1. [1218] C. H. Y. A. S. Zie hier eene herinnering van de genade van

uwen Heer, omtrent zijn dienaar Zacharias. 2. Toen hij zijn Heer

aanriep met eene geheime aanroeping. 3. En zeide O Heer! waarlijk

mijne beenderen zijn verzwakt en mijn hoofd is wit geworden door

grijsheid. 4. En ik was nimmer ongelukkig in mijne gebeden tot u, o

Heer! 5. Maar ik vrees mijne bloedverwanten, die mij zullen opvolgen;

want mijne vrouw is onvruchtbaar: geef mij dus een opvolger uit mijn

eigen lichaam van u. 6. Die mijn erfgenaam zal zijn en een erfgenaam

van het gezin van Jacob; en geef, o Heer! dat hij door u aangenomen

worde. 7. En de engel antwoordde hem: O Zacharias! waarlijk wij brengen

u tijdingen van een zoon, wiens naam Yahya zal zijn. 8. Wij hebben

niemand vÛÛr hem dien naam doen dragen [1219]. 9. Zacharias zeide: Hoe

zal ik een zoon hebben, terwijl ik zei dat mijne vrouw onvruchtbaar is,

en ik thans tot hoogen ouderdom gekomen en afgeleefd ben? 10. De engel

zeide: Zoo zal het zijn. Uw Heer zeide: Dit is mij gemakkelijk. Ik

heb u vroeger geschapen, toen gij nog niets waart. 11. Zacharias

antwoordde: O Heer! geef mij een teeken. De engel hernam: Uw teeken zal

zijn, dat gij in drie nachten niet tot de menschen zult spreken [1220]

hoewel gij u in volmaakte gezondheid bevindt. 12. En hij ging tot zijn

volk uit het vertrek en hij maakte hun teekenen [1221], alsof hij wilde

zeggen: Geloofd zij God, des ochtends en des avonds. 13. En wij zeiden

tot zijn zoon: O Johannes! ontvang het boek der wet, met het besluit,

dat te leeren en in acht te nemen. En wij schonken hem wijsheid,

toen hij nog slechts een kind was. 14. En onze genade en zuiverheid

des levens [1222]; en hij was een vroom mensch en deed zijnen plicht

omtrent zijne ouders, en hij was trotsch noch weerspannig. 15. Vrede

zij op hem! den dag dat hij werd geboren, en den dag waarop hij

zal sterven, en ook den dag waarop hij tot het leven zal worden

opgewekt. 16. Herdenk in het boek van den Koran het verhaal van Maria,

toen zij zich van haar gezin naar eene plaats ten Oosten verwijderde

[1223]. 17. En een sluier nam, om zich aan de blikken van anderen te

onttrekken [1224]. Wij zonden onzen geest GabriÎl tot haar, en hij

verscheen haar in de gedaante van een volmaakt mensch. 18. Zij zeide:

Ik zoek eene schuilplaats bij den genadigen God, opdat hij mij tegen

u verdedige. Indien gij hem vreest zult gij mij niet naderen. 19. Hij

antwoordde: Waarlijk, ik ben de boodschapper van uwen Heer, en ik

ben gezonden om u een heiligen zoon te geven. 20. Zij zeide: Hoe

zal ik een zoon hebben; geen man heeft mij aangeraakt, en ik ben

geene ontuchtige vrouw. 21. GabriÎl hernam: Zoo zal het zijn. Uw Heer

zeide: Dit is mij gemakkelijk, en wij zullen het doen, ten einde hem

tot een teeken voor de menschen en tot eene genade van ons te doen

zijn. Het is eene besloten zaak. 22. Zij ontving hem dus [1225], en

zij verwijderde zich, met hem in haren schoot, naar eene afgelegen

plaats [1226]. 23. En de pijnen der geboorte overvielen haar nabij

den stam van een palmboom [1227]. Zij zeide: God gave dat ik vÛÛr dit

oogenblik ware gestorven; dat ik vergeten en in vergetelheid verloren

ware [1228]. 24. En hij die beneden haar was, riep haar toe [1229],

zeggende: Wees niet bedroefd! God heeft eene beek aan uwe voeten

doen stroomen. 25. Schudt den stam van den palmboom, en rijpe dadels

zullen op u nedervallen [1230]. 26. Eet en drink en stel uw hart

[1231] gerust. Indien gij een man ziet die u ondervraagt. 27. Zeg

dan: Waarlijk, ik heb den Barmhartige een vasten toegewijd, zoodat

ik dezen dag volstrekt niet tot een man spreken zal. 28. Zij bracht

het kind tot haar volk, hem in hare armen dragende. En zij zeiden

tot haar: O Maria! gij hebt eene vreemde zaak bedreven. 29. O Zuster

van A‰ron [1232]! uw vader was geen slecht man, en uwe moeder geen

ontuchtige vrouw. 30. Maar zij maakte teekenen tot het kind om hun

te antwoorden. En zij zeiden: Hoe kunnen wij tot hem spreken, die

nog een kind in de wieg is? 31. Daarop zeide het kind: Waarlijk,

ik ben Gods dienaar; hij heeft mij het boek gegeven en mij tot een

profeet gemaakt. 32. En hij heeft gewild, dat ik gezegend zou zijn,

overal waar ik mij ook zou mogen bevinden; hij heeft mij bevolen,

het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, zoo lang ik zal

leven. 33. Hij heeft mij gehoorzaam omtrent mijne moeder gemaakt en

hij zal mij niet trotsch of ellendig doen worden [1233]. 34. Vrede

zij op mij, den dag, waarop ik werd geboren en den dag waarop ik

zal sterven, en den dag, waarop ik tot het leven zal worden opgewekt

[1234]. 35. Dit was Jezus de zoon van Maria, die het woord der waarheid

zou spreken, waaromtrent zij twijfelen. 36. Het is niet passend

voor God dat hij een zoon zou hebben; zulk eene lastering zij verre

van hem. Als hij over iets besluit zegt hij slechts: Wees! en het is

[1235]. 37. Waarlijk, God is mijn Heer en ˘w Heer; dien hem dus; dit is

de rechte weg. 38. De partijen verschillen onder elkander nopens Jezus;

maar wee over hen, die ongeloovigen zijn, wegens hunne verschijning op

den grooten dag. 39. Doe hen hooren en doe hen zien op den dag, waarop

zij tot ons zullen komen om geoordeeld te worden; maar de goddeloozen

verkeeren heden in eene duidelijke dwaling. 40. Waarschuw hen voor den

dag der zuchten, als de zaak zal worden bepaald, terwijl zij thans

in achteloosheid zijn verzonken en niet gelooven. 41. Waarlijk, wij

zullen de aarde erven en al de schepselen die zich daarop bevinden

[1236], en tot ons zullen zij allen terugkeeren. 42. En herdenk

Abraham en het boek van den Koran; want hij was iemand van groote

geloofwaardigheid en een profeet. 43. Toen hij tot zijnen vader zeide

[1237]: O mijn vader! waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch

ziet en u volstrekt niet van voordeel is? 44. O mijn vader! waarlijk,

mij werd een deel van kennis geschonken, dat u niet is gegeven; volg

mij dus; ik zal u op den effen weg leiden. 45. O mijn vader! dien Satan

niet: want Satan was weÍrspannig tegen den Barmhartige. 46. O mijn

vader! waarlijk, ik vrees, dat u eene straf van den Barmhartige zal

worden opgelegd, en gij een makker van Satan wordt. 47. Zijn vader

antwoordde: Verwerpt gij mijne goden, o Abraham! Indien gij niet

ophoudt, zal ik u zekerlijk steenigen; verlaat mij dus voor langen

tijd. 48. Abraham antwoordde: Vrede zij op u! Ik zal van mijnen Heer

vergiffenis voor u vragen; want hij is genadig omtrent mij. 49. Ik wil

mij van u scheiden en van de afgoden, welke gij naast God aanbidt,

en ik zal mijn Heer aanroepen; misschien ben ik niet ongelukkig in

mijne gebeden tot den Heer. 50. En toen hij zich had gescheiden

[1238] van hen en van de afgoden, welke zij naast God aanriepen,

gaven wij hem Iza‰k en Jacob, en wij maakten ieder van hen tot

een profeet. 51. En wij gaven hun, door onze genade de profetiÎn

en kinderen en welvaart, en wij deden hen de hoogste aanbeveling

verdienen [1239]. 52. En gedenk Mozes in het boek van den Koran;

want hij was zeer oprecht, een gezant en een profeet. 53. En wij

riepen hem van de rechterzijde van den berg SinaÔ, en deden hem

naderen om zich in het bijzonder met ons te onderhouden. 54. Wij

gaven hem door onze genade, zijn broeder A‰ron, een profeet, als zijn

helper. 55. Herdenk ook IsmaÎl in hetzelfde boek; want hij was getrouw

aan zijne beloften [1240], gezant en profeet. 56. En hij beval zijn

gezin, het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, en hij was

zijnen Heer aangenaam. 57. En herdenk Edris [1241] in hetzelfde boek;

want hij was een rechtvaardig mensch. 58. Wij verhieven hem tot een

hooge plaats [1242]. 59. Dit zijn zij, voor wie God weldadig was,

onder de profeten der nakomelingschap van Adam en van hen, welke wij

in de ark met Noach bewaarden, en van de nakomelingschap van Abraham,

en van IsraÎl, en van hen welke wij geleid en gekozen hebben. Toen

hun de teekens van den Barmhartige waren voorgelezen, vielen zij

aanbiddende neder en weenden. 60. Maar een volgend geslacht is na

hen gekomen, dat het gebed verwaarloosde en zijne lusten volgde:

zij zullen zekerlijk in de hel worden nedergestort. 61. Behalve

zij, die berouw toonen en gelooven, en doen wat rechtvaardig is;

deze zullen in het paradijs komen en in het minst niet gekrenkt

worden. 62. Tuinen van eeuwig verblijf zullen hunne belooning zijn,

welke de Barmhartige zijnen dienaren heeft beloofd, als een onderwerp

des geloofs; en zijne belofte zal zekerlijk vervuld worden. 63. Daar

zullen zij geene ijdele gesprekken hooren, maar vrede [1243], en hun

voedsel zal daar des ochtends en des avonds voor hen worden gereed

gemaakt. 64. Dit is het paradijs, dat wij als eene erfenis zullen geven

aan hen, die godvruchtig zijn. 65. Wij [1244] dalen niet uit den hemel

neder dan op het bevel van uwen Heer; aan hem behoort al wat voor of

achter ons is en wat zich in de tusschenliggende ruimte bevindt. Uw

Heer vergeet u nimmer. 66. Hij is de Heer van hemel en aarde en van

hetgeen daar tusschen is; aanbidt hem dus en weest volhardend in zijne

aanbidding. Kent gij een van denzelfden naam als hij? [1245] 67. De

mensch zegt [1246]: Nadat ik dood zal wezen, zal ik dan werkelijk

levend uit het graf worden gebracht? 68. Gedenkt de mensch niet, dat

wij hem vroeger schiepen, toen hij niets was? 69. Maar ik zweer u bij

uwen Heer, dat wij hen en de duivels zekerlijk zullen verzamelen,

om hen te oordeelen [1247]; dan zullen wij hen op hunne knieÎn

rondom de hel plaatsen. 70. Daarna zullen wij van iedere partij

degenen verwijderen, die het weerspannigst tegen den Heer waren

[1248]. 71. Wij weten het beste, wie van hen het meeste waard is,

daarin verbrand te worden [1249]. 72. Er is niemand van u, die

haar niet zal naderen [1250]; dit is een vast besluit van uwen

Heer. 73. Daarna zullen wij hen bevrijden, die godvruchtig waren;

doch wij zullen de goddeloozen op hunne knieÎn daarin laten. 74. Als

hun onze duidelijke teekens worden voorgelezen, zeggen de ongeloovigen

tot de ware geloovigen: Wie der beide partijen bekleedt de verhevenste

plaats en vormt de uitmuntendste verzameling [1251]? 75. Maar hoeveel

geslachten hebben wij vÛÛr hen verwoest, die hen in welvaart en

in uiterlijk aanzien overtroffen? 76. Zeg: Aan hem die in dwaling

verkeert, zal God een lang en voorspoedig leven schenken. 77. Tot

zij zien waarmede zij worden bedreigd; hetzij de straf van dit

leven of die van het jongste uur, en hierna zullen zij weten,

wie in den slechten toestand verkeert en het zwakste van krachten

is. 78. God zal tot de goede richting bijdragen van hen die op den

rechten weg zijn geleid. 79. En de goede werken, die eeuwig blijven,

zijn voor het aangezicht van uwen Heer, wat de belooning betreft,

beter dan wereldsche bezittingen, en verkieslijker met betrekking tot

de toekomstige belooning. 80. Hebt gij hem gezien, die niet in onze

teekenen gelooft, en zegt: Zekerlijk zullen mij rijkdommen en kinderen

worden geschonken [1252]? 81. Is hij bekend met de geheimen der

toekomst, of heeft hij een verbond met den Barmhartige aangegaan, dat

het zoo zal wezen? Volstrekt niet. 82. Wij zullen zekerlijk opschrijven

wat hij zegt, en zijne straf vermeerderen. 83. En wij zullen zijn

erfgenaam wezen van datgene, waarvan hij spreekt [1253], en op den

jongsten dag zal hij alleen en naakt voor ons verschijnen. 84. Zij

hebben andere goden naast God genomen, opdat zij hun tot zegen [1254]

konden zijn. Volstrekt niet. 85. Hierna zullen zij hunne aanbidding

loochenen [1255] en hunne tegenstanders [1256] worden. 86. Ziet gij

niet, dat wij de duivels tegen de ongeloovigen zenden, om hun door

hunne ingevingen tot het kwaad te verlokken? 87. Haast u dus niet het

verderf op hen af te smeeken; want wij geven hun een bepaald aantal

dagen van uitstel. 88. Op een zekeren dag zullen wij de godvruchtigen

op eervolle wijze voor den Barmhartige verzamelen, als gezanten,

die in de tegenwoordigheid van een vorst komen. 89. Maar wij zullen

de zondaren in de hel drijven, zoo als het vee in het water wordt

gedreven. 90. Zij zullen geene voorspraak verkrijgen, behalve hij,

die een verbond van den Barmhartige heeft ontvangen [1257]. 91. Zij

zeggen: De Barmhartige heeft kinderen gebaard. Welk eene godslastering

hebt gij daarmede uitgesproken! 92. Er is slechts weinig toe noodig,

opdat de hemelen bij deze woorden verscheurd worden, en de aarde

in tweeÎn gespleten worde en de bergen nedervallen. 93. Omdat zij

kinderen aan God beschrijven, terwijl het Gode niet past kinderen

te baren. 94. Waarlijk, er is niemand in den hemel of op aarde, die

den Barmhartige niet als zijn dienaar zal naderen. Hij omringt hen

door zijne kennis en macht, en telt hen met nauwkeurigheid. 95. Zij

zullen allen op den dag der opstanding voor hem verschijnen, verlaten

zoowel van helpers als volgelingen. 96. Maar wat degenen betreft,

die gelooven en goede werken doen, de Barmhartige zal hun liefde

schenken [1258]. 97. Waarlijk, wij hebben den Koran gemakkelijk voor

uwe tong gemaakt door hem in uwe taal te geven, opdat gij daardoor den

godvruchtige onze beloften verklaren, en het twistzieke volk dreigend

waarschuwen zoudt. 98. En hoevele geslachten hebben wij niet vÛÛr

hen verdelgd? Vindt gij, dat er een aan hen gebleven is? Of hebt gij

slechts een zucht over hen gehoord.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

T. H. [1259].

1. T. H. Wij hebben u den Koran niet nedergezonden om u ongelukkig

te maken [1260]. 2. Maar als eene waarschuwing voor hem die God

vreest. 3. Zijnde nedergezonden door hem, die de aarde schiep en

de verheven hemelen. 4. De Barmhartige zit op zijn troon. 5. Aan

hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde, en alles wat daar

tusschen, en wat zich onder de aarde bevindt. 6. Indien gij uwe gebeden

met luide stem uitspreekt, weet dat dit voor God niet noodig is;

want hij weet wat in het geheim wordt gezegd en wat nog meer verborgen

is. 7. God! er is geen God buiten hem; hij heeft de meest uitmuntende

namen [1261]. 8. Zijt gij onderricht geworden nopens de geschiedenis

van Mozes [1262]? 9. Toen hij vuur zag, zeide hij tot zijn gezin:

Blijf hier; want ik bemerk vuur. 10. Misschien kan ik u een brandend

stuk hout daarvan medebrengen, of zal ik de richting van onzen weg

door het vuur vinden [1263]. 11. En toen hij naderbij gekomen was,

riep hem eene stem toe zeggende: O Mozes! 12. Waarlijk, ik ben uw Heer;

leg ons uwe schoenen af [1264]; want gij zijt in de heilige vallei

Towa. 13. En ik heb u gekozen; luister dus aandachtig naar hetgeen u

is geopenbaard. 14. Waarlijk, ik ben God; er is geen God buiten mij:

aanbid mij dus en doe uw gebed ter mijner herinnering. 15. Waarlijk,

het uur komt; ik zal het gewis duidelijk verkondigen. 16. Opdat

iedere ziel hare vergelding moge ontvangen voor hetgeen zij met

overleg heeft gedaan. 17. Laat hij, die niet daarin gelooft en die

zijne lusten volgt, u niet er van afhouden, daaraan te gelooven,

opdat gij niet verdoemd wordet. 18. Wat hebt gij in uwe rechterhand,

Mozes? 19. Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en

waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook

voor andere doeleinden bezig. 20. God zeide tot hem: Werp dien weg;

o Mozes! 21. En hij wierp dien weg en zie hij werd eene slang [1265],

die voortliep. 22. God zeide: Vat haar aan en vrees niet [1266]; wij

zullen haar tot haren vorigen toestand terugbrengen. 23. En leg uwe

rechterhand onder uwen linkerarm en zij zal wit worden, zonder eenig

nadeel. Dit zal een ander teeken wezen. 24. Opdat wij u eenige onzer

grootste teekenen zullen doen zien. 25. Ga tot Pharao; want hij is zeer

goddeloos. 26. Mozes antwoordde: Heer! verwijd mijne borst. 27. En

maak mij gemakkelijk wat gij mij hebt bevolen. 28. En ontbindt den

knoop van mijne tong. 29. Opdat zij mijne woorden kunnen verstaan

[1267]. 30. Geef mij een raadgever uit mijn gezin. 31. Namelijk A‰ron,

mijn broeder. 32. Omgord mijne lendenen met hem. 33. En maak hem

tot mijn makker in de zaak [1268]. 34. Opdat wij u dankbaar loven

en u dikwijls herdenken mogen. 35. Want gij ziet ons. 36. God

antwoordde: Nu is aan uw verzoek voldaan, o Mozes! 37. En wij

zijn vroeger genadig omtrent u geweest. 38. Toen wij uwe moeder

openbaarden wat haar geboodschapt werd [1269], zeggende: 39. Leg

uwen zoon in eene kist en werp hem in zee, en de rivier zal hem op

het strand werpen, en mijn vijand en zijn vijand zal hem opnemen en

opvoeden [1270]. 40. En ik schonk u van mijne liefde [1271], opdat

gij onder mijne oogen zoudt opgevoed worden. 41. Toen uwe zuster

heen ging en zeide: Zal ik u tot iemand brengen, die het kind wil

zogen [1272]? Toen brachten wij u tot uwe moeder terug, opdat zij

gerustgesteld worden en niet bedroefd zijn zou. Gij dooddet eene

ziel en wij redden u van het ongeluk [1273]; en wij beproefden u

met verschillende proeven. 42. En later woondet gij eenige jaren

[1274] onder de inwoners van Madian. Daarop kwaamt gij herwaarts,

overeenkomstig ons besluit, o Mozes! 43. En ik heb u voor mij zelven

gekozen; 44. gaat dus, gij en uw broeder [1275], met mijne teekenen

en wees niet achteloos in mijne herdenking. 45. Gaat tot Pharao;

want hij is zeer goddeloos. 46. En spreekt bedaard tot hem; misschien

zal hij nadenken, of onze bedreigingen vreezen. 47. Zij antwoordden:

O Heer! waarlijk, wij vreezen dat hij zeer gewelddadig omtrent ons zal

handelen, of dat hij nog buitensporiger zal zondigen. 48. God hernam:

Vreest niet; want ik ben met u. Ik zal hooren en zien. 49. Gaat

dus tot hem en zegt: Waarlijk wij zijn de gezanten van uwen Heer;

zendt dus de kinderen IsraÎls met ons en mishandel hen niet. Wij

zijn met een teeken van uwen Heer tot u gekomen; en vrede zij op

hem, die de ware richting zal volgen. 50. Waarlijk, het is ons reeds

geopenbaard, dat hem eene straf zal worden opgelegd, die ons van bedrog

beschuldigen en zich afwenden zal. 51. En toen zij hunne zending

hadden medegedeeld, zeide Pharao: Wie is uw Heer o Mozes? 52. Hij

antwoordde: Hij geeft alle dingen; hij heeft die geschapen, en leidt

door zijne voorzienigheid. 53. Pharao zeide: Wat was dan de bedoeling

der vroegere geslachten [1276]? 54. Mozes antwoordde: De kennis

daarvan is bij mijn Heer. in het boek zijner besluiten; mijn Heer

dwaalt noch vergeet. 55. Hij is het, die de aarde als een bed voor u

heeft uitgespreid, en daarop paden voor u heeft gemaakt; hij is het,

die den regen van den hemel nederzendt, waardoor wij verschillende

soorten van planten doen voortspruiten. 56. Zeggende: Eet van een

gedeelte en voedt uw vee met het andere deel daarvan. Waarlijk, hierin

zijn teekenen voor hen, die met begrip zijn begaafd. 57. Wij hebben

u uit aarde geschapen en tot haar zullen wij u doen terugkeeren,

en wij zullen u ten tweede male daaruit doen voortkomen. 58. En wij

toonden Pharao al onze teekenen, welke wij Mozes gemachtigd hadden

uit te voeren, doch hij verklaarde die tot logens en weigerde te

gelooven. 59. En hij zeide: Zijt gij tot ons gekomen, opdat gij ons

door uwe toovenarijen het bezit van ons land zoudt kunnen ontrooven, o

Mozes? 60. Waarlijk, wij zullen u dezelfde toovenarij doen zien; bepaal

dus eene samenkomst tusschen ons en u; wij zullen er niet ontbreken en

ook gij niet, op eene gelijke plaats. 61. Mozes antwoordde: Laat onze

ontmoeting zijn op den dag van uw plechtig feest [1277], en laat het

volk zich op den vollen dag verzamelen. 62. En Pharao ging van Mozes

weg en verzamelde de behendigste toovenaars bij elkander om zijne list

uit te voeren, en kwam daarna op de bepaalde samenkomst. 63. Mozes

zeide tot hem: Wee kome over u! verzin geene leugen tegen God

[1278]. 64. Hij zou u door zijn oordeel geheel verdelgen; want hij

die leugens uitdenkt, zal niet gelukkig zijn. 65. En de toovenaars

twistten onder elkander nopens hunne zaak en spraken met elkander in

het geheim. 66. En zij zeiden: Deze twee zijn zekerlijk toovenaars;

zij trachten u, door hunne toovenarij, het bezit van uw land te rooven,

en uwe voornaamste en aanzienlijkste lieden weg te voeren. 67. Verzamel

dus al uwe kunstmiddelen en schaar u daarna in orde; want hij die heden

de bovenhand behoudt, zal gelukkig zijn. 68. Zij zeiden: O Mozes! wilt

gij uwen staf het eerste wegwerpen, of zullen wij de eersten zijn die

onze staven wegwerpen? 69. Hij antwoordde: Werpt gij uwe staven het

eerste weg. En zie, hunne koorden en hunne staven schenen hem toe,

door hunne tooverij als slangen te loopen [1279]. 70. Daarom koesterde

Mozes vrees in zijn hart. 71. Maar wij zeiden tot hem: Vrees niet;

want gij zult de bovenhand behouden. 72. Werp dus den staf weg, die

zich in uwe rechterhand bevindt, en hij zal de schijnbare slangen

verslinden welke zij gemaakt hebben; want hetgeen zij gemaakt hebben

is slechts de kunstgreep van een toovenaar, en een toovenaar zal

niet gelukkig zijn van waar hij ook moge komen. 73. En de toovenaars

vielen neder toen zij het wonder zagen, dat door Mozes was uitgevoerd,

en zij aanbaden, zeggende: Wij gelooven in den Heer van A‰ron en van

Mozes! 74. Pharao zeide tot hen: Gelooft gij in hem, alvorens ik u

verlof geef? Waarlijk, hij is uw meester, die u in de toovenarij heeft

onderricht. Maar ik zal zekerlijk uwe handen en uwe voeten aan de

tegenovergestelde zijde afsnijden, en ik zal u kruisigen aan stammen

van palmboomen [1280], en gij zult weten, wie van ons gestrenger in

het straffen is, en uwe smarten langer kan doen aanhouden. 75. Wij

zullen nimmer meer eerbied voor u hebben, zeiden zij, dan voor deze

duidelijke wonderen, die ons getoond zijn, of ook voor hem die ons

heeft geschapen. Spreek dus de straf over ons uit, welke gij op

het punt staat uit te spreken; want gij kunt alleen in dit leven

straffen. Waarlijk, wij gelooven in onzen Heer, opdat hij ons onze

zonden moge vergeven en de toovenarij, welke gij ons hebt gedwongen uit

te oefenen; maar God kan beter beloonen en is meer dan gij in staat,

de straf te verlengen. 76. Waarlijk, al wie op den dag des oordeels

voor zijn Heer zal verschijnen met misdaden belast, zal de hel tot

belooning hebben; hij zal daarin noch sterven, noch leven. 77. Wie

een waar geloovige was en rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend,

voor dezen zijn de graden van het grootste geluk bereid. 78. Namelijk

tuinen van eeuwig verblijf [1281], die door rivieren zullen besproeid

worden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en dit zal de belooning

zijn voor hem, die zuiver zal wezen. 79. En wij spraken door openbaring

tot Mozes, zeggende: Vertrek met mijne dienaren des nachts uit Egypte

en sla de wateren met uwen staf, en maak hun een droog pad door de

zee [1282]. 80. Vrees niet dat Pharao U zal overvallen, en wees niet

bang. 81. En toen Mozes aldus had gehandeld, vervolgde Pharao hem

met zijne strijdmachten, en de wateren der zee overdekten hen. En

Pharao deed zijn volk dwalen en hij leidde hen niet op den rechten

weg. 82. Aldus, o kinderen IsraÎls! bevrijdden wij u van uwen vijand,

en wij wezen u de rechterzijde van den berg SinaÔ aan, om Mozes te

spreken en hem de wet te geven, en wij deden manna en kwakkels op u

nederdalen [1283], zeggende: 83. Eet van de goede dingen, welke wij u

tot voedsel hebben gegeven, en zondig daarin niet [1284], opdat mijne

verontwaardiging niet opgewekt worde; want hij over wien mijn toorn

zal komen, zal verloren zijn. 84. Maar ik zal barmhartig zijn omtrent

hem, die berouw gevoelen en gelooven zal, en doet wat goed is, en die

op den rechten weg zal volgen. 85. Wat heeft u, o Mozes! uw volk doen

verlaten om de wet te ontvangen? 86. Hij antwoordde: Zij volgen mijne

voetstappen, en ik heb mij gehaast tot u te gaan, opdat ik u aangenaam

zou mogen wezen. 87. God zeide: Wij hebben uw volk sedert uw vertrek

reeds beproefd [1285], en Al Sameri [1286] heeft hen tot afgoderij

verleid. 88. Daarom keerde Mozes vertoornd en zeer bedroefd tot zijn

volk terug [1287]. 89. En hij zeide: O mijn volk! heeft uw Heer u

niet de uitmuntendste belofte gedaan [1288]? Scheen de tijd van mijne

afwezigheid u te lang toe? Of begeerdet gij dat de verontwaardiging

van uwen Heer over u zou komen, en hebt gij daarom de belofte niet

gehouden, welke gij mij gaaft? 90. Zij antwoordden: Wij hebben niet

geschonden hetgeen wij u uit eigen beweging beloofden: maar men

beval ons, verscheiden lasten goud en zilver van de versierselen

des volks aan te dragen, en wij wierpen die in het vuur, en evenzoo

wierp Al Sameri er in, hetgeen hij had verzameld, en hij bracht er

een lichamelijk kalf uit voort [1289], dat loeide. En Al Sameri en

zijne makkers zeiden: Dit is uw God en de God van Mozes; doch hij

had hem vergeten en is weggegaan om een ander te zoeken. 91. Zagen

zij dus niet, dat hun afgod hun geen antwoord gaf en niet in staat

was hen te benadeelen of voordeel te doen? 92. En A‰ron had vroeger

wel tot hen gezegd: O mijn volk! door dit kalf wordt gij slechts

beproefd; want uw Heer is barmhartig: volgt mij dus en gehoorzaamt

mijn bevel. 93. Zij antwoorden: Wij zullen nimmer ophouden het

kalf te aanbidden, tot dat Mozes bij ons terugkeert. 94. En toen

Mozes was teruggekeerd, zeide hij: O A‰ron! wat verhinderde u mij

te volgen, toen gij zaagt dat zij zich afwendden [1290]? Zijt gij

ongehoorzaam aan mijn bevel geweest? 95. A‰ron antwoordde: O zoon

mijner moeder! trek mij niet bij mijn baard, of bij het haar van mijn

hoofd. Waarlijk, ik vreesde dat gij mij zoudt zeggen: Gij hebt eene

scheiding tusschen de kinderen IsraÎls gemaakt, en gij hebt mijne

woorden niet in acht genomen [1291]. 96. Mozes zeide tot Al Sameri:

Wat was uw voornemen, o Sameri? Hij antwoordde: Ik zag wat zij niet

zagen [1292]; daarom nam ik eene handvol stof van de voetstappen

van Gods gezant en wierp het in het gesmolten kalf [1293]; want mijn

gemoed bracht mij daartoe. 97. Mozes zeide: Verwijder u; uwe straf

in dit leven zal zijn, dat gij hen welke gij ontmoet, zult zeggen:

Raak mij niet aan [1294]! en gij zijt met vreeselijker pijnen in het

volgende leven bedreigd, welke gij nimmer zult ontkomen. Werp thans uw

oog op uwen god, dien gij met zooveel onderwerping hebt aangebeden;

waarlijk wij zullen dien verbranden [1295], tot stof verkeeren en in

de zee werpen. 98. Uw God is de ware God, buiten wien geen andere God

bestaat; hij bevat alle dingen door zijne wijsheid. 99. Zoo geven wij

u, o Mahomet! het verhaal, van hetgeen vroeger is geschied, en wij

hebben u eene vermaning van ons gegeven. 100. Hij die zich daarvan

afwendt, zal zekerlijk eenen last van schuld op den dag der opstanding

torschen. 101. Hij zal dien eeuwig dragen; en een ondragelijke last

zal het op den dag der opstanding zijn [1296]. 102. Op dien dag zal

de trompet klinken, en wij zullen de zondaren op dien dag verzamelen

die dan grijze oogen zullen hebben [1297]. 103. Zij zullen met eene

zachte stem tot elkander spreken, zeggende: Gij zijt er niet langer dan

tien dagen gebleven [1298]. 104. Wij weten wel dat hunne opperhoofden

willen zeggen, als zij zullen antwoorden: Gij zijt niet langer dan

een dag gebleven. 105. Zij zullen u ondervragen, nopens de bergen;

antwoord: Mijn Heer zal die tot stof verkeeren en verspreiden. 106. Hij

zal die in eene effen vallei veranderen; gij zult geen deel daarvan

hooger of lager dan het ander zien. 107. Op dien dag zal de mensch

den engel volgen, die hem tot het oordeel zal oproepen, niemand zal de

macht hebben zich van deze af te wenden en hunne stemmen zullen zacht

klinken voor den Barmhartige; ook zult gij niets anders hooren dan den

doffen klank van hunnen voet. 108. Op dien dag zal de tusschenkomst

van niemand voor den ander voordeelig zijn, behalve van hem, aan wien

de Barmhartige verlof [1299] zal gegeven hebben en die de bekentenis

van het ware geloof zal hebben uitgesproken. 109. God kent wat vÛÛr

hen en wat achter hen is, maar ze begrijpen dat niet. 110. Hunne

gezichten zullen voor den levenden en den onveranderlijken God

vernederd worden [1300]. En hij die zijne onrechtvaardigheid draagt,

zal ongelukkig worden. 111. Maar hij die goede werken doet en een

waar geloovige is, zal geene onrechtvaardigheid of geene vermindering

vreezen van zijne belooning door God. 112. En zoo hebben wij dit boek

nedergezonden, zijnde een Koran in de Arabische taal, en wij hebben

daarin verschillende bedreigingen en beloften opgenomen, ten einde

de menschen God zouden vreezen, en opdat dit eenige overpeinzing

in hen zou opwekken. 113. Hoogverheven zij dus God, de Koning,

de Waarheid! Wees niet haastig in het ontvangen of overbrengen van

den Koran, alvorens u die geheel geopenbaard zij [1301], en zeg:

Heer! vermeerder mijn verstand. 114. Wij gaven vroeger een bevel

aan Adam; maar hij vergat het [1302] en at van de verboden vrucht,

en wij vonden geen vast besluit in hem. 115. En gedenk toen wij tot de

engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem aan, maar Eblis weigerde

[1303]. En wij zeiden: O Adam! dit is een vijand van u en uwe vrouw,

neem u dus in acht, opdat hij u niet uit het paradijs verwijdere; want

dan zoudt gij ellendig zijn. 116. Waarlijk wij hebben een voorraad

voor u verzameld, opdat gij daarin niet van honger zoudt omkomen, of

naakt zoudt zijn. 117. Ook zult gij daarin niet van dorst sterven,

noch door hitte lastig gevallen worden. 118. Maar Satan blies hem

slechte ingevingen in, zeggende: O Adam! zal ik u naar den boom der

eeuwigheid brengen en naar eene macht die nimmer eindigt? 119. Zij

aten beiden daarvan, zagen hunne naaktheid, en naaiden bladeren

van het paradijs bij elkander om zich te bedekken [1304]. En zoo

werd Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd verleid. 120. Later

nam de Heer zijn berouw aan, en hij wendde zich tot hem en leidde

hem. 121. En God zeide: Gaat allen heen; gij zult elkanders vijanden

zijn. Maar later zal eene leiding van mij tot u komen [1305]. 122. En

wie mijne leiding volgt zal niet dwalen, en hij zal niet ongelukkig

zijn. 123. Maar wie zich van mijne vermaning afwendt zal waarlijk

een ellendig leven leiden. 124. En wij zullen hem blind voor ons

doen verschijnen op den dag der opstanding. 125. En hij zal zeggen:

O Heer! waarom hebt gij mij blind voor u gebracht, terwijl ik vroeger

helder zag? 126. God zal antwoorden: Wij hebben aldus gehandeld, omdat

onze teekens tot u zijn gekomen en gij die vergat, en evenzoo zult gij

op dezen dag worden vergeten. 127. En zoo zullen wij hem vergelden,

die achteloos is en niet in de teekens van zijn Heer gelooven zal; en

de straf van het volgende leven zal strenger en drukkender zijn dan de

straf van dit leven. 128. Is het den bewoners van Mekka niet bekend,

hoeveel geslachten wij vÛÛr hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen

zij wandelen [1306]? Waarlijk, hierin zijn teekenen gelegen voor

hen, die met verstand zijn begaafd. 129. En indien te voren niet

een besluit van uwen Heer tot hun uitstel ware uitgegaan, zou hunne

verdelging noodzakelijk zijn gevolgd; maar er is een zekere tijd door

God voor hunne straf vastgesteld. 130. Daarom, o Mahomet! verdraag

met geduld wat zij zeggen en verhef den lof van uwen Heer voor het

opgaan der zon en voor haren ondergang, en loof hem in de uren des

nachts en op de uiteinden van den dag [1307], opdat gij waardig

moogt zijn Gods gunst te ontvangen. 131. En werp uwe oogen niet op

datgene wat wij aan verschillende ongeloovigen hebben verleend, om

zich er in te verheugen: namelijk den glans van dit leven [1308],

om hen daardoor te beproeven; want het deel van uwen Heer [1309]

is beter en van langeren duur. 132. Beveel uw gezin het gebed in

acht te nemen, en gij, volhard er in. Wij verlangen niet van u,

dat gij zult arbeiden om voedsel voor ons te verwerven; wij zullen

u voorzien; want voor de vroomheid is eene goede belooning weggelegd

[1310]. 133. De ongeloovigen zeggen: Zoo lang hij niet met een teeken

van zijn Heer tot ons zal komen, zullen wij niet in hem gelooven. Is

er door de openbaring van den Koran niet eene duidelijke verklaring

tot hen gekomen van hetgeen in de vroegere deelen van de schrift is

bevat? 134. Indien wij hen door een oordeel hadden verdelgd, vÛÛr de

Koran werd geopenbaard zouden zij bij de opstanding hebben gezegd:

O Heer! hoe konden wij gelooven, naardien gij ons geen gezant hebt

gezonden, om uwe teekenen te doen volgen, alvorens wij vernederd en

met schande bedekt werden? 135. Zeg: Ieder onzer wacht de uitkomst;

wacht dus; want gij zult zekerlijk hierna weten, wie den rechten weg

hebben gevolgd, en welke op den rechten weg zijn geleid.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE PROFETEN [1311].

Geopenbaard te Mekka--112 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 28 / 89 段