1. O menschen! vreest uwen Heer. Waarlijk, de schok van het laatste uur

[1351] zal een vreeselijke zaak wezen. 2. Op den dag, waarop gij het

zult zien, zal iedere vrouw die zog [1352] geeft, het kind vergeten dat

zoogt, en iedere zwangere vrouw zal haren last wegwerpen, en gij zult

de mannen schijnbaar dronken zien, maar zij zullen niet wezenlijk

beschonken wezen; doch de straf van God zal streng zijn. 3. Er

is een man die, zonder kennis [1353], twist nopens God, en iederen

oproerigen duivel volgt. 4. Omtrent hem is geschreven, dat al wie hem

tot beschermer zal kiezen, zekerlijk door hem verleid en door hem in

de marteling der hel gevoerd zal worden. 5. O menschen! indien gij

in twijfel verkeert nopens de opstanding, neemt dan in overweging,

dat wij u het eerst schiepen uit stof der aarde, daarna van zaad,

daarna van een weinig gestold bloed [1354], daarna van een stuk

vleesch, voor een gedeelte volkomen en voor een gedeelte onvolkomen

gevormd, ten einde onze macht duidelijk voor u te maken; en wij deden

wat wij verkozen in den schoot blijven, tot den bepaalden tijd der

verlossing. Daarna brachten wij u, als kinderen voort; vervolgens

veroorloofden wij u, uwen ouderdom van volle kracht te bereiken;

de een uwer sterft in zijne jeugd en een ander uwer is uitgesteld

tot een hoogen ouderdom, zoo dat hij alles vergeet wat hij wist. Gij

zaagt de aarde somtijds opgedroogd en onvruchtbaar; maar indien wij den

regen daarop nederzenden, wordt zij in beweging gebracht en zwelt op,

en brengt alle soorten van weelderige planten voort. 6. Dit toont,

dat God de waardheid is; dat hij de dooden ten leven opwekt en dat

hij almachtig is. 7. Dat het uur des oordeels zekerlijk zal komen,

daaraan is geen twijfel en dat God hen zal opwekken die zich in de

graven bevinden. 8. Er is een man die nopens God twist, zonder een

boek dat hem verlicht [1355]. 9. Hij wendt zich trotsch af, ten einde

de menschen van Gods weg af te leiden. Schande zal hem in deze wereld

wachten; en op den dag der opstanding zullen wij hem de marteling

der verbranding doen ondergaan. 10. Dan zal tot hem gezegd worden:

Dit ondergaat hij om hetgeen uwe handen vroeger bedreven; want God is

niet onrechtvaardig nopens den mensch. 11. Er zijn sommige menschen die

God op eene wankelende wijze dienen, staande als bij de grens [1356]

van den waren godsdienst. Indien aan een van hen goed wedervaart,

is hij voldaan, maar indien hem eenige beproeving overkomt, wendt

hij zich af, met verlies in deze en in de volgende wereld. Dit is

een duidelijk verderf. 12. Hij zal dus naast God aanroepen, wat

hem deren noch bevoordeelen kan. Dit is eene dwaling die van de

waarheid verwijdert. 13. Hij zal dengeen aanroepen, die hem veeleer

verderfelijk dan voordeelig is. Dit is zeker een ellendige beschermer,

en een ellendige makker. 14. Maar God zal hen die gelooven en goede

werken verrichten, in tuinen leiden, waarin rivieren stroomen; want

God doet wat hem behaagt. 15. Laat hij, die denkt dat God zijn gezant

in deze wereld en in het toekomstige leven geene hulp zal verleenen,

een touw aan den hemel bevestigen en laat hem daarna een eind aan

zijn leven maken, en hij zal zien, of zijne kunstgrepen datgene de

uitwerking kunnen benemen, welke hem toornig maakt [1357]. 16. Zoo

zonden wij den Koran neder, zijnde duidelijke teekens; want God leidt

wie hem behaagt. 17. Wat de ware geloovigen betreft, en de Joden,

de SabbeÔsten, de Christenen, de MagiÎrs en de afgodendienaars,

waarlijk God zal op den dag der opstanding tusschen hen richten;

want God is getuige van alle dingen. 18. Bemerkt gij niet dat alle

schepselen, zoowel in den hemel als op de aarde God aanbidden [1358];

de zon, de maan, de sterren, de bergen, de boomen, de dieren en

een groot gedeelte der menschen? Maar velen hebben eene kastijding

verdiend. 19. En hij dien God verachtelijk zal hebben gemaakt, zal

door niemand vereerd worden; want God doet wat hem behaagt. 20. Er

zijn twee tegenovergestelde partijen, die nopens hunnen Heer

twisten [1359]. En zij die niet gelooven, zullen met kleederen van

vuur omhangen worden, en kokend water zal op hunne hoofden gegoten

worden. 21. Hunne ingewanden en hunne huiden zullen daardoor verteerd,

en zij zullen met ijzeren staven geslagen worden. 22. Zoo dikwijls zij,

door de smart hunner martelingen, zullen trachten de hel te verlaten,

zullen zij daar weder worden teruggebracht en hunne pijnigers zullen

tot hen zeggen: Ondergaat de pijn der verbranding. 23. God zal hen die

gelooven en rechtvaardig handelen, in tuinen voeren, waarin rivieren

stroomen; zij zullen daar versierd worden met gouden armbanden en

paarlen, en hunne kleederen zullen van zijde wezen. 24. Zij worden

tot goede woorden [1360] en op een heerlijken weg geleid. 25. Maar

zij die ongeloovig zullen wezen, den weg van God versperren en de

menschen verhinderen, den heiligen tempel van Mekka te bezoeken,

welke wij hebben aangewezen tot eene plaats van aanbidding voor

alle menschen; want zoowel de inwoners als de vreemdelingen hebben

een gelijk recht dien te bezoeken. 26. En wie trachten zal dien op

goddelooze wijze te ontheiligen, hen zullen wij een gestrenge straf

doen lijden. 27. Herinner u, dat wij de plek van het gebouw van den

Caaba tot een verblijf aan Abraham gaven [1361], zeggende: Vereenig

niets met mij, en houdt mijn huis rein voor hen die het bezoeken,

en die opstaan en nederbuigen om te aanbidden. 28. En verkondig het

volk een plechtigen pelgrimstocht [1362]. Laten zij te voet of op snel

loopende kameelen uit verwijderde streken tot u komen. 29. Opdat zij

getuigen mogen zijn van de voordeelen die voor hen voortspruiten uit

het bezoeken van deze heilige plaats [1363], en dat zij den naam van

God mogen herdenken op de bepaalde dagen [1364], uit dankbaarheid

voor de kudden, welke hij hun heeft geschonken. Eet dus daarvan,

en voedt den nooddruftige en den arme. 30. Laat hen daarna een

einde maken aan de achteloosheid nopens hunne personen [1365], en

laat hen hunne geloften voldoen [1366] en om het oude huis trekken

[1367]. 31. Laat hen dit doen. En wie de heilige geboden van God in

acht zal nemen [1368], zal eene belooning bij God vinden. Alle soorten

van vee zijn u geoorloofd te eten, uitgenomen wat u reeds in vroegere

plaatsen van den Koran als verboden is voorgelezen. Ontvliedt den

gruwel der afgoden en vermijdt onwaarheid te spreken [1369]. 32. Weest

God onderworpen en vereenigt geene andere goden met hem; want wie

een ander met God verbindt, is gelijk aan datgene, wat van den hemel

valt, wat de vogels wegvoeren of de wind naar eene ver verwijderde

plaats overbrengt [1370]. 33. Dit is zoo. Wie Gods gedenkteekenen

eerbiedigt [1371], verricht eene daad die uit de vroomheid des harten

ontspruit. 34. Gij verkrijgt verschillende voordeelen van het vee,

tot offeranden aangewezen, tot den tijd voor de slachting bepaald;

en de plaats der offerande zal in het oude huis zijn. 35. Voor de

belijders van iederen godsdienst [1372] hebben wij verschillende riten

vastgesteld, opdat zij den naam van God zouden mogen herdenken bij

het slachten van het vee, dat hij voor hen heeft geschapen. Uw God is

een eenig God, onderwerp u dus geheel aan hem en breng goede tijdingen

aan hen, die zich ootmoedig betoonen. 36. Wier harten, als Gods naam

wordt vermeld, door vrees, worden getroffen, en hun, die geduldig

doorstaan wat hun overkomt, die hunne gebeden in acht nemen, en

aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 37. De kameelen

voor offeranden gedood, hebben wij u aangewezen als zinnebeelden van

uwe gehoorzaamheid aan God; ook verkrijgt gij andere voordeelen van

hen. Herdenk dus den naam van God over hen, als gij hen doodt, in

de juiste orde op hunne voeten staande [1373], en als zij dood zijn

nedergevallen eet dan er van, en geef er van te eten, zoowel aan hem,

die tevreden is met hetgeen hem gegeven wordt, zonder dat hij vraagt,

als aan hem die vraagt [1374]. Zoo hebben wij u de oppermacht over

hen gegeven, opdat gij ons dankbaar zoudt zijn. 38. Hun vleesch wordt

niet door God aangenomen, noch hun bloed, maar uwe vroomheid wordt

door hem aangenomen. Zoo hebben wij u de oppermacht over hen gegeven,

opdat gij God zoudt verheerlijken voor de openbaringen, waardoor hij

u heeft geleid. En breng den rechtvaardige de goede tijding. 39. Dat

God de kwade voornemens der ongeloovigen tegen de ware geloovigen

zal verijdelen; want God bemint de booze ongeloovigen niet. 40. Aan

hen is verlof gegeven, de wapenen tegen de ongeloovigen op te vatten,

als zij onrechtvaardig door hen vervolgd worden (en God is zekerlijk in

staat hen te ondersteunen). 41. Die onrechtvaardig uit hunne woningen

werden verjaagd, en om geene andere redenen, dan dat zij zeggen: Onze

Heer is God [1375]! Indien God het geweld van sommige menschen niet

door andere had verijdeld, waarlijk, dan zouden kloosters, kerken,

synagogen en de tempels der Moslems, waarin de naam van God dikwijls

wordt herdacht, geheel verwoest zijn [1376]. En God zal zekerlijk

dengeen ondersteunen, die zich aan zijne zijde zal bevinden; want God

is sterk en machtig. 42. En hij zal degenen ondersteunen, die, als wij

hen op aarde nederzetten, het gebed in acht nemen en aalmoezen geven,

en bevelen wat rechtvaardig en verbieden wat onrechtvaardig is. En aan

God staat het einde van alle dingen. 43. Indien zij u, o Mahomet! van

bedrog beschuldigen, neem dan in aanmerking, dat, vÛÛr hen, het volk

van Noach en de stammen van Ad en Thamoed en het volk van Abraham en

het volk van Lot en de bewoners van Madian hunne profeten van bedrog

beschuldigden; ook Mozes werd van leugen beschuldigd; en ik verleende

een groot uitstel aan de ongeloovigen, maar daarna kastijdde ik hen;

en hoe vreeselijk was de verandering welke ik in hunnen toestand

bracht! 44. Hoevele steden hebben wij verwoest, die goddeloos waren

en die thans onder hare eigene bouwvallen zijn begraven. En hoevele

bronnen en trotsche kasteelen werden er niet verlaten? 45. Reisden zij

niet door het land? En hebben zij geene harten om er mede te begrijpen,

en ooren om er mede te hooren? Waarlijk, hunne oogen zijn voor deze

niet blind, maar de harten, die zich in hunne borsten bevinden zijn

blind. 46. Zij zullen bij u er op aandringen, de bedreigde straf te

verhaasten; maar God zal niet nalaten te volbrengen waarmede hij heeft

bedreigd. Een dag met uwen Heer staat gelijk met duizend jaren uwer

berekening [1377]. 47. Aan hoevele steden gaf ik niet uitstel? maar

zij waren goddeloos. Doch daarna kastijdde ik haar; en tot mij zullen

zij komen, om op den laatsten dag geoordeeld te worden. 48. Zeg:

O menschen! waarlijk, ik ben slechts een openbaar prediker onder

u. 49. En zij die gelooven en goede werken doen, zullen vergiffenis

en eene heerlijke belooning verwerven. 50. Maar zij die trachten onze

teekenen krachteloos te maken, zullen bewoners der hel zijn. 51. Wij

hebben geen' gezant of profeet vÛÛr u gezonden, of als hij las,

gaf Satan hem eene verkeerde gedachte in [1378]. Maar God zal nietig

maken wat Satan hun inblaast, en God zal zijne teekens bevestigen;

want God is alwetend en wijs. 52. Maar God veroorlooft het te doen,

opdat de ingevingen van Satan eene beproeving zouden zijn voor hen,

wier hart door ziekte is aangedaan en wier boezem verhard is (want

waarlijk de goddeloozen zijn ver van de waarheid verwijderd). 53. Opdat

zij wien verstand werd geschonken, zouden mogen weten, dat dit

boek de waarheid van hunnen Heer is en zij daarin zouden gelooven,

en opdat hunne harten daarop zouden vertrouwen; want waarlijk, God

is de leider op den rechten weg van hen die gelooven. 54. Maar de

ongeloovigen zullen niet ophouden daaraan te twijfelen, tot dat het

uur des oordeels plotseling over hen zal komen, of dat de straf

van een droevigen dag [1379] hen overvalt. 55. Op dien dag zal

het koninkrijk Gods zijn; hij zal tusschen hen richten. En zij die

beloofd zullen hebben, en rechtvaardigheid uitgeoefend, zullen in

tuinen des vermaaks verblijf houden. 56. Maar zij die niet geloofd

zullen hebben en onze teekenen van valschheid hebben beschuldigd,

zullen eene schandelijke straf ondergaan. 57. En wat hen betreft,

die hunne woning zullen hebben verlaten voor de zaak van Gods waar

geloof, en daarna gedood of gestorven zullen zijn, aan dezen zal God

eene uitmuntende belooning geven; en God is de beste belooner. 58. Hij

zal hen het paradijs binnenleiden, op eene wijze die hun behagen zal;

want God is wijs en genadig. Zoo is het. 59. Wie eene wraak zal nemen

gelijk aan de schade welke hem werd toegebracht [1380], en daarna

onrechtvaardig zal worden behandeld [1381], waarlijk God zal hem

ondersteunen; want God is barmhartig en vergevensgezind. 60. Dit

zal gedaan worden, dewijl God den nacht op den dag en den dag op

den nacht doet volgen, en omdat God zoo wel hoort als ziet. 61. Dit

is omdat God waarheid is, en dewijl hetgeen zij naast hem aanroepen,

ijdelheid is, en omdat God de verhevene, de machtige is. 62. Ziet gij

niet, dat God water van den hemel nederzendt en dat de aarde groen

wordt? want God is barmhartig en wijs. 63. Aan hem behoort alles

wat in den hemel en op de aarde is, en God volstaat in zich zelven,

en is waardig geprezen te worden. 64. Ziet gij niet, dat God alles

wat op de aarde is en de schepen, die op de zee zeilen, door zijn

bevel aan uwen dienst heeft onderworpen? Hij ondersteunt den hemel,

dat die niet dan op zijn verlof op de aarde nedervalle [1382]: want

God is genadig omtrent den mensch en barmhartig. 65. Hij is het die

u leven heeft gegeven, en u later zal doen sterven, daarna zal hij

u bij de opstanding tot het leven doen verrijzen; maar waarlijk de

mensch is ondankbaar. 66. Voor de belijders van iederen godsdienst

hebben wij zekere gebruiken vastgesteld, welke zij in acht moeten

nemen. Laten zij dus niet met u daarover twisten, maar noodig hen

tot uwen Heer; want gij volgt den rechten weg. 67. Maar indien zij in

woordenwisseling met u treden, antwoord: God weet wel wat gij doet;

68. God zal tusschen u richten op den dag der opstanding, nopens

datgene waarover gij thans verschilt. 69. Weet gij niet dat God alles

kent wat in den hemel en op aarde is? Waarlijk, dit is geschreven

in het boek zijner besluiten, en dit is God gemakkelijk. 70. Zij

aanbidden naast God datgene, waaromtrent hij geen overtuigend bewijs

heeft nedergezonden, en waarvan zij geene kennis bezitten, maar de

onrechtvaardigen zullen niemand ter hunner ondersteuning hebben. 71. En

als hun onze duidelijke teekens worden herhaald, zult gij in de houding

der ongeloovigen minachting daarvoor bemerken; en zij zijn gereed

degenen gewelddadig te behandelen, die hun onze teekenen verhalen. Zeg:

Zal ik u iets vreeselijkers dan dit verklaren? Het vuur der hel,

waarmede God dengenen heeft bedreigd die niet gelooven, is vreeselijk;

dat zal eene ongelukkige reis wezen. 72. O menschen! er wordt u eene

vergelijking voorgesteld: luistert er dus naar. Waarlijk, de afgoden,

welke gij naast God aanroept, kunnen zelfs geene eenvoudige vlieg

scheppen, al waren zij ook allen tot dat doel vergaderd; en indien

eene vlieg hun iets ontneemt, kunnen zij het haar niet ontrukken

[1383]. De aangebedene en de aanbidder zijn beiden onmachtig. 73. Zij

weten God niet op zijne rechte waarde te schatten; want God is sterk

en machtig. 74. God kiest gezanten onder de engelen [1384]; want

God hoort en ziet alles. 75. Hij kent wat vÛÛr hen en wat achter hen

is en tot God zal alles terugkeeren. 76. O ware geloovigen! buigt u

neder en knielt, aanbidt uwen Heer en oefent rechtvaardigheid uit,

opdat gij gelukkig moogt zijn. 77. En strijdt ter verdediging van

Gods waar geloof, zooals het u toekomt daarvoor te strijden. Hij

heeft u gekozen, en heeft u geenerlei moeilijkheid opgelegd in den

godsdienst welken hij u heeft gegeven: den godsdienst van uwen vader

Abraham. Hij heeft u Moslems genoemd. 78. Zoo wel te voren als in

dit boek, opdat onze gezant een getuigen tegen u zal kunnen zijn, op

den dag der opstanding, en opdat gij getuigen zoudt mogen zijn tegen

het overige gedeelte der menschen. Wees dus volhardend in het gebed,

geef aalmoezen en hecht u standvastig aan God. Hij is uw meester,

en hij is de beste meester en de beste beschermer.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE WARE GELOOVIGEN.

Geopenbaard te Mekka--118 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. Gelukkig zijn de ware geloovigen. 2. Die zich verootmoedigen in hun

gebed. 3. Die alle ijdele gesprekken vermijden. 4. En die aalmoezen

geven; 5. Die hunne vleeschelijke lusten weten te beheerschen. 6. En

die hunne genietingen bepalen tot hunne vrouwen, of de slaven welke

door hunne rechterhand worden bezeten; want dan zullen zij zonder

blaam zijn. 7. Maar zij die gemeenschap met andere vrouwen hebben,

deze zijn waarlijk zondaren. 8. En zij die rechtschapen het hun

toevertrouwde bewaren en hun verbond rechtvaardig uitvoeren. 9. En

die den tijd, voor het gebed bepaald, in acht nemen. 10. Deze zullen

de erfgenamen zijn. 11. Die het paradijs zullen erven: eeuwig zullen

zij daarin verblijven. 12. Wij schiepen den mensch van eene fijne

soort klei. 13. Daarna plaatsten wij hem als zaad in eene veilige

bewaarplaats [1385]. 14. Daarna vormden wij het zaad tot gestold

bloed, en wij maakten het gestolde bloed tot een stuk vleesch;

vervolgens vormden wij het stuk vleesch tot beenderen; wij bekleedden

deze beenderen met vleesch, en brachten het daarna als eene nieuwe

schepping voort [1386]. Geloofd zij dus God, de uitmuntendste schepper

[1387]. 15. Hierna zult gij sterven. 16. En daarna zult gij, op den dag

der opstanding, in het leven teruggeroepen worden. 17. Wij hebben zeven

hemelen boven u geschapen [1388], en wij zijn niet achteloos omtrent

hetgeen wij schiepen. 18. Wij zenden den regen in zekere hoeveelheid

van den hemel neder, en wij doen dien op de aarde blijven; wij zijn

zekerlijk ook in staat u daarvan te berooven. 19. En wij doen door

dezen regen tuinen van palmboomen en wijngaarden voor u ontspruiten,

waarin gij vele vruchten bezit en waarvan gij eet. 20. En wij deden

voor u ook den boom oprijzen, die op den berg SinaÔ ontsproot

[1389]; die olie voorbrengt en een sap dat goed is voor hen die

het eten. 21. Gij bezit eveneens eene onderrichting in het vee;

wij geven u te drinken van de melk die zich in hunnen buik bevindt,

gij trekt daaruit vele voordeelen en gij eet er van. 22. En op hen en

op schepen wordt gij vervoerd [1390]. 23. Wij zonden Noach vroeger

tot zijn volk en hij zeide: O mijn volk! dient God: gij hebt geen

God buiten hem; vreest gij dus niet voor de gevolgen, indien gij

andere goden aanbidt? 24. En de opperhoofden van zijn volk dat niet

geloofde, zeiden: Deze is slechts een mensch gelijk gij zijt; hij

tracht alleen zich eene oppermacht over u aan te matigen. Indien

het Gode had behaagd, u een profeet te zenden, zou hij zekerlijk

engelen hebben gezonden; wij hebben dit niet van onze voorouders

gehoord. 25. Waarlijk, hij is slechts een man, die door den duivel

is bezeten; wacht dus gedurende eenigen tijd nopens hem. 26. Noach

zeide: O Heer! help mij; zij beschuldigen mij van logen. 27. En wij

openbaarden hem onze bevelen: zeggende: Maak de ark voor ons gezicht

en overeenkomstig onze openbaring. En als ons besluit tot uitvoering

zal komen en de oven water koken en uitwerpen zal. 28. Breng er

dan van elke diersoort een paar in, en ook uw gezin; behalve degene

over wien een vonnis van vernietiging werd uitgesproken [1391], en

spreek niet tot mij ten behoeve van hen die onrechtvaardig waren;

want zij zullen verdronken worden. 29. En wanneer gij en zij die met

ons zullen wezen, tot de ark zullen ingaan, zeg dan: Geloofd zij God,

die ons van de goddeloozen heeft verlost! 30. En zeg: O Heer! doe mij

uit deze ark op eene door u gezegende plaats komen; want gij zijt

het best in staat, mij ongedeerd daaruit te brengen. 31. Waarlijk,

hierin lagen teekens onzer almacht, en wij beproefden de menschen

daardoor. 32. Daarop deden wij een ander geslacht na hen opstaan

[1392]. 33. En wij zonden hun een apostel uit hen [1393], die zeide:

Aanbidt God; gij hebt geen God buiten hem: zoudt gij dus zijne wraak

niet vreezen? 34. En de opperhoofden van zijn volk, dat niet geloofde,

dat de ontmoeting des volgenden levens loochende, en aan hetwelk wij

overvloed in dit leven schonken, zeiden: Dit is slechts een mensch

zooals gij zijt: hij eet van hetgeen gij eet. 35. En hij drinkt

van hetgeen gij drinkt. 36. En indien gij een mensch gehoorzaamt,

die met u gelijk staat, waarlijk, dan zijt gij verloren. 37. Dreigt

hij u dat gij, nadat gij dood zijt, en tot stof en beenderen zijt

geworden, levend uit uwe graven zult worden voortgebracht? 38. Weg,

weg met hetgeen waardoor gij wordt bedreigd! 39. Er is geen ander

leven buiten ons tegenwoordig leven; wij sterven en wij leven,

en wij zullen niet weder worden opgewekt. 40. Hij is slechts een

mensch, die eene leugen tegen God uitdenkt: doch wij zullen hem niet

gelooven. 41. Hun profeet zeide: O Heer! verdedig mij, nu zij mij van

bedrog beschuldigen. 42. God antwoordde: Na een korten tijd zullen

zij zekerlijk hunne weerspannigheid berouwen. 43. Daarom werd hun,

rechtvaardig, eene gestrenge straf opgelegd, en wij deden hen gelijken

op het bezinksel, dat door den stroom wordt medegevoerd [1394]. Weg

dus met de goddeloozen! 44. Daarna deden wij andere geslachten na hen

[1395] opstaan. 45. Geen volk zal voor zijn bepaalden tijd gestraft

worden; ook zal die niet worden uitgesteld. 46. Daarna zonden wij

onze profeten, den een na den ander. Zoo dikwijls onze profeet tot

een volk kwam, beschuldigden zij hem van bedrog, en wij deden hen

achtereenvolgens elkander in de verdelging opvolgen, en maakten hen

slechts tot onderwerpen der overlevering. Weg dus met de ongeloovige

volkeren! 47. Later zonden wij Mozes en A‰ron, zijn broeder, met

onze teekens en duidelijke macht. 48. Tot Pharao en zijne vorsten;

maar zij weigerden trotsch in hem te gelooven; want het was een

hoovaardig volk. 49. En zij zeiden: Zullen wij gelooven aan twee

mannen, die ons gelijk zijn en wier volk onze slaven zijn? 50. En

zij beschuldigden hen van bedrog; daarom behoorden zij tot hen die

verdelgd werden. 51. Wij gaven vroeger het boek der wet aan Mozes,

opdat de kinderen IsraÎls daardoor geleid zouden worden. 52. En wij

bestemden den zoon van Maria en zijne moeder tot een teeken, en wij

bereidden een verblijf voor hen, op een verheven gedeelte der aarde

[1396], zijnde een plaats van vrede en zekerheid, en door stroomende

bronnen bevochtigd. 53. O profeten! eet van de dingen die goed zijn

[1397]; want ik weet wel wat gij doet. 54. Deze uw godsdienst is

een godsdienst [1398], en ik ben uw Heer; vreest mij dus. 55. Maar

de menschen hebben den godsdienst in verschillende secten verdeeld;

ieder gedeelte verheugt zich in hetgeen zij volgen. 56. Laat hen dus in

hunne verwarring tot een zekeren tijd [1399]. 57. Denken zij dat wij

hun een lang leven zullen schenken, en hun bezittingen en kinderen

tot hun heil geven. 58. Dat wij ons zullen haasten, hun allerlei

bezittingen te schenken. 59. Waarlijk, zij die in ontzag zijn uit

vrees voor hunnen Heer. 60. En die gelooven in de teekens van hunnen

Heer. 61. En die geene makkers aan hunnen Heer toeschrijven. 62. Die

aalmoezen geven, en wier harten van vrees zijn doordrongen, omdat zij

eens tot hunnen Heer moeten terugkeeren. 63. Deze spoeden zich naar het

goede en zijn de eersten om het te ontvangen. 64. Wij willen geene ziel

eenige moeielijkheid opleggen, behalve datgene waartoe zij in staat

is. Bij ons is een boek dat de waarheid spreekt, en zij zullen niet

onrechtvaardig worden behandeld. 65. Maar hunne harten zijn verzonken

in achteloosheid nopens dezen godsdienst, en zij hebben werken, die

verschillen van de door ons vermelde; maar zij gaan voort die uit te

voeren. 66. Tot wij diegenen hunner, welke zich in groote bezittingen

verheugen, met eene gestrenge straf kastijden [1400]; onthoudt het,

daar zij dan luid om hulp zullen roepen [1401]. 67. Maar er zal

worden geantwoord: Roept heden niet om hulp; want gij zult door ons

niet ondersteund worden. 68. Mijne teekens werden u voorgelezen;

maar gij hebt u afgewend. 69. U trotschelijk verheffende, omdat

gij den heiligen tempel bezit; des nachts samenspraken houdende

en dwaas sprekende. 70. Beschouwen zij dus niet aandachtig wat tot

hen is gesproken, terwijl eene openbaring tot hen is gekomen, die

niet tot hunne voorvaderen kwam? 71. Of kennen zij hunnen apostel

niet en verwerpen zij hem daarom. 72. Zullen zij zeggen dat hij

een uitzinnige is? Neen! hij is met de waarheid tot hen gekomen;

maar het grootste gedeelte hunner verwerpt de waarheid. 73. Indien

de waarheid hunne begeerte zou hebben gevolgd, waarlijk dan zouden

de hemelen en de aarde, en alles wat er in is, bedorven zijn geweest

[1402]. Maar wij hebben hun eene vermaning gezonden, en zij wenden

zich er van af. 74. Zult gij hun eene belooning vragen? De belooning

van uwen Heer is beter; hij is de beste belooner van weldaden. 75. Gij

noodigt hen gewis tot den rechten weg uit. 76. Maar zij die niet in het

volgende leven gelooven, dwalen zekerlijk van dien weg af. 77. Indien

wij deernis met hen gehad, en hen van het kwaad verlost hadden,

dat over hen gekomen is [1403], zouden zij zekerlijk stijfhoofdiger

in hunne dwaling hebben volhard, in verwarring ronddwalende. 78. Wij

kastijdden hen vroeger met een strijd [1404], maar zij verootmoedigden

zich voor hunnen Heer noch richtten hunne smeekingen tot hem. 79. Tot

wij voor hen eene deur openden, waaruit eene gestrenge straf [1405]

voortkwam, waarna zij tot wanhoop vervielen. 80. God is het die

in u de zintuigen des gehoors en van het gezicht heeft geschapen,

opdat gij onze oordeelen zoudt opmerken, en harten, opdat gij die met

ernst zoudt beschouwen; maar hoe weinigen uwer zijn dankbaar! 81. Hij

is het die u op aarde heeft voortgebracht, en voor hem zult gij

vereenigd worden. 82. Hij is het die leven geeft en doodt, en hij is

het van wien de wisseling van nacht en dag afhangt: begrijpt gij dit

niet? 83. Maar de geloovige bewoners van Mekka zeggen evenals hunne

voorgangers zeiden. 84. Zij zeggen: Als wij dood zijn, en tot stof en

beenderen zullen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk weder tot het

leven worden opgewekt? 85. Wij zijn daarmede reeds bedreigd geworden,

evenals vroeger onze vaderen; dit zijn slechts oude fabelen. 86. Vraag

hun: aan wien behoort de aarde en alles wat daarop is? Spreekt, indien

gij het weet. 87. Zij zullen antwoorden: Aan God. Zeg: Wilt gij dit

niet bedenken? 88. Zeg: Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer

van den prachtigen troon? 89. Zij zullen antwoorden: God. Zeg: Wilt

gij hem dus niet vreezen? 90. Zeg: In wiens hand is het koninkrijk

van alle dingen; wie ondersteunt dengeen die hem behaagt, maar wordt

zelf door niemand ondersteund? Spreekt indien gij het weet? 91. Zij

zullen antwoorden: God. Zeg: Waarom laat gij u dan misleiden. 92. Ja,

wij hebben hen tot de waarheid gebracht, en zij zijn zekerlijk

leugenaars indien zij het loochenen. 93. God heeft geen kroost

gebaard, noch is er eenig God naast hem. Indien dit niet zoo ware,

zou iedere God zekerlijk hebben weggenomen wat hij had geschapen

[1406], en zouden sommigen hunner zich zekerlijk boven de anderen

hebben verheven [1407]. Verre zij datgene van God wat zij nopens hem

verklaren! 94. Hij kent wat verborgen en wat openbaar gemaakt is; het

zij dus verre van hem, de deelgenooten in zijne eer te hebben welke

zij hem toeschrijven! 95. Zeg: O Heer! Zoudt gij mij zekerlijk de

wraak willen doen zien waarmede zij zijn bedreigd. 96. O Heer! plaats

mij niet onder de goddeloozen. 97. Want wij zijn zekerlijk in staat,

u datgene te doen zien waarmede zij bedreigd werden. 98. Wendt het

kwade door het betere af [1408]: wij kennen de lasteringen wel,

die zij tegen u uitspreken. 99. En zeg: O Heer! ik vlucht tot u

als eene schuilplaats tegen de ingevingen der duivelen. 100. En ik

neem mijne toevlucht tot u, o Heer! om hen te verdrijven; opdat zij

niet tegenwoordig met mij zouden zijn [1409]. 101. Het loochenen der

ongeloovigen houdt niet op, dan tot den dood een van hen overvalt,

die dan zegt: O Heer! doe mij tot het leven terugkeeren. 102. Opdat ik

doen moge wat rechtvaardig is, door het ware geloof te belijden dat

ik verwaarloosd heb [1410]. In geenen deele. Waarlijk, dit zijn de

woorden welke gij zult spreken; maar achter hen zal een hek [1411]

zijn tot op den dag der opstanding. 103. Als dus de trompet zal

klinken, dan zal er geen verwantschap meer tusschen hen bestaan. Dan

zullen zij elkander niet om hulp vragen. 104. Zij wier weegschaal

door goede werken zwaar is, zullen gelukkig wezen. 105. Maar zij

wier weegschalen licht zullen wezen, zijn degenen die hunne zielen

verliezen en eeuwig in de hel zullen verblijven. 106. Het vuur zal

hunne aangezichten verteren en zij zullen hunne monden uit angst

samentrekken. 107. En er zal tot hen gezegd worden: Werden mijne

teekenen u niet herinnerd en hebt gij die niet van valschheid

beschuldigd? 108. Zij zullen antwoorden: O Heer! ons ongeluk

beheerschte ons en wij wendden ons af. 109. O Heer! neem ons weg uit

dit vuur; indien we tot onze vroegere zonden terugkeeren, zijn wij

zekerlijk onrechtvaardig. 110. God zal hun zeggen: Gij blijft er in,

en richt het woord niet tot mij. 111. Toen een gedeelte van mijn

dienaren uitriep: O Heer! wij gelooven: vergeef ons dus en wees

ons genadig; want waarlijk gij zijt de genadigste. 112. Hebt gij

hen met spotternijen ontvangen, zoodat deze u mijne vermaning deden

vergeten [1412], en gij hebt hun tot voorwerpen uwer spotternijen

gemaakt. 113. Ik heb hen heden beloond, omdat zij de beleedigingen,

welke gij hun hebt aangedaan, met geduld hebben gedragen: waarlijk,

zij genieten een groot geluk. 114. God zal zeggen: Hoeveel jaren hebt

gij op aarde doorgebracht? 115. Zij zullen antwoorden: Wij hebben daar

een dag of een gedeelte van een dag doorgebracht [1413], maar vraag

hun die rekening te houden [1414]. 116. God zal zeggen: Gij zijt daar

slechts korten tijd gebleven, maar gij weet het niet. 117. Denkt gij

dat wij u slechts uit ijdelheid hebben geschapen en dat gij later

niet voor ons gebracht zult worden? Verheven zij dus God de Koning,

de Waarheid! Er is geen God buiten hem, de Heer van den glansrijken

troon. Wie naast den waren God een anderen God zal aanroepen, omtrent

welken hij geen duidelijk bewijs heeft, zal zekerlijk voor zijn Heer

daarvan rekenschap moeten afleggen. Waarlijk, de ongeloovigen zullen

geen voorspoed genieten. 118. Zeg: O Heer! vergiffenis, en schenk

mij genade; want uwe genade is onbeperkt.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HET LICHT [1415].

Geopenbaard te Medina.--64 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 30 / 89 段