[1351] zal een vreeselijke zaak wezen. 2. Op den dag, waarop gij het
zult zien, zal iedere vrouw die zog [1352] geeft, het kind vergeten dat
zoogt, en iedere zwangere vrouw zal haren last wegwerpen, en gij zult
de mannen schijnbaar dronken zien, maar zij zullen niet wezenlijk
beschonken wezen; doch de straf van God zal streng zijn. 3. Er
is een man die, zonder kennis [1353], twist nopens God, en iederen
oproerigen duivel volgt. 4. Omtrent hem is geschreven, dat al wie hem
tot beschermer zal kiezen, zekerlijk door hem verleid en door hem in
de marteling der hel gevoerd zal worden. 5. O menschen! indien gij
in twijfel verkeert nopens de opstanding, neemt dan in overweging,
dat wij u het eerst schiepen uit stof der aarde, daarna van zaad,
daarna van een weinig gestold bloed [1354], daarna van een stuk
vleesch, voor een gedeelte volkomen en voor een gedeelte onvolkomen
gevormd, ten einde onze macht duidelijk voor u te maken; en wij deden
wat wij verkozen in den schoot blijven, tot den bepaalden tijd der
verlossing. Daarna brachten wij u, als kinderen voort; vervolgens
veroorloofden wij u, uwen ouderdom van volle kracht te bereiken;
de een uwer sterft in zijne jeugd en een ander uwer is uitgesteld
tot een hoogen ouderdom, zoo dat hij alles vergeet wat hij wist. Gij
zaagt de aarde somtijds opgedroogd en onvruchtbaar; maar indien wij den
regen daarop nederzenden, wordt zij in beweging gebracht en zwelt op,
en brengt alle soorten van weelderige planten voort. 6. Dit toont,
dat God de waardheid is; dat hij de dooden ten leven opwekt en dat
hij almachtig is. 7. Dat het uur des oordeels zekerlijk zal komen,
daaraan is geen twijfel en dat God hen zal opwekken die zich in de
graven bevinden. 8. Er is een man die nopens God twist, zonder een
boek dat hem verlicht [1355]. 9. Hij wendt zich trotsch af, ten einde
de menschen van Gods weg af te leiden. Schande zal hem in deze wereld
wachten; en op den dag der opstanding zullen wij hem de marteling
der verbranding doen ondergaan. 10. Dan zal tot hem gezegd worden:
Dit ondergaat hij om hetgeen uwe handen vroeger bedreven; want God is
niet onrechtvaardig nopens den mensch. 11. Er zijn sommige menschen die
God op eene wankelende wijze dienen, staande als bij de grens [1356]
van den waren godsdienst. Indien aan een van hen goed wedervaart,
is hij voldaan, maar indien hem eenige beproeving overkomt, wendt
hij zich af, met verlies in deze en in de volgende wereld. Dit is
een duidelijk verderf. 12. Hij zal dus naast God aanroepen, wat
hem deren noch bevoordeelen kan. Dit is eene dwaling die van de
waarheid verwijdert. 13. Hij zal dengeen aanroepen, die hem veeleer
verderfelijk dan voordeelig is. Dit is zeker een ellendige beschermer,
en een ellendige makker. 14. Maar God zal hen die gelooven en goede
werken verrichten, in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen; want
God doet wat hem behaagt. 15. Laat hij, die denkt dat God zijn gezant
in deze wereld en in het toekomstige leven geene hulp zal verleenen,
een touw aan den hemel bevestigen en laat hem daarna een eind aan
zijn leven maken, en hij zal zien, of zijne kunstgrepen datgene de
uitwerking kunnen benemen, welke hem toornig maakt [1357]. 16. Zoo
zonden wij den Koran neder, zijnde duidelijke teekens; want God leidt
wie hem behaagt. 17. Wat de ware geloovigen betreft, en de Joden,
de SabbeÔsten, de Christenen, de MagiÎrs en de afgodendienaars,
waarlijk God zal op den dag der opstanding tusschen hen richten;
want God is getuige van alle dingen. 18. Bemerkt gij niet dat alle
schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde God aanbidden [1358];
de zon, de maan, de sterren, de bergen, de boomen, de dieren en
een groot gedeelte der menschen? Maar velen hebben eene kastijding
verdiend. 19. En hij dien God verachtelijk zal hebben gemaakt, zal
door niemand vereerd worden; want God doet wat hem behaagt. 20. Er
zijn twee tegenovergestelde partijen, die nopens hunnen Heer
twisten [1359]. En zij die niet gelooven, zullen met kleederen van
vuur omhangen worden, en kokend water zal op hunne hoofden gegoten
worden. 21. Hunne ingewanden en hunne huiden zullen daardoor verteerd,
en zij zullen met ijzeren staven geslagen worden. 22. Zoo dikwijls zij,
door de smart hunner martelingen, zullen trachten de hel te verlaten,
zullen zij daar weder worden teruggebracht en hunne pijnigers zullen
tot hen zeggen: Ondergaat de pijn der verbranding. 23. God zal hen die
gelooven en rechtvaardig handelen, in tuinen voeren, waarin rivieren
stroomen; zij zullen daar versierd worden met gouden armbanden en
paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen. 24. Zij worden
tot goede woorden [1360] en op een heerlijken weg geleid. 25. Maar
zij die ongeloovig zullen wezen, den weg van God versperren en de
menschen verhinderen, den heiligen tempel van Mekka te bezoeken,
welke wij hebben aangewezen tot eene plaats van aanbidding voor
alle menschen; want zoowel de inwoners als de vreemdelingen hebben
een gelijk recht dien te bezoeken. 26. En wie trachten zal dien op
goddelooze wijze te ontheiligen, hen zullen wij een gestrenge straf
doen lijden. 27. Herinner u, dat wij de plek van het gebouw van den
Caaba tot een verblijf aan Abraham gaven [1361], zeggende: Vereenig
niets met mij, en houdt mijn huis rein voor hen die het bezoeken,
en die opstaan en nederbuigen om te aanbidden. 28. En verkondig het
volk een plechtigen pelgrimstocht [1362]. Laten zij te voet of op snel
loopende kameelen uit verwijderde streken tot u komen. 29. Opdat zij
getuigen mogen zijn van de voordeelen die voor hen voortspruiten uit
het bezoeken van deze heilige plaats [1363], en dat zij den naam van
God mogen herdenken op de bepaalde dagen [1364], uit dankbaarheid
voor de kudden, welke hij hun heeft geschonken. Eet dus daarvan,
en voedt den nooddruftige en den arme. 30. Laat hen daarna een
einde maken aan de achteloosheid nopens hunne personen [1365], en
laat hen hunne geloften voldoen [1366] en om het oude huis trekken
[1367]. 31. Laat hen dit doen. En wie de heilige geboden van God in
acht zal nemen [1368], zal eene belooning bij God vinden. Alle soorten
van vee zijn u geoorloofd te eten, uitgenomen wat u reeds in vroegere
plaatsen van den Koran als verboden is voorgelezen. Ontvliedt den
gruwel der afgoden en vermijdt onwaarheid te spreken [1369]. 32. Weest
God onderworpen en vereenigt geene andere goden met hem; want wie
een ander met God verbindt, is gelijk aan datgene, wat van den hemel
valt, wat de vogels wegvoeren of de wind naar eene ver verwijderde
plaats overbrengt [1370]. 33. Dit is zoo. Wie Gods gedenkteekenen
eerbiedigt [1371], verricht eene daad die uit de vroomheid des harten
ontspruit. 34. Gij verkrijgt verschillende voordeelen van het vee,
tot offeranden aangewezen, tot den tijd voor de slachting bepaald;
en de plaats der offerande zal in het oude huis zijn. 35. Voor de
belijders van iederen godsdienst [1372] hebben wij verschillende riten
vastgesteld, opdat zij den naam van God zouden mogen herdenken bij
het slachten van het vee, dat hij voor hen heeft geschapen. Uw God is
een eenig God, onderwerp u dus geheel aan hem en breng goede tijdingen
aan hen, die zich ootmoedig betoonen. 36. Wier harten, als Gods naam
wordt vermeld, door vrees, worden getroffen, en hun, die geduldig
doorstaan wat hun overkomt, die hunne gebeden in acht nemen, en
aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 37. De kameelen
voor offeranden gedood, hebben wij u aangewezen als zinnebeelden van
uwe gehoorzaamheid aan God; ook verkrijgt gij andere voordeelen van
hen. Herdenk dus den naam van God over hen, als gij hen doodt, in
de juiste orde op hunne voeten staande [1373], en als zij dood zijn
nedergevallen eet dan er van, en geef er van te eten, zoowel aan hem,
die tevreden is met hetgeen hem gegeven wordt, zonder dat hij vraagt,
als aan hem die vraagt [1374]. Zoo hebben wij u de oppermacht over
hen gegeven, opdat gij ons dankbaar zoudt zijn. 38. Hun vleesch wordt
niet door God aangenomen, noch hun bloed, maar uwe vroomheid wordt
door hem aangenomen. Zoo hebben wij u de oppermacht over hen gegeven,
opdat gij God zoudt verheerlijken voor de openbaringen, waardoor hij
u heeft geleid. En breng den rechtvaardige de goede tijding. 39. Dat
God de kwade voornemens der ongeloovigen tegen de ware geloovigen
zal verijdelen; want God bemint de booze ongeloovigen niet. 40. Aan
hen is verlof gegeven, de wapenen tegen de ongeloovigen op te vatten,
als zij onrechtvaardig door hen vervolgd worden (en God is zekerlijk in
staat hen te ondersteunen). 41. Die onrechtvaardig uit hunne woningen
werden verjaagd, en om geene andere redenen, dan dat zij zeggen: Onze
Heer is God [1375]! Indien God het geweld van sommige menschen niet
door andere had verijdeld, waarlijk, dan zouden kloosters, kerken,
synagogen en de tempels der Moslems, waarin de naam van God dikwijls
wordt herdacht, geheel verwoest zijn [1376]. En God zal zekerlijk
dengeen ondersteunen, die zich aan zijne zijde zal bevinden; want God
is sterk en machtig. 42. En hij zal degenen ondersteunen, die, als wij
hen op aarde nederzetten, het gebed in acht nemen en aalmoezen geven,
en bevelen wat rechtvaardig en verbieden wat onrechtvaardig is. En aan
God staat het einde van alle dingen. 43. Indien zij u, o Mahomet! van
bedrog beschuldigen, neem dan in aanmerking, dat, vÛÛr hen, het volk
van Noach en de stammen van Ad en Thamoed en het volk van Abraham en
het volk van Lot en de bewoners van Madian hunne profeten van bedrog
beschuldigden; ook Mozes werd van leugen beschuldigd; en ik verleende
een groot uitstel aan de ongeloovigen, maar daarna kastijdde ik hen;
en hoe vreeselijk was de verandering welke ik in hunnen toestand
bracht! 44. Hoevele steden hebben wij verwoest, die goddeloos waren
en die thans onder hare eigene bouwvallen zijn begraven. En hoevele
bronnen en trotsche kasteelen werden er niet verlaten? 45. Reisden zij
niet door het land? En hebben zij geene harten om er mede te begrijpen,
en ooren om er mede te hooren? Waarlijk, hunne oogen zijn voor deze
niet blind, maar de harten, die zich in hunne borsten bevinden zijn
blind. 46. Zij zullen bij u er op aandringen, de bedreigde straf te
verhaasten; maar God zal niet nalaten te volbrengen waarmede hij heeft
bedreigd. Een dag met uwen Heer staat gelijk met duizend jaren uwer
berekening [1377]. 47. Aan hoevele steden gaf ik niet uitstel? maar
zij waren goddeloos. Doch daarna kastijdde ik haar; en tot mij zullen
zij komen, om op den laatsten dag geoordeeld te worden. 48. Zeg:
O menschen! waarlijk, ik ben slechts een openbaar prediker onder
u. 49. En zij die gelooven en goede werken doen, zullen vergiffenis
en eene heerlijke belooning verwerven. 50. Maar zij die trachten onze
teekenen krachteloos te maken, zullen bewoners der hel zijn. 51. Wij
hebben geen' gezant of profeet vÛÛr u gezonden, of als hij las,
gaf Satan hem eene verkeerde gedachte in [1378]. Maar God zal nietig
maken wat Satan hun inblaast, en God zal zijne teekens bevestigen;
want God is alwetend en wijs. 52. Maar God veroorlooft het te doen,
opdat de ingevingen van Satan eene beproeving zouden zijn voor hen,
wier hart door ziekte is aangedaan en wier boezem verhard is (want
waarlijk de goddeloozen zijn ver van de waarheid verwijderd). 53. Opdat
zij wien verstand werd geschonken, zouden mogen weten, dat dit
boek de waarheid van hunnen Heer is en zij daarin zouden gelooven,
en opdat hunne harten daarop zouden vertrouwen; want waarlijk, God
is de leider op den rechten weg van hen die gelooven. 54. Maar de
ongeloovigen zullen niet ophouden daaraan te twijfelen, tot dat het
uur des oordeels plotseling over hen zal komen, of dat de straf
van een droevigen dag [1379] hen overvalt. 55. Op dien dag zal
het koninkrijk Gods zijn; hij zal tusschen hen richten. En zij die
beloofd zullen hebben, en rechtvaardigheid uitgeoefend, zullen in
tuinen des vermaaks verblijf houden. 56. Maar zij die niet geloofd
zullen hebben en onze teekenen van valschheid hebben beschuldigd,
zullen eene schandelijke straf ondergaan. 57. En wat hen betreft,
die hunne woning zullen hebben verlaten voor de zaak van Gods waar
geloof, en daarna gedood of gestorven zullen zijn, aan dezen zal God
eene uitmuntende belooning geven; en God is de beste belooner. 58. Hij
zal hen het paradijs binnenleiden, op eene wijze die hun behagen zal;
want God is wijs en genadig. Zoo is het. 59. Wie eene wraak zal nemen
gelijk aan de schade welke hem werd toegebracht [1380], en daarna
onrechtvaardig zal worden behandeld [1381], waarlijk God zal hem
ondersteunen; want God is barmhartig en vergevensgezind. 60. Dit
zal gedaan worden, dewijl God den nacht op den dag en den dag op
den nacht doet volgen, en omdat God zoo wel hoort als ziet. 61. Dit
is omdat God waarheid is, en dewijl hetgeen zij naast hem aanroepen,
ijdelheid is, en omdat God de verhevene, de machtige is. 62. Ziet gij
niet, dat God water van den hemel nederzendt en dat de aarde groen
wordt? want God is barmhartig en wijs. 63. Aan hem behoort alles
wat in den hemel en op de aarde is, en God volstaat in zich zelven,
en is waardig geprezen te worden. 64. Ziet gij niet, dat God alles
wat op de aarde is en de schepen, die op de zee zeilen, door zijn
bevel aan uwen dienst heeft onderworpen? Hij ondersteunt den hemel,
dat die niet dan op zijn verlof op de aarde nedervalle [1382]: want
God is genadig omtrent den mensch en barmhartig. 65. Hij is het die
u leven heeft gegeven, en u later zal doen sterven, daarna zal hij
u bij de opstanding tot het leven doen verrijzen; maar waarlijk de
mensch is ondankbaar. 66. Voor de belijders van iederen godsdienst
hebben wij zekere gebruiken vastgesteld, welke zij in acht moeten
nemen. Laten zij dus niet met u daarover twisten, maar noodig hen
tot uwen Heer; want gij volgt den rechten weg. 67. Maar indien zij in
woordenwisseling met u treden, antwoord: God weet wel wat gij doet;
68. God zal tusschen u richten op den dag der opstanding, nopens
datgene waarover gij thans verschilt. 69. Weet gij niet dat God alles
kent wat in den hemel en op aarde is? Waarlijk, dit is geschreven
in het boek zijner besluiten, en dit is God gemakkelijk. 70. Zij
aanbidden naast God datgene, waaromtrent hij geen overtuigend bewijs
heeft nedergezonden, en waarvan zij geene kennis bezitten, maar de
onrechtvaardigen zullen niemand ter hunner ondersteuning hebben. 71. En
als hun onze duidelijke teekens worden herhaald, zult gij in de houding
der ongeloovigen minachting daarvoor bemerken; en zij zijn gereed
degenen gewelddadig te behandelen, die hun onze teekenen verhalen. Zeg:
Zal ik u iets vreeselijkers dan dit verklaren? Het vuur der hel,
waarmede God dengenen heeft bedreigd die niet gelooven, is vreeselijk;
dat zal eene ongelukkige reis wezen. 72. O menschen! er wordt u eene
vergelijking voorgesteld: luistert er dus naar. Waarlijk, de afgoden,
welke gij naast God aanroept, kunnen zelfs geene eenvoudige vlieg
scheppen, al waren zij ook allen tot dat doel vergaderd; en indien
eene vlieg hun iets ontneemt, kunnen zij het haar niet ontrukken
[1383]. De aangebedene en de aanbidder zijn beiden onmachtig. 73. Zij
weten God niet op zijne rechte waarde te schatten; want God is sterk
en machtig. 74. God kiest gezanten onder de engelen [1384]; want
God hoort en ziet alles. 75. Hij kent wat vÛÛr hen en wat achter hen
is en tot God zal alles terugkeeren. 76. O ware geloovigen! buigt u
neder en knielt, aanbidt uwen Heer en oefent rechtvaardigheid uit,
opdat gij gelukkig moogt zijn. 77. En strijdt ter verdediging van
Gods waar geloof, zooals het u toekomt daarvoor te strijden. Hij
heeft u gekozen, en heeft u geenerlei moeilijkheid opgelegd in den
godsdienst welken hij u heeft gegeven: den godsdienst van uwen vader
Abraham. Hij heeft u Moslems genoemd. 78. Zoo wel te voren als in
dit boek, opdat onze gezant een getuigen tegen u zal kunnen zijn, op
den dag der opstanding, en opdat gij getuigen zoudt mogen zijn tegen
het overige gedeelte der menschen. Wees dus volhardend in het gebed,
geef aalmoezen en hecht u standvastig aan God. Hij is uw meester,
en hij is de beste meester en de beste beschermer.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE WARE GELOOVIGEN.
Geopenbaard te Mekka--118 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. Gelukkig zijn de ware geloovigen. 2. Die zich verootmoedigen in hun
gebed. 3. Die alle ijdele gesprekken vermijden. 4. En die aalmoezen
geven; 5. Die hunne vleeschelijke lusten weten te beheerschen. 6. En
die hunne genietingen bepalen tot hunne vrouwen, of de slaven welke
door hunne rechterhand worden bezeten; want dan zullen zij zonder
blaam zijn. 7. Maar zij die gemeenschap met andere vrouwen hebben,
deze zijn waarlijk zondaren. 8. En zij die rechtschapen het hun
toevertrouwde bewaren en hun verbond rechtvaardig uitvoeren. 9. En
die den tijd, voor het gebed bepaald, in acht nemen. 10. Deze zullen
de erfgenamen zijn. 11. Die het paradijs zullen erven: eeuwig zullen
zij daarin verblijven. 12. Wij schiepen den mensch van eene fijne
soort klei. 13. Daarna plaatsten wij hem als zaad in eene veilige
bewaarplaats [1385]. 14. Daarna vormden wij het zaad tot gestold
bloed, en wij maakten het gestolde bloed tot een stuk vleesch;
vervolgens vormden wij het stuk vleesch tot beenderen; wij bekleedden
deze beenderen met vleesch, en brachten het daarna als eene nieuwe
schepping voort [1386]. Geloofd zij dus God, de uitmuntendste schepper
[1387]. 15. Hierna zult gij sterven. 16. En daarna zult gij, op den dag
der opstanding, in het leven teruggeroepen worden. 17. Wij hebben zeven
hemelen boven u geschapen [1388], en wij zijn niet achteloos omtrent
hetgeen wij schiepen. 18. Wij zenden den regen in zekere hoeveelheid
van den hemel neder, en wij doen dien op de aarde blijven; wij zijn
zekerlijk ook in staat u daarvan te berooven. 19. En wij doen door
dezen regen tuinen van palmboomen en wijngaarden voor u ontspruiten,
waarin gij vele vruchten bezit en waarvan gij eet. 20. En wij deden
voor u ook den boom oprijzen, die op den berg SinaÔ ontsproot
[1389]; die olie voorbrengt en een sap dat goed is voor hen die
het eten. 21. Gij bezit eveneens eene onderrichting in het vee;
wij geven u te drinken van de melk die zich in hunnen buik bevindt,
gij trekt daaruit vele voordeelen en gij eet er van. 22. En op hen en
op schepen wordt gij vervoerd [1390]. 23. Wij zonden Noach vroeger
tot zijn volk en hij zeide: O mijn volk! dient God: gij hebt geen
God buiten hem; vreest gij dus niet voor de gevolgen, indien gij
andere goden aanbidt? 24. En de opperhoofden van zijn volk dat niet
geloofde, zeiden: Deze is slechts een mensch gelijk gij zijt; hij
tracht alleen zich eene oppermacht over u aan te matigen. Indien
het Gode had behaagd, u een profeet te zenden, zou hij zekerlijk
engelen hebben gezonden; wij hebben dit niet van onze voorouders
gehoord. 25. Waarlijk, hij is slechts een man, die door den duivel
is bezeten; wacht dus gedurende eenigen tijd nopens hem. 26. Noach
zeide: O Heer! help mij; zij beschuldigen mij van logen. 27. En wij
openbaarden hem onze bevelen: zeggende: Maak de ark voor ons gezicht
en overeenkomstig onze openbaring. En als ons besluit tot uitvoering
zal komen en de oven water koken en uitwerpen zal. 28. Breng er
dan van elke diersoort een paar in, en ook uw gezin; behalve degene
over wien een vonnis van vernietiging werd uitgesproken [1391], en
spreek niet tot mij ten behoeve van hen die onrechtvaardig waren;
want zij zullen verdronken worden. 29. En wanneer gij en zij die met
ons zullen wezen, tot de ark zullen ingaan, zeg dan: Geloofd zij God,
die ons van de goddeloozen heeft verlost! 30. En zeg: O Heer! doe mij
uit deze ark op eene door u gezegende plaats komen; want gij zijt
het best in staat, mij ongedeerd daaruit te brengen. 31. Waarlijk,
hierin lagen teekens onzer almacht, en wij beproefden de menschen
daardoor. 32. Daarop deden wij een ander geslacht na hen opstaan
[1392]. 33. En wij zonden hun een apostel uit hen [1393], die zeide:
Aanbidt God; gij hebt geen God buiten hem: zoudt gij dus zijne wraak
niet vreezen? 34. En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde,
dat de ontmoeting des volgenden levens loochende, en aan hetwelk wij
overvloed in dit leven schonken, zeiden: Dit is slechts een mensch
zooals gij zijt: hij eet van hetgeen gij eet. 35. En hij drinkt
van hetgeen gij drinkt. 36. En indien gij een mensch gehoorzaamt,
die met u gelijk staat, waarlijk, dan zijt gij verloren. 37. Dreigt
hij u dat gij, nadat gij dood zijt, en tot stof en beenderen zijt
geworden, levend uit uwe graven zult worden voortgebracht? 38. Weg,
weg met hetgeen waardoor gij wordt bedreigd! 39. Er is geen ander
leven buiten ons tegenwoordig leven; wij sterven en wij leven,
en wij zullen niet weder worden opgewekt. 40. Hij is slechts een
mensch, die eene leugen tegen God uitdenkt: doch wij zullen hem niet
gelooven. 41. Hun profeet zeide: O Heer! verdedig mij, nu zij mij van
bedrog beschuldigen. 42. God antwoordde: Na een korten tijd zullen
zij zekerlijk hunne weerspannigheid berouwen. 43. Daarom werd hun,
rechtvaardig, eene gestrenge straf opgelegd, en wij deden hen gelijken
op het bezinksel, dat door den stroom wordt medegevoerd [1394]. Weg
dus met de goddeloozen! 44. Daarna deden wij andere geslachten na hen
[1395] opstaan. 45. Geen volk zal voor zijn bepaalden tijd gestraft
worden; ook zal die niet worden uitgesteld. 46. Daarna zonden wij
onze profeten, den een na den ander. Zoo dikwijls onze profeet tot
een volk kwam, beschuldigden zij hem van bedrog, en wij deden hen
achtereenvolgens elkander in de verdelging opvolgen, en maakten hen
slechts tot onderwerpen der overlevering. Weg dus met de ongeloovige
volkeren! 47. Later zonden wij Mozes en A‰ron, zijn broeder, met
onze teekens en duidelijke macht. 48. Tot Pharao en zijne vorsten;
maar zij weigerden trotsch in hem te gelooven; want het was een
hoovaardig volk. 49. En zij zeiden: Zullen wij gelooven aan twee
mannen, die ons gelijk zijn en wier volk onze slaven zijn? 50. En
zij beschuldigden hen van bedrog; daarom behoorden zij tot hen die
verdelgd werden. 51. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes,
opdat de kinderen IsraÎls daardoor geleid zouden worden. 52. En wij
bestemden den zoon van Maria en zijne moeder tot een teeken, en wij
bereidden een verblijf voor hen, op een verheven gedeelte der aarde
[1396], zijnde een plaats van vrede en zekerheid, en door stroomende
bronnen bevochtigd. 53. O profeten! eet van de dingen die goed zijn
[1397]; want ik weet wel wat gij doet. 54. Deze uw godsdienst is
een godsdienst [1398], en ik ben uw Heer; vreest mij dus. 55. Maar
de menschen hebben den godsdienst in verschillende secten verdeeld;
ieder gedeelte verheugt zich in hetgeen zij volgen. 56. Laat hen dus in
hunne verwarring tot een zekeren tijd [1399]. 57. Denken zij dat wij
hun een lang leven zullen schenken, en hun bezittingen en kinderen
tot hun heil geven. 58. Dat wij ons zullen haasten, hun allerlei
bezittingen te schenken. 59. Waarlijk, zij die in ontzag zijn uit
vrees voor hunnen Heer. 60. En die gelooven in de teekens van hunnen
Heer. 61. En die geene makkers aan hunnen Heer toeschrijven. 62. Die
aalmoezen geven, en wier harten van vrees zijn doordrongen, omdat zij
eens tot hunnen Heer moeten terugkeeren. 63. Deze spoeden zich naar het
goede en zijn de eersten om het te ontvangen. 64. Wij willen geene ziel
eenige moeielijkheid opleggen, behalve datgene waartoe zij in staat
is. Bij ons is een boek dat de waarheid spreekt, en zij zullen niet
onrechtvaardig worden behandeld. 65. Maar hunne harten zijn verzonken
in achteloosheid nopens dezen godsdienst, en zij hebben werken, die
verschillen van de door ons vermelde; maar zij gaan voort die uit te
voeren. 66. Tot wij diegenen hunner, welke zich in groote bezittingen
verheugen, met eene gestrenge straf kastijden [1400]; onthoudt het,
daar zij dan luid om hulp zullen roepen [1401]. 67. Maar er zal
worden geantwoord: Roept heden niet om hulp; want gij zult door ons
niet ondersteund worden. 68. Mijne teekens werden u voorgelezen;
maar gij hebt u afgewend. 69. U trotschelijk verheffende, omdat
gij den heiligen tempel bezit; des nachts samenspraken houdende
en dwaas sprekende. 70. Beschouwen zij dus niet aandachtig wat tot
hen is gesproken, terwijl eene openbaring tot hen is gekomen, die
niet tot hunne voorvaderen kwam? 71. Of kennen zij hunnen apostel
niet en verwerpen zij hem daarom. 72. Zullen zij zeggen dat hij
een uitzinnige is? Neen! hij is met de waarheid tot hen gekomen;
maar het grootste gedeelte hunner verwerpt de waarheid. 73. Indien
de waarheid hunne begeerte zou hebben gevolgd, waarlijk dan zouden
de hemelen en de aarde, en alles wat er in is, bedorven zijn geweest
[1402]. Maar wij hebben hun eene vermaning gezonden, en zij wenden
zich er van af. 74. Zult gij hun eene belooning vragen? De belooning
van uwen Heer is beter; hij is de beste belooner van weldaden. 75. Gij
noodigt hen gewis tot den rechten weg uit. 76. Maar zij die niet in het
volgende leven gelooven, dwalen zekerlijk van dien weg af. 77. Indien
wij deernis met hen gehad, en hen van het kwaad verlost hadden,
dat over hen gekomen is [1403], zouden zij zekerlijk stijfhoofdiger
in hunne dwaling hebben volhard, in verwarring ronddwalende. 78. Wij
kastijdden hen vroeger met een strijd [1404], maar zij verootmoedigden
zich voor hunnen Heer noch richtten hunne smeekingen tot hem. 79. Tot
wij voor hen eene deur openden, waaruit eene gestrenge straf [1405]
voortkwam, waarna zij tot wanhoop vervielen. 80. God is het die
in u de zintuigen des gehoors en van het gezicht heeft geschapen,
opdat gij onze oordeelen zoudt opmerken, en harten, opdat gij die met
ernst zoudt beschouwen; maar hoe weinigen uwer zijn dankbaar! 81. Hij
is het die u op aarde heeft voortgebracht, en voor hem zult gij
vereenigd worden. 82. Hij is het die leven geeft en doodt, en hij is
het van wien de wisseling van nacht en dag afhangt: begrijpt gij dit
niet? 83. Maar de geloovige bewoners van Mekka zeggen evenals hunne
voorgangers zeiden. 84. Zij zeggen: Als wij dood zijn, en tot stof en
beenderen zullen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk weder tot het
leven worden opgewekt? 85. Wij zijn daarmede reeds bedreigd geworden,
evenals vroeger onze vaderen; dit zijn slechts oude fabelen. 86. Vraag
hun: aan wien behoort de aarde en alles wat daarop is? Spreekt, indien
gij het weet. 87. Zij zullen antwoorden: Aan God. Zeg: Wilt gij dit
niet bedenken? 88. Zeg: Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer
van den prachtigen troon? 89. Zij zullen antwoorden: God. Zeg: Wilt
gij hem dus niet vreezen? 90. Zeg: In wiens hand is het koninkrijk
van alle dingen; wie ondersteunt dengeen die hem behaagt, maar wordt
zelf door niemand ondersteund? Spreekt indien gij het weet? 91. Zij
zullen antwoorden: God. Zeg: Waarom laat gij u dan misleiden. 92. Ja,
wij hebben hen tot de waarheid gebracht, en zij zijn zekerlijk
leugenaars indien zij het loochenen. 93. God heeft geen kroost
gebaard, noch is er eenig God naast hem. Indien dit niet zoo ware,
zou iedere God zekerlijk hebben weggenomen wat hij had geschapen
[1406], en zouden sommigen hunner zich zekerlijk boven de anderen
hebben verheven [1407]. Verre zij datgene van God wat zij nopens hem
verklaren! 94. Hij kent wat verborgen en wat openbaar gemaakt is; het
zij dus verre van hem, de deelgenooten in zijne eer te hebben welke
zij hem toeschrijven! 95. Zeg: O Heer! Zoudt gij mij zekerlijk de
wraak willen doen zien waarmede zij zijn bedreigd. 96. O Heer! plaats
mij niet onder de goddeloozen. 97. Want wij zijn zekerlijk in staat,
u datgene te doen zien waarmede zij bedreigd werden. 98. Wendt het
kwade door het betere af [1408]: wij kennen de lasteringen wel,
die zij tegen u uitspreken. 99. En zeg: O Heer! ik vlucht tot u
als eene schuilplaats tegen de ingevingen der duivelen. 100. En ik
neem mijne toevlucht tot u, o Heer! om hen te verdrijven; opdat zij
niet tegenwoordig met mij zouden zijn [1409]. 101. Het loochenen der
ongeloovigen houdt niet op, dan tot den dood een van hen overvalt,
die dan zegt: O Heer! doe mij tot het leven terugkeeren. 102. Opdat ik
doen moge wat rechtvaardig is, door het ware geloof te belijden dat
ik verwaarloosd heb [1410]. In geenen deele. Waarlijk, dit zijn de
woorden welke gij zult spreken; maar achter hen zal een hek [1411]
zijn tot op den dag der opstanding. 103. Als dus de trompet zal
klinken, dan zal er geen verwantschap meer tusschen hen bestaan. Dan
zullen zij elkander niet om hulp vragen. 104. Zij wier weegschaal
door goede werken zwaar is, zullen gelukkig wezen. 105. Maar zij
wier weegschalen licht zullen wezen, zijn degenen die hunne zielen
verliezen en eeuwig in de hel zullen verblijven. 106. Het vuur zal
hunne aangezichten verteren en zij zullen hunne monden uit angst
samentrekken. 107. En er zal tot hen gezegd worden: Werden mijne
teekenen u niet herinnerd en hebt gij die niet van valschheid
beschuldigd? 108. Zij zullen antwoorden: O Heer! ons ongeluk
beheerschte ons en wij wendden ons af. 109. O Heer! neem ons weg uit
dit vuur; indien we tot onze vroegere zonden terugkeeren, zijn wij
zekerlijk onrechtvaardig. 110. God zal hun zeggen: Gij blijft er in,
en richt het woord niet tot mij. 111. Toen een gedeelte van mijn
dienaren uitriep: O Heer! wij gelooven: vergeef ons dus en wees
ons genadig; want waarlijk gij zijt de genadigste. 112. Hebt gij
hen met spotternijen ontvangen, zoodat deze u mijne vermaning deden
vergeten [1412], en gij hebt hun tot voorwerpen uwer spotternijen
gemaakt. 113. Ik heb hen heden beloond, omdat zij de beleedigingen,
welke gij hun hebt aangedaan, met geduld hebben gedragen: waarlijk,
zij genieten een groot geluk. 114. God zal zeggen: Hoeveel jaren hebt
gij op aarde doorgebracht? 115. Zij zullen antwoorden: Wij hebben daar
een dag of een gedeelte van een dag doorgebracht [1413], maar vraag
hun die rekening te houden [1414]. 116. God zal zeggen: Gij zijt daar
slechts korten tijd gebleven, maar gij weet het niet. 117. Denkt gij
dat wij u slechts uit ijdelheid hebben geschapen en dat gij later
niet voor ons gebracht zult worden? Verheven zij dus God de Koning,
de Waarheid! Er is geen God buiten hem, de Heer van den glansrijken
troon. Wie naast den waren God een anderen God zal aanroepen, omtrent
welken hij geen duidelijk bewijs heeft, zal zekerlijk voor zijn Heer
daarvan rekenschap moeten afleggen. Waarlijk, de ongeloovigen zullen
geen voorspoed genieten. 118. Zeg: O Heer! vergiffenis, en schenk
mij genade; want uwe genade is onbeperkt.
VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HET LICHT [1415].
Geopenbaard te Medina.--64 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.