nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft. 2. Die het
tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene
strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die
rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene
uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin
zij eeuwig zullen verblijven. 3. En om dengenen te waarschuwen, die
zeggen: God heeft een afstammeling geteeld. 4. Daarvan hadden zij noch
hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove
zonde: zij zeggen niets anders dan leugen. 5. Misschien wilt gij u uit
droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren,
indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven. 6. Wij hebben
hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen
te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt. 7. Maar
al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren. 8. Begrijpt
gij, dat de makkers van de spelonk [1158] en Al Rakim [1159], een
onzer teekens waren en een mirakel? 9. Toen de jonge menschen hunne
toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade
en verzeker ons een rechtvaardig gedrag. 10. Daarom sloegen wij hunne
ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder
stoornis in de spelonk sliepen. 11. Daarna wekten wij hen, opdat wij
zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou
kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest. 12. Wij
zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk,
zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en
wij hadden hen overvloedig geleid. 13. En wij versterkten hunne
harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden,
en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemel en aarde; wij zullen
nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij
zeker eene misdaad begaan. 14. Deze onze medeburgers hebben andere
goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor
hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen
tegen God uitdenkt. 15. En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult
scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God [1160],
aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade
rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken. 16. Gij zoudt de
zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en,
toen zij onderging, zich aan de linkerhand [1161] van hen verwijderen;
en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk [1162]. Dit
was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht
geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om
hem te verdedigen of te leiden. 17. En gij zoudt gezegd hebben, dat zij
waakten [1163], terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter-
en naar de linkerzijde omwenden [1164]. En hun hond [1165] strekte
zijne voorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij
plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van
hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben
[1166]. 18. Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich
wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang
zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een
gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste
den tijd dien gij daar hebt doorgebracht [1167], en zend thans een uwer
met dit geld naar de stad [1168], en laat hij zien welke der inwoners
het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor
uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe
schuilplaats aan niemand ontdekke. 19. Waarlijk, indien zij tegen u
opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst
weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn. 20. En
zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden
wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid
en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is [1169], ofschoon
zij daaromtrent onder elkander hebben getwist [1170]. En zij zeiden:
Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best
hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden:
wij zullen zekerlijk eene kapel voor bouwen [1171]. 21. Sommigen
zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde
[1172]; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de
zesde [1173]; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen:
Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste [1174]. Zeg:
Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve
enkelen. 22. Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en
overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen
nopens hen. 23. Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij
gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt [1175]. En herdenk uwen Heer
als gij dit vergeet [1176], en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te
leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou
kunnen komen. 24. En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en
daarenboven negen jaren [1177]. 25. Zeg: God weet het best hoe lang
zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe
hem zien en hooren [1178]. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten
hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit
deelen. 26. Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer,
zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen
brengen [1179]; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen,
en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt
nemen, indien gij daarnaar mocht trachten. 27. Wees inschikkelijk
omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen,
en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich
niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken [1180],
en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons
hebben doen zijn [1181], die zijne lusten volgt en de waarheid achter
zich laat. 28. En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder,
naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den
onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam
hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal
men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne
aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en
welk een onzalig verblijf! 29. Wat hen betreft, die gelooven en goede
werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid
oefenen, niet doen verloren gaan. 30. Voor hen zijn tuinen tot eeuwig
verblijf [1182] gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden
besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd,
en met groene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden,
terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning
en welk een gemakkelijk verblijf! 31. Stel hun als een vergelijking
twee menschen voor [1183], van welke wij aan een twee wijngaarden
hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd,
terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder
der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren
niet onvruchtbaar. 32. En wij deden eene rivier in het midden daarvan
stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn
makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij,
en bezit een talrijker gezin. 33. En hij ging in zijn tuin [1184],
terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig
was, en zeide: Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen. 34. Ik
geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn
Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden
[1185] 35. En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij
niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht,
en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd? 36. Wat mij
betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn
Heer vermengen. 37. En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan
niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten
God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u
sta. 38. Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin
te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden,
zoodat die onvruchtbaar stof worde. 39. Of zijn water zal diep in
de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden. 40. En
zijne bezittingen werden door verwoesting omringd, nadat zijn makker
hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen
uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed;
want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten
beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben
vereenigd! 41. Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en
hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen. 42. De
bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan
alles den besten uitslag geven. 43. Stel hun eene vergelijking van
het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den
hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat
het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge
stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat
alle dingen te doen. 44. Welvaart en kinderen vormen het versiersel
van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren,
zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning,
en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen. 45. Op een zekeren
dag zullen wij de bergen doen verdwijnen [1186] en gij zult de aarde
vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen
en geen hunner achterlaten. 46. En zij zullen in duidelijke orde voor
uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij
naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar
hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen. 47. Het
boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden
gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren,
om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat
bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote,
maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden
wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig
handelen. 48. Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; Aanbidt Adam:
en zij aanbaden hem allen, behalve Eblis [1187], die een der geniussen
[1188] was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij
dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen,
niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering
zal ellendig zijn voor de goddeloozen! 49. Ik riep hen niet om
tegenwoordig te zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch
bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot
mijne helpers. 50. Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars
zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij
mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen,
doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van
vernietiging tusschen hen plaatsen [1189]. 51. De zondaren zullen het
hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden,
en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden. 52. Wij hebben
den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van
iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de
meeste dingen, die daarin voorkomen. 53. Niets verhindert de menschen,
nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van
hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van
hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding
van het volgende leven openlijk op hen nederkomt. 54. Wij zonden
onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij,
die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor
der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen
en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner
spotternijen. 55. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is
gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert
en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers
over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan,
en wij wierpen zwaarte in hunne ooren. 56. Indien gij hen tot de ware
richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen. 57. Uw Heer is
barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor
hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast,
maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd [1190], en zij zullen
geene toevlucht buiten hem vinden. 58. De vroegere steden [1191] hebben
wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden
deze, voor hare verdelging. 59. En gedenk, toen Mozes tot zijn dienaar
Josua, den zoon van Nun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te
gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeÎn elkander ontmoeten,
of ik zal gedurende langen tijd [1192] reizen. 60. Maar toen zij aan
de samenstrooming der beide zeeÎn [1193] waren gekomen, vergaten zij
hunnen visch, die zij met zich hadden genomen [1194], en de visch nam
zijn weg vrijelijk [1195] in de zee 61. En toen zij die plaats waren
voorbij gegaan, zeide Mozes tot zijn dienaar: Breng ons middagmaal;
want wij zijn vermoeid van deze onze reis. 62. Zijn dienaar antwoordde:
Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden,
vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten
dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn
weg, op wonderdadige wijze, in de zee. 63. Mozes zeide: Dit is wanneer
wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg
terug, langs welken zij waren gekomen. 64. Toen zij nabij de rots
kwamen, vonden zij een onzer dienaren, [1196] wien wij onze genade
verleend, en met onze wijsheid onderricht hadden. 65. En Mozes zeide
tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren
van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij? 66. Hij
antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven. 67. Want hoe
kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis
niet begrijpt? 68. Mozes antwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig
zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam
zijn. 69. Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan
nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar. 70. Zij begaven
zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip,
en hij maakte er een gat in [1197]. En Mozes zeide tot hem: Hebt
gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord
zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven. 71. Hij antwoordde: Heb
ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij
te kunnen blijven? 72. Mozes zeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel
heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen
mij wordt bevolen. 73. Zij verlieten dus het schip en gingen voort,
tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem [1198]. Mozes zeide:
Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander
heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven. 74. Hij
antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen
blijven? 75. Mozes zeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag,
sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans. 76. Zij
gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad [1199]
kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde
hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt
was van om te storten, en hij zette dien overeind [1200]. Daarop zeide
Mozes tot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning
daarvoor hebben ontvangen. 77. Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding
tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren
van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 78. Het
vaartuig behoorde aan zekere arme menschen [1201], die hunne zaken
op zee deden, en ik wilde het onbruikbaar maken, omdat er een koning
achter hen was [1202], die ieder goed schip met geweld nam. 79. Wat den
knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden,
dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid
en zijn ondank te dulden. 80. Daarom begeerden wij dat hun Heer hun
een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer
zou beminnen [1203]. 81. En de muur behoorde aan twee weesknapen [1204]
der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde,
en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat
zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden
wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien
hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking
van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten. 82. De Joden
zullen u ondervragen nopens Dhoe'lkarnein [1205]. Antwoord; Ik zal u
zijne geschiedenis verhalen. 83. Wij maakten hem machtig op aarde en
wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde. 84. En
hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon
onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk [1206]
onderging; en hij vond zeker volk [1207] in hare nabijheid. 85. En
wij zeiden: O Dhoe'lkarnein! straf dit volk, of behandel het
edelmoedig. 86. Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid
bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal
hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge
straf kastijden. 87. Maar hij die gelooft en doet wat goed is,
zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts
gemakkelijk uit te voeren bevelen geven. 88. Daarna zette hij zijn weg
voort. 89. Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging [1208], en
hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden
gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten [1209]. 90. Zoo was
het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem
waren. 91. En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het
noorden. 92. Tot hij tusschen de twee bergen kwam [1210], aan welker
voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd
[1211]. 93. En zij zeiden: O Dhoe'lkarnein! waarlijk Gog en Magog
verwoesten het land [1212]; zullen wij u dus schatting betalen,
op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt? 94. Hij
antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter
dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur
tusschen u en hen plaatsen. 95. Brengt mij groote stukken ijzer,
tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En
hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot
daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna:
Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe. 96. Toen nu
deze muur was voltooid, konden Gog, en Magog dien muur beklimmen noch
doorsteken [1213]. 97. En Dhoe'lkarnein zeide: Dit is eene genade van
mijn Heer. 98. Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat
[1214], zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van
mijn Heer is waarheid. 99. Op dien dag zullen wij sommigen van hen
onstuimig als golven op elkander doen drukken [1215]) en de trompet
zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen. 100. Op
dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken. 101. Wier
oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden
niet wilden hooren. 102. Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal
straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij
kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen
gereed gemaakt. 103. Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken
ijdel zijn. 104. Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht,
en die nochtans denken goed te handelen? 105. Zij zijn het die niet
gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen
verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen
hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven. 106. Dit zal
hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en
mijne teekens en gezanten bespot hebben. 107. Maar wat hen betreft,
die gelooven en goede werken doen, zij zullen de gaarden van het
paradijs tot hun verblijf hebben. 108. Zij zullen voor eeuwig daarin
verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen. 109. Zeg:
Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven,
waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden
van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere,
gelijke zee zouden gebruiken. 110. Zeg: waarlijk, ik ben slechts een
mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een
eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen,
rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer
geen ander met hem vereenigen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
MARIA [1216].
Geopenbaard te Mekka [1217].--98 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.