzij gij getuige
daarvan zijt en het goedkeurt. 33. De edelen antwoordden: Wij zijn
met sterkte begiftigd, en met groote dapperheid in den oorlog; maar
het bevel komt u toe: weet dus wat gij wilt bevelen [1543]. 34. Zij
zeide: Waarlijk, als de koningen eene stad met geweld binnentrekken,
plunderen zij die en vernederen hare machtigste inwoners en zoo zullen
dezen met ons handelen. 35. Maar ik zal hun geschenken zenden, en ik
zal wachten, om de nadere inlichtingen te vernemen, welke degenen
zullen terugbrengen, die derwaarts worden afgezonden. 36. En toen
de gezant der koningin tot Salomo kwam [1544], zeide de vorst: Wilt
gij mij met rijkdommen beschenken? Waarlijk, hetgeen God mij heeft
gegeven, is beter dan hetgeen hij u heeft geschonken. Uwe geschenken
maken u ijdel [1545]. 37. Keer tot het volk van Saba terug. Wij zullen
zekerlijk met strijdkrachten tot hen komen, welke zij niet in staat
zullen zijn tegenstand te bieden, en wij zullen hen vernederd uit hunne
stad drijven, en zij zullen tot schande gebracht worden. 39. En Salomo
zeide: O edelen! wie wil mij haren troon brengen, alvorens zij kome
en zich aan mij overgeven? Een vreeselijke genius [1546] antwoordde:
Ik zal u dien brengen, voor gij van uwe plaats opstaat [1547]: want
ik ben instaat het te volvoeren, en ik ben getrouw; 40. En een ander,
die de kennis der schriften bezat [1548], zeide; Ik zal u dien in
een oogwenk brengen [1549]. En toen Salomo den troon voor zich zag
geplaatst, zeide hij: Dit is eene gunst van mijn Heer, om mij te
beproeven, of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn, en hij die dankbaar
is, is dankbaar in zijn eigen voordeel; maar indien iemand ondankbaar
is, waarlijk, dan is mijn Heer zelfgenoegzaam en milddadig. 41. En
Salomo zeide tot zijne dienaren: Verandert haren troon, dat zij dien
niet herkenne, opdat wij mogen zien, of zij op den rechten weg wordt
geleid, of dat zij tot hen behoort, die niet op den rechten weg worden
gevoerd. 42. En toen zij tot Salomo was gekomen [1550], zeide men tot
haar: Is uw troon gelijk aan dezen? Zij antwoordde: Men zou zeggen
dat hij dezelfde was. En ons werd vÛÛr haar de kennis geschonken, en
wij waren aan God onderworpen [1551]. 43. Maar datgene wat zij buiten
God aanbad, heeft haar van de waarheid afgeleid; want zij behoorde
tot een ongeloovig volk. 44. Men zeide tot haar: Treed het paleis
binnen [1552], en toen zij het zag, dacht zij dat het een groot water
was, en zij ontblootte hare beenen, door haar kleed op te lichten,
om het te doorwaden [1553]. Daarop zeide Salomo tot haar: Waarlijk,
dit is een paleis met glas geplaveid. 45. Daarop zeide de koningin: O
Heer! waarlijk, ik heb onrechtvaardig met mijne eigene ziel gehandeld
en ik onderwerp mij met Salomo aan God, den Heer van alle schepselen
[1554]. 46. Zoo zonden wij ook vroeger tot den stam van Thamoed hun
broeder Saleh, die tot hen zeide: Dient God. En ziet, zij werden in
twee gedeelten gescheiden, die met elkander twistten [1555]. 47. Saleh
zeide: O mijn volk! waarom verhaast gij het kwade veeleer dan het goede
[1556]? Weshalve smeekt geen vergiffenis, van God, opdat gij genade
moogt erlangen: gij zijt anders verloren. 48. Zij antwoordden: Wij
voorzien kwaad van u en die met u zijn. Saleh hernam: Het kwaad dat
gij voorspelt, hangt van God [1557] af, maar gij zijt een volk, dat
beproefd wordt, door eene wisseling van voor- en tegenspoed. 49. En er
waren negen menschen in de stad, die schandelijk op de aarde handelden
en zich in niets met rechtschapenheid gedroegen. 50. Deze zeiden tot
elkander: Zweert wederkeerig bij God, dat wij Saleh en zijn gezin des
nachts zullen overvallen, en daarna zullen wij tot dengeen zeggen,
die het recht heeft zijn bloed te wreken: Wij waren volstrekt niet
tegenwoordig bij de uitroeiing van zijn gezin: en wij spreken de
waarheid. 51. En zij vormden eene samenspanning tegen hen en zij
bemerkten het niet. 52. En zie, wat was de uitkomst van hunne listen
[1558]: wij verdelgden hen geheel en al hun volk 53. En deze hunne
woningen blijven ledig, om de onrechtvaardigheid, welke zij hebben
bedreven. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die begrijpen. 54. En
wij bevrijdden hen, die geloofden en God vreesden. 55. En gedenk Lot,
toen hij tot zijn volk zeide: Begaat gij eene zonde, hoewel gij de
verfoeielijkheid daarvan ziet? 56. Nadert gij vol lusten de mannen en
verlaat gij de vrouwen? 57. Maar het antwoord van zijn volk was niet
anders dan dat zij zeiden: Drijft het gezin van Lot uit uwe stad;
want zij zijn menschen, die zich rein houden van de daden, welke gij
bedrijft. 58. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, behalve zijne
vrouw, omtrent welke wij besloten, dat zij een van hen zou zijn,
die achter zouden blijven om verdelgd te worden. 59. En wij deden
eene bui van steenen op hen nederregenen; en vreeselijk was de bui,
die neerviel op hen, welke te vergeefs waren gewaarschuwd geworden
[1559]. 60. Zeg: Geloofd zij God en vrede op zijne dienaren, welke
hij gekozen heeft! Is God meer waard, of de valsche goden, welke zij
met hem vereenigen? 61. Moet niet hem de voorkeur worden gegeven, die
de hemelen en de aarde heeft geschapen, en regen uit den hemel voor
u nederzendt, waardoor wij heerlijke tuinen doen voortspruiten? Het
is niet in uwe macht, de boomen daarvan te doen opgroeien. Is er een
andere god deelgenoot met den eenigen God? Waarlijk, het is een volk,
dat van de waarheid afwijkt. 62. Is niet hij waardiger te worden
aangebeden, die de aarde heeft opgericht en rivieren in haar midden
heeft doen vloeien, en onbeweegbare bergen daarop heeft geplaatst
en eene afscheiding tusschen de twee zeeÎn heeft gesteld [1560]. Of
is er eene andere god, die gelijk is aan den eenigen God? Maar
het grootste gedeelte van hen overdenkt niet. 63. Is niet hij de
waardigste, die den bedroefde verhoort [1561] als hij hem aanroept,
en het kwade wegneemt, dat hem bedroeft, en die u tot de opvolgers
uwer voorvaderen op de aarde heeft gemaakt? Hoe weinigen beschouwen
deze dingen. 64. Is niet hij de waardigste, die u leidt op de donkere
paden des lands en der zee, en die de winden zendt, welke de wolken
voortdrijven als de voorboden zijner genade [1562]! Is er een andere
god die met den eenigen God gelijk kan worden gesteld? Verre zij het
van God, de deelgenooten zijner macht te hebben, welke gij met hem
vereenigt. 65. Is niet hij de waardigste, die een schepsel voortbrengt
en het na den dood weder opwekt, en die u voedsel van hemel en aarde
geeft? Is er, bij den waren God een andere god, die dit doet? Zeg: Geef
uw bewijs daarvoor, indien gij de waarheid spreekt. 66. Zeg: Niemand,
in den hemel, of op aarde kent wat verborgen is behalve God. Ook
begrijpen zij niet. 67. Wanneer zij zullen worden opgewekt. 68. En
toch hebben zij door hunne kennis eenig begrip van het volgende leven;
maar zij verkeeren daaromtrent in eene onzekerheid; ja, zij zijn blind,
nopens de wezenlijke omstandigheden daarvan. 69. En de ongeloovigen
zeggen: Als wij en onze vaderen in stof zullen zijn veranderd, zullen
wij dan levend het graf ontstijgen? 70. Waarlijk, wij zijn vroeger
daarmede bedreigd, zoowel wij als onze vaderen. Dit zijn slechts
fabelen van de ouden. 71. Zeg tot hen: Gaat over de aarde, en ziet
wat het einde der zondaren was. 72. En weest niet bedroefd om hen:
voedt volstrekt geene ongerustheid over de listen welke zij tegen u
zullen uitdenken. 73. En zij zullen zeggen: Wanneer zal deze bedreiging
worden vervuld; zeg, indien gij de waarheid spreekt? 74. Antwoord:
Misschien zal een deel der straf, welke gij verlangt dat verhaast
zal worden, dicht achter u volgen. 75. Waarlijk, de Heer is vol
lankmoedigheid omtrent den mensch; maar het grootste gedeelte hunner is
niet dankbaar. 76. Waarlijk, uw Heer kent wat hunne borsten verbergen
en wat zij ontdekken; 77. En er is niets in den hemel of op de aarde
verborgen, of het is in een duidelijk boek opgeschreven. 78. Waarlijk,
deze Koran verklaart aan de kinderen IsraÎls het meerendeel der
punten waaromtrent zij verschillen. 79. En het is zekerlijk eene
leiding en eene genade voor de ware geloovigen. 80. Uw Heer zal den
strijd tusschen hen door zijn eind-vonnis beslissen, en hij is de
Machtige, de Wijze. 81. Stelt dus uw vertrouwen in God; want gij
steunt op de duidelijke waarheid. 82. Waarlijk, gij zult de dooden
niet hoorende maken, noch zult gij de dooven uwe oproeping tot het
ware geloof doen hooren, als zij zich verwijderen en u hunne ruggen
toewenden. 83. Ook zult gij de blinden er niet toe brengen zich uit
hunne dwaling te redden. Gij zult u door niemand doen hooren, behalve
door hen die in onze teekenen gelooven, en deze zijn geheel aan ons
onderworpen. 84. Als bet oordeel gereed zal zijn om op hen neder te
komen, zullen wij een dier [1563] uit de aarde doen voortkomen dat
tot hen zal spreken [1564]: Waarlijk, de menschen gelooven niet vast
in onze teekenen. 85. Op den dag der opstanding zullen wij uit ieder
volk degenen verzamelen, die onze teekenen van valschheid zullen
hebben beschuldigd; zij zullen verhinderd worden zich onder elkander
te mengen. 86. Tot zij op de plaats des oordeels zullen aangekomen
zijn. En God zal tot hen zeggen: Hebt gij mijne teekens van valschheid
beschuldigd, hoezeer gij die met uwe kennis niet begrijpt? Of welke
beweegreden hebt gij om aldus te handelen? 87. En het vonnis der
verdoemenis zal op hen nederkomen, omdat zij onrechtvaardig hebben
gehandeld, en zij zullen geen woord tot hunne verontschuldiging
spreken. 88. Zien zij niet dat wij den nacht hebben ingesteld, opdat
zij daarin zouden rusten, en den dag, die een groot licht geeft, om te
arbeiden. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die gelooven. 89. Op
dien dag zal de trompet klinken, en allen die in den hemel en op de
aarde zijn, zullen met schrik worden getroffen, behalve zij, wie het
Gode behagen zal daarvan uit te zonderen [1565], en allen zullen zij
in eene nederige houding voor hem komen. 90. En gij zult de bergen
zien, en gij zult u verbeelden dat zij stevig zijn bevestigd; maar
zij zullen voorbijgaan evenals de wolken voorbijgaan. Dit zal het
werk van God zijn, die alle dingen goed geschikt heeft, en hij is
wel bekend met hetgeen gij doet. 91. Hij die rechtvaardigheid zal
hebben uitgeoefend, zal eene belooning ontvangen, grooter dan de
verdienste daarvan. Deze zullen verzekerd zijn tegen de vreeselijkheid
van dien dag [1566]. 92. Maar zij die kwaad zullen hebben bedreven,
zullen op hunne aangezichten in de hel worden nedergeworpen. Zult
gij de belooning voor iets anders ontvangen dan voor datgene, wat gij
zult hebben verricht? 93. Waarlijk, mij is bevolen den Heer van dit
grondgebied (van Mekka) te vereeren, die het heeft geheiligd. Aan hem
behooren alle dingen, en mij is bevolen een Moslem te zijn. 94. En den
Koran te herinneren. Hij die daardoor zal worden geleid, zal tot zijn
eigen voordeel worden gericht, en zeg tot hem die zich zal afwenden:
Waarlijk, ik waarschuw slechts. 95. En zeg: Geloofd zij God! hij zal
u zijne teekenen toonen [1567], en gij zult die kennen, en uw Heer
is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE GESCHIEDENIS (OF DE LOTGEVALLEN) [1568].
Geopenbaard te Mekka [1569].--88 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.