1. De tijd nadert, waarop de bewoners van Mekka rekenschap zullen

moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van

de overdenking daarvan afgewend. 2. Er komt geene waarschuwing tot

hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard,

of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen

spot. 3. Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die

onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende:

Is deze Mahomet iets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus

naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat

het niets anders is. 4. Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op

aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles. 5. Maar zij zeggen:

De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht;

hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op

dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden. 6. Geene

der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij

voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien

zij een wonder zien? 7. Wij zonden geene andere gezanten vÛÛr hen,

dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die

met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet. 8. Wij gaven

hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel

gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk. 9. Maar wij vervullen onze

belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden,

maar wij verdelgden de zondaren. 10. O KoreÔshieten! wij hebben u het

boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt;

zult gij dit niet begrijpen? 11. En hoevele steden die goddeloos waren,

hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen

opstaan? 12. En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij

ijlings uit die steden. 13. En de engelen zeiden spottenderwijze

tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot

uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden [1312]. 14. Zij

antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig [1313]. 15. En

deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het

afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid. 16. Wij

schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet

tot onze uitspanning [1314]. 17. Indien het ons behaagd had, ons te

vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past [1315],

zoo wij hadden besloten dit te doen. 18. Maar wij zullen de waarheid

tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen

verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij

aan God toeschrijft. 19. Alles wat in den hemel en op aarde bestaat,

is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid

zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit

niet moede. 20. Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien

zich niet. 21. Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den

doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemel of op aarde goden

behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden [1316]. 22. Maar

het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den

Heer van den troon. 23. Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden

nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd

worden. 24. Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever

uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij

bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden [1317] maar

het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan

af. 25. Wij hebben vÛÛr u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden

hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus. 26. Zij zeggen; de

Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters

[1318]. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige

dienaren. 27. Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken [1319], en zij

voeren zijn bevel uit. 28. Hij weet wat vÛÛr hen en wat achter hen is;

zij zullen voor niemand tusschen beiden treden. 29. Behalve voor wien

hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem. 30. Die engel die

zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden;

want zoo vergelden wij den onrechtvaardige. 31. Weten de ongeloovigen

dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van

een gescheiden hebben [1320], en dat wij door middel van water het

leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven? 32. En

wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen

zou bewegen [1321], en wij maakten breede doorgangen er tusschen,

voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden. 33. En wij

maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af

van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk

zijn. 34. Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan

heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne

eigen sfeer. 35. Wij hebben het eeuwige leven vÛÛr u aan niemand in dit

leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft

[1322]? 36. Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven

met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren. 37. Als de

ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende:

Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij

zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld

[1323]. 38. De mensch is van overhaasting geschapen [1324]. Ik zal u

hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die

verhaast worden. 39. Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden,

indien gij de waarheid spreekt? 40. Indien zij die gelooven, niet

wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat

zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen

af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij

dien niet verhaasten. 41. Maar de dag der wraak zal plotseling over

hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn

het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen. 42. Andere gezanten

werden vÛÛr u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de

spotters. 43. Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen

den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking

van hunnen Heer. 44. Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen

verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer

zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan. 45. Maar

wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken

voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet

dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle

zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn? 46. Zeg: Ik

predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem

niet hooren, als gij onder hen predikt. 47. Indien de lichtste adem

van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen:

Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig. 48. Wij zullen juiste

weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal

onrechtvaardig worden behandeld; al zij de verdienste of de schuld

eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen

die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening

hebben ingesteld. 49. Wij gaven vroeger aan Mozes en A‰ron de wet,

zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en

een waarschuwing voor de godvruchtigen. 50. Die hunnen Heer in het

geheim vreezen en het uur des oordeels duchten. 51. Ook is dit boek

eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden;

zult gij die dus loochenen? 52. En wij gaven vroeger aan Abraham zijne

leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede

hij werd begunstigd. 53. Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk

zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen

[1325]? 54. Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen

aanbidden. 55. Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene

duidelijke dwaling verkeerd. 56. Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig

de waarheid, of spot gij met ons? 57. Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is

de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen,

en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen. 58. Ik zweer bij

God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan

zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend. 59. En

gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de

afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het

grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen

er gebeurd was [1326]. 60. En toen zij teruggekeerd waren en de

veroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze

goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon. 61. En sommigen

van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van

hen spreken; hij is Abraham genaamd. 62. Zij zeiden: Brengt hem dus

voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge. 63. En toen

hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij

dit aan onze goden gedaan, o Abraham? 64. Hij antwoordde: Neen: deze,

de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen

spreken. 65. En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander:

Waarlijk, gij zijt de goddeloozen. 66. Later keerden zij tot hunne

vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat

deze niet spreken. 67. Abraham antwoordde: Bidt gij dus naast God aan,

wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene

wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet? 68. Zij zeiden:

Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij

wel. 69. En toen Abraham op den brandstapel was geworpen, zeiden wij:

O vuur! wees koud en beveilig Abraham [1327]. 70. En zij trachtten

hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven

[1328]. 71. En wij bevrijdden hem en Lot door hen in het land te

brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend [1329]. 72. En

wij schonken hem Iza‰k en Jacob als een buitengewoon geschenk, en

wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen. 73. Wij maakten hen

ook tot voorbeelden van godsvrucht [1330], opdat zij anderen door ons

bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede

werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen,

en zij dienden ons. 74. En aan Lot gaven wij wijsheid en kennis,

en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef;

want daar was een zondig en boos volk [1331]. 75. En wij leidden

hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch. 76. En gedenk

Noach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven

vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin

van eene groote droefheid. 77. En wij beschermden hem tegen het volk

dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren,

weshalve wij hen allen verdronken. 78. En herdenk David en Salomo,

toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen

van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed,

en wij waren getuigen van hun oordeel. 79. En wij deden Salomo [1332]

dit begrijpen. En wij schonken hun beiden wijsheid en kennis, en wij

dwongen de bergen en de vogels, ons met David te loven; wij deden

dit. 80. En wij leerden hem de kunst, maliÎnkolders voor u te maken

[1333], om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar

zijn? 81. En aan Salomo onderwierpen wij een sterken wind [1334],

die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden

geschonken [1335]; en wij kenden alle dingen. 82. Ook onderwierpen wij

verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen

op te visschen en andere werken voor hem te verrichten [1336]. En

wij waakten over dezen. 83. En gedenk Job [1337], toen hij zijn Heer

aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij

zijt de genadigste der genadigen. 84. Daarom verhoorden en bevrijdden

wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin,

en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen

die God dienen. 85. En gedenk IsmaÎl en Edris [1338] en Dhu'lkefl

[1339]. Zij waren allen geduldige menschen. 86. Daarom leidden wij hen

in onze genade; want zij waren rechtvaardigen. 87. En herdenk Dhu'lnun

[1340] toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet

op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit [1341]:

Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een

onrechtvaardige. 88. Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van

droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen. 89. En gedenk

Zacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet

kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam. 90. Daarom verhoorden

wij hem en wij schonken hem Yahia (Johannes); en wij stelden zijne

vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er

naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees

aan, en verootmoedigden zich voor ons. 91. En gedenk haar die hare

maagdelijkheid bewaarde [1342], en welke wij van onzen geest inbliezen,

terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen

instelden. 92. Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst [1343],

en ik ben uw Heer; dien mij dus. 93. Maar de menschen hebben onder

elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen

allen voor ons verschijnen. 94. Wie goede werken zal doen en een

waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij

zullen die voor hem opteekenen. 95. Een onverbreekbare vloek ligt op

iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder

in de wereld terugkeere. 96. Tot Gog en Magog een doorgang voor hen

zullen hebben geopend [1344], en zij zullen snel van iederen hoogen

berg afdalen [1345]. 97. En de ware belofte zal hare vervulling nabij

zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd

worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos

omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen. 98. Waarlijk,

o bewoners van Mekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt,

zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult

derwaarts gaan. 99. Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er

niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven. 100. Op

die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren

[1346]. 101. Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning

van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar

verwijderd worden. 102. Zij zullen niet het minste gedruisch er van

hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne

zielen begeeren. 103. De groote schrik zal hen niet verwarren, en de

engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit

is de dag die u werd beloofd. 104. Op dien dag zullen wij de hemelen

oprollen, zoo als de engel Al Sijil [1347] het boek oprolt, waarin de

daden van ieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel

uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit

is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die

zekerlijk uitvoeren. 105. Wij hebben, na de verkondiging der wet,

in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde

zullen erven [1348]. 106. Waarlijk, in dit boek is een toereikend

onderricht bevat voor hen die God aanbidden. 107. O Mahomet! wij hebben

u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen. 108. Zeg:

Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij

u dus aan hem onderwerpen? 109. Maar indien zij aan de belijdenis

van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen

gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij

bedreigd wordt, nabij of verwijderd is. 110. Waarlijk, God kent

het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat

gij in het geheim zegt. 111. Ik weet het niet, maar misschien is het

uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed

van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten. 112. Zeg: O

Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze

Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de

lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PELGRIMSTOCHT [1349].

Gegeven te Mekka [1350].--78 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 29 / 89 段