1. Deze Soera hebben wij van den hemel nedergezonden en hebben die

verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekens geopenbaard,

opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn. 2. Den overspeler en de overspelige

zult gij elk honderd zweepslagen geven [1416]. En laat geen medelijden

nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren [1417], indien

gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware

geloovigen getuigen hunner straf zijn [1418]. 3. De overspeler zal geen

andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene

ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een

overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren

geloovigen verboden [1419]. 4. Zij die eerbare vrouwen van overspel

beschuldigen [1420], en geene vier getuigen tot staving van het feit

kunnen aanwijzen [1421] zullen met vier en tachtig zweepslagen worden

gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij

zijn ellendige misleiders. 5. Behalve zij, die naderhand berouw zullen

toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig

wezen. 6. Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen

en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen,

zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken. 7. En

bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij

een leugenaar is. 8. En de vrouw zal niet gestraft worden, indien

zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is. 9. En de

vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen

de man verklaard heeft, waar zij [1422]. 10. Indien het niet ware

dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind

en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen. 11. Wat degenen

onder u betreft, die de leugen omtrent AÔsha [1423] hebben openbaar

gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is

beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de

onrechtvaardigheid waaraan hij schuldig zal zijn [1424], en degeen

hunner die getracht heeft haar te verzwaren [1425], zal eene gestrenge

straf ondergaan. 12. Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de

geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben

zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen? 13. Hebben zij vier

getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet

hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van

God. 14. Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne

genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene

gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt

verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen

mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet,

terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was. 15. Zeidet gij,

toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God

beware! Dit is eene groote lastering. 16. God heeft u gewaarschuwd,

opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren,

indien gij ware geloovige zijt. 17. En God verklaart u zijne teekenen;

want God is alwetend en wijs. 18. Waarlijk, zij die er genoegen in

scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden,

zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 19. Zoowel in deze wereld als

in de volgende. God weet, maar gij weet niets. 20. Indien God niet

lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan

zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld. 21. O ware geloovigen! volgt de

stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt,

aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet

geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u

ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd

geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet

alles. 22. Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart

bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets

zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak

des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever

vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren

dat God u vergaf [1426]? En God is genadig en barmhartig. 23. Zij

die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op

eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen

gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene

gestrenge straf ondergaan [1427]. 24. Eens zullen hunne eigen tongen

getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens

hetgeen zij hebben bedreven. 25. Op dien dag zal God hun hunne juiste

schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid

is. 26. De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige

mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame

vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame

mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de

lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid;

zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen. 27. O ware

geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen,

dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit

is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen. 28. En indien

gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet

binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt:

Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn

[1428], en God is bekend met hetgeen gij doet. 29. Gij zult geene

misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt [1429]. Daar

moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en

wat gij verbergt. 30. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne

oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit

zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat

zij doen. 31. En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen

nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet

ontdekken [1430], behalve wat daarvan noodzakelijk zichtbaar wordt

[1431], en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen [1432]

en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten

[1433] of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare

zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen

harer broeders, of de zonen harer zusters [1434] of hunne vrouwen

[1435] of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten [1436],

of hare mannelijke dienstboden, die geene vrouwen noodig hebben

[1437] of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen

onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat

daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden [1438]. En

weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig

moogt zijn. 32. Huwt de onverbondenen onder u [1439], en verbindt,

die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden

zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken;

want God is goed en wijs. 33. En laat degenen, die door hunne armoede

geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God

hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven [1440] u

zijne vrijheid bij geschrifte [1441] vraagt, geef hem die dan, indien

gij hem die waardig oordeelt [1442], en geef van Gods rijkdommen welke

u zijn geschonken [1443]. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden,

indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de

voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij

daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig

omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang [1444]. 34. Thans hebben

wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk

aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen

[1445], en eene vermaning voor de godvruchtigen. 35. God is het licht

van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp

bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont

als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een

gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van

het Westen is [1446]. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht

te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is

een licht met een licht [1447]. God zal door dit licht leiden wie

hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God

kent alle dingen. 36. In de huizen waarvan God de oprichting heeft

veroorloofd [1448], opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht,

verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds. 37. Die

noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van

God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen

worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der

menschen zullen worden verward; 38. Opdat God hen zou mogen beloonen,

overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht,

en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen;

want God beschenkt zonder maat wie hem behaagt. 39. Maar wat de

ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene

vlakte [1449] die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat

hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God

met zich [1450], die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is

snel in het opmaken der rekening; 40. Of als de duisternis, verspreid

over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen,

waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis;

de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den

mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden? 41. Hebt gij

niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op

de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen

uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet

wat zij doen. 42. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde,

en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren. 43. Ziet gij

niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna

ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou

zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen,

waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij

wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te

benemen. 44. God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin

is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft

ieder dier van water geschapen [1451]; het eene kruipt op den buik,

terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten

gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig. 45. Nu

hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem

behaagt op den rechten weg. 46. De huichelaars zeggen: Wij gelooven

in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een

deel hunner af en zijn geene ware geloovigen. 47. En als zij voor God

en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen

richten, dan verwijdert zich een deel hunner. 48. Maar indien het

recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem

hebben onderworpen. 49. Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen

zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent

hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen [1452]. 50. De woorden der

ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen,

om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen;

en zij zijn het die voorspoed zullen genieten. 51. Zij die God en

zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens

hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten. 52. Zij

zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun

beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg:

Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met

hetgeen gij doet. 53. Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant,

maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen;

men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de

uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden;

maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking. 54. God

beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten,

dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij

hen die vÛÛr u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen

[1453], en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft

hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen

zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar

zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen. 55. Neemt

het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat

gij genade moogt verwerven. 56. Denk niet dat de ongeloovige Gods

voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal

het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn! 57. O ware

geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom

der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij

drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen [1454]; namelijk

vÛÛr het ochtendgebed [1455], als gij des middags uwe kleederen aflegt

[1456] en na het avondgebed [1457]. Dit zijn drie tijdstippen voor u,

waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen,

noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot

u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo

verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs. 58. En

als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan

ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen,

op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen

bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend

en wijs. 59. Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren

en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen,

zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen

afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen [1458]; maar

indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God

hoort en ziet alles. 60. Het zal geene misdaad voor den blinde, noch

zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor

den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet [1459],

of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de

huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van

uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van

vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw

bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u

in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijk eet [1460]. 61. En als

gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig [1461], u in Gods

naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart

God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan. 62. Waarlijk,

zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en

die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd [1462], zich niet

verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk,

zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant

gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve

van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen,

voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor

hen van God [1463]; want God is barmhartig en genadig. 63. Laat het

noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder

elkander noemdet [1464]. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk

uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar

laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene

ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het

volgende leven worde opgelegd. 64. Behoort niet alles wat in den hemel

en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt,

en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij

zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

AL FORKAN [1465].

Geopenbaard te Mekka.--77 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 31 / 89 段