uwen Heer, omtrent zijn dienaar Zacharias. 2. Toen hij zijn Heer
aanriep met eene geheime aanroeping. 3. En zeide O Heer! waarlijk
mijne beenderen zijn verzwakt en mijn hoofd is wit geworden door
grijsheid. 4. En ik was nimmer ongelukkig in mijne gebeden tot u, o
Heer! 5. Maar ik vrees mijne bloedverwanten, die mij zullen opvolgen;
want mijne vrouw is onvruchtbaar: geef mij dus een opvolger uit mijn
eigen lichaam van u. 6. Die mijn erfgenaam zal zijn en een erfgenaam
van het gezin van Jacob; en geef, o Heer! dat hij door u aangenomen
worde. 7. En de engel antwoordde hem: O Zacharias! waarlijk wij brengen
u tijdingen van een zoon, wiens naam Yahya zal zijn. 8. Wij hebben
niemand vÛÛr hem dien naam doen dragen [1219]. 9. Zacharias zeide: Hoe
zal ik een zoon hebben, terwijl ik zei dat mijne vrouw onvruchtbaar is,
en ik thans tot hoogen ouderdom gekomen en afgeleefd ben? 10. De engel
zeide: Zoo zal het zijn. Uw Heer zeide: Dit is mij gemakkelijk. Ik
heb u vroeger geschapen, toen gij nog niets waart. 11. Zacharias
antwoordde: O Heer! geef mij een teeken. De engel hernam: Uw teeken zal
zijn, dat gij in drie nachten niet tot de menschen zult spreken [1220]
hoewel gij u in volmaakte gezondheid bevindt. 12. En hij ging tot zijn
volk uit het vertrek en hij maakte hun teekenen [1221], alsof hij wilde
zeggen: Geloofd zij God, des ochtends en des avonds. 13. En wij zeiden
tot zijn zoon: O Johannes! ontvang het boek der wet, met het besluit,
dat te leeren en in acht te nemen. En wij schonken hem wijsheid,
toen hij nog slechts een kind was. 14. En onze genade en zuiverheid
des levens [1222]; en hij was een vroom mensch en deed zijnen plicht
omtrent zijne ouders, en hij was trotsch noch weerspannig. 15. Vrede
zij op hem! den dag dat hij werd geboren, en den dag waarop hij
zal sterven, en ook den dag waarop hij tot het leven zal worden
opgewekt. 16. Herdenk in het boek van den Koran het verhaal van Maria,
toen zij zich van haar gezin naar eene plaats ten Oosten verwijderde
[1223]. 17. En een sluier nam, om zich aan de blikken van anderen te
onttrekken [1224]. Wij zonden onzen geest GabriÎl tot haar, en hij
verscheen haar in de gedaante van een volmaakt mensch. 18. Zij zeide:
Ik zoek eene schuilplaats bij den genadigen God, opdat hij mij tegen
u verdedige. Indien gij hem vreest zult gij mij niet naderen. 19. Hij
antwoordde: Waarlijk, ik ben de boodschapper van uwen Heer, en ik
ben gezonden om u een heiligen zoon te geven. 20. Zij zeide: Hoe
zal ik een zoon hebben; geen man heeft mij aangeraakt, en ik ben
geene ontuchtige vrouw. 21. GabriÎl hernam: Zoo zal het zijn. Uw Heer
zeide: Dit is mij gemakkelijk, en wij zullen het doen, ten einde hem
tot een teeken voor de menschen en tot eene genade van ons te doen
zijn. Het is eene besloten zaak. 22. Zij ontving hem dus [1225], en
zij verwijderde zich, met hem in haren schoot, naar eene afgelegen
plaats [1226]. 23. En de pijnen der geboorte overvielen haar nabij
den stam van een palmboom [1227]. Zij zeide: God gave dat ik vÛÛr dit
oogenblik ware gestorven; dat ik vergeten en in vergetelheid verloren
ware [1228]. 24. En hij die beneden haar was, riep haar toe [1229],
zeggende: Wees niet bedroefd! God heeft eene beek aan uwe voeten
doen stroomen. 25. Schudt den stam van den palmboom, en rijpe dadels
zullen op u nedervallen [1230]. 26. Eet en drink en stel uw hart
[1231] gerust. Indien gij een man ziet die u ondervraagt. 27. Zeg
dan: Waarlijk, ik heb den Barmhartige een vasten toegewijd, zoodat
ik dezen dag volstrekt niet tot een man spreken zal. 28. Zij bracht
het kind tot haar volk, hem in hare armen dragende. En zij zeiden
tot haar: O Maria! gij hebt eene vreemde zaak bedreven. 29. O Zuster
van A‰ron [1232]! uw vader was geen slecht man, en uwe moeder geen
ontuchtige vrouw. 30. Maar zij maakte teekenen tot het kind om hun
te antwoorden. En zij zeiden: Hoe kunnen wij tot hem spreken, die
nog een kind in de wieg is? 31. Daarop zeide het kind: Waarlijk,
ik ben Gods dienaar; hij heeft mij het boek gegeven en mij tot een
profeet gemaakt. 32. En hij heeft gewild, dat ik gezegend zou zijn,
overal waar ik mij ook zou mogen bevinden; hij heeft mij bevolen,
het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, zoo lang ik zal
leven. 33. Hij heeft mij gehoorzaam omtrent mijne moeder gemaakt en
hij zal mij niet trotsch of ellendig doen worden [1233]. 34. Vrede
zij op mij, den dag, waarop ik werd geboren en den dag waarop ik
zal sterven, en den dag, waarop ik tot het leven zal worden opgewekt
[1234]. 35. Dit was Jezus de zoon van Maria, die het woord der waarheid
zou spreken, waaromtrent zij twijfelen. 36. Het is niet passend
voor God dat hij een zoon zou hebben; zulk eene lastering zij verre
van hem. Als hij over iets besluit zegt hij slechts: Wees! en het is
[1235]. 37. Waarlijk, God is mijn Heer en ˘w Heer; dien hem dus; dit is
de rechte weg. 38. De partijen verschillen onder elkander nopens Jezus;
maar wee over hen, die ongeloovigen zijn, wegens hunne verschijning op
den grooten dag. 39. Doe hen hooren en doe hen zien op den dag, waarop
zij tot ons zullen komen om geoordeeld te worden; maar de goddeloozen
verkeeren heden in eene duidelijke dwaling. 40. Waarschuw hen voor den
dag der zuchten, als de zaak zal worden bepaald, terwijl zij thans
in achteloosheid zijn verzonken en niet gelooven. 41. Waarlijk, wij
zullen de aarde erven en al de schepselen die zich daarop bevinden
[1236], en tot ons zullen zij allen terugkeeren. 42. En herdenk
Abraham en het boek van den Koran; want hij was iemand van groote
geloofwaardigheid en een profeet. 43. Toen hij tot zijnen vader zeide
[1237]: O mijn vader! waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch
ziet en u volstrekt niet van voordeel is? 44. O mijn vader! waarlijk,
mij werd een deel van kennis geschonken, dat u niet is gegeven; volg
mij dus; ik zal u op den effen weg leiden. 45. O mijn vader! dien Satan
niet: want Satan was weÍrspannig tegen den Barmhartige. 46. O mijn
vader! waarlijk, ik vrees, dat u eene straf van den Barmhartige zal
worden opgelegd, en gij een makker van Satan wordt. 47. Zijn vader
antwoordde: Verwerpt gij mijne goden, o Abraham! Indien gij niet
ophoudt, zal ik u zekerlijk steenigen; verlaat mij dus voor langen
tijd. 48. Abraham antwoordde: Vrede zij op u! Ik zal van mijnen Heer
vergiffenis voor u vragen; want hij is genadig omtrent mij. 49. Ik wil
mij van u scheiden en van de afgoden, welke gij naast God aanbidt,
en ik zal mijn Heer aanroepen; misschien ben ik niet ongelukkig in
mijne gebeden tot den Heer. 50. En toen hij zich had gescheiden
[1238] van hen en van de afgoden, welke zij naast God aanriepen,
gaven wij hem Iza‰k en Jacob, en wij maakten ieder van hen tot
een profeet. 51. En wij gaven hun, door onze genade de profetiÎn
en kinderen en welvaart, en wij deden hen de hoogste aanbeveling
verdienen [1239]. 52. En gedenk Mozes in het boek van den Koran;
want hij was zeer oprecht, een gezant en een profeet. 53. En wij
riepen hem van de rechterzijde van den berg SinaÔ, en deden hem
naderen om zich in het bijzonder met ons te onderhouden. 54. Wij
gaven hem door onze genade, zijn broeder A‰ron, een profeet, als zijn
helper. 55. Herdenk ook IsmaÎl in hetzelfde boek; want hij was getrouw
aan zijne beloften [1240], gezant en profeet. 56. En hij beval zijn
gezin, het gebed in acht te nemen en aalmoezen te geven, en hij was
zijnen Heer aangenaam. 57. En herdenk Edris [1241] in hetzelfde boek;
want hij was een rechtvaardig mensch. 58. Wij verhieven hem tot een
hooge plaats [1242]. 59. Dit zijn zij, voor wie God weldadig was,
onder de profeten der nakomelingschap van Adam en van hen, welke wij
in de ark met Noach bewaarden, en van de nakomelingschap van Abraham,
en van IsraÎl, en van hen welke wij geleid en gekozen hebben. Toen
hun de teekens van den Barmhartige waren voorgelezen, vielen zij
aanbiddende neder en weenden. 60. Maar een volgend geslacht is na
hen gekomen, dat het gebed verwaarloosde en zijne lusten volgde:
zij zullen zekerlijk in de hel worden nedergestort. 61. Behalve
zij, die berouw toonen en gelooven, en doen wat rechtvaardig is;
deze zullen in het paradijs komen en in het minst niet gekrenkt
worden. 62. Tuinen van eeuwig verblijf zullen hunne belooning zijn,
welke de Barmhartige zijnen dienaren heeft beloofd, als een onderwerp
des geloofs; en zijne belofte zal zekerlijk vervuld worden. 63. Daar
zullen zij geene ijdele gesprekken hooren, maar vrede [1243], en hun
voedsel zal daar des ochtends en des avonds voor hen worden gereed
gemaakt. 64. Dit is het paradijs, dat wij als eene erfenis zullen geven
aan hen, die godvruchtig zijn. 65. Wij [1244] dalen niet uit den hemel
neder dan op het bevel van uwen Heer; aan hem behoort al wat voor of
achter ons is en wat zich in de tusschenliggende ruimte bevindt. Uw
Heer vergeet u nimmer. 66. Hij is de Heer van hemel en aarde en van
hetgeen daar tusschen is; aanbidt hem dus en weest volhardend in zijne
aanbidding. Kent gij een van denzelfden naam als hij? [1245] 67. De
mensch zegt [1246]: Nadat ik dood zal wezen, zal ik dan werkelijk
levend uit het graf worden gebracht? 68. Gedenkt de mensch niet, dat
wij hem vroeger schiepen, toen hij niets was? 69. Maar ik zweer u bij
uwen Heer, dat wij hen en de duivels zekerlijk zullen verzamelen,
om hen te oordeelen [1247]; dan zullen wij hen op hunne knieÎn
rondom de hel plaatsen. 70. Daarna zullen wij van iedere partij
degenen verwijderen, die het weerspannigst tegen den Heer waren
[1248]. 71. Wij weten het beste, wie van hen het meeste waard is,
daarin verbrand te worden [1249]. 72. Er is niemand van u, die
haar niet zal naderen [1250]; dit is een vast besluit van uwen
Heer. 73. Daarna zullen wij hen bevrijden, die godvruchtig waren;
doch wij zullen de goddeloozen op hunne knieÎn daarin laten. 74. Als
hun onze duidelijke teekens worden voorgelezen, zeggen de ongeloovigen
tot de ware geloovigen: Wie der beide partijen bekleedt de verhevenste
plaats en vormt de uitmuntendste verzameling [1251]? 75. Maar hoeveel
geslachten hebben wij vÛÛr hen verwoest, die hen in welvaart en
in uiterlijk aanzien overtroffen? 76. Zeg: Aan hem die in dwaling
verkeert, zal God een lang en voorspoedig leven schenken. 77. Tot
zij zien waarmede zij worden bedreigd; hetzij de straf van dit
leven of die van het jongste uur, en hierna zullen zij weten,
wie in den slechten toestand verkeert en het zwakste van krachten
is. 78. God zal tot de goede richting bijdragen van hen die op den
rechten weg zijn geleid. 79. En de goede werken, die eeuwig blijven,
zijn voor het aangezicht van uwen Heer, wat de belooning betreft,
beter dan wereldsche bezittingen, en verkieslijker met betrekking tot
de toekomstige belooning. 80. Hebt gij hem gezien, die niet in onze
teekenen gelooft, en zegt: Zekerlijk zullen mij rijkdommen en kinderen
worden geschonken [1252]? 81. Is hij bekend met de geheimen der
toekomst, of heeft hij een verbond met den Barmhartige aangegaan, dat
het zoo zal wezen? Volstrekt niet. 82. Wij zullen zekerlijk opschrijven
wat hij zegt, en zijne straf vermeerderen. 83. En wij zullen zijn
erfgenaam wezen van datgene, waarvan hij spreekt [1253], en op den
jongsten dag zal hij alleen en naakt voor ons verschijnen. 84. Zij
hebben andere goden naast God genomen, opdat zij hun tot zegen [1254]
konden zijn. Volstrekt niet. 85. Hierna zullen zij hunne aanbidding
loochenen [1255] en hunne tegenstanders [1256] worden. 86. Ziet gij
niet, dat wij de duivels tegen de ongeloovigen zenden, om hun door
hunne ingevingen tot het kwaad te verlokken? 87. Haast u dus niet het
verderf op hen af te smeeken; want wij geven hun een bepaald aantal
dagen van uitstel. 88. Op een zekeren dag zullen wij de godvruchtigen
op eervolle wijze voor den Barmhartige verzamelen, als gezanten,
die in de tegenwoordigheid van een vorst komen. 89. Maar wij zullen
de zondaren in de hel drijven, zoo als het vee in het water wordt
gedreven. 90. Zij zullen geene voorspraak verkrijgen, behalve hij,
die een verbond van den Barmhartige heeft ontvangen [1257]. 91. Zij
zeggen: De Barmhartige heeft kinderen gebaard. Welk eene godslastering
hebt gij daarmede uitgesproken! 92. Er is slechts weinig toe noodig,
opdat de hemelen bij deze woorden verscheurd worden, en de aarde
in tweeÎn gespleten worde en de bergen nedervallen. 93. Omdat zij
kinderen aan God beschrijven, terwijl het Gode niet past kinderen
te baren. 94. Waarlijk, er is niemand in den hemel of op aarde, die
den Barmhartige niet als zijn dienaar zal naderen. Hij omringt hen
door zijne kennis en macht, en telt hen met nauwkeurigheid. 95. Zij
zullen allen op den dag der opstanding voor hem verschijnen, verlaten
zoowel van helpers als volgelingen. 96. Maar wat degenen betreft,
die gelooven en goede werken doen, de Barmhartige zal hun liefde
schenken [1258]. 97. Waarlijk, wij hebben den Koran gemakkelijk voor
uwe tong gemaakt door hem in uwe taal te geven, opdat gij daardoor den
godvruchtige onze beloften verklaren, en het twistzieke volk dreigend
waarschuwen zoudt. 98. En hoevele geslachten hebben wij niet vÛÛr
hen verdelgd? Vindt gij, dat er een aan hen gebleven is? Of hebt gij
slechts een zucht over hen gehoord.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
T. H. [1259].
1. T. H. Wij hebben u den Koran niet nedergezonden om u ongelukkig
te maken [1260]. 2. Maar als eene waarschuwing voor hem die God
vreest. 3. Zijnde nedergezonden door hem, die de aarde schiep en
de verheven hemelen. 4. De Barmhartige zit op zijn troon. 5. Aan
hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde, en alles wat daar
tusschen, en wat zich onder de aarde bevindt. 6. Indien gij uwe gebeden
met luide stem uitspreekt, weet dat dit voor God niet noodig is;
want hij weet wat in het geheim wordt gezegd en wat nog meer verborgen
is. 7. God! er is geen God buiten hem; hij heeft de meest uitmuntende
namen [1261]. 8. Zijt gij onderricht geworden nopens de geschiedenis
van Mozes [1262]? 9. Toen hij vuur zag, zeide hij tot zijn gezin:
Blijf hier; want ik bemerk vuur. 10. Misschien kan ik u een brandend
stuk hout daarvan medebrengen, of zal ik de richting van onzen weg
door het vuur vinden [1263]. 11. En toen hij naderbij gekomen was,
riep hem eene stem toe zeggende: O Mozes! 12. Waarlijk, ik ben uw Heer;
leg ons uwe schoenen af [1264]; want gij zijt in de heilige vallei
Towa. 13. En ik heb u gekozen; luister dus aandachtig naar hetgeen u
is geopenbaard. 14. Waarlijk, ik ben God; er is geen God buiten mij:
aanbid mij dus en doe uw gebed ter mijner herinnering. 15. Waarlijk,
het uur komt; ik zal het gewis duidelijk verkondigen. 16. Opdat
iedere ziel hare vergelding moge ontvangen voor hetgeen zij met
overleg heeft gedaan. 17. Laat hij, die niet daarin gelooft en die
zijne lusten volgt, u niet er van afhouden, daaraan te gelooven,
opdat gij niet verdoemd wordet. 18. Wat hebt gij in uwe rechterhand,
Mozes? 19. Hij antwoordde; Het is mijn staf, waarop ik leun, en
waarmede ik bladeren voor mijne kudde afbreek, en welken ik ook
voor andere doeleinden bezig. 20. God zeide tot hem: Werp dien weg;
o Mozes! 21. En hij wierp dien weg en zie hij werd eene slang [1265],
die voortliep. 22. God zeide: Vat haar aan en vrees niet [1266]; wij
zullen haar tot haren vorigen toestand terugbrengen. 23. En leg uwe
rechterhand onder uwen linkerarm en zij zal wit worden, zonder eenig
nadeel. Dit zal een ander teeken wezen. 24. Opdat wij u eenige onzer
grootste teekenen zullen doen zien. 25. Ga tot Pharao; want hij is zeer
goddeloos. 26. Mozes antwoordde: Heer! verwijd mijne borst. 27. En
maak mij gemakkelijk wat gij mij hebt bevolen. 28. En ontbindt den
knoop van mijne tong. 29. Opdat zij mijne woorden kunnen verstaan
[1267]. 30. Geef mij een raadgever uit mijn gezin. 31. Namelijk A‰ron,
mijn broeder. 32. Omgord mijne lendenen met hem. 33. En maak hem
tot mijn makker in de zaak [1268]. 34. Opdat wij u dankbaar loven
en u dikwijls herdenken mogen. 35. Want gij ziet ons. 36. God
antwoordde: Nu is aan uw verzoek voldaan, o Mozes! 37. En wij
zijn vroeger genadig omtrent u geweest. 38. Toen wij uwe moeder
openbaarden wat haar geboodschapt werd [1269], zeggende: 39. Leg
uwen zoon in eene kist en werp hem in zee, en de rivier zal hem op
het strand werpen, en mijn vijand en zijn vijand zal hem opnemen en
opvoeden [1270]. 40. En ik schonk u van mijne liefde [1271], opdat
gij onder mijne oogen zoudt opgevoed worden. 41. Toen uwe zuster
heen ging en zeide: Zal ik u tot iemand brengen, die het kind wil
zogen [1272]? Toen brachten wij u tot uwe moeder terug, opdat zij
gerustgesteld worden en niet bedroefd zijn zou. Gij dooddet eene
ziel en wij redden u van het ongeluk [1273]; en wij beproefden u
met verschillende proeven. 42. En later woondet gij eenige jaren
[1274] onder de inwoners van Madian. Daarop kwaamt gij herwaarts,
overeenkomstig ons besluit, o Mozes! 43. En ik heb u voor mij zelven
gekozen; 44. gaat dus, gij en uw broeder [1275], met mijne teekenen
en wees niet achteloos in mijne herdenking. 45. Gaat tot Pharao;
want hij is zeer goddeloos. 46. En spreekt bedaard tot hem; misschien
zal hij nadenken, of onze bedreigingen vreezen. 47. Zij antwoordden:
O Heer! waarlijk, wij vreezen dat hij zeer gewelddadig omtrent ons zal
handelen, of dat hij nog buitensporiger zal zondigen. 48. God hernam:
Vreest niet; want ik ben met u. Ik zal hooren en zien. 49. Gaat
dus tot hem en zegt: Waarlijk wij zijn de gezanten van uwen Heer;
zendt dus de kinderen IsraÎls met ons en mishandel hen niet. Wij
zijn met een teeken van uwen Heer tot u gekomen; en vrede zij op
hem, die de ware richting zal volgen. 50. Waarlijk, het is ons reeds
geopenbaard, dat hem eene straf zal worden opgelegd, die ons van bedrog
beschuldigen en zich afwenden zal. 51. En toen zij hunne zending
hadden medegedeeld, zeide Pharao: Wie is uw Heer o Mozes? 52. Hij
antwoordde: Hij geeft alle dingen; hij heeft die geschapen, en leidt
door zijne voorzienigheid. 53. Pharao zeide: Wat was dan de bedoeling
der vroegere geslachten [1276]? 54. Mozes antwoordde: De kennis
daarvan is bij mijn Heer. in het boek zijner besluiten; mijn Heer
dwaalt noch vergeet. 55. Hij is het, die de aarde als een bed voor u
heeft uitgespreid, en daarop paden voor u heeft gemaakt; hij is het,
die den regen van den hemel nederzendt, waardoor wij verschillende
soorten van planten doen voortspruiten. 56. Zeggende: Eet van een
gedeelte en voedt uw vee met het andere deel daarvan. Waarlijk, hierin
zijn teekenen voor hen, die met begrip zijn begaafd. 57. Wij hebben
u uit aarde geschapen en tot haar zullen wij u doen terugkeeren,
en wij zullen u ten tweede male daaruit doen voortkomen. 58. En wij
toonden Pharao al onze teekenen, welke wij Mozes gemachtigd hadden
uit te voeren, doch hij verklaarde die tot logens en weigerde te
gelooven. 59. En hij zeide: Zijt gij tot ons gekomen, opdat gij ons
door uwe toovenarijen het bezit van ons land zoudt kunnen ontrooven, o
Mozes? 60. Waarlijk, wij zullen u dezelfde toovenarij doen zien; bepaal
dus eene samenkomst tusschen ons en u; wij zullen er niet ontbreken en
ook gij niet, op eene gelijke plaats. 61. Mozes antwoordde: Laat onze
ontmoeting zijn op den dag van uw plechtig feest [1277], en laat het
volk zich op den vollen dag verzamelen. 62. En Pharao ging van Mozes
weg en verzamelde de behendigste toovenaars bij elkander om zijne list
uit te voeren, en kwam daarna op de bepaalde samenkomst. 63. Mozes
zeide tot hem: Wee kome over u! verzin geene leugen tegen God
[1278]. 64. Hij zou u door zijn oordeel geheel verdelgen; want hij
die leugens uitdenkt, zal niet gelukkig zijn. 65. En de toovenaars
twistten onder elkander nopens hunne zaak en spraken met elkander in
het geheim. 66. En zij zeiden: Deze twee zijn zekerlijk toovenaars;
zij trachten u, door hunne toovenarij, het bezit van uw land te rooven,
en uwe voornaamste en aanzienlijkste lieden weg te voeren. 67. Verzamel
dus al uwe kunstmiddelen en schaar u daarna in orde; want hij die heden
de bovenhand behoudt, zal gelukkig zijn. 68. Zij zeiden: O Mozes! wilt
gij uwen staf het eerste wegwerpen, of zullen wij de eersten zijn die
onze staven wegwerpen? 69. Hij antwoordde: Werpt gij uwe staven het
eerste weg. En zie, hunne koorden en hunne staven schenen hem toe,
door hunne tooverij als slangen te loopen [1279]. 70. Daarom koesterde
Mozes vrees in zijn hart. 71. Maar wij zeiden tot hem: Vrees niet;
want gij zult de bovenhand behouden. 72. Werp dus den staf weg, die
zich in uwe rechterhand bevindt, en hij zal de schijnbare slangen
verslinden welke zij gemaakt hebben; want hetgeen zij gemaakt hebben
is slechts de kunstgreep van een toovenaar, en een toovenaar zal
niet gelukkig zijn van waar hij ook moge komen. 73. En de toovenaars
vielen neder toen zij het wonder zagen, dat door Mozes was uitgevoerd,
en zij aanbaden, zeggende: Wij gelooven in den Heer van A‰ron en van
Mozes! 74. Pharao zeide tot hen: Gelooft gij in hem, alvorens ik u
verlof geef? Waarlijk, hij is uw meester, die u in de toovenarij heeft
onderricht. Maar ik zal zekerlijk uwe handen en uwe voeten aan de
tegenovergestelde zijde afsnijden, en ik zal u kruisigen aan stammen
van palmboomen [1280], en gij zult weten, wie van ons gestrenger in
het straffen is, en uwe smarten langer kan doen aanhouden. 75. Wij
zullen nimmer meer eerbied voor u hebben, zeiden zij, dan voor deze
duidelijke wonderen, die ons getoond zijn, of ook voor hem die ons
heeft geschapen. Spreek dus de straf over ons uit, welke gij op
het punt staat uit te spreken; want gij kunt alleen in dit leven
straffen. Waarlijk, wij gelooven in onzen Heer, opdat hij ons onze
zonden moge vergeven en de toovenarij, welke gij ons hebt gedwongen uit
te oefenen; maar God kan beter beloonen en is meer dan gij in staat,
de straf te verlengen. 76. Waarlijk, al wie op den dag des oordeels
voor zijn Heer zal verschijnen met misdaden belast, zal de hel tot
belooning hebben; hij zal daarin noch sterven, noch leven. 77. Wie
een waar geloovige was en rechtvaardigheid zal hebben uitgeoefend,
voor dezen zijn de graden van het grootste geluk bereid. 78. Namelijk
tuinen van eeuwig verblijf [1281], die door rivieren zullen besproeid
worden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven, en dit zal de belooning
zijn voor hem, die zuiver zal wezen. 79. En wij spraken door openbaring
tot Mozes, zeggende: Vertrek met mijne dienaren des nachts uit Egypte
en sla de wateren met uwen staf, en maak hun een droog pad door de
zee [1282]. 80. Vrees niet dat Pharao U zal overvallen, en wees niet
bang. 81. En toen Mozes aldus had gehandeld, vervolgde Pharao hem
met zijne strijdmachten, en de wateren der zee overdekten hen. En
Pharao deed zijn volk dwalen en hij leidde hen niet op den rechten
weg. 82. Aldus, o kinderen IsraÎls! bevrijdden wij u van uwen vijand,
en wij wezen u de rechterzijde van den berg SinaÔ aan, om Mozes te
spreken en hem de wet te geven, en wij deden manna en kwakkels op u
nederdalen [1283], zeggende: 83. Eet van de goede dingen, welke wij u
tot voedsel hebben gegeven, en zondig daarin niet [1284], opdat mijne
verontwaardiging niet opgewekt worde; want hij over wien mijn toorn
zal komen, zal verloren zijn. 84. Maar ik zal barmhartig zijn omtrent
hem, die berouw gevoelen en gelooven zal, en doet wat goed is, en die
op den rechten weg zal volgen. 85. Wat heeft u, o Mozes! uw volk doen
verlaten om de wet te ontvangen? 86. Hij antwoordde: Zij volgen mijne
voetstappen, en ik heb mij gehaast tot u te gaan, opdat ik u aangenaam
zou mogen wezen. 87. God zeide: Wij hebben uw volk sedert uw vertrek
reeds beproefd [1285], en Al Sameri [1286] heeft hen tot afgoderij
verleid. 88. Daarom keerde Mozes vertoornd en zeer bedroefd tot zijn
volk terug [1287]. 89. En hij zeide: O mijn volk! heeft uw Heer u
niet de uitmuntendste belofte gedaan [1288]? Scheen de tijd van mijne
afwezigheid u te lang toe? Of begeerdet gij dat de verontwaardiging
van uwen Heer over u zou komen, en hebt gij daarom de belofte niet
gehouden, welke gij mij gaaft? 90. Zij antwoordden: Wij hebben niet
geschonden hetgeen wij u uit eigen beweging beloofden: maar men
beval ons, verscheiden lasten goud en zilver van de versierselen
des volks aan te dragen, en wij wierpen die in het vuur, en evenzoo
wierp Al Sameri er in, hetgeen hij had verzameld, en hij bracht er
een lichamelijk kalf uit voort [1289], dat loeide. En Al Sameri en
zijne makkers zeiden: Dit is uw God en de God van Mozes; doch hij
had hem vergeten en is weggegaan om een ander te zoeken. 91. Zagen
zij dus niet, dat hun afgod hun geen antwoord gaf en niet in staat
was hen te benadeelen of voordeel te doen? 92. En A‰ron had vroeger
wel tot hen gezegd: O mijn volk! door dit kalf wordt gij slechts
beproefd; want uw Heer is barmhartig: volgt mij dus en gehoorzaamt
mijn bevel. 93. Zij antwoorden: Wij zullen nimmer ophouden het
kalf te aanbidden, tot dat Mozes bij ons terugkeert. 94. En toen
Mozes was teruggekeerd, zeide hij: O A‰ron! wat verhinderde u mij
te volgen, toen gij zaagt dat zij zich afwendden [1290]? Zijt gij
ongehoorzaam aan mijn bevel geweest? 95. A‰ron antwoordde: O zoon
mijner moeder! trek mij niet bij mijn baard, of bij het haar van mijn
hoofd. Waarlijk, ik vreesde dat gij mij zoudt zeggen: Gij hebt eene
scheiding tusschen de kinderen IsraÎls gemaakt, en gij hebt mijne
woorden niet in acht genomen [1291]. 96. Mozes zeide tot Al Sameri:
Wat was uw voornemen, o Sameri? Hij antwoordde: Ik zag wat zij niet
zagen [1292]; daarom nam ik eene handvol stof van de voetstappen
van Gods gezant en wierp het in het gesmolten kalf [1293]; want mijn
gemoed bracht mij daartoe. 97. Mozes zeide: Verwijder u; uwe straf
in dit leven zal zijn, dat gij hen welke gij ontmoet, zult zeggen:
Raak mij niet aan [1294]! en gij zijt met vreeselijker pijnen in het
volgende leven bedreigd, welke gij nimmer zult ontkomen. Werp thans uw
oog op uwen god, dien gij met zooveel onderwerping hebt aangebeden;
waarlijk wij zullen dien verbranden [1295], tot stof verkeeren en in
de zee werpen. 98. Uw God is de ware God, buiten wien geen andere God
bestaat; hij bevat alle dingen door zijne wijsheid. 99. Zoo geven wij
u, o Mahomet! het verhaal, van hetgeen vroeger is geschied, en wij
hebben u eene vermaning van ons gegeven. 100. Hij die zich daarvan
afwendt, zal zekerlijk eenen last van schuld op den dag der opstanding
torschen. 101. Hij zal dien eeuwig dragen; en een ondragelijke last
zal het op den dag der opstanding zijn [1296]. 102. Op dien dag zal
de trompet klinken, en wij zullen de zondaren op dien dag verzamelen
die dan grijze oogen zullen hebben [1297]. 103. Zij zullen met eene
zachte stem tot elkander spreken, zeggende: Gij zijt er niet langer dan
tien dagen gebleven [1298]. 104. Wij weten wel dat hunne opperhoofden
willen zeggen, als zij zullen antwoorden: Gij zijt niet langer dan
een dag gebleven. 105. Zij zullen u ondervragen, nopens de bergen;
antwoord: Mijn Heer zal die tot stof verkeeren en verspreiden. 106. Hij
zal die in eene effen vallei veranderen; gij zult geen deel daarvan
hooger of lager dan het ander zien. 107. Op dien dag zal de mensch
den engel volgen, die hem tot het oordeel zal oproepen, niemand zal de
macht hebben zich van deze af te wenden en hunne stemmen zullen zacht
klinken voor den Barmhartige; ook zult gij niets anders hooren dan den
doffen klank van hunnen voet. 108. Op dien dag zal de tusschenkomst
van niemand voor den ander voordeelig zijn, behalve van hem, aan wien
de Barmhartige verlof [1299] zal gegeven hebben en die de bekentenis
van het ware geloof zal hebben uitgesproken. 109. God kent wat vÛÛr
hen en wat achter hen is, maar ze begrijpen dat niet. 110. Hunne
gezichten zullen voor den levenden en den onveranderlijken God
vernederd worden [1300]. En hij die zijne onrechtvaardigheid draagt,
zal ongelukkig worden. 111. Maar hij die goede werken doet en een
waar geloovige is, zal geene onrechtvaardigheid of geene vermindering
vreezen van zijne belooning door God. 112. En zoo hebben wij dit boek
nedergezonden, zijnde een Koran in de Arabische taal, en wij hebben
daarin verschillende bedreigingen en beloften opgenomen, ten einde
de menschen God zouden vreezen, en opdat dit eenige overpeinzing
in hen zou opwekken. 113. Hoogverheven zij dus God, de Koning,
de Waarheid! Wees niet haastig in het ontvangen of overbrengen van
den Koran, alvorens u die geheel geopenbaard zij [1301], en zeg:
Heer! vermeerder mijn verstand. 114. Wij gaven vroeger een bevel
aan Adam; maar hij vergat het [1302] en at van de verboden vrucht,
en wij vonden geen vast besluit in hem. 115. En gedenk toen wij tot de
engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem aan, maar Eblis weigerde
[1303]. En wij zeiden: O Adam! dit is een vijand van u en uwe vrouw,
neem u dus in acht, opdat hij u niet uit het paradijs verwijdere; want
dan zoudt gij ellendig zijn. 116. Waarlijk wij hebben een voorraad
voor u verzameld, opdat gij daarin niet van honger zoudt omkomen, of
naakt zoudt zijn. 117. Ook zult gij daarin niet van dorst sterven,
noch door hitte lastig gevallen worden. 118. Maar Satan blies hem
slechte ingevingen in, zeggende: O Adam! zal ik u naar den boom der
eeuwigheid brengen en naar eene macht die nimmer eindigt? 119. Zij
aten beiden daarvan, zagen hunne naaktheid, en naaiden bladeren
van het paradijs bij elkander om zich te bedekken [1304]. En zoo
werd Adam ongehoorzaam aan zijn Heer, en werd verleid. 120. Later
nam de Heer zijn berouw aan, en hij wendde zich tot hem en leidde
hem. 121. En God zeide: Gaat allen heen; gij zult elkanders vijanden
zijn. Maar later zal eene leiding van mij tot u komen [1305]. 122. En
wie mijne leiding volgt zal niet dwalen, en hij zal niet ongelukkig
zijn. 123. Maar wie zich van mijne vermaning afwendt zal waarlijk
een ellendig leven leiden. 124. En wij zullen hem blind voor ons
doen verschijnen op den dag der opstanding. 125. En hij zal zeggen:
O Heer! waarom hebt gij mij blind voor u gebracht, terwijl ik vroeger
helder zag? 126. God zal antwoorden: Wij hebben aldus gehandeld, omdat
onze teekens tot u zijn gekomen en gij die vergat, en evenzoo zult gij
op dezen dag worden vergeten. 127. En zoo zullen wij hem vergelden,
die achteloos is en niet in de teekens van zijn Heer gelooven zal; en
de straf van het volgende leven zal strenger en drukkender zijn dan de
straf van dit leven. 128. Is het den bewoners van Mekka niet bekend,
hoeveel geslachten wij vÛÛr hen hebben verdelgd, in wier woonplaatsen
zij wandelen [1306]? Waarlijk, hierin zijn teekenen gelegen voor
hen, die met verstand zijn begaafd. 129. En indien te voren niet
een besluit van uwen Heer tot hun uitstel ware uitgegaan, zou hunne
verdelging noodzakelijk zijn gevolgd; maar er is een zekere tijd door
God voor hunne straf vastgesteld. 130. Daarom, o Mahomet! verdraag
met geduld wat zij zeggen en verhef den lof van uwen Heer voor het
opgaan der zon en voor haren ondergang, en loof hem in de uren des
nachts en op de uiteinden van den dag [1307], opdat gij waardig
moogt zijn Gods gunst te ontvangen. 131. En werp uwe oogen niet op
datgene wat wij aan verschillende ongeloovigen hebben verleend, om
zich er in te verheugen: namelijk den glans van dit leven [1308],
om hen daardoor te beproeven; want het deel van uwen Heer [1309]
is beter en van langeren duur. 132. Beveel uw gezin het gebed in
acht te nemen, en gij, volhard er in. Wij verlangen niet van u,
dat gij zult arbeiden om voedsel voor ons te verwerven; wij zullen
u voorzien; want voor de vroomheid is eene goede belooning weggelegd
[1310]. 133. De ongeloovigen zeggen: Zoo lang hij niet met een teeken
van zijn Heer tot ons zal komen, zullen wij niet in hem gelooven. Is
er door de openbaring van den Koran niet eene duidelijke verklaring
tot hen gekomen van hetgeen in de vroegere deelen van de schrift is
bevat? 134. Indien wij hen door een oordeel hadden verdelgd, vÛÛr de
Koran werd geopenbaard zouden zij bij de opstanding hebben gezegd:
O Heer! hoe konden wij gelooven, naardien gij ons geen gezant hebt
gezonden, om uwe teekenen te doen volgen, alvorens wij vernederd en
met schande bedekt werden? 135. Zeg: Ieder onzer wacht de uitkomst;
wacht dus; want gij zult zekerlijk hierna weten, wie den rechten weg
hebben gevolgd, en welke op den rechten weg zijn geleid.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE PROFETEN [1311].
Geopenbaard te Mekka--112 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.