1. Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran

nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft. 2. Die het

tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene

strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die

rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene

uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin

zij eeuwig zullen verblijven. 3. En om dengenen te waarschuwen, die

zeggen: God heeft een afstammeling geteeld. 4. Daarvan hadden zij noch

hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove

zonde: zij zeggen niets anders dan leugen. 5. Misschien wilt gij u uit

droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren,

indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven. 6. Wij hebben

hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen

te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt. 7. Maar

al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren. 8. Begrijpt

gij, dat de makkers van de spelonk [1158] en Al Rakim [1159], een

onzer teekens waren en een mirakel? 9. Toen de jonge menschen hunne

toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade

en verzeker ons een rechtvaardig gedrag. 10. Daarom sloegen wij hunne

ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder

stoornis in de spelonk sliepen. 11. Daarna wekten wij hen, opdat wij

zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou

kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest. 12. Wij

zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk,

zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en

wij hadden hen overvloedig geleid. 13. En wij versterkten hunne

harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden,

en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemel en aarde; wij zullen

nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij

zeker eene misdaad begaan. 14. Deze onze medeburgers hebben andere

goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor

hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen

tegen God uitdenkt. 15. En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult

scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God [1160],

aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade

rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken. 16. Gij zoudt de

zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en,

toen zij onderging, zich aan de linkerhand [1161] van hen verwijderen;

en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk [1162]. Dit

was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht

geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om

hem te verdedigen of te leiden. 17. En gij zoudt gezegd hebben, dat zij

waakten [1163], terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter-

en naar de linkerzijde omwenden [1164]. En hun hond [1165] strekte

zijne voorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij

plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van

hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben

[1166]. 18. Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich

wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang

zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een

gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste

den tijd dien gij daar hebt doorgebracht [1167], en zend thans een uwer

met dit geld naar de stad [1168], en laat hij zien welke der inwoners

het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor

uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe

schuilplaats aan niemand ontdekke. 19. Waarlijk, indien zij tegen u

opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst

weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn. 20. En

zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden

wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid

en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is [1169], ofschoon

zij daaromtrent onder elkander hebben getwist [1170]. En zij zeiden:

Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best

hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden:

wij zullen zekerlijk eene kapel voor bouwen [1171]. 21. Sommigen

zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde

[1172]; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de

zesde [1173]; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen:

Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste [1174]. Zeg:

Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve

enkelen. 22. Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en

overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen

nopens hen. 23. Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij

gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt [1175]. En herdenk uwen Heer

als gij dit vergeet [1176], en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te

leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou

kunnen komen. 24. En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en

daarenboven negen jaren [1177]. 25. Zeg: God weet het best hoe lang

zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe

hem zien en hooren [1178]. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten

hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit

deelen. 26. Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer,

zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen

brengen [1179]; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen,

en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt

nemen, indien gij daarnaar mocht trachten. 27. Wees inschikkelijk

omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen,

en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich

niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken [1180],

en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons

hebben doen zijn [1181], die zijne lusten volgt en de waarheid achter

zich laat. 28. En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder,

naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den

onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam

hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal

men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne

aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en

welk een onzalig verblijf! 29. Wat hen betreft, die gelooven en goede

werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid

oefenen, niet doen verloren gaan. 30. Voor hen zijn tuinen tot eeuwig

verblijf [1182] gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden

besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd,

en met groene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden,

terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning

en welk een gemakkelijk verblijf! 31. Stel hun als een vergelijking

twee menschen voor [1183], van welke wij aan een twee wijngaarden

hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd,

terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder

der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren

niet onvruchtbaar. 32. En wij deden eene rivier in het midden daarvan

stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn

makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij,

en bezit een talrijker gezin. 33. En hij ging in zijn tuin [1184],

terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig

was, en zeide: Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen. 34. Ik

geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn

Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden

[1185] 35. En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij

niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht,

en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd? 36. Wat mij

betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn

Heer vermengen. 37. En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan

niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten

God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u

sta. 38. Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin

te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden,

zoodat die onvruchtbaar stof worde. 39. Of zijn water zal diep in

de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden. 40. En

zijne bezittingen werden door verwoesting omringd, nadat zijn makker

hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen

uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed;

want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten

beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben

vereenigd! 41. Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en

hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen. 42. De

bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan

alles den besten uitslag geven. 43. Stel hun eene vergelijking van

het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den

hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat

het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge

stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat

alle dingen te doen. 44. Welvaart en kinderen vormen het versiersel

van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren,

zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning,

en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen. 45. Op een zekeren

dag zullen wij de bergen doen verdwijnen [1186] en gij zult de aarde

vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen

en geen hunner achterlaten. 46. En zij zullen in duidelijke orde voor

uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij

naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar

hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen. 47. Het

boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden

gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren,

om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat

bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote,

maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden

wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig

handelen. 48. Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; Aanbidt Adam:

en zij aanbaden hem allen, behalve Eblis [1187], die een der geniussen

[1188] was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij

dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen,

niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering

zal ellendig zijn voor de goddeloozen! 49. Ik riep hen niet om

tegenwoordig te zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch

bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot

mijne helpers. 50. Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars

zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij

mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen,

doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van

vernietiging tusschen hen plaatsen [1189]. 51. De zondaren zullen het

hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden,

en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden. 52. Wij hebben

den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van

iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de

meeste dingen, die daarin voorkomen. 53. Niets verhindert de menschen,

nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van

hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van

hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding

van het volgende leven openlijk op hen nederkomt. 54. Wij zonden

onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij,

die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor

der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen

en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner

spotternijen. 55. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is

gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert

en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers

over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan,

en wij wierpen zwaarte in hunne ooren. 56. Indien gij hen tot de ware

richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen. 57. Uw Heer is

barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor

hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast,

maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd [1190], en zij zullen

geene toevlucht buiten hem vinden. 58. De vroegere steden [1191] hebben

wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden

deze, voor hare verdelging. 59. En gedenk, toen Mozes tot zijn dienaar

Josua, den zoon van Nun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te

gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeÎn elkander ontmoeten,

of ik zal gedurende langen tijd [1192] reizen. 60. Maar toen zij aan

de samenstrooming der beide zeeÎn [1193] waren gekomen, vergaten zij

hunnen visch, die zij met zich hadden genomen [1194], en de visch nam

zijn weg vrijelijk [1195] in de zee 61. En toen zij die plaats waren

voorbij gegaan, zeide Mozes tot zijn dienaar: Breng ons middagmaal;

want wij zijn vermoeid van deze onze reis. 62. Zijn dienaar antwoordde:

Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden,

vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten

dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn

weg, op wonderdadige wijze, in de zee. 63. Mozes zeide: Dit is wanneer

wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg

terug, langs welken zij waren gekomen. 64. Toen zij nabij de rots

kwamen, vonden zij een onzer dienaren, [1196] wien wij onze genade

verleend, en met onze wijsheid onderricht hadden. 65. En Mozes zeide

tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren

van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij? 66. Hij

antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven. 67. Want hoe

kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis

niet begrijpt? 68. Mozes antwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig

zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam

zijn. 69. Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan

nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar. 70. Zij begaven

zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip,

en hij maakte er een gat in [1197]. En Mozes zeide tot hem: Hebt

gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord

zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven. 71. Hij antwoordde: Heb

ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij

te kunnen blijven? 72. Mozes zeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel

heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen

mij wordt bevolen. 73. Zij verlieten dus het schip en gingen voort,

tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem [1198]. Mozes zeide:

Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander

heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven. 74. Hij

antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen

blijven? 75. Mozes zeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag,

sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans. 76. Zij

gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad [1199]

kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde

hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt

was van om te storten, en hij zette dien overeind [1200]. Daarop zeide

Mozes tot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning

daarvoor hebben ontvangen. 77. Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding

tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren

van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 78. Het

vaartuig behoorde aan zekere arme menschen [1201], die hunne zaken

op zee deden, en ik wilde het onbruikbaar maken, omdat er een koning

achter hen was [1202], die ieder goed schip met geweld nam. 79. Wat den

knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden,

dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid

en zijn ondank te dulden. 80. Daarom begeerden wij dat hun Heer hun

een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer

zou beminnen [1203]. 81. En de muur behoorde aan twee weesknapen [1204]

der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde,

en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat

zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden

wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien

hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking

van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 82. De Joden

zullen u ondervragen nopens Dhoe'lkarnein [1205]. Antwoord; Ik zal u

zijne geschiedenis verhalen. 83. Wij maakten hem machtig op aarde en

wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde. 84. En

hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon

onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk [1206]

onderging; en hij vond zeker volk [1207] in hare nabijheid. 85. En

wij zeiden: O Dhoe'lkarnein! straf dit volk, of behandel het

edelmoedig. 86. Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid

bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal

hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge

straf kastijden. 87. Maar hij die gelooft en doet wat goed is,

zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts

gemakkelijk uit te voeren bevelen geven. 88. Daarna zette hij zijn weg

voort. 89. Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging [1208], en

hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden

gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten [1209]. 90. Zoo was

het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem

waren. 91. En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het

noorden. 92. Tot hij tusschen de twee bergen kwam [1210], aan welker

voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd

[1211]. 93. En zij zeiden: O Dhoe'lkarnein! waarlijk Gog en Magog

verwoesten het land [1212]; zullen wij u dus schatting betalen,

op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt? 94. Hij

antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter

dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur

tusschen u en hen plaatsen. 95. Brengt mij groote stukken ijzer,

tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En

hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot

daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna:

Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe. 96. Toen nu

deze muur was voltooid, konden Gog, en Magog dien muur beklimmen noch

doorsteken [1213]. 97. En Dhoe'lkarnein zeide: Dit is eene genade van

mijn Heer. 98. Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat

[1214], zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van

mijn Heer is waarheid. 99. Op dien dag zullen wij sommigen van hen

onstuimig als golven op elkander doen drukken [1215]) en de trompet

zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen. 100. Op

dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken. 101. Wier

oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden

niet wilden hooren. 102. Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal

straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij

kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen

gereed gemaakt. 103. Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken

ijdel zijn. 104. Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht,

en die nochtans denken goed te handelen? 105. Zij zijn het die niet

gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen

verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen

hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven. 106. Dit zal

hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en

mijne teekens en gezanten bespot hebben. 107. Maar wat hen betreft,

die gelooven en goede werken doen, zij zullen de gaarden van het

paradijs tot hun verblijf hebben. 108. Zij zullen voor eeuwig daarin

verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen. 109. Zeg:

Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven,

waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden

van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere,

gelijke zee zouden gebruiken. 110. Zeg: waarlijk, ik ben slechts een

mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een

eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen,

rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer

geen ander met hem vereenigen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

MARIA [1216].

Geopenbaard te Mekka [1217].--98 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 27 / 89 段