1. T. S. Dit zijn de teekenen van den Koran en van het duidelijke

boek. 2. Eene leiding en goede tijding voor de ware geloovigen. 3. Die

hun gebed geregeld verrichten en aalmoezen geven, en vast in het

volgend leven gelooven. 4. Wat hen betreft, die niet in het volgende

leven gelooven, wij hebben hunne werken voor hen gereed gemaakt [1529],

zij zullen door verbazing getroffen worden, over hunne teleurstelling,

als zij weder zullen worden opgewekt. 5. Zij zijn het, welken eene

strenge straf in dit leven en in het toekomstige wacht: zij zullen

de ongelukkigsten zijn. 6. Gij hebt den Koran voorzeker van een

wijzen en alwetenden God ontvangen. 7. Gedenk, toen Mozes tot zijn

gezin zeide: Waarlijk, ik bemerk vuur, ik zal u tijdingen daarvan

brengen, of ik zal u een brandend hout daarvan brengen, ten einde

u te verwarmen [1530]. 8. En toen hij nabij het vuur was gekomen,

riep hem eene stem toe: Gezegend hij, die in, en hij die nabij het

vuur is [1531], en geloofd zij God, de Heer van alle schepselen! 9. O

Mozes! waarlijk, ik ben God, de machtige, de wijze. 10. Werp thans uwen

staf neder. En toen hij zag dat deze zich bewoog als ware die eene

slang, week hij achteruit en vlood, en keerde zich niet om. En God

zeide: O Mozes! vrees niet; want mijne gezanten hebben niets van mij

te duchten. 11. Behalve hij die onrechtvaardig zal hebben gehandeld;

maar voor wien daarna kwaad door goed zal hebben vervangen, ben ik

genadig en barmhartig [1532]. 12. Steek uwe hand in uwe borst, en

uwe hand zal wit en ongedeerd te voorschijn komen; dit zal een der

negen teekenen [1533] voor Pharao en zijn volk wezen; want zij zijn

zondaren. 13. En toen onze zichtbare teekenen tot hen waren gekomen,

zeiden zij: Dit is duidelijke tooverij. 14. En zij loochenden deze,

uit onrechtvaardigheid en trotschheid, hoewel hunne zielen zekerlijk

wisten, dat die van God waren; maar gedenk, wat het einde der zondaren

was. 15. Wij schonken vroeger verstand aan David en Salomo, en zij

zeiden: Geloofd zij God, die ons boven zoo menige zijner geloovige

dienaren heeft doen uitmunten! 16. En Salomo was David's erfgenaam

[1534], en hij zeide: O menschen! men heeft ons geleerd, de taal der

vogelen te verstaan [1535], en alles werd ons geschonken; dit is een

duidelijk teeken van Gods gunst. 17. En Salomo's legers werden onder

hem vergaderd, bestaande uit geniussen, menschen en ook vogelen; en zij

werden in verschillende troepen gerangschikt. 18. Toen zij in de vallei

der mieren kwamen [1536], zeide eene mier, toen zij de heirscharen zag

naderen: O, mieren! gaat in uwe woningen, opdat Salomo en zijn leger

u niet onder den voet trede, zonder het te bemerken. 19. En Salomo

glimlachte op die woorden, en zeide: O Heer! geef dat ik dankbaar zij

voor uwe gunst, waarmede gij mij en mijne vaderen hebt begunstigd,

en dat ik moge doen wat recht is en u behaagt; en leid mij door uwe

genade in het paradijs, onder uwe dienaren, de rechtvaardigen. 20. En

hij zag de vogelen en hij zeide: Wat is de reden dat ik de kievit

niet zie [1537]? Is hij afwezig? 21. Waarlijk, ik zal hem straffen

met eene strenge kastijding [1538], of ik zal hem dooden, tenzij

hij mij eene gegronde verontschuldiging make. 22. En het duurde

niet lang, voor hij zich aan Salomo vertoonde, en zeide: Ik heb eene

plaats gezien, welke gij niet gezien hebt, en ik kom tot u van Saba,

met zeker nieuws. 23. Ik vond eene vrouw [1539], die daar regeerde,

die voorzien is van alles, wat begeerlijk is voor een vorst, en een

prachtigen troon heeft [1540]. 24. Ik vond dat zij en haar volk de zon

naast God aanbaden, en Satan heeft hunne werken in hunne oogen goed

doen schijnen, en hen van den weg der waarheid afgeleid (waardoor zij

niet recht geleid worden). 25. Opdat zij God niet zouden aanbidden,

die aan het licht brengt wat in den hemel en op aarde is verborgen,

en kent wat zij verbergen en wat zij ontdekken. 26. God! Er is geen

God buiten hem, den Heer van den grootschen troon. 27. Salomo zeide:

wij zullen zien of gij de waarheid hebt gesproken, dan of gij een

leugenaar zijt. 28. Gaat met dezen brief van mij en werp dien onder hen

neder; wend u daarna van hen af en wacht, om te weten, welk antwoord

zij zullen geven. 29. En toen de koningin van Saba den brief had

ontvangen [1541], zeide zij: O edelen! waarlijk, mij is een eervolle

brief overgebracht. 30. Hij is van Salomo, en dit is de inhoud:

In den naam van den barmhartigsten God. 31. Staat niet op tegen mij,

maar komt en geeft u aan mij over [1542]. 32. Zij zeide: O edelen! raad

mij in mijne zaak, ik wil omtrent niets besluiten, tenzij gij getuige

daarvan zijt en het goedkeurt. 33. De edelen antwoordden: Wij zijn

met sterkte begiftigd, en met groote dapperheid in den oorlog; maar

het bevel komt u toe: weet dus wat gij wilt bevelen [1543]. 34. Zij

zeide: Waarlijk, als de koningen eene stad met geweld binnentrekken,

plunderen zij die en vernederen hare machtigste inwoners en zoo zullen

dezen met ons handelen. 35. Maar ik zal hun geschenken zenden, en ik

zal wachten, om de nadere inlichtingen te vernemen, welke degenen

zullen terugbrengen, die derwaarts worden afgezonden. 36. En toen

de gezant der koningin tot Salomo kwam [1544], zeide de vorst: Wilt

gij mij met rijkdommen beschenken? Waarlijk, hetgeen God mij heeft

gegeven, is beter dan hetgeen hij u heeft geschonken. Uwe geschenken

maken u ijdel [1545]. 37. Keer tot het volk van Saba terug. Wij zullen

zekerlijk met strijdkrachten tot hen komen, welke zij niet in staat

zullen zijn tegenstand te bieden, en wij zullen hen vernederd uit hunne

stad drijven, en zij zullen tot schande gebracht worden. 39. En Salomo

zeide: O edelen! wie wil mij haren troon brengen, alvorens zij kome

en zich aan mij overgeven? Een vreeselijke genius [1546] antwoordde:

Ik zal u dien brengen, voor gij van uwe plaats opstaat [1547]: want

ik ben instaat het te volvoeren, en ik ben getrouw; 40. En een ander,

die de kennis der schriften bezat [1548], zeide; Ik zal u dien in

een oogwenk brengen [1549]. En toen Salomo den troon voor zich zag

geplaatst, zeide hij: Dit is eene gunst van mijn Heer, om mij te

beproeven, of ik dankbaar of ondankbaar zal zijn, en hij die dankbaar

is, is dankbaar in zijn eigen voordeel; maar indien iemand ondankbaar

is, waarlijk, dan is mijn Heer zelfgenoegzaam en milddadig. 41. En

Salomo zeide tot zijne dienaren: Verandert haren troon, dat zij dien

niet herkenne, opdat wij mogen zien, of zij op den rechten weg wordt

geleid, of dat zij tot hen behoort, die niet op den rechten weg worden

gevoerd. 42. En toen zij tot Salomo was gekomen [1550], zeide men tot

haar: Is uw troon gelijk aan dezen? Zij antwoordde: Men zou zeggen

dat hij dezelfde was. En ons werd vÛÛr haar de kennis geschonken, en

wij waren aan God onderworpen [1551]. 43. Maar datgene wat zij buiten

God aanbad, heeft haar van de waarheid afgeleid; want zij behoorde

tot een ongeloovig volk. 44. Men zeide tot haar: Treed het paleis

binnen [1552], en toen zij het zag, dacht zij dat het een groot water

was, en zij ontblootte hare beenen, door haar kleed op te lichten,

om het te doorwaden [1553]. Daarop zeide Salomo tot haar: Waarlijk,

dit is een paleis met glas geplaveid. 45. Daarop zeide de koningin: O

Heer! waarlijk, ik heb onrechtvaardig met mijne eigene ziel gehandeld

en ik onderwerp mij met Salomo aan God, den Heer van alle schepselen

[1554]. 46. Zoo zonden wij ook vroeger tot den stam van Thamoed hun

broeder Saleh, die tot hen zeide: Dient God. En ziet, zij werden in

twee gedeelten gescheiden, die met elkander twistten [1555]. 47. Saleh

zeide: O mijn volk! waarom verhaast gij het kwade veeleer dan het goede

[1556]? Weshalve smeekt geen vergiffenis, van God, opdat gij genade

moogt erlangen: gij zijt anders verloren. 48. Zij antwoordden: Wij

voorzien kwaad van u en die met u zijn. Saleh hernam: Het kwaad dat

gij voorspelt, hangt van God [1557] af, maar gij zijt een volk, dat

beproefd wordt, door eene wisseling van voor- en tegenspoed. 49. En er

waren negen menschen in de stad, die schandelijk op de aarde handelden

en zich in niets met rechtschapenheid gedroegen. 50. Deze zeiden tot

elkander: Zweert wederkeerig bij God, dat wij Saleh en zijn gezin des

nachts zullen overvallen, en daarna zullen wij tot dengeen zeggen,

die het recht heeft zijn bloed te wreken: Wij waren volstrekt niet

tegenwoordig bij de uitroeiing van zijn gezin: en wij spreken de

waarheid. 51. En zij vormden eene samenspanning tegen hen en zij

bemerkten het niet. 52. En zie, wat was de uitkomst van hunne listen

[1558]: wij verdelgden hen geheel en al hun volk 53. En deze hunne

woningen blijven ledig, om de onrechtvaardigheid, welke zij hebben

bedreven. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die begrijpen. 54. En

wij bevrijdden hen, die geloofden en God vreesden. 55. En gedenk Lot,

toen hij tot zijn volk zeide: Begaat gij eene zonde, hoewel gij de

verfoeielijkheid daarvan ziet? 56. Nadert gij vol lusten de mannen en

verlaat gij de vrouwen? 57. Maar het antwoord van zijn volk was niet

anders dan dat zij zeiden: Drijft het gezin van Lot uit uwe stad;

want zij zijn menschen, die zich rein houden van de daden, welke gij

bedrijft. 58. Daarom bevrijdden wij hem en zijn gezin, behalve zijne

vrouw, omtrent welke wij besloten, dat zij een van hen zou zijn,

die achter zouden blijven om verdelgd te worden. 59. En wij deden

eene bui van steenen op hen nederregenen; en vreeselijk was de bui,

die neerviel op hen, welke te vergeefs waren gewaarschuwd geworden

[1559]. 60. Zeg: Geloofd zij God en vrede op zijne dienaren, welke

hij gekozen heeft! Is God meer waard, of de valsche goden, welke zij

met hem vereenigen? 61. Moet niet hem de voorkeur worden gegeven, die

de hemelen en de aarde heeft geschapen, en regen uit den hemel voor

u nederzendt, waardoor wij heerlijke tuinen doen voortspruiten? Het

is niet in uwe macht, de boomen daarvan te doen opgroeien. Is er een

andere god deelgenoot met den eenigen God? Waarlijk, het is een volk,

dat van de waarheid afwijkt. 62. Is niet hij waardiger te worden

aangebeden, die de aarde heeft opgericht en rivieren in haar midden

heeft doen vloeien, en onbeweegbare bergen daarop heeft geplaatst

en eene afscheiding tusschen de twee zeeÎn heeft gesteld [1560]. Of

is er eene andere god, die gelijk is aan den eenigen God? Maar

het grootste gedeelte van hen overdenkt niet. 63. Is niet hij de

waardigste, die den bedroefde verhoort [1561] als hij hem aanroept,

en het kwade wegneemt, dat hem bedroeft, en die u tot de opvolgers

uwer voorvaderen op de aarde heeft gemaakt? Hoe weinigen beschouwen

deze dingen. 64. Is niet hij de waardigste, die u leidt op de donkere

paden des lands en der zee, en die de winden zendt, welke de wolken

voortdrijven als de voorboden zijner genade [1562]! Is er een andere

god die met den eenigen God gelijk kan worden gesteld? Verre zij het

van God, de deelgenooten zijner macht te hebben, welke gij met hem

vereenigt. 65. Is niet hij de waardigste, die een schepsel voortbrengt

en het na den dood weder opwekt, en die u voedsel van hemel en aarde

geeft? Is er, bij den waren God een andere god, die dit doet? Zeg: Geef

uw bewijs daarvoor, indien gij de waarheid spreekt. 66. Zeg: Niemand,

in den hemel, of op aarde kent wat verborgen is behalve God. Ook

begrijpen zij niet. 67. Wanneer zij zullen worden opgewekt. 68. En

toch hebben zij door hunne kennis eenig begrip van het volgende leven;

maar zij verkeeren daaromtrent in eene onzekerheid; ja, zij zijn blind,

nopens de wezenlijke omstandigheden daarvan. 69. En de ongeloovigen

zeggen: Als wij en onze vaderen in stof zullen zijn veranderd, zullen

wij dan levend het graf ontstijgen? 70. Waarlijk, wij zijn vroeger

daarmede bedreigd, zoowel wij als onze vaderen. Dit zijn slechts

fabelen van de ouden. 71. Zeg tot hen: Gaat over de aarde, en ziet

wat het einde der zondaren was. 72. En weest niet bedroefd om hen:

voedt volstrekt geene ongerustheid over de listen welke zij tegen u

zullen uitdenken. 73. En zij zullen zeggen: Wanneer zal deze bedreiging

worden vervuld; zeg, indien gij de waarheid spreekt? 74. Antwoord:

Misschien zal een deel der straf, welke gij verlangt dat verhaast

zal worden, dicht achter u volgen. 75. Waarlijk, de Heer is vol

lankmoedigheid omtrent den mensch; maar het grootste gedeelte hunner is

niet dankbaar. 76. Waarlijk, uw Heer kent wat hunne borsten verbergen

en wat zij ontdekken; 77. En er is niets in den hemel of op de aarde

verborgen, of het is in een duidelijk boek opgeschreven. 78. Waarlijk,

deze Koran verklaart aan de kinderen IsraÎls het meerendeel der

punten waaromtrent zij verschillen. 79. En het is zekerlijk eene

leiding en eene genade voor de ware geloovigen. 80. Uw Heer zal den

strijd tusschen hen door zijn eind-vonnis beslissen, en hij is de

Machtige, de Wijze. 81. Stelt dus uw vertrouwen in God; want gij

steunt op de duidelijke waarheid. 82. Waarlijk, gij zult de dooden

niet hoorende maken, noch zult gij de dooven uwe oproeping tot het

ware geloof doen hooren, als zij zich verwijderen en u hunne ruggen

toewenden. 83. Ook zult gij de blinden er niet toe brengen zich uit

hunne dwaling te redden. Gij zult u door niemand doen hooren, behalve

door hen die in onze teekenen gelooven, en deze zijn geheel aan ons

onderworpen. 84. Als bet oordeel gereed zal zijn om op hen neder te

komen, zullen wij een dier [1563] uit de aarde doen voortkomen dat

tot hen zal spreken [1564]: Waarlijk, de menschen gelooven niet vast

in onze teekenen. 85. Op den dag der opstanding zullen wij uit ieder

volk degenen verzamelen, die onze teekenen van valschheid zullen

hebben beschuldigd; zij zullen verhinderd worden zich onder elkander

te mengen. 86. Tot zij op de plaats des oordeels zullen aangekomen

zijn. En God zal tot hen zeggen: Hebt gij mijne teekens van valschheid

beschuldigd, hoezeer gij die met uwe kennis niet begrijpt? Of welke

beweegreden hebt gij om aldus te handelen? 87. En het vonnis der

verdoemenis zal op hen nederkomen, omdat zij onrechtvaardig hebben

gehandeld, en zij zullen geen woord tot hunne verontschuldiging

spreken. 88. Zien zij niet dat wij den nacht hebben ingesteld, opdat

zij daarin zouden rusten, en den dag, die een groot licht geeft, om te

arbeiden. Waarlijk, hierin zijn teekenen voor hen die gelooven. 89. Op

dien dag zal de trompet klinken, en allen die in den hemel en op de

aarde zijn, zullen met schrik worden getroffen, behalve zij, wie het

Gode behagen zal daarvan uit te zonderen [1565], en allen zullen zij

in eene nederige houding voor hem komen. 90. En gij zult de bergen

zien, en gij zult u verbeelden dat zij stevig zijn bevestigd; maar

zij zullen voorbijgaan evenals de wolken voorbijgaan. Dit zal het

werk van God zijn, die alle dingen goed geschikt heeft, en hij is

wel bekend met hetgeen gij doet. 91. Hij die rechtvaardigheid zal

hebben uitgeoefend, zal eene belooning ontvangen, grooter dan de

verdienste daarvan. Deze zullen verzekerd zijn tegen de vreeselijkheid

van dien dag [1566]. 92. Maar zij die kwaad zullen hebben bedreven,

zullen op hunne aangezichten in de hel worden nedergeworpen. Zult

gij de belooning voor iets anders ontvangen dan voor datgene, wat gij

zult hebben verricht? 93. Waarlijk, mij is bevolen den Heer van dit

grondgebied (van Mekka) te vereeren, die het heeft geheiligd. Aan hem

behooren alle dingen, en mij is bevolen een Moslem te zijn. 94. En den

Koran te herinneren. Hij die daardoor zal worden geleid, zal tot zijn

eigen voordeel worden gericht, en zeg tot hem die zich zal afwenden:

Waarlijk, ik waarschuw slechts. 95. En zeg: Geloofd zij God! hij zal

u zijne teekenen toonen [1567], en gij zult die kennen, en uw Heer

is niet onopmerkzaam nopens hetgeen gij doet.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE GESCHIEDENIS (OF DE LOTGEVALLEN) [1568].

Geopenbaard te Mekka [1569].--88 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 33 / 89 段