1. Geloofd zij hij, die zijn dienaar des nachts van den geheiligden

tempel van Mekka naar den meer verwijderden tempel van Jeruzalem

[1098] heeft overgebracht, waarvan wij den omtrek hebben gezegend,

om hem sommige onzer teekenen te doen zien; want God hoort en ziet

alles. 2. En wij gaven aan Mozes het boek der wet en bepaalden dat die

tot leiddraad zou dienen voor de kinderen IsraÎls, zeggende: Neemt

u in acht, dat gij geen anderen schuts buiten mij kiest. 3. O gij,

nakomelingen van hen, welke wij met Noach in de ark hebben bewaard

[1099]! waarlijk, hij was een dankbare dienaar. 4. En wij verklaarden

opzettelijk aan de kinderen IsraÎls in het boek der wet, zeggende:

Gij zult zekerlijk tweemaal [1100] op de aarde kwaad bedrijven,

en gij zult u met een mateloozen hoogmoed verhoovaardigen. 5. En

toen de straf, voor de eerste dezer zonden bedreigd, tot uitvoering

kwam, vaardigden wij onze dienaren, met buitengewone oorlogskracht

begiftigd, tegen u af [1101]; zij drongen in de binnenste vertrekken

uwer huizen door, en de voorzegging werd vervuld. 6. Daarna gaven

wij u, op uwe beurt, de overwinning over hen [1102] en wij schonken

u vermeerdering van welvaart en kinderen, en wij maakten u tot een

talrijker volk. 7. Zeggende: Indien gij goed doet, zult gij omtrent

uwe eigene zielen wel handelen, en indien gij kwaad doet, doet gij

dit mede nopens uwe eigen zielen. Toen de straf, voor de latere zonde

bedreigd, tot uitvoering kwam, zouden wij vijanden tegen u, om u te

bedroeven [1103] en den tempel binnen te treden, zooals zij dien den

eersten keer binnentraden, en om daarna te verwoesten wat zij hadden

veroverd. 8. Misschien zal uw Heer hierna genadig omtrent u zijn;

maar indien gij voor de derde maal zondigt en dus terugkeert, zullen

wij mede terugkeeren en u kastijden [1104]; en wij hebben de hel tot

gevangenis voor de ongeloovigen bestemd. 9. Waarlijk deze Koran leidt

op den meest rechten weg, en verkondigt den geloovigen. 10. Die

goede werken verrichten dat zij eene groote belooning zullen

ontvangen. 11. Want hun, die niet in het volgende leven gelooven,

hebben wij eene gestrenge straf bereid. 12. De mensch bidt voor het

kwade zooals hij voor het goede bidt [1105], want de mensch is haastig

[1106]. 13. Wij hebben den nacht en den dag bevolen, als twee teekens

van onze macht; daarna bluschten wij het teeken van den nacht uit,

en wij deden het teeken van den dag voortschijnen, opdat gij zoudt

trachten, weldaden van uwen Heer te verkrijgen door het vervullen

uwer plichten, en opdat gij het getal jaren en de berekening van

den tijd zoudt kennen, en wij hebben iedere noodige zaak door eene

duidelijke uitlegging verklaard. 14. Het noodlot [1107] van iederen

mensch hebben wij om zijn hals bevestigd [1108], en op den dag der

opstanding zullen wij hem een boek toonen, waarin zijne daden zijn

vermeld en dat hem geopend zal worden aangeboden. 15. Lees uw boek,

(zullen de engelen dan tot hem zeggen), uwe ziel zal heden eene

voldoende rekening tegen u opmaken. 16. Hij die op den rechten weg

zal worden geleid, zal alleen ten voordeele van zijne eigene ziel

worden geleid, en hij die dwaalt, zal alleen tegen zijne eigene ziel,

met de last van eene andere worden bezwaard. Wij straffen nooit een

volk dan nadat wij eerst een gezant hadden afgevaardigd, om hen te

waarschuwen. 17. En als wij besloten hadden eene stad te verwoesten,

gelastten wij hare in overvloed levende inwoners, onzen gezant te

gelooven; maar zij handelden misdadig; daarom werd dat vonnis tegen

die stad rechtvaardig uitgesproken en wij verdelgden haar. 18. En hoe

vele geslachten hebben wij sedert Noach doen ondergaan! want uw Heer

kent en ziet op voldoende wijze de zonden zijner dienaren. 19. Hem

die dit voorbijgaande leven heeft gekozen, zullen wij in deze wereld

spoedig geven wat ons behaagt; daarna hebben wij de hel voor zijn

verblijf bereid; daar zal hij verbrand worden, bedekt met schande

en beroofd van alle genade. 20. Maar hij die het volgende leven

kiest en daarheen zijne pogingen doet strekken, terwijl hij een waar

geloovige is, diens pogingen zullen den Heer aangenaam zijn. 21. Wij

verleenen de gaven van uwen Heer aan dezen en aan genen; want Gods

gaven zullen niemand worden geweigerd. 22. Gedenk hoe wij sommigen

hunner in welvaart en waardigheid hebben doen uitmunten; maar het

volgende leven zal belangrijker zijn in graden van eer en van grootere

uitnemendheid. 23. Plaats geen anderen God naast den waren God; want

gij zoudt met schande en vernedering worden bedekt. 24. Uw Heer heeft

u bevolen, niemand buiten hem te aanbidden, en dat gij uwen ouders

gehoorzaamheid zoudt betoonen; hetzij een hunner of wel beiden den

ouderdom met u bereiken [1109]. Zeg dus niet tot hen: Foei! noch

doe hen verwijtingen, maar spreek met eerbied tot hen. 25. Wees

nederig omtrent hen en vol teederheid, en zeg: O Heer! heb genade

voor hen beiden; want zij hebben mij opgevoed toen ik nog klein

was. 26. God kent wat in uwe ziel is; hij weet of gij rechtvaardig

zijt. 27. Hij zal genadig zijn omtrent hen, die met oprechtheid tot

hem terugkeeren. 28. Geef uwen naaste terug, wat gij hem schuldig zijt

[1110], en ook aan den arme en den reiziger, en verteer uw vermogen

niet roekeloos. 29. Want de roekeloozen zijn broederen des duivels

[1111], en de duivel was ondankbaar omtrent zijn Heer. 30. Maar

indien gij u verwijdert van hen, die in nood verkeeren, zonder hen te

helpen, in afwachting der genade welke gij van uwen Heer hoopt [1112],

spreek dan ten minste met zachtheid tot hen. 31. Laat uwe hand niet

aan uwen nek gebonden zijn, en open die ook niet op toomlooze wijze

[1113], opdat gij geene blaam verdienet en niet tot armoede gebracht

wordet. 32. Waarlijk, dan eens reikt God zijne gaven met volle handen

uit aan degenen, die hem behagen, en dan weder is hij karig voor

wie hem behaagt; want hij kent en ziet zijne dienaren. 33. Doodt uwe

kinderen niet uit vrees voor armoede; wij zullen voor hen en u zorgen:

waarlijk, het is eene groote zonde hen te dooden [1114]. 34. Vrees

het overspel; want het is zonde en eene slechte weg. 35. Dood nimmer

de ziel, welke God u heeft verboden te dooden, tenzij het voor eene

rechtvaardige zaak mocht zijn [1115]; en wij hebben den naastbestaande

van hem, die onrechtvaardig gedood wordt, de macht gegeven, voldoening

te vragen [1116]; maar laat hem de grenzen der gematigdheid niet te

buiten gaan, door den moordenaar op eene te gruwelijke wijze te dooden,

of door het bloed van zijn vriend op een ander te wreken dan op den

persoon, die den moord heeft begaan, naardien hij door deze wet wordt

ondersteund [1117]. 36. En bemoei u niet met het vermogen van den wees,

behalve om het te vermeerderen, tot hij zijn ouderdom van sterkte

[1118] heeft bereikt, en kom uw verbond na; want de vervulling van

uw verbond zal u hier namaals worden toegerekend. 37. En geef volle

maat, als gij iets meet, en weeg met eene goede weegschaal. Dit zal

beter zijn en gemakkelijker ter bepaling van hetgeen ieder toekomt

[1119]. 38. En volg niet datgene, waarvan gij geene kennis hebt

[1120]; want het gezicht, het gehoor en het hart, alles zal op den

jongsten dag worden onderzocht. 39. Wandel niet trotsch op aarde;

want gij kunt die niet splijten, noch de bergen in grootte gelijk

worden. 40. Dat alles is kwaad, en verfoeielijk voor het gezicht

van uwen Heer. 41. Deze voorschriften maken een deel uit van de

wijsheid, die u door uwen Heer is geopenbaard. Richt geen anderen

God naast uwen God op, opdat gij niet in de hel geworpen, bestraft en

vernederd wordet. 42. Heeft uw Heer u bij voorkeur zonen geschonken,

en voor zich zelven dochters onder de engelen gekozen [1121]? Door

dit uit te spreken zegt gij eene godslastering. 43. Wij hebben

verschillende onderrichtingen en herhalingen in dezen Koran gebruikt,

opdat de menschen gewaarschuwd zouden zijn; doch het deed hen slechts

meer er toe overhellen, de waarheid te ontvluchten. 44. Zeg tot de

afgodendienaren: Indien er andere goden met hem waren, zooals gij

zegt, zouden zij zeker eene gelegenheid zoeken, om een aanslag tegen

den bezitter van den troon te smeden [1122]. 45. God behoede; en ver,

zeer ver zij het van hem, wat zij uitspreken! 46. De zeven hemelen

loven hem, en de aarde en alles wat daarin is: er bestaat geen ding

dat niet zijn lof verkondigt; maar gij begrijpt die verkondiging

niet. Hij is genadig en barmhartig. 47. Als gij den Koran leest,

plaatsen wij tusschen u en hen, die niet in het volgende leven

gelooven, een donkeren sluier. 48. En wij bedekken hunne harten,

opdat zij niet zouden begrijpen, en verzwaren hun gehoor. 49. En

indien gij, bij het herhalen van den Koran, slechts van uwen Heer

[1123] melding maakt, wenden zij u den rug toe en ontvluchten de

leer zijner eenheid. 50. Wij weten wel met welk doel zij hooren, als

zij naar u luisteren, als zij in het geheim onder elkander spreken,

en als eindelijk de boozen tot elkander zeggen: Gij volgt slechts

een betooverden man. 51. Onhoudt welke bijnamen zij u geven. Maar

zij zijn bedrogen; zij kunnen de waarheid nimmermeer vinden. 52. Zij

zeggen ook: Nadat wij tot beenderen en stof zijn geworden, zullen

wij dan zekerlijk als een nieuw schepsel opstaan? 53. Antwoord:

Zelfs indien gij van steen of ijzer waart, of zelfs van iets, wat,

volgens uwe meening, onmogelijk zou kunnen opgewekt worden. Maar

zij zullen zeggen: Wie zal ons doen herleven? Antwoord: Hij die u de

eerste maal schiep. En zij zullen hun hoofd om u schudden, zeggende:

Wanneer zal dit plaats hebben? Antwoord: Misschien is het nabij. 54. Op

dien dag zal God u uit uwe graven oproepen, en gij zult gehoorzamen,

terwijl gij zijn lof verkondigt [1124] en het zal u toeschijnen,

als waart gij daar slechts korten tijd verbleven [1125]. 55. Zeg tot

mijne dienaren, dat zij met zachtheid tot de ongeloovigen spreken,

opdat zij hen niet verbitteren; want Satan zaait tweedracht onder hen,

en Satan is een verklaarde vijand der menschen. 56. Uw Heer kent

u wel: indien het hem behaagt, zal hij u straffen [1126]; en wij

hebben u niet gezonden om hun bewaarder te wezen. 57. Uw Heer kent

alle personen, in den hemel en op aarde. Wij hebben sommige profeten

bijzondere gunsten boven andere geschonken, en wij gaven David de

psalmen [1127]. 58. Zeg: Roep hen ter hulp, welke gij u verbeeldt

dat goden buiten hem zijn, en gij zult zien, dat zij niet in staat

zijn u van het booze te verlossen, of het af te keeren. 59. Zij,

welke gij aanroept [1128], begeeren zelven nader met hunnen Heer

te worden verbonden, trachtende hem zoo nabij mogelijk te komen;

zij hopen mede op zijne genade en vreezen zijne straf; want de straf

van uw Heer is vreeselijk. 60. Er is geene stad, welke wij niet vÛÛr

den dag der opstanding zullen bestraffen. Dit is in het boek onzer

eeuwige besluiten opgeschreven. 61. Niets had ons verhinderd, u met

wonderen te zenden, behalve dat de vroegere volkeren die van bedrog

hebben beschuldigd. Wij gaven den stam van Thamoed op zijn verzoek,

zichtbaar de wijfjes kameel; doch zij handelden onrechtvaardig er mede

[1129], en wij zonden geen profeet met wonderen, dan om schrik in te

boezemen. 62. Gedenk toen wij tot u zeiden: Waarlijk, uw Heer omringt

de menschen door zijne kennis en macht. Wij hebben het visioen bepaald

[1130], hetwelk wij u toonden, en ook den boom [1131], dien wij in

den Koran hebben gevloekt, alleen tot eene aanleiding van twist voor

de menschen, en om hen met angst te slaan, maar dit zal hen slechts

met meer weerspannigheid doen zondigen. 63. En gedenk, toen wij

tot de engelen zeiden: Aanbidt Adam, en zij baden hem allen aan,

behalve Eblis, die zeide: Zou ik hem aanbidden dien gij van klei

hebt geschapen? 64. En hij zeide: Ziet gij hem, dien gij meer dan

mij hebt vereerd? waarlijk indien gij mij uitstel verleent tot den

dag der opstanding, zal ik zijne geheele nakomelingschap uitroeien,

een klein getal uitgezonderd. 65. God antwoordde: Vertrek; ik geef u

uitstel; maar de hel zal uwe vergelding zijn met allen die u volgen:

waarlijk eene ruime vergelding voor uwe misdaden [1132]. 66. En lok

door uwe stem allen tot verleiding, welke gij kent en val hen op

alle zijden met uwe ruitere en met uwe voetknechten aan, en wees hun

deelgenoot in hunne rijkdommen en hunne kinderen, en doe hun beloften,

(doch de duivel zal hun slechts bedriegelijke beloften doen). 67. Wat

mijne dienaren betreft, zult gij geene macht over hen hebben; want

uw Heer is een toereikende schuts voor hen die vertrouwen in hem

stellen. 68. Het is uw Heer die de schepen op zee voorwaarts voor u

drijft, opdat gij zoudt trachten, u zelven (door handel) van zijnen

overvloed te verrijken; want hij is barmhartig omtrent u. 69. Als

u een ongeval op zee overkomt, worden de valsche godheden, welke gij

aanroept, door u vergeten, behalve hij zelf, maar wanneer hij u redt en

op het droge brengt, wendt gij u van hem af, en keert tot uwe afgoden

terug; want de mensch is ondankbaar [1133]. 70. Zijt gij dus zeker dat

hij u niet door het droge land zal doen verzwelgen, of dat hij geen

dwarrelwind tegen u zal zenden die het zand voortdrijft, ten einde u

te overstelpen? Dan zult gij niemand vinden om u te beschermen. 71. Of

zijt gij zeker, dat hij u niet nog eens, ten tweeden male, tot de zee

zal terugbrengen; dat hij geen hevigen wind tegen u zal zenden en dat

hij u niet zal doen verdrinken, omdat gij ondankbaar zijt geweest? Maar

dan zult gij niemand vinden, die u in dat ongeluk tegen ons kan

verdedigen. 72. En wij hebben de kinderen van Adam met onderscheidene

bijzondere voorrechten en gunsten vereerd; wij droegen hen ter land

en ter zee en hebben hen van goed voedsel voorzien, en wij hebben

hen de voorkeur gegeven boven velen der schepselen welke wij hebben

geschapen, door hun groote voorrechten te verleenen. 73. Op een zekeren

dag zullen wij alle menschen oproepen, om met hunne opperhoofden [1134]

te worden geoordeeld, en zij die het boek, dat hun gegeven werd, in de

rechterhand hebben, zullen hun boek met vreugde en voldoening lezen

en geen haar zal hun gekrenkt worden [1135]. 74. En wie in dit leven

blind is geweest, zal ook blind in het volgende leven zijn en zal het

meeste van den drempel der gelukzaligheid afdwalen. 75. Het scheelde

slechts weinig, of de ongeloovigen hadden u in verzoeking gebracht,

u van de vermaningen te verwijderen, welke wij u hebben geopenbaard,

opdat gij iets anders omtrent ons zoudt uitdenken, en dan zouden zij

u als hunnen vriend hebben beschouwd. 76. En indien wij u niet hadden

bevestigd, zoudt gij er zekerlijk zeer nabij zijn geweest, eenigszins

tot hen over te hellen. 77. Dan zouden wij u zekerlijk de straf des

levens en de straf des doods [1136] hebben doen ondervinden, en gij

zoudt niemand hebben gevonden om u tegen ons te verdedigen. 78. De

ongeloovigen hebben evenzeer getracht, u het land te doen verlaten,

om u daaruit te verdrijven [1137]; maar dan zouden zij daarin niet

dan gedurende korten tijd na u zijn gebleven [1138]. 79. Dit is

de wijze van handelen welke wij ons zelven hebben voorgeschreven

met betrekking tot onze gezanten, welke wij reeds vÛÛr u hebben

gezonden, en gij zult geene verandering vinden in de wegen welke wij

hebben gevolgd. 80. Doe uw gebed geregeld bij het ondergaan der zon

[1139], bij de eerste duisternis van den nacht [1140] en het gebed

van den ochtendstond [1141]: want het gebed van den ochtendstond

geschiedt in het bijzijn van de engelen die daarvan getuigenis geven

[1142]. 81. En besteed ook een deel van den nacht aan het gebed, als

een onverplicht werk voor u: misschien zal uw Heer u tot een eervolle

plaats oproepen [1143]. 82. En zeg: O Heer! doe mij door een gunstige

ingang binnentreden en doe mij door een gunstige uitgang uitgaan

[1144] en verleen mij eene ondersteunende macht voor u. 83. En zeg: de

waarheid is gekomen, en de logen is ontvloden; want de logen is bestemd

om te ontvlieden. 84. Wij zonden al datgene van den Koran neder, wat

tot geneesmiddel en genade voor de ware geloovigen kan dienen; maar

het zal slechts het verderf der onrechtvaardigen vergrooten. 85. Als

wij den mensch weldaden bewijzen, verwijdert hij zich en verbergt

ondankbaar zich voor ons; maar indien het kwaad hem bereikt, wanhoopt

hij aan onze barmhartigheid. 86. Ieder handelt naar zijne eigene

wijze; maar uw heer weet, wie op de meest ware wijze op zijnen weg

wordt geleid. 87. Zij zullen u ondervragen omtrent den geest [1145],

antwoord: De geest werd geschapen op bevel van mijn Heer [1146]; maar

er zijn slechts weinigen onder u die kennis hebben [1147]. 88. Indien

het ons behaagde zouden wij zeker wegnemen wat wij u hebben geopenbaard

[1148]. In dat geval zoudt gij niemand hebben gevonden, die u daarin

tegen ons zou hebben bijgestaan. 89. Tenzij door de genade van uwen

Heer; want zijne goedheid omtrent u is groot. 90. Zeg: Waarlijk;

indien de menschen en de gewassen zich zouden vereenigen, met het

doel, een boek gelijk aan dezen Koran voort te brengen, zouden zij

geen kunnen voortbrengen, dat daaraan gelijk zij; hoewel de een van

hen den ander zou ondersteunen. 91. En wij hebben in dezen Koran den

menschen, op verschillende wijze, figuurlijke vergelijkingen gegeven,

maar het grootste deel der menschen weigeren, alleen uit ongeloof, die

te ontvangen. 92. Zij zeggen: Wij zullen niet in u gelooven, tot gij

een waterstraal voor ons uit de aarde doet opspringen. 93. Of indien

gij een tuin van palmboomen en wijngaarden hebt en dat gij uit het

midden rivieren in overvloed doet ontspringen. 94. Of indien gij een

deel der hemelen op ons doet nedervallen, of dat gij God en de engelen

doet verschijnen, om borg voor u te blijven. 95. Of dat gij een huis

van goud hebt, of dat gij met eene ladder tot den hemel opklimt; nimmer

zullen wij gelooven dat gij daarvan alleen zijt afgestegen [1149],

tot gij een boek tot ons doet nederdalen, brengende getuigenis

van u hetgeen wij zouden kunnen lezen. Antwoord: Mijn Heer zij

geloofd! Ben ik iets anders dan een mensch die als gezant wordt

afgevaardigd. 96. En niets verhindert de menschen te gelooven,

als eene leiding tot hen is gekomen, dan dat zij zeggen: Heeft God

een mensch als zijn gezant nedergezonden? 97. Antwoord: Indien de

engelen op aarde hadden gewandeld als rustige inwoners, zouden wij

zekerlijk een engel als onzen gezant van den hemel tot hen hebben

nedergezonden. 98. Zeg: God is een voldoende getuige tusschen mij

en u; want hij kent en ziet zijne dienaren. 99. Wie door God geleid

wordt, zal goed geleid zijn, en hij, wien hij zal doen dwalen, zal

geene hulp buiten hem verzamelen op den dag der opstanding, liggende

op hunne aangezichten, blind, stom en doof; hun verblijf zal de hel

zijn. Zoo dikwijls het vuur daarvan zal worden uitgebluscht, zullen

wij eene nieuwe vlam doen ontstaan om hen te martelen. 100. Dit zal

hunne vergelding zijn, omdat zij niet in onze teekens gelooven,

en zeggen: als wij tot beenderen en stof veranderd zullen zijn,

zullen wij dan zekerlijk als nieuwe schepselen opstaan? 101. Zien

zij niet, dat God, die de hemelen en de aarde schiep, in staat is

andere lichamen te vormen, gelijk aan de hunne? En hij heeft hen

een beperkten tijd bepaald [1150]: dit is ontwijfelbaar; maar de

goddeloozen verwerpen de waarheid alleen uit ongeloof. 102. Zeg:

Indien gij de schatten der genade van mijnen Heer bezat zoudt gij

u onthouden daarvan gebruik te maken, uit vrees die te verkwisten

[1151]; want de mensch is begeerlijk. 103. Wij gaven vroeger aan Mozes

de macht om negen duidelijke teekens te toonen [1152]. En vraag de

kinderen IsraÎls nopens het verhaal van Mozes, toen hij tot hen kwam

en Pharao tot hem zeide: Waarlijk, ik geloof dat gij, o Mozes! door

eene betoovering beheerscht zijt. 104. Mozes antwoordde: Gij weet wel,

dat niemand deze duidelijke teekens heeft nedergezonden, behalve de

Heer van hemel en aarde; en ik geloof dat gij, o Pharao! een verloren

man zijt. 105. Daarom wilde Pharao hen uit het land drijven, maar wij

deden hem verdrinken, en allen die met hem waren. 106. En wij zeiden na

zijne verdelging tot de kinderen IsraÎls: Woont in het land, en als de

belofte van het toekomstige leven in vervulling zal komen, zullen wij

u allen bij elkander brengen om geoordeeld te worden. Wij hebben den

Koran met waarheid nedergezonden, en met waarheid daalde die neder;

en wij zonden dien, om alleen een boodschapper van goede tijdingen te

zijn en tot aankondigen van bedreigingen. 107. Wij hebben den Koran

gescheiden, door dien bij gedeelten te openbaren, opdat gij dien den

mensch met overleg zoudt voorlezen, en wij hebben dien nedergezonden,

naar gelang de gelegenheid dit vereischte. 108. Zeg: Hetzij gij al of

niet in den Koran gelooft, zij die werden begiftigd met de kennis der

schriften, welke vroeger zijn geopenbaard en hun herhaald werden,

zij vallen op hunne aangezichten [1153] en aanbidden, zeggende:

Onze Heer zij geloofd; want de belofte van onzen Heer is zekerlijk

vervuld! 109. Zij vallen weenende op hunne aangezichten neder, en het

hooren daarvan vermeerdert hunne nederigheid. 110. Zeg: Roep God aan,

of aanbid den barmhartige; want het is gelijk, met welken dier beide

namen gij hem aanroept: hij toch bezit de meest uitmuntende namen

[1154]: Spreek uw gebed niet overluid uit, noch met eene te zachte

stem [1155], maar volg een middenweg tusschen deze beiden. 111. Zeg:

Geloofd zij God, die geen kind voortgebracht, die geen deelgenoot in

het koninkrijk, en niemand noodig heeft om hem voor vernedering te

bewaren; en verheerlijk hem, door zijne grootheid te verkondigen.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

DE SPELONK [1156].

Geopenbaard te Mekka [1157].--110 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 26 / 89 段