moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van
de overdenking daarvan afgewend. 2. Er komt geene waarschuwing tot
hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard,
of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen
spot. 3. Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die
onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende:
Is deze Mahomet iets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus
naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat
het niets anders is. 4. Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op
aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles. 5. Maar zij zeggen:
De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht;
hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op
dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden. 6. Geene
der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij
voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien
zij een wonder zien? 7. Wij zonden geene andere gezanten vÛÛr hen,
dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die
met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet. 8. Wij gaven
hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel
gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk. 9. Maar wij vervullen onze
belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden,
maar wij verdelgden de zondaren. 10. O KoreÔshieten! wij hebben u het
boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt;
zult gij dit niet begrijpen? 11. En hoevele steden die goddeloos waren,
hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen
opstaan? 12. En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij
ijlings uit die steden. 13. En de engelen zeiden spottenderwijze
tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot
uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden [1312]. 14. Zij
antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig [1313]. 15. En
deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het
afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid. 16. Wij
schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet
tot onze uitspanning [1314]. 17. Indien het ons behaagd had, ons te
vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past [1315],
zoo wij hadden besloten dit te doen. 18. Maar wij zullen de waarheid
tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen
verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij
aan God toeschrijft. 19. Alles wat in den hemel en op aarde bestaat,
is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid
zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit
niet moede. 20. Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien
zich niet. 21. Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den
doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemel of op aarde goden
behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden [1316]. 22. Maar
het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den
Heer van den troon. 23. Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden
nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd
worden. 24. Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever
uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij
bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden [1317] maar
het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan
af. 25. Wij hebben vÛÛr u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden
hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus. 26. Zij zeggen; de
Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters
[1318]. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige
dienaren. 27. Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken [1319], en zij
voeren zijn bevel uit. 28. Hij weet wat vÛÛr hen en wat achter hen is;
zij zullen voor niemand tusschen beiden treden. 29. Behalve voor wien
hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem. 30. Die engel die
zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden;
want zoo vergelden wij den onrechtvaardige. 31. Weten de ongeloovigen
dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van
een gescheiden hebben [1320], en dat wij door middel van water het
leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven? 32. En
wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen
zou bewegen [1321], en wij maakten breede doorgangen er tusschen,
voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden. 33. En wij
maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af
van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk
zijn. 34. Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan
heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne
eigen sfeer. 35. Wij hebben het eeuwige leven vÛÛr u aan niemand in dit
leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft
[1322]? 36. Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven
met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren. 37. Als de
ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende:
Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij
zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld
[1323]. 38. De mensch is van overhaasting geschapen [1324]. Ik zal u
hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die
verhaast worden. 39. Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden,
indien gij de waarheid spreekt? 40. Indien zij die gelooven, niet
wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat
zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen
af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij
dien niet verhaasten. 41. Maar de dag der wraak zal plotseling over
hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn
het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen. 42. Andere gezanten
werden vÛÛr u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de
spotters. 43. Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen
den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking
van hunnen Heer. 44. Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen
verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer
zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan. 45. Maar
wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken
voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet
dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle
zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn? 46. Zeg: Ik
predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem
niet hooren, als gij onder hen predikt. 47. Indien de lichtste adem
van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen:
Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig. 48. Wij zullen juiste
weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal
onrechtvaardig worden behandeld; al zij de verdienste of de schuld
eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen
die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening
hebben ingesteld. 49. Wij gaven vroeger aan Mozes en A‰ron de wet,
zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en
een waarschuwing voor de godvruchtigen. 50. Die hunnen Heer in het
geheim vreezen en het uur des oordeels duchten. 51. Ook is dit boek
eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden;
zult gij die dus loochenen? 52. En wij gaven vroeger aan Abraham zijne
leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede
hij werd begunstigd. 53. Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk
zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen
[1325]? 54. Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen
aanbidden. 55. Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene
duidelijke dwaling verkeerd. 56. Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig
de waarheid, of spot gij met ons? 57. Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is
de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen,
en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen. 58. Ik zweer bij
God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan
zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend. 59. En
gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de
afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het
grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen
er gebeurd was [1326]. 60. En toen zij teruggekeerd waren en de
veroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze
goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon. 61. En sommigen
van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van
hen spreken; hij is Abraham genaamd. 62. Zij zeiden: Brengt hem dus
voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge. 63. En toen
hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij
dit aan onze goden gedaan, o Abraham? 64. Hij antwoordde: Neen: deze,
de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen
spreken. 65. En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander:
Waarlijk, gij zijt de goddeloozen. 66. Later keerden zij tot hunne
vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat
deze niet spreken. 67. Abraham antwoordde: Bidt gij dus naast God aan,
wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene
wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet? 68. Zij zeiden:
Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij
wel. 69. En toen Abraham op den brandstapel was geworpen, zeiden wij:
O vuur! wees koud en beveilig Abraham [1327]. 70. En zij trachtten
hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven
[1328]. 71. En wij bevrijdden hem en Lot door hen in het land te
brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend [1329]. 72. En
wij schonken hem Iza‰k en Jacob als een buitengewoon geschenk, en
wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen. 73. Wij maakten hen
ook tot voorbeelden van godsvrucht [1330], opdat zij anderen door ons
bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede
werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen,
en zij dienden ons. 74. En aan Lot gaven wij wijsheid en kennis,
en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef;
want daar was een zondig en boos volk [1331]. 75. En wij leidden
hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch. 76. En gedenk
Noach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven
vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin
van eene groote droefheid. 77. En wij beschermden hem tegen het volk
dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren,
weshalve wij hen allen verdronken. 78. En herdenk David en Salomo,
toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen
van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed,
en wij waren getuigen van hun oordeel. 79. En wij deden Salomo [1332]
dit begrijpen. En wij schonken hun beiden wijsheid en kennis, en wij
dwongen de bergen en de vogels, ons met David te loven; wij deden
dit. 80. En wij leerden hem de kunst, maliÎnkolders voor u te maken
[1333], om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar
zijn? 81. En aan Salomo onderwierpen wij een sterken wind [1334],
die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden
geschonken [1335]; en wij kenden alle dingen. 82. Ook onderwierpen wij
verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen
op te visschen en andere werken voor hem te verrichten [1336]. En
wij waakten over dezen. 83. En gedenk Job [1337], toen hij zijn Heer
aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij
zijt de genadigste der genadigen. 84. Daarom verhoorden en bevrijdden
wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin,
en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen
die God dienen. 85. En gedenk IsmaÎl en Edris [1338] en Dhu'lkefl
[1339]. Zij waren allen geduldige menschen. 86. Daarom leidden wij hen
in onze genade; want zij waren rechtvaardigen. 87. En herdenk Dhu'lnun
[1340] toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet
op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit [1341]:
Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een
onrechtvaardige. 88. Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van
droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen. 89. En gedenk
Zacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet
kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam. 90. Daarom verhoorden
wij hem en wij schonken hem Yahia (Johannes); en wij stelden zijne
vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er
naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees
aan, en verootmoedigden zich voor ons. 91. En gedenk haar die hare
maagdelijkheid bewaarde [1342], en welke wij van onzen geest inbliezen,
terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen
instelden. 92. Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst [1343],
en ik ben uw Heer; dien mij dus. 93. Maar de menschen hebben onder
elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen
allen voor ons verschijnen. 94. Wie goede werken zal doen en een
waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij
zullen die voor hem opteekenen. 95. Een onverbreekbare vloek ligt op
iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder
in de wereld terugkeere. 96. Tot Gog en Magog een doorgang voor hen
zullen hebben geopend [1344], en zij zullen snel van iederen hoogen
berg afdalen [1345]. 97. En de ware belofte zal hare vervulling nabij
zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd
worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos
omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen. 98. Waarlijk,
o bewoners van Mekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt,
zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult
derwaarts gaan. 99. Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er
niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven. 100. Op
die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren
[1346]. 101. Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning
van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar
verwijderd worden. 102. Zij zullen niet het minste gedruisch er van
hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne
zielen begeeren. 103. De groote schrik zal hen niet verwarren, en de
engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit
is de dag die u werd beloofd. 104. Op dien dag zullen wij de hemelen
oprollen, zoo als de engel Al Sijil [1347] het boek oprolt, waarin de
daden van ieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel
uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit
is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die
zekerlijk uitvoeren. 105. Wij hebben, na de verkondiging der wet,
in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde
zullen erven [1348]. 106. Waarlijk, in dit boek is een toereikend
onderricht bevat voor hen die God aanbidden. 107. O Mahomet! wij hebben
u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen. 108. Zeg:
Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij
u dus aan hem onderwerpen? 109. Maar indien zij aan de belijdenis
van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen
gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij
bedreigd wordt, nabij of verwijderd is. 110. Waarlijk, God kent
het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat
gij in het geheim zegt. 111. Ik weet het niet, maar misschien is het
uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed
van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten. 112. Zeg: O
Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze
Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de
lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE PELGRIMSTOCHT [1349].
Gegeven te Mekka [1350].--78 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.