opdat deze een prediker voor alle schepselen zou zijn; 2. Aan wien het
koninkrijk des hemels en der aarde behoort; die geene nakomelingschap
heeft geteeld, en geen deelgenoot in zijn koninkrijk heeft; die
alle dingen heeft geschapen en daarover naar zijn bepaalden wil
beschikt. 3. Zij hebben buiten hem andere goden gekozen, die niets
hebben geschapen, maar zelven geschapen zijn [1466]. 4. En die noch
in staat zijn het kwaad van zich af te weren, noch zich het goede
te verschaffen, en die noch over den dood, noch over het leven
bevelen, noch de kracht bezitten, waardoor de dooden weder worden
opgewekt. 5. En de ongeloovigen zeggen: Deze Koran is niets anders
dan eene door hem uitgedachte leugen, en anderen hebben hem daarin
bijgestaan [1467]; maar zij spraken eene onrechtvaardige zaak en eene
leugen uit. 6. Zij zeggen ook: Dit zijn fabelen der ouden, welke hij
heeft doen nederschrijven, en zij worden hem des ochtends en des avonds
voorgezegd. 7. Zeg: Het is geopenbaard door hem, die de geheimen van
hemel en aarde kent. Waarlijk, hij is barmhartig en genadig. 8. En
zij zeggen: Welk soort gezant is deze? Hij nuttigt voedsel en wandelt
in de straten [1468]. zooals wij doen. Tot hem een engel zal worden
nedergezonden om met hem te prediken; 9. Of tot hem een schat worde
nedergezonden, of hij een tuin bezitte, van welks vruchten hij mag
eten, zullen wij niet gelooven. De goddeloozen zeggen ook: Gij volgt
slechts een betooverd man. 10. Zie wat zij nopens u denken; maar zij
zijn verdwaald, en zullen nimmer, eene juiste gelegenheid hebben,
om het licht te vinden, 11. Gezegend zij hij, die, wanneer het hem
behaagt, eene betere belooning voor u zal bereiden, dan diegene waarvan
zij spreken; namelijk tuinen, door welke rivieren stroomen, en hij
zal u paleizen schenken. 12. Maar zij verwerpen het geloof aan het
uur des oordeels als eene leugen. 13. En wij hebben voor hen, die het
geloof aan dat uur verwerpen, een brandend vuur gereed gemaakt; als het
hen van verre zal zien, zal het vreeselijk brullen en woeden. 14. En
als zij, te zamen gebonden, in een enge plaats daarvan zullen worden
geworpen, zullen zij daar om den dood roepen, 15. Maar men zal hun
antwoorden: Roep heden niet om ÈÈn dood, maar roep om verscheiden
dooden. 16. Zeg: Is dit beter, of een tuin van eeuwigen duur, die den
vrome is beloofd? Deze zal hun als een belooning en een verblijf worden
gegeven. 17. Daarin zullen zij alles hebben wat hun behaagt, terwijl
zij daarin eeuwig zullen verblijven. Dit is eene belofte, welke zij
uit de handen van hunnen heer kunnen vorderen. 18. Op een zekeren dag
zal hij hen verzamelen, en alles wat zij naast God aanbidden, en hij
zal tot de aangebedenen zeggen: Hebt gij deze mijne dienaren verleid,
of dwaalden zij uit eigen beweging van den rechten weg af? 19. Zij
zullen antwoorden: God verhoede! Het was ons onmogelijk, andere
beschermers buiten u te kiezen, maar gij veroorloofdet hun en hunnen
vaderen overvloed te genieten, waardoor zij uwe vermaning vergaten,
en verloren gingen. 20. En God zal tot hunne aanbidders zeggen: Thans
hebben deze u van leugen overtuigd in hetgeen gij zegt. Zij kunnen
noch uwe straf afwenden, noch u eenige ondersteuning schenken. 21. En
dengenen van u die aan onrechtvaardigheid schuldig zal zijn zullen
wij eene gestrenge pijniging doen ondergaan. 22. Wij hebben geene
gezanten, vÛÛr u gezonden dan die, als de andere menschen, voedsel
nuttigden en door de straten wandelden, en wij maakten sommigen
uwer tot een middel ter beproeving voor anderen [1469]. Wilt gij
met geduld volharden, nu uw Heer uwe volharding gadeslaat. 23. Zij
die niet hopen ons bij de opstanding te ontmoeten, zeggen: Zoolang
de engelen niet tot ons worden nedergezonden, of wij zelven onzen
Heer niet zien, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, zij gedragen
zich overmoedig en hebben op vreeselijke wijze gezondigd. 24. Op
den dag waarop zij de engelen zullen zien komen [1470], zullen er
geene blijde tijdingen voor de zondaren zijn, en zij zullen zeggen:
Dit zij verre van ons verwijderd. 25. Dan zullen wij komen tot de
werken, welke zij gewrocht hebben, en wij zullen die tot stof maken,
dat naar alle zijden wordt heenverspreid. 26. Op dien dag zullen zij,
welke voor het paradijs zijn bestemd, gelukzalig in hun verblijf
wezen, en des middags eene heerlijke rustplaats hebben [1471]. 27. Op
dien dag zal de hemel door de wolken gekliefd en de engelen zullen
nedergezonden worden en zichtbaar nederdalen [1472]; 28. Op dien
dag zal het ware koninkrijk geheel aan den Barmhartige toebehooren,
en die dag zal moeielijk zijn voor de ongeloovige. 29. Op dien dag
zal de onrechtvaardige [1473] uit angst en wanhoop, in zijne handen
bijten, en zeggen: Ach! had ik slechts den weg der waarheid met den
gezant gekozen. 30. Wee over mij! Ach! had ik niet zulk een [1474]
tot mijn vriend gekozen. 31. Hij lokte mij van Gods vermaning af,
nadat die tot mij was gekomen; want de duivel is de verrader van den
mensch. 32. En de gezant zal zeggen: O Heer! mijn volk acht dezen Koran
als een ijdel samenstelsel. 33. Op dezelfde wijze hebben wij iederen
profeet de zondaren tot vijanden gegeven. Maar uw Heer is een voldoend
leider en verdediger. 34. De ongeloovigen zeggen: Zoolang de Koran
hem niet in zijn geheel en op eens worde nedergezonden [1475], zullen
wij niet gelooven. Maar wij hebben dien op deze wijze geopenbaard,
opdat wij daardoor uw hart zouden mogen bevestigen [1476], en wij
hebben die allengs, bij onderscheiden gedeelten voorgezegd. 35. Zij
zullen nimmer met een vreemde vraag tot u komen, of wij zullen u de
waarheid tot antwoord en eene uitmuntende uitlegging brengen. 36. Zij
die op hunne aangezichten in de hel zullen worden geworpen, zullen
in den ellendigsten toestand verkeeren en het verst van den weg
des heils verwijderd zijn. 37. Wij gaven vroeger aan Mozes het
boek der wet, en wij wezen hem A‰ron, zijn broeder, tot raadgever
aan. 38. En wij zeiden tot hen: Gaat tot het volk dat onze teekenen
van valschheid beschuldigt. En wij verdelgen hem met eene volslagen
vernietiging. 39. En herdenk het volk van Noach, toen zij onze gezanten
van bedrog beschuldigden; wij verdronken hen en maakten hen tot een
teeken onder de menschen. En wij hebben voor den onrechtvaardige
een pijnlijke straf gereed gemaakt. 40. Gedenk ook Ad en Thamoed,
en zij die te al Rass woonden [1477], en vele andere geslachten
in dat tijdperk. 41. Aan ieder hunner stelden wij voorbeelden ter
zijner vermaning, en ieder hunner verdelgden wij door eene geheele
vernietiging. 42. De KoreÔshieten zijn de stad dikwijls voorbij
getrokken, waarop wij een vreeselijke regen hebben doen nedervallen
[1478]. Hebben zij niet gezien waar die eens stond? Maar zij hopen
niet te worden opgewekt. 43. Als zij u zien, zullen zij u slechts
met spot ontvangen, zeggende: Is hij dat, dien God als zijn gezant
heeft gezonden? 44. Waarlijk, hij had ons bijna van de aanbidding
van onze goden afgetrokken, indien wij niet gestreng waren blijven
volharden in onze onderwerping aan hen. Maar als zij de straf zullen
zien, welke voor hen is gereed gemaakt, zullen zij 't hierna weten,
wie meer van het rechte pad is afgedwaald. 45. Wat denkt gij? Zult
gij de beschermer wezen van hem, die zijn hartstocht tot zijn God
heeft genomen [1479]? 46. Verbeeldt gij u dat het grootste gedeelte
hunner hoort of begrijpt? Zij zijn slechts gelijk aan het redelooze
vee, ja, zij dwalen meer van het ware pad af. 47. Beschouwt gij de
werken van uwen Heer niet, hoe hij de schaduw vÛÛr het opgaan der
zon uitdrijft? Indien het hem had behaagd, zou hij deze voor eeuwig
onbewegelijk hebben gemaakt. Daarna doen wij de zon oprijzen en tot
gids strekken. 48. En daarna verminderen wij die gemakkelijk. 49. Hij
is het, die den nacht bevolen heeft, u als een kleed te dekken,
en de slaap om u rust geven, en hij heeft den dag voor het waken
ingesteld. 50. Hij is het, die de winden zendt, door welke de
waterwolken voortdrijven, als de voorboden zijner genade [1480];
en wij zenden zuiver water [1481] van den hemel neder. 51. Opdat
wij daardoor eene doode streek zouden doen herleven, en om daarmede
te drenken hetgeen wij hebben geschapen, zoowel vee als menschen,
in grooten getale [1482]. 52. En wij verdeelen het onder hen op
verschillende tijden, opdat zij zouden mogen overdenken; maar het
grootste deel der menschen weigert, alleen uit ondankbaarheid, te
overwegen [1483]. 53. Indien het ons zou hebben behaagd, hadden wij een
spreker naar iedere stad gezonden. 54. Gehoorzaam dus den ongeloovigen
niet, maar bied hun met dit boek een hevigen weerstand. 55. Hij is het
die de twee zeeÎn heeft vereenigd: deze zoet en verfrisschend, gene,
zout en bitter, en hij heeft eene afscheiding tusschen haar geplaatst
[1484], en eene grens die niet overschreden kan worden. 56. Hij is
het die den mensch van water heeft geschapen [1485] en de banden des
bloeds en der verwantschap tusschen hen heeft doen ontstaan; want uw
Heer is machtig. 57. Zij aanbidden naast God datgene wat hen deren
noch bevoordeelen kan, en de ongeloovige is een medestander van de
duivel tegen zijn Heer [1486]. 58. Wij hebben u slechts gezonden om een
boodschapper van goede tijdingen te zijn en tot bedreiging. 59. Zeg:
ik vraag van u geene belooning voor deze mijne prediking, behalve de
bekeering van hem, die begeeren zal, den weg van zijn Heer te kiezen
[1487]. 60. En stel uw vertrouwen in hem die leeft en niet sterft,
en verkondig zijn lof (hij is voldoende bekend met de zonden zijner
dienaren). Die in zes dagen de hemelen en de aarde heeft geschapen
en alles wat daartusschen is, en daarna zijn troon besteeg. De
Barmhartige: vraag den wijze nopens hem. 61. Als den ongeloovige wordt
gezegd: Aanbidt den Genadige! hernemen zij: En wie is de Genadige
[1488]? Zullen wij aanbidden wat gij ons beveelt? En dit voorschrift
doet hen het geloof nog meer ontvluchten. 62. Gezegend zij hij die
de twaalf teekenen in de hemelen heeft gesteld, en daarin des daags
eene lamp [1489] plaatste en de maan die des nachts schijnt. 63. Hij
is het die den nacht en dag bevolen heeft elkander op volgen, voor hem
die overwegen wil, of zijne dankbaarheid verlangt te betoonen. 64. De
dienaren van den Barmhartige zijn zij, die zedig op de aarde wandelen,
en die, als de onwetende tot hen spreekt, antwoorden: Vrede. 65. En
die de nacht doorbrengen in de aanbidding van hunnen Heer, opstaande
om tot hem te bidden. 66. En die zeggen: O Heer! leid ons van de
pijniging der hel af; want de marteling daarvan duurt eeuwig. Waarlijk,
het is een ellendig verblijf en eene slechte rustplaats. 67. Die,
wanneer zij giften doen, ruim noch karig zijn; maar den juisten
middenweg daartusschen in acht nemen [1490]. 68. En die geen anderen
god naast den waren God aanroepen, noch de ziel dooden welke God
verboden heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak, of
die zich niet aan ontucht schuldig maken. Maar hij die dit doet,
zal de vergelding zijner zonde ontmoeten. 69. Zijne straf zal op
den dag der opstanding verdubbeld worden, en hij zal, met schande
bedekt, die eeuwig verduren. 70. Behalve zij die berouw betoonen
en gelooven, en rechtvaardige werken doen zullen: voor hen zal God
hunne vroegere zonden in goede werken veranderen [1491]; want God is
vergevingsgezind en barmhartig. 71. En wie berouw betoont en doet wat
rechtvaardig is, waarlijk, hij keert zich tot God met eene aannemelijke
bekeering. 72. En zij die geene valsche getuigenis afleggen, en welke,
als zij bij een ijdel gesprek tegenwoordig zijn, dit op betamelijke
wijze ontduiken, 73. En die, als zij door de teekens van hunnen Heer
worden vermaand, niet nedervallen alsof zij doof en blind waren, maar
opstaan, en daaraan een aandachtig oor leenen. 74. En die zeggen: O
Heer! verleen ons, in onze vrouwen en in onze kinderen, dezulken, die
de voldoening onzer oogen zijn, en maak ons tot toonbeelden onder hen
die u vreezen. 75. Deze zullen beloond worden met de hoogste afdeeling
in het paradijs, opdat zij met standvastigheid hebben volhard, en
zij zullen daar het heil en den vrede vinden. 76. Eeuwig zullen zij
daarin verblijven. Het zal een uitmuntend verblijf, en eene heerlijke
rustplaats wezen. 77. Zeg: God bekreunt zich niet om u, of gij hem al
dan niet aanroept: gij hebt zijn gezant reeds van bedrog beschuldigd;
maar hierna, zal u eene voortdurende straf worden opgelegd.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE DICHTERS [1492].
Geopenbaard te Mekka [1493].--228 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. T. S. M. [1494]. Dit zijn de teekens van het duidelijke
boek. 2. Misschien bedroeft gij u doodelijk, omdat de bewoners van
Mekka niet geloovig willen worden. 3. Indien het ons behaagde, zouden
wij hun een overtuigend teeken uit den hemel kunnen nederzenden,
waarvoor zij hunne nekken nederig zouden krommen. 4. Maar er komt
van den Barmhartige, geene nieuwe vermaning tot hen welke naar de
omstandigheden dit vereischen, wordt geopenbaard, waarvan zij zich
niet afwenden. 5. En zij hebben deze van valschheid beschuldigd;
maar er zal een boodschap tot hen komen, waarmede zij niet zullen
spotten. 6. Hebben zij de aarde niet beschouwd, en gezien hoe veel
verschillende planten, van allerlei edele soorten wij daaraan doen
ontspruiten? 7. Waarlijk, hierin is een teeken; maar het grootste
deel hunner zijn ongeloovigen. 8. Waarlijk, uw Heer is de machtige,
de barmhartige God. 9. Herdenk, toen uw Heer Mozes riep, zeggende:
Ga tot het onrechtvaardige volk: 10. Het volk van Pharao. Zullen zij
mij niet vreezen? 11. Mozes antwoordde: O Heer! waarlijk, ik vrees,
dat zij mij van logen zullen beschuldigen. 12. En dat mijne borst
vernauwd worde en dat mijn tong niet gereed zij tot spreken [1495];
wijs A‰ron dus aan om mijn helper te wezen. 13. Ook kunnen zij
mij eene misdaad tegenwerpen [1496], en ik vrees dat zij mij zullen
dooden. 14. God zeide: Zij zullen u volstrekt niet dooden: gaat dus met
uwe teekenen; want wij zullen met u zijn, en wij willen hooren wat er
tusschen u en hen geschiedt. 15. Gaat dus tot Pharao en zeg: Waarlijk,
wij zijn de gezant [1497] van den Heer van alle schepselen. 16. Zend
de kinderen IsraÎls met ons weg. 17. En toen zij hunne boodschap
hadden overgebracht, antwoordde Pharao: Hebben wij u niet onder ons
opgevoed, toen gij nog een kind waart, en hebt gij niet gedurende
verscheidene jaren van uw leven onder ons gewoond [1498]? 18. Gij
hebt de daad bedreven, welke gij bedreven hebt; en gij zijt een
ondankbare. 19. Mozes hernam: Inderdaad, ik deed het, en ik was een
van hen die dwaalden [1499]. 20. Daarom ontvluchtte ik u, dewijl ik u
vreesde; maar mijn Heer heeft mij wijsheid geschonken en mij tot een
zijner gezanten aangewezen. 21. En is de gunst, welke gij mij hebt
geschonken, dat gij de kinderen IsraÎls tot slaven maaktet? 22. Pharao
zeide: En wie is dan de Heer van alle schepselen? 23. Mozes antwoordde:
de Heer van alle hemel en aarde en van alles wat daartusschen is;
indien gij lieden van verstand zijt. 24. Pharao zeide tot degenen,
die in zijne nabijheid waren: Hoort gij niet? 25. Mozes zeide:
Uw Heer en de Heer uwer voorvaderen. 26. Pharao zeide tot hen die
tegenwoordig waren: Uw gezant, die tot u werd gezonden is zeker bezeten
[1500]. 27. Mozes zeide: de Heer van het Oosten en van het Westen
en van alles wat daartusschen is; indien gij lieden van verstand
zijt. 28. Pharao zeide tot hem: Waarlijk, indien gij een anderen
God naast mij kiest [1501], zal ik u gelijk doen wezen aan hen die
gevangen zijn [1502]. 29. Mozes antwoordde: Wat! niettegenstaande ik
met een overtuigend wonder tot u kom? 30. Pharao hernam: Toon het dan,
indien gij de waarheid spreekt. 31. En hij wierp zijn staf neder, en
ziet deze werd eene zichtbare slang. 32. En hij trok zijne hand uit
zijne borst en, ziet, zij was wit voor de toeschouwers, 33. Pharao
zeide tot de vorsten, die in zijne nabijheid waren: Waarlijk, deze
man is een behendige toovenaar. 34. Hij tracht u door zijne tooverij
het bezit van u land te ontrooven: wat denkt gij dus te doen? 35. Zij
antwoordden: Stel hem en zijn broeder door goede woorden voor eenigen
tijd uit, en zend mannen in de steden, die verzamelen. 36. En tot u
brengen alle behendige toovenaren. 37. Zoo werden de toovenaren op
een bepaalden tijd, op een plechtigen dag bijeenvergaderd. 38. En tot
het volk werd gezegd: Zijt gij bijeenvergaderd? 39. Ja, antwoordde
het volk onder zich, en wij zullen de toovenaren volgen, indien
zij de overwinning behalen. 40. Toen de toovenaars gekomen waren,
zeiden zij tot Pharao: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen,
indien wij de overwinning behalen? 41. Hij antwoordde: Ja, en gij
zult mijn persoon mogen naderen. 42. Mozes zeide tot hen: Werpt
neder wat gij neder te werpen hebt. 43. Daarop wierpen zij hunne
koorden en hunne staven neer, en zeiden: Waarlijk, door de macht
van Pharao zullen wij de overwinnaars zijn. 44. En Mozes wierp zijn
staf neder, en ziet, de staf verzwolg wat zij valschelijk hadden
uitgedacht. 45. Daarop wierpen zich de toovenaars biddend neder 46. En
zeiden: Wij gelooven in den Heer van alle schepselen. 47. De Heer van
Mozes en A‰ron. 48. Pharao zeide tot hen: Hebt gij in hem geloofd,
voor ik u verlof heb gegeven? Waarlijk hij is uw hoofd, die u de
tooverij heeft geleerd [1503]; maar later zult gij zeker mijne kracht
kennen. 49. Ik zal uwe handen en uwe voeten aan de tegenovergestelde
zijden afsnijden, en ik zal u allen doen kruisigen. 50. Zij antwoorden:
Dit zal geen nadeel voor ons zijn; want wij zullen tot onzen Heer
terugkeeren. 51. Wij hopen dat onze Heer ons onze zonden zal vergeven,
ons die de eersten waren welke geoorloofd hebben [1504]. 52. En
wij spraken door openbaring tot Mozes, zeggende: Trek voort met
mijne dienaren, des nachts; want gij zult vervolgd worden. 53. En
Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
54. Zeggende: Waarlijk de IsraÎlieten maken slechts eene kleine
hoop volk uit. 55. En zij zijn verwoed op ons. 56. Maar wij vormen
eene welvoorziene menigte. 57. Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne
fonteinen, 58. hunne schatten en heerlijke woningen verlaten. 59. Zoo
deden wij, en wij deden die den kinderen IsraÎls erven [1505]. 60. En
zij vervolgden hen bij het opgaan der zon. 61. En toen de beide legers
in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij
zullen zekerlijk worden overwonnen. 62. Mozes antwoordde: Volstrekt
niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden. 63. En
wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen
staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen
verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg. 64. En
wij lieten de anderen naderen. 65. En wij bevrijdden Mozes en allen
die met hem waren. 66. Daarna verdronken wij de anderen. 67. Waarlijk
daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden
niet. 68. Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige. 69. En
herinner hun de geschiedenis van Abraham. 70. Toen hij tot zijnen vader
en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij? 71. Zij antwoordden: Wij aanbidden
afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid. 72. Abraham
zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept? 73. Of bevoordeelen,
noch deren zij u? 74. Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze
vaderen hetzelfde deden. 75. Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij
aanbidt. 76. En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden. 77. Zijn
mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen. 78. Die
mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt. 79. En die
mij geeft te eten en te drinken; 80. En die mij geneest als ik ziek
ben; 81. En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal
terugbrengen. 82. En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des
oordeels zal vergeven. 83. O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij
met de rechtvaardigen. 84. En geef, dat nog de laatste nakomelingschap
met eer van mij spreke [1506]; 85. En maak mij tot een erfgenaam
van den tuin der heerlijkheid; 86. En vergeef mijn vader die tot de
afdwalenden heeft behoord [1507]. 87. En bedek mij niet met schande
op den dag der opstanding; 88. Op den dag, waarop noch rijkdommen,
noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn. 89. Behalve
voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen; 90. Als het
paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden. 91. En
de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;
92. En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden, 93. welke
gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij
zich zelven bevrijden? 94. En zij zullen in de hel geworpen worden;
zoowel zij [1508], als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden
verleid, 95. En het geheele heir van Eblis. 96. De verleiden zullen
daar met hunne valsche goden twisten, zeggende: 97. Bij God, wij
verkeerden in eene duidelijke dwaling. 98. Toen wij u met den Heer
van alle schepselen gelijk stelden. 99. De zondaren alleen hebben
ons verleid. 100. Thans hebben wij geene tusschentreders. 101. Noch
eenigen vriend die voor ons zorgt. 102. Indien het ons veroorloofd
ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij
zekerlijk ware geloovigen worden. 103. Waarlijk, hierin was een teeken;
maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet. 104. Uw Heer is de
machtige, de barmhartige. 105. Het volk van Noach beschuldigde Gods
zendingen van bedrog. 106. Toen hun broeder Noach tot hen zeide:
Wilt gij God niet vreezen? 107. Waarlijk, ik ben een geloofbare
boodschapper voor u. 108. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 109. Ik
vraag geene belooning van u voor mijne prediking tot u; ik verwacht
mijne belooning slechts van den Heer van alle schepselen. 110. Vreest
dus God en gehoorzaamt mij. 111. Zij antwoorden: Zullen wij u gelooven,
die alleen door de laagsten uit het volk gevolgd wordt? 112. Noach
zeide: Ik heb geene kennis van hetgeen zij deden [1509]. 113. Zij
zijn mijn Heer alleen rekenschap verschuldigd; begreept gij
dit slechts! 114. Daarom zal ik de geloovigen niet verdrijven
[1510]. 115. Ik ben slechts een openbaar prediker. 116. Zij hernamen:
Zekerlijk, o Noach! indien gij niet ophoudt op deze wijze te handelen
zult gij gesteenigd worden. 117. Hij zeide: O Heer! waarlijk, mijn volk
houdt mij voor een leugenaar. 118. Richt dus in het openbaar tusschen
mij en hen, en bevrijd mij en de ware geloovigen, die met mij zijn,
119. Daarom bevrijdden wij hem, en degenen, die met hem waren in
de ark, met menschen en dieren gevuld. 120. En daarom verdronken
wij de overigen. 121. Waarlijk, hierin was een teeken; maar het
grootste deel hunner geloofde niet. 122. Uw Heer is de machtige,
de barmhartige, 123. De stam van Ad beschuldigde Gods boodschapper
van logen. 124. Toen hun broeder Hud tot hen zeide: Wilt gij God
niet vreezen? 125. Waarlijk, ik ben een geloofbaar boodschapper
tot u. 126. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 127. [ik vraag van
u geenerlei belooning voor mijne prediking tot u; ik verwacht mijne
belooning slechts van den Heer van alle schepselen. 128. Bouwt gij
een scheidspaal op iedere hoog gelegen plaats, om u te vermaken
[1511]? 129. En richt gij prachtige werken op, in de hoop die eeuwig
te bezitten? 130. En als gij uwe macht uitoefent, oefent gij die met
onbarmhartigheid en gestrengheid uit [1512]. 131. Vreest God, door
deze dingen te verlaten en gelooft mij] [1513]. 132. En vreest hem,
die u datgene heeft geschonken, wat gij kent. 133. Hij heeft u vee
geschonken en kinderen; 134. En tuinen en fonteinen. 135. Waarlijk,
ik vrees voor u de straf van een gestrengen dag. 136. Zij antwoordden:
Het is ons gelijk, of gij ons al dan niet vermaant. 137. Wat gij
ons predikt is slechts een verzinsel der ouden. 138. Nimmer zullen
wij gestraft worden voor hetgeen wij hebben gedaan. 139. En zij
beschuldigden hem van bedrog, en daarom verdelgden wij hen. Waarlijk,
hierin was een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde
niet. 140. Uw Heer is de machtige, de barmhartige. 141. De stam van
Thamoed beschuldigde Gods gezanten eveneens van leugen. 142. Toen hun
broeder Saleh tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? 143. Waarlijk,
ik ben een geloovig boodschapper voor u. 144. Vreest dus God en
gehoorzaamt mij. 145. Ik vraag geene belooning van u, voor mijne
prediking tot u: ik verwacht mijne belooning van niemand anders
dan van den Heer van alle schepselen. 146. Zult gij altijd in het
zekere bezit blijven van de dingen die hier zijn, 147. Waaronder
tuinen en fonteinen. 148. En korenvelden en palmboomen, wier takken
met bloemen zijn beladen? 149. En wilt gij voortgaan, u woningen
uit de bergen te houwen, terwijl gij u onbeschaamd gedraagt
[1514]? 150. Vreest God en gehoorzaamt mij. 151. En gehoorzaamt
niet het bevel der zondaren. 152. Die snood op aarde handelen,
en die zich niet verbeteren. 153. Zij antwoordden: Waarlijk, gij
zijt bezeten. 154. Gij zijt slechts een mensch gelijk wij; toon
ons een teeken indien gij de waarheid spreekt. 155. Saleh zeide:
Deze wijfjes-kameel zal u een teeken zijn, zij zal haar deel water
hebben en gij zult beurtelings uw deel water hebben op een zekeren,
voor u bepaalden dag [1515]. 156. En deer haar niet, opdat u de straf
van een vreeselijken dag niet worde opgelegd. 157. Maar zij doodden
haar en berouwden hunne boosheid. 158. Want de straf, waarmede zij
bedreigd waren geworden, overviel hen. Waarlijk, hierin was een
teeken; maar het grootste deel van hen geloofde niet. 159. Uw Heer
is de machtige, de genadige. 160. Het volk van Lot beschuldigde
Gods boodschappers eveneens van bedrog. 161. Toen hun broeder Lot
tot hen zeide: Wilt gij God niet vreezen? 162. Waarlijk, ik ben een
geloofbaar boodschapper tot u. 163. Vreest dus God en gehoorzaamt
mij. 164. Ik vraag geene belooning van u, voor mijne prediking:
Ik verwacht mijne belooning van geen ander dan van den Heer van
alle schepselen. 165. Nadert gij de mannelijke wezens onder de
menschen. 166. en verlaat gij uwe vrouwen, die uw Heer voor u
heeft geschapen. Waarlijk, gij zijt zondaren. 167. Zij zeiden:
Indien gij zoo voortgaat, o Lot! zult gij zekerlijk uit onze stad
worden verdreven. 168. Hij zeide: Waarlijk, ik behoor tot hen,
die uwe daden verfoeien. 169. O Heer! bevrijd mij en mijn gezin
van hetgeen zij bedrijven. 170. Daarom bevrijdden wij hem en zijn
geheel gezin. 171. Behalve eene oude vrouw, zijnde zijne vrouw, die
omkwam met hen die achtergebleven waren. 172. Daarna verdelgden wij de
overigen. 173. En wij deden eene bui van steenen op hen nederregenen,
en vreeselijk was de regenbui die op degenen nederviel, welke te
vergeefs waren gewaarschuwd. 174. Waarlijk, hierin was een teeken; maar
het grootste deel hunner geloofde niet. 175. Uw Heer is de machtige,
de genadige. 176. Ook de bewoners van het woud [1516] beschuldigden
Gods gezanten van bedrog. 177. Toen Shoaib tot hen zeide: Wilt gij
God niet vreezen? 178. Waarlijk ik ben een geloovig boodschapper
voor u. 179. Vreest dus God en gehoorzaamt mij. 180. Ik vraag geene
belooning van u, voor mijne prediking; ik verwacht mijne belooning
van niemand anders dan van den Heer van alle schepselen. 181. Geeft
juist gewicht en weest geene bedriegers. 182. En weegt met een gelijke
weegschaal. 183. En vermindert niet wat den menschen toekomt; bedrijft
geen geweld op aarde; en handelt niet slecht. 184. En vreest hem die
u en de vroegere geslachten heeft geschapen. 185. Zij antwoordden:
Waarlijk gij zijt bezeten. 186. Gij zijt niets meer dan een mensch
gelijk wij en waarlijk, wij houden u voor een leugenaar. 187. Doe
thans een deel van den hemel op ons nedervallen, indien gij de
Waarheid spreekt. 188. Shoaib zeide. Mijn Heer weet het beste wat
gij doet. 189. En zij beschuldigden hen van bedrog; daarom overviel
hen de straf van den dag der schaduwgevende wolk [1517], en dit
was de straf van den vreeselijken dag. 190. Waarlijk, hierin was
een teeken; maar het grootste deel hunner geloofde niet. 191. Uw
Heer is de machtige, de barmhartige. 192. Dit boek is zekerlijk eene
openbaring van den Heer van alle schepselen. 193. Welke de getrouwe
geest [1518] op uw hart heeft doen nederdalen. 194. Opdat gij een
prediker voor uw volk zoudt zijn, 195. In de duidelijke Arabische
taal. 196. Waarvan de getuigenis door de schriften van vroegere tijden
wordt geleverd. 197. Was het geen teeken voor hen, dat de wijze mannen
onder de kinderen IsraÎls die kenden? 198. Hadden wij het aan een der
vreemdelingen geopenbaard. 199. En hij zou het hun hebben voorgelezen,
dan zouden zij daaraan niet hebben willen gelooven. 200. Zoo deden wij
hardnekkig ongeloof in de harten der zondaren binnentreden. 201. Zij
zullen daarin niet gelooven, dan nadat zij eene pijnlijke straf hebben
gezien. 202. Deze zal plotseling over hen komen, en zij zullen deze
niet voorzien. 203. En zij zullen zeggen: zal ons uitstel worden
verleend? 204. Verlangen zij dus dat onze straf zal worden verhaast
[1519]? 205. Wat denkt gij? Indien wij hun toestaan het voordeel van
dit leven voor vele jaren te genieten. 206. En datgene, waarmede
zij bedreigd werden, later over hen komt. 207. Wat zal het hen van
voordeel zijn, wat zij hebben genoten? 208. Wij hebben geene stad
verwoest, dan nadat er vooraf gezanten waren heengezonden. 209. Ten
einde de bewoners daarvan te waarschuwen, ook behandelden wij hen
niet onrechtvaardig. 210. De duivelen daalden niet neder met den
Koran, zooals de ongeloovigen voorgeven; 211. Dat komt niet overeen
met hun doel; ook zijn zij niet in staat zulk een boek voort te
brengen. 212. Want zij zijn er ver van verwijderd, het gesprek der
engelen in den hemel te hooren [1520]. 213. Roep geen anderen god
met den waren God aan, opdat gij niet tot een van hen wordet, die
ter straffe zijn gedoemd. 214. En vermaan uwe naaste betrekkingen
[1521]. 215. En gedraag u met zachtmoedigheid omtrent de ware
geloovigen die u volgen. 216. En indien zij ongehoorzaam omtrent u
zijn, zeg dan: Waarlijk ik ben zuiver van hetgeen gij doet. 217. En
vertrouw in den machtigsten, den barmhartigsten God. 218. Die u ziet
als gij opstaat, 219. En uw gedrag onder hen die aanbidden [1522];
220. Want hij ziet en hoort alles. 221. Zal ik u verklaren op wie de
duivelen nederdalen? 222. Zij dalen neder op iederen leugenachtigen
en zondigen persoon [1523]. 223. Zij leeren wat gehoord is geworden
[1524], maar het grootste deel hunner zijn leugenaars. 224. En zij die
dwalen, volgen de stappen der dichters. 225. Ziet gij niet dat zij, als
van hunne zinnen beroofd, door iedere vallei wandelen [1525]? 226. En
dat zij zeggen, wat zij niet doen [1526]? 227. Behalve zij die gelooven
en goede werken doen en God dikwijls herdenken [1527]. 228. En die zich
zelven verdedigen, nadat zij onrechtvaardig zijn behandeld geworden;
terwijl zij die onrechtvaardig handelen, hierna zullen weten, welke
handeling zij te wachten hebben.
ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE MIER. [1528]
Gegeven te Mekka--95 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.