verplichtend gemaakt, en wij hebben duidelijke teekens geopenbaard,
opdat gij gewaarschuwd zoudt zijn. 2. Den overspeler en de overspelige
zult gij elk honderd zweepslagen geven [1416]. En laat geen medelijden
nopens hen u terughouden, Gods oordeel te volvoeren [1417], indien
gij in God en den laatsten dag gelooft; en laat sommigen der ware
geloovigen getuigen hunner straf zijn [1418]. 3. De overspeler zal geen
andere huwen dan eene ontuchtige vrouw of eene afgodendienares. En eene
ontuchtige zal geen man kunnen kiezen om daarmede te huwen, behalve een
overspeler of een afgodendienaar. Dergelijke huwelijken zijn den waren
geloovigen verboden [1419]. 4. Zij die eerbare vrouwen van overspel
beschuldigen [1420], en geene vier getuigen tot staving van het feit
kunnen aanwijzen [1421] zullen met vier en tachtig zweepslagen worden
gestraft. Neem daarenboven hunne getuigenis nimmermeer aan; want zij
zijn ellendige misleiders. 5. Behalve zij, die naderhand berouw zullen
toonen en boete doen; want voor hen zal God barmhartig en genadig
wezen. 6. Zij die hunne vrouwen van overspel mochten beschuldigen
en daarvoor geene getuigen, buiten hunnen persoon, kunnen aanwijzen,
zullen viermalen bij God zweren, dat zij de waarheid spreken. 7. En
bij de vijfde maal zal hij Gods vloek over zich inroepen, indien hij
een leugenaar is. 8. En de vrouw zal niet gestraft worden, indien
zij vier malen bij God zweert, dat hij een leugenaar is. 9. En de
vijfde maal door Gods toorn over zich in te roepen, indien, hetgeen
de man verklaard heeft, waar zij [1422]. 10. Indien het niet ware
dat God inschikkelijk, en genadig omtrent u is, en vergevingsgezind
en wijs, zou hij onmiddellijk uwe misdaden straffen. 11. Wat degenen
onder u betreft, die de leugen omtrent AÔsha [1423] hebben openbaar
gemaakt, denk niet dat dit een kwaad voor u is; integendeel, het is
beter voor u. Ieder hunner zal gestraft worden, overeenkomstig de
onrechtvaardigheid waaraan hij schuldig zal zijn [1424], en degeen
hunner die getracht heeft haar te verzwaren [1425], zal eene gestrenge
straf ondergaan. 12. Toen gij de beschuldiging hoordet, hebben de
geloovigen van beiderlei kunne niet innerlijk goed gedacht? Hebben
zij niet gezegd: Het is eene duidelijke logen? 13. Hebben zij vier
getuigen daarvoor aangewezen? Dus, aangezien zij de getuigen niet
hebben aangewezen, zijn zij zekerlijk logenaars voor de oogen van
God. 14. Ware het niet door Gods lankmoedigheid omtrent u, en zijne
genade in deze wereld en in de volgende, waarlijk, dan zou u eene
gestrenge straf opgelegd zijn geworden voor de lastering welke gij hebt
verspreid, toen gij datgene met uwe tongen openbaardet en met uwen
mond spraakt, waarvan gij geene kennis hebt, en het licht achttet,
terwijl het eene belangrijke zaak in Gods oogen was. 15. Zeidet gij,
toen gij het hoordet: Het voegt ons niet daarover te spreken. God
beware! Dit is eene groote lastering. 16. God heeft u gewaarschuwd,
opdat gij voortaan niet tot dezelfde misdaad moogt terugkeeren,
indien gij ware geloovige zijt. 17. En God verklaart u zijne teekenen;
want God is alwetend en wijs. 18. Waarlijk, zij die er genoegen in
scheppen, lasteringen omtrent de ware geloovigen te verspreiden,
zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 19. Zoowel in deze wereld als
in de volgende. God weet, maar gij weet niets. 20. Indien God niet
lankmoedig en genadig omtrent u ware en zich barmhartig betoonde, dan
zoudt gij zijne wraak hebben gevoeld. 21. O ware geloovigen! volgt de
stappen van den duivel niet; want wie de stappen des duivels volgt,
aan dien zal hij menigvuldige misdaden bevelen, en datgene wat niet
geoorloofd is. Indien God niet zoo lankmoedig en genadig omtrent u
ware, dan zouden er niet zoovelen uwer van hunne schuld zijn gezuiverd
geworden; maar God zuivert wie hem behaagt; want God hoort en ziet
alles. 22. Laat degenen van ulieden, die overvloed van welvaart
bezitten en de machtigen niet zweren, dat zij hunne verwanten niets
zullen geven, en aan de armen en aan hen die hunne woning voor de zaak
des Heeren waren godsdienst hebben verlaten, maar laten zij liever
vergeven en welwillend omtrent hen handelen. Zoudt gij niet begeeren
dat God u vergaf [1426]? En God is genadig en barmhartig. 23. Zij
die valschelijk eerbare vrouwen beschuldigen, welke zich slechts op
eenigszins achtelooze wijze gedragen en ware geloovigen zijn, zullen
gevloekt worden in deze wereld en in de volgende, en zij zullen eene
gestrenge straf ondergaan [1427]. 24. Eens zullen hunne eigen tongen
getuigenis tegen hen afleggen, en hunne handen en hunne voeten, nopens
hetgeen zij hebben bedreven. 25. Op dien dag zal God hun hunne juiste
schuld betalen, en zij zullen weten, dat God de blijkbare waarheid
is. 26. De zondige vrouwen zullen aan de zondige mannen en de zondige
mannen aan de zondige vrouwen worden verbonden, maar de deugdzame
vrouwen zullen met de deugdzame mannen worden gehuwd, en de deugdzame
mannen met de deugdzame vrouwen. Deze zullen gereinigd worden van de
lasteringen, welke lasteraars omtrent haar zullen hebben verspreid;
zij zullen vergiffenis en heerlijke gaven ontvangen. 27. O ware
geloovigen! treedt geene huizen binnen, behalve uwe eigene huizen,
dan nadat gij verlof gevraagd en het gezin daarvan gegroet hebt; dit
is beter voor u menschen; gij zult dit in acht nemen. 28. En indien
gij geene menschen in die huizen mocht vinden, treedt er dan niet
binnen, tenzij u verlof worde verleend; en als tot u gezegd wordt:
Keert terug, dan keert gij terug. Dit zal voegzamer voor u zijn
[1428], en God is bekend met hetgeen gij doet. 29. Gij zult geene
misdaad doen, wanneer gij onbewoonde huizen binnentreedt [1429]. Daar
moogt gij het u gemakkelijk maken. God weet wat gij openbaart en
wat gij verbergt. 30. Zeg tot de ware geloovigen, dat zij hunne
oogen beheerschen en zich van onzedelijke handelingen onthouden, dit
zal reiner voor hen wezen; want God is wel bekend met datgene wat
zij doen. 31. En zeg tot de geloovige vrouwen, dat zij hare oogen
nederslaan, en hare zedigheid bewaren, en hare versierselen niet
ontdekken [1430], behalve wat daarvan noodzakelijk zichtbaar wordt
[1431], en laat haar heure sluiers over haren boezem werpen [1432]
en hare versierselen niet vertoonen, tenzij aan hare echtgenooten
[1433] of hare vaders, of de vaders harer echtgenooten, of hare
zoons of de zoons harer echtgenooten, of hare broeders, of de zonen
harer broeders, of de zonen harer zusters [1434] of hunne vrouwen
[1435] of de slaven welke hare rechterhand zal bezitten [1436],
of hare mannelijke dienstboden, die geene vrouwen noodig hebben
[1437] of aan de kinderen, die de naaktheid der vrouw nog niet kunnen
onderscheiden. En laten zij geene beweging met haren voet maken, dat
daardoor de versierselen welke zij verbergen, ontdekt worden [1438]. En
weest allen tot God gewend, o ware geloovigen! opdat hij gelukkig
moogt zijn. 32. Huwt de onverbondenen onder u [1439], en verbindt,
die het rechtschapenste onder uwe mannelijke en vrouwelijke dienstboden
zijn. Indien zij arm zijn, zal God hen van zijnen overvloed verrijken;
want God is goed en wijs. 33. En laat degenen, die door hunne armoede
geene partij kunnen vinden, zich voor ontucht behoeden; dan zal God
hen van zijnen overvloed verrijken. Indien een uwer slaven [1440] u
zijne vrijheid bij geschrifte [1441] vraagt, geef hem die dan, indien
gij hem die waardig oordeelt [1442], en geef van Gods rijkdommen welke
u zijn geschonken [1443]. En dwingt niet uwe vrouwelijke dienstboden,
indien zij kuisch willen leven, zich te laten onteeren, ten einde u de
voorbijgaande genoegens dezer wereld te verschaffen; maar indien zij
daartoe worden gedwongen, waarlijk, dan zal God genadig en barmhartig
omtrent die vrouwen zijn wegens den dwang [1444]. 34. Thans hebben
wij u duidelijke teekenen geopenbaard, en eene geschiedenis, gelijk
aan sommige der geschiedenissen van diegenen welke u voorafgingen
[1445], en eene vermaning voor de godvruchtigen. 35. God is het licht
van hemel en aarde. Dat licht is als eene nis, waarin zich eene lamp
bevindt; eene lamp in een glas besloten; een glas dat zich vertoont
als ware het eene lichtende ster. Het is verlicht met de olie van een
gezegenden boom, van een olijfboom, die noch van het Oosten noch van
het Westen is [1446]. Er is slechts weinig toe noodig om die olie licht
te doen geven, zelfs als zij door geen vuur wordt aangemaakt. Dit is
een licht met een licht [1447]. God zal door dit licht leiden wie
hem behaagt. God stelt den menschen vergelijkingen voor; want God
kent alle dingen. 36. In de huizen waarvan God de oprichting heeft
veroorloofd [1448], opdat daarin zijn naam zou mogen worden herdacht,
verkondigen de menschen zijn lof des ochtends en des avonds. 37. Die
noch door handel noch door verbintenissen van het herdenken van
God en van het in acht nemen des gebeds en het geven van aalmoezen
worden afgetrokken, den dag vreezende, waarop de harten en oogen der
menschen zullen worden verward; 38. Opdat God hen zou mogen beloonen,
overeenkomstig de grootste verdienste van hetgeen zij hebben verricht,
en hun van zijnen overvloed eene uitmuntende belooning toekennen;
want God beschenkt zonder maat wie hem behaagt. 39. Maar wat de
ongeloovigen betreft, hunne werken zijn gelijk aan den damp in eene
vlakte [1449] die door den dorstige voor water wordt gehouden, totdat
hij bij zijne nadering vindt, dat het niets is, maar hij vindt God
met zich [1450], die hem zijne rekening ruim betalen zal, en God is
snel in het opmaken der rekening; 40. Of als de duisternis, verspreid
over eene diepe zee, met golven bedekt die over andere golven rollen,
waarboven wolken liggen, en daarboven duisternis boven duisternis;
de mensch strekt zijne hand uit en ziet het niet. Indien God den
mensch geen licht geeft, waar zal hij het dan vinden? 41. Hebt gij
niet overwogen, dat alle schepselen, zoowel in den hemel als op
de aarde Gods lof verkondigen; ook de vogels die hunne vleugelen
uitspreiden? Ieder kent zijn gebed en zijnen lofzang, en God weet
wat zij doen. 42. Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde,
en tot God zal alles op den laatsten dag terugkeeren. 43. Ziet gij
niet dat God de wolken spelend voortdrijft, die verzamelt en daarna
ophoopt? Gij ziet ook den regen die uit haar midden valt: men zou
zeggen dat hij groote bergen van hagel uit den hemel doet nederdalen,
waarmede hij bereikt wien hij wil en welke hij afwendt van wien hij
wil. De glans zijns bliksems behoeft slechts weinig om het gezicht te
benemen. 44. God doet den nacht op den dag volgen; waarlijk, hierin
is eene onderrichting voor hen die verstand bezitten. En God heeft
ieder dier van water geschapen [1451]; het eene kruipt op den buik,
terwijl een ander op twee voeten en een ander weder op vier voeten
gaat. God schept naar zijn welbehagen; want God is almachtig. 45. Nu
hebben wij duidelijke teekens nedergezonden, en God leidt wie hem
behaagt op den rechten weg. 46. De huichelaars zeggen: Wij gelooven
in God en zijn gezant en wij gehoorzamen; maar daarna wendt zich een
deel hunner af en zijn geene ware geloovigen. 47. En als zij voor God
en zijn gezant worden opgeroepen opdat hij tusschen hen zou mogen
richten, dan verwijdert zich een deel hunner. 48. Maar indien het
recht aan hunne zijde ware, zouden zij gekomen zijn en zich aan hem
hebben onderworpen. 49. Zetelt er eene ziekte in hun hart? twijfelen
zij? of vreezen zij dat God en zijn gezant onrechtvaardig omtrent
hen zullen handelen? Maar zij zijn boozen [1452]. 50. De woorden der
ware geloovigen, als zij voor God en zijn gezant worden opgeroepen,
om gericht te worden, zijn slechts: Wij hebben gehoord en gehoorzamen;
en zij zijn het die voorspoed zullen genieten. 51. Zij die God en
zijn gezant zullen gehoorzamen en God vreezen, en ootmoedig nopens
hem zullen zijn, zullen eene groote gelukzaligheid genieten. 52. Zij
zweren bij God met den meest plechtigen eed, dat, indien gij het hun
beveelt, zij hunne huizen en hunne bezittingen zullen verlaten. Zeg:
Zweert niet! gehoorzaamheid is meer waard en God is wel bekend met
hetgeen gij doet. 53. Zeg: gehoorzaamt God en gehoorzaamt den gezant,
maar indien gij u afwendt, zal men hem er geene rekenschap van vragen;
men verwacht van hem slechts zijne werken, even als men van u de
uwe verwacht. En indien gij hem gehoorzaamt, zult gij geleid worden;
maar de plicht van onzen gezant is slechts openbare prediking. 54. God
beloofde aan diegenen uwer, welke gelooven en goede werken verrichten,
dat hij hen den ongeloovigen op de aarde zou doen opvolgen, zooals hij
hen die vÛÛr u waren, den ongeloovigen van hunnen tijd liet opvolgen
[1453], en dat hij voor hen den godsdienst, welke het hem behaagd heeft
hun te geven, vaststellen, en hunne vrees in gerustheid veranderen
zal. Zij zullen mij aanbidden en geen ander met mij verbinden. Maar
zij die hierna nog ongeloovig zullen wezen, zijn boozen. 55. Neemt
het gebed in acht, geeft aalmoezen en gehoorzaamt den gezant, opdat
gij genade moogt verwerven. 56. Denk niet dat de ongeloovige Gods
voornemens op aarde ijdel zullen maken; en hun verblijf hierna zal
het hellevuur wezen; eene ellendige woning zal dat zijn! 57. O ware
geloovigen! laat uwe slaven en diegenen onder u, welke den ouderdom
der rijpheid nog niet hebben bereikt, verlof vragen, alvorens zij
drie malen des daags in uwe tegenwoordigheid komen [1454]; namelijk
vÛÛr het ochtendgebed [1455], als gij des middags uwe kleederen aflegt
[1456] en na het avondgebed [1457]. Dit zijn drie tijdstippen voor u,
waarop gij alleen moet wezen; er zal voor u geene misdaad in liggen,
noch voor hen, indien zij op andere tijdstippen zonder verlof tot
u ingaan, daar gij in voortdurende aanraking met elkander zijt. Zoo
verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend en wijs. 58. En
als uwe kinderen den ouderdom van rijpheid bereiken, laat hen dan
ten allen tijde verlof vragen om in uwe tegenwoordigheid te komen,
op dezelfde wijze als zij verlof vroegen, die dien ouderdom voor hen
bereikten. Zoo verklaart God u zijne teekenen; want God is alwetend
en wijs. 59. Wat zulke vrouwen betreft, die geene kinderen meer baren
en die, om haren vergevorderden leeftijd, niet meer hopen te huwen,
zal er geene misdaad voor haar in zijn, dat zij hare opperkleederen
afleggen, zonder echter hare versierselen te toonen [1458]; maar
indien zij zich hiervan onthouden, zal het beter voor haar zijn. God
hoort en ziet alles. 60. Het zal geene misdaad voor den blinde, noch
zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor
den zieke of voor u zelven wezen, dat gij in uwe huizen eet [1459],
of in de huizen uwer vaders, of in de huizen uwer moeders, of in de
huizen uwer broeders, of in de huizen uwer zusters, of in de huizen van
uwe ooms van vaders of moeders zijde, of in de huizen uwer tantes van
vaders of moeders zijde, of in de huizen waarvan gij de sleutels in uw
bezit hebt, of in het huis van uwen vriend. Er zal geene misdaad voor u
in liggen, hetzij gij te zamen of afzonderlijk eet [1460]. 61. En als
gij de huizen binnentreedt, groet u dan wederkeerig [1461], u in Gods
naam eene goede en gelukkige gezondheid toewenschende. Zoo verklaart
God u zijne teekenen, opdat gij die zoudt mogen verstaan. 62. Waarlijk,
zij alleen zijn ware geloovigen, die in God en zijn gezant gelooven, en
die, wanneer zij met hem om eene zaak zijn vergaderd [1462], zich niet
verwijderen, dan nadat zij verlof van hem hebben verkregen. Waarlijk,
zij die verlof van u vragen, zijn zij die in God en zijn gezant
gelooven. Als zij u dus verlof vragen om te vertrekken, ten behoeve
van eene hen betreffende zaak, geef dan verlof aan dengene van hen,
voor welken gij het geschikt zult oordeelen, en vraag vergiffenis voor
hen van God [1463]; want God is barmhartig en genadig. 63. Laat het
noemen van den gezant niet bij u geacht geworden, alsof gij u onder
elkander noemdet [1464]. God kent diegenen uwer, welke zich heimelijk
uit de vergadering verwijderen, en zich achter elkander verbergen. Maar
laat hen, die zijn bevel niet gehoorzamen zorg dragen, dat hun geene
ramp in deze wereld overvalle, of hun niet eene gestrenge straf in het
volgende leven worde opgelegd. 64. Behoort niet alles wat in den hemel
en op aarde is, aan God? Hij weet wel in welken staat gij u bevindt,
en op een zekeren dag zullen zij voor hem worden verzameld, en hij
zal hun verklaren wat zij hebben bedreven; want God kent alle dingen.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
AL FORKAN [1465].
Geopenbaard te Mekka.--77 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.