1. Het besluit van God zal zekerlijk worden uitgevoerd; verhaast het

dus niet. Geloofd zij hij! en ver zij het van hem wat gij met hem

vereenigt. 2. Hij zal de engelen, door zijn bevel doen nederdalen

met eene openbaring tot degenen zijner dienaren, welke hem behagen,

zeggende: Verkondigt dat er geen God buiten mij is, en vreest mij

dus. 3. Hij heeft de hemelen en de aarde geschapen om zijne waarheid

te doen blijken; ver zij het van hem wat gij met hem vereenigt. 4. Hij

heeft den man van zaad geschapen, en thans is de mensch een bepaalde

betwister der opstanding [1049]. 5. Hij heeft op dezelfde wijze het

vee voor u geschapen, van hetwelk gij de kleederen verkrijgt om

u warm te houden [1050], benevens andere voordeelen, terwijl gij

er tevens van eet. 6. Het is tegelijk eene eer voor u als gij het

des avonds naar huis drijft, en als gij het des morgens wegvoert

om het te weiden. 7. En zij dragen uwe lasten naar eene verwijderde

plaats, welke gij op geene andere wijze zoudt kunnen bereiken dan met

groote moeielijkheid voor u zelven; want uw Heer is goedertieren en

barmhartig. 8. Ook heeft hij paarden en muildieren en ezels geschapen

om daarop te kunnen rijden, en als een sieraad voor u; en hij schiep

evenzoo andere dingen, welke gij niet kent. 9. Het behoort Gode,

de menschen te onderrichten nopens den rechten weg, en er zijn er,

die daarvan afdwalen: maar indien het hem had behaagt, zou hij u

zekerlijk allen geleid hebben. 10. Hij is het, die regenwater van

den hemel nederzendt, waarvan gij kunt drinken en waarvan de planten

waarmede gij uw vee spijst, haar voedsel ontvangen. 11. Door middel

van het water doet hij koorn, olijven en palmboomen, druiven en alle

soorten van vruchten voor u ontspruiten. Waarlijk, hierin is een

teeken van de goddelijke macht en wijsheid voor hen die aandachtig

gadeslaan. 12. En hij heeft den nacht en den dag aan uwen dienst

onderworpen, en de zon en de maan en de sterren, die gedwongen zijn

op zijn bevel te dienen. Waarlijk, hierin liggen teekenen voor hen die

begrijpen willen. 13. Hij heeft u ook de oppermacht gegeven over alles

wat hij voor u op aarde heeft geschapen, door zijne verschillende

kleuren onderscheiden. Waarlijk, hierin is een teeken voor hen die

er over denken. 14. Hij is het, die de zee aan u heeft onderworpen,

opdat gij er visschen [1051] uit zoudt mogen eten en er versierselen

[1052] uit mogen halen om u op te schikken; en gij ziet de schepen

hare golven doorklieven, opdat gij zoudt trachten door koophandel u met

zijnen overvloed te verrijken, en dat gij dankbaar zoudt zijn. 15. En

hij heeft op de aarde vastgewortelde bergen geplaatst, dat die

zich met u zouden bewegen [1053], en ook rivieren en paden, opdat

gij geleidt zoudt worden. 16. Hij heeft tevens teekenen geplaatst,

waardoor de menschen hunnen weg zouden kennen; en zij worden door de

sterren geleid [1054]. 17. Zal dus God die schept, evenals hij zijn,

die niet schept? Dient gij dus niet na te denken. 18. Indien gij

poogt Gods gunsten te berekenen, zult gij niet in staat zijn haar

getal te tellen. Waarlijk. God is genadig en barmhartig. 19. En God

kent wat gij verbergt en wat gij openbaart. 20. Maar de afgoden,

welke gij buiten God aanbidt, scheppen niets, maar zijn zelven

geschapen. 21. Zij zijn dood en niet levend, en zij weten volstrekt

niet, 22. wanneer zij zullen opstaan [1055]. 23. Uw God is een eenig

God. Wat hen betreft, die niet in het volgende leven gelooven, hunne

harten loochenen het meest duidelijke, en zij verwerpen de waarheid

met trotschheid. 24. Daaromtrent is geen twijfel, maar God kent wat

zij verbergen en wat zij ontdekken. 25. Waarlijk, hij bemint den

trots niet. 26. En toen men hun vroeg: Wat heeft uw Heer aan Mahomet

nedergezonden? antwoordden zij: Fabelen uit oude tijden. 27. Zoozeer

zijn zij aan dwaling overgegeven, dat zij hunne eigene lasten zonder

verlichting op den dag der opstanding zullen dragen, en ook een deel

der lasten van hen welke zij deden dwalen zonder kennis. Zal het geen

zware last zijn dien zij zullen dragen? 28. Hunne voorgangers smeedden

vroeger aanslagen. God tastte hun gebouw tot in de grondslagen aan:

het dak viel van boven op hen neder, en eene straf kwam over hen, van

waar zij die niet verwachtten [1056]. 29. Ook op den dag der opstanding

zal hij hen met schande bedekken en zal hij zeggen: Waar zijn mijne

makkers, over welke gij getwist hebt? Zij, aan wie verstand zal zijn

gegeven [1057], zullen antwoorden: Op dezen dag zullen schande en

ellende over de ongeloovigen komen. 30. Zij welken de engelen des doods

bij het sterven zullen afwachten omdat zij onrechtvaardig met hunne

zielen gehandeld hebben, zullen in het oogenblik des doods aanbieden,

zich te onderwerpen, zeggende: Wij hebben geen kwaad bedreven. Maar

de engelen zullen antwoorden: Ja, waarlijk, God kent wat gij hebt

bedreven. 31. Gaat dus de poorten der hel binnen, om daarin voor

eeuwig te verblijven; en het verblijf van den trotsche zal ellendig

zijn. 32. En tot de godvreezenden zal gezegd worden: Wat heeft uw

Heer nedergezonden? Zij zullen antwoorden: Allerlei weldaden. Aan hen

die rechtvaardig handelen, zal eene uitmuntende belooning in deze

wereld worden geschonken, maar de woning, van het volgende leven

zal beter, en de woning van den vrome gelukkig zijn! 33. Namelijk

tuinen van eeuwig verblijf, waar zij zullen binnentreden; rivieren

zullen daar stroomen, en daar zullen zij genieten wat zij zouden mogen

wenschen. Zoo zal God den vrome beloonen. 34. Tot de rechtvaardigen,

welke de engelen bij het sterven ontvangen, zullen zij zeggen: Vrede

zij over u! Gaat het paradijs binnen, als eene belooning voor hetgeen

gij hebt gedaan. 35. Verwachten de ongeloovigen iets anders dan dat de

engelen tot hen komen, om hunne zielen van hunne lichamen te scheiden,

of dat het besluit van hunnen Heer op hen worde uitgevoerd? Zoo

handelen zij die vÛÛr hen waren en God handelde niet onrechtvaardig

nopens hen, door hen te verdelgen: maar zij handelden onrechtvaardig

met hunne eigene zielen. 36. De booze daden welke zij bedreven

hadden, bereikten hen en het goddelijke oordeel, dat zij bespot

hadden, stortte op hen neder. 37. De afgodendienaars zeggen: Indien

het Gode had behaagd, zouden wij niets buiten hem hebben aangebeden,

wij en onze vaderen; wij zouden slechts verboden hebben wat hij zelf

verbood. Zij die hen voorafgingen, handelden evenzoo. Maar moeten de

gezanten iets anders doen dan openbaar prediken? 38. Wij hebben vroeger

bij ieder volk een gezant doen opstaan, om hen te vermanen, zeggende:

Aanbidt God en vermijdt Thagut [1058]. En sommigen van hen werden

door God geleid, terwijl anderen bestemd waren af te dwalen. Gaat

dus over de aarde, gij KoreÔshieten, en ziet wat het einde was van

hen, die hunne gezanten van bedrog beschuldigden. 39. Indien gij,

o profeet, ernstig wenscht dat zij geleid mogen worden, weet dan, dat

God dengeen niet leidt, omtrent wien hij besloten heeft, hem in dwaling

te brengen: zij zullen geenerlei helper hebben. 40. En zij zweren op

de meest plechtige wijze bij God, zeggende: God zal de dooden niet

opwekken. En toch, de belofte is waar. Hij zal het dus doen, maar

het grootste deel der menschen weet het niet. 41. Hij zal hen doen

verrijzen, opdat hij hun duidelijk de waarheid zou kunnen toonen,

waaromtrent zij thans verschillen, en opdat de ongeloovigen weten

dat zij leugenaars zijn. 42. Indien wij willen, dat iets bestaat,

zeggen wij slechts: Zij, en het is. 43. Wat hen betreft, die hun

land zijn ontvloden voor Gods zaak, nadat zij onrechtvaardig waren

vervolgd, waarlijk, wij zullen hun eene uitmuntende woning in deze

wereld schenken; maar de belooning van het volgende leven zal grooter

zijn. Indien zij dat slechts kenden! [1059]. 44. Zij die met geduld

volharden en hun vertrouwen in hunnen Heer stellen, zullen overvloed

van geluk hebben, zoowel in dit leven als in het volgende. 45. Wij

hebben vÛÛr u niemand anders als onze gezanten gezonden, dan mannen

[1060], met welke wij door openbaring spraken. Vraag dus aan hen,

die met de bewaring der schriften zijn belast, indien gij niet

weet dat dit de waarheid is. 46. Wij zonden hen met duidelijke

wonderen en beschreven openbaringen, en wij hebben u dezen Koran

[1061] gezonden, opdat gij den mensch zoudt verklaren wat hem reeds

werd nedergezonden, en opdat hij zou nadenken. 47. Zijn zij, die

kwaad tegen hunnen profeet hebben gesmeed, zeker, dat God de aarde

onder hen niet zal doen vaneen splijten, of dat hen geene straf zal

treffen, vanwaar zij die niet verwachten. 48. Of dat hij hen niet

zal kastijden, als zij bezig zijn van eene plaats naar eene andere

te reizen, of met arbeiden? Want zij zullen niet in staat zijn,

Gods macht te verzwakken. 49. Of dat hij hen niet zal kastijden door

eene trapsgewijze vernietiging? Maar uw Heer is waarlijk genadig

en barmhartig door u uitstel te verleenen. 50. Beschouwen zij de

dingen niet die God heeft geschapen, wier schaduwen naar de rechter-

en linkerzijde worden geworpen, om God [1062] te aanbidden en zich

voor hem neder te buigen? 51. Alles wat zich, zoowel in den hemel

als op de aarde, beweegt, die dieren en ook de engelen aanbidt God,

en zij zijn niet door trotschheid opgeblazen. 52. Zij vreezen hunnen

Heer, die boven hen is verheven, en doen wat hun bevolen is. 53. God

zeide: Neemt geene twee goden onder u; want er is slechts ÈÈn God,

en vreest mij. 54. Hem behoort alles wat in den hemel en op de aarde

is, en hem is de mensch eeuwig gehoorzaamheid schuldig. Zoudt gij dus

iets buiten God vreezen? 55. Welke weldaden gij ook hebt ontvangen,

zij zijn zekerlijk van God, en indien gij door het ongeluk bedroefd

wordt, richt gij uwe smeekingen tot hem. 56. En indien hij u van het

booze verlost, geeft een deel der uwen makkers aan hunnen Heer. 57. Om

hunne ondankbaarheid te betoonen voor de gunsten welke wij hun

hebben geschonken. Verheugt u in de genietingen van dit leven; maar

hier namaals zult gij weten, dat gij de goddelijke wraak niet kunt

ontkomen. 58. En zij geven aan de afgoden, die geen verstand hebben

[1063], een deel van het voedsel dat wij hun hebben geschonken. Ik

zweer u bij God, gij zult zekerlijk ter verantwoording worden geroepen,

voor hetgeen gij verkeerdelijk hebt uitgedacht. 59. Zij schrijven

aan God dochters toe [1064]; dit zij ver van hem! en zij begeeren

die niet voor zich zelven [1065]. 60. En indien aan een hunner het

bericht wordt gegeven van de geboorte eener dochter, wordt zijn

aangezicht donker [1066] en hij is diep bedroefd. 61. Hij verbergt

zich voor het volk, wegens de slechte tijding die hem is medegedeeld;

bij zichzelven nadenkende, of hij er de schande van ondergaan, of

haar in het stof begraven zal. Is hun oordeel niet slecht? 62. En

die niet in het volgende leven gelooven, moet gij gelijk stellen

met al het booze; maar vereenig God slechts met het meest verhevene

[1067]; want hij is machtig en wijs. 63. Indien God de menschen voor

hunne onrechtvaardigheid zou straffen, zou hij geen levend wezen op

aarde laten; maar hij geeft hen uitstel tot een bepaalden tijd; en

als hun tijd zal gekomen zijn, zullen zij geen uur uitstel ontvangen,

en hunne straf zal ook niet vervroegd worden. 64. Zij schrijven aan God

toe wat zij zelve haten, en hunne tongen spreken eene leugen uit, als

zij zeggen, dat de belooning van het paradijs voor hen is bestemd. Er

bestaat geen twijfel, of het vuur der hel voor hen is gereed gemaakt,

en dat zij daarin zullen nedergeworpen worden, vÛÛr het overige deel

der zondaren. 65. Ik zweer bij God, dat wij vroeger gezanten hebben

gezonden tot de volkeren, die vÛÛr u bestonden, maar Satan maakte hunne

werken voor hen gereed; hij was hun schuts in deze wereld [1068] en

in de volgende zullen zij eene gestrenge pijniging ondergaan. 66. Wij

hebben u den Koran met geen ander doel nedergezonden, dan dat gij

hun de waarheid zoudt verklaren, waaromtrent zij thans verschillen,

en tot leiding en genade voor hen die gelooven. 67. God zendt water

van den hemel neder en doet de aarde na haren dood herleven. Waarlijk,

hierin is een teeken der opstanding, voor hen die luisteren. 68. Ook

het vee is voor u een voorbeeld tot onderricht; wij geven u te

drinken van hetgeen zich in zijn buik bevindt, tusschen verteerde

stoffen en bloed; namelijk zuivere melk, die met genoegen wordt

genoten door hen die haar drinken. 69. En van de vruchten der

palmboomen, en van de druiven verkrijgt gij een bedwelmenden drank

en ook een goed voedsel [1069]. Waarlijk hierin is een teeken,

voor hen die begrijpen willen. 70. Uw Heer sprak door ingeving tot

de bij, zeggende: Bouw u huizen in de bergen en in de boomen, en

van de stoffen waarmede de menschen korven voor u bouwen. 71. Eet

van iedere vruchtsoort en wandel op de gebaande wegen van uwen Heer

[1070]. Uit hare buiken komt eene vloeistof van verschillende kleur

[1071] welke een geneesmiddel voor de menschen bevat. Waarlijk,

hierin is een teeken voor hen die nadenken. 72. God heeft u geschapen,

en hij zal u later doen sterven, en het leven van menigen uwer zal

tot een uitgeleefden ouderdom verlengd worden, zoodat hij alles zal

vergeten wat hij wist; want God is wijs en machtig. 73. God doet

sommigen uwer in wereldsche bezittingen boven anderen uitmunten;

maar degenen welke hij doet uitmunten, geven hunne bezittingen niet

aan hunne slaven, die door hunne rechterhand wordt bezeten, opdat zij

gelijke bezitters daarvan worden [1072]. Loochenen zij daarom Gods

weldaden? 74. God heeft u vrouwen gekozen onder de uwen en u van

uwe vrouwen kinderen en kleinkinderen geschonken, en heeft u goede

dingen tot voeding gegeven. Wilt gij dus gelooven in datgene wat

ijdel is, en ondankbaar Gods goedheid loochenen? 75. Zij aanbidden

naast God afgodsbeelden die niets bezitten, waarmede zij zich kunnen

onderhouden, noch in den hemel, noch op aarde, en welke geene macht

hebben. 76. Vergelijk dus niets met God [1073]; want God weet alles

en gij weet niets. 77. God stelt u als eene vergelijking een slaaf

voor, die over niets macht bezit en dengeen, wien wij een grooten

voorraad hebben geschonken en die daarvan openlijk en heimelijk [1074]

aalmoezen geeft; zullen deze beiden gelijk geschat worden? Goddank,

neen! Maar het grootste deel der menschen weet het niet. 78. God

stelt ook als eene vergelijking twee mannen voor, waarvan de een

stom geboren, en niet in staat is iets te doen of te verstaan:

maar een last voor zijn meester is: waarheen hij hem ook zende,

hij zal hem niets goeds brengen. Zal deze man en hij die meester

over zijne spraak is en verstaat, en die beveelt wat rechtvaardig

is en den rechten weg volgt, gelijk geacht worden [1075]? 79. Aan

God alleen is het geheim van hemel en aarde bekend. De handeling van

het laatste uur [1076] zal zijn als de tijdruimte van een oogenblik,

of wellicht nog spoediger; want God is almachtig. 80. God heeft u

voortgebracht uit de ingewanden uwer moederen. Gij wist niets en hij

gaf u de zintuigen van het gehoor en het gezicht, en het verstand,

opdat gij dankbaar zoudt zijn. 81. Hebt gij een blik geworpen op de

vogelen, die de lucht doorklieven? God alleen kan hunne vlucht stuiten;

niemand beschut hen buiten God. Waarlijk, hierin zijn teekens voor

hen die gelooven. 82. God heeft u ook huizen gegeven, om tot woningen

voor u te dienen en heeft ook uwe tenten van dierenhuiden voorzien,

die licht zijn, om op den dag van uw vertrek naar andere plaatsen

overgebracht te worden, en gemakkelijk te spannen op den dag, dat gij

er in woont; hij heeft u voorzien van wol, bont en haar van uw vee;

van kleederen en benoodigdheden voor tijdelijk gebruik. 83. En God

heeft u verschaft van hetgeen hij geschapen heeft, en gemakken om u

tegen de zon te beveiligen, en hij heeft u schuilplaatsen in de bergen

verstrekt en kleederen gegeven, om u voor de hitte te beschutten

[1077], en maliÎnkolders, om u in uwe oorlogen te beschermen. Zoo

vervult hij zijne gunst nopens u, opdat gij u aan zijn wil zoudt

onderwerpen. 84. Maar indien de Arabieren zich afwenden, zijt gij

slechts met de openbare prediking belast. 85. Zij erkennen Gods

goedheid en loochenen die later [1078]; maar het grootste deel hunner

zijn ongeloovigen [1079]. 86. Op zekeren dag zullen wij een getuige

van ieder volk doen opstaan; dan zullen zij, die ongeloovigen waren,

zich niet kunnen verontschuldigen, en zij zullen niet in gunst worden

opgenomen. 87. En als zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, de

pijniging zullen zien, die voor hen is bereid, welke noch verminderd,

noch uitgesteld voor hen zal worden. 88. En als zij, die zich aan

afgodendienst hebben schuldig gemaakt, hunne valsche goden [1080]

zullen zien, zullen zij zeggen: O Heer! dit zijn onze afgoden,

welke wij buiten u aanroepen. Maar zij zullen zich omkeeren en hun

antwoorden: Waarlijk, gij zijt leugenaars. 89. En op dien dag zullen

de zondaren God hunne onderwerping aanbieden; en de valsche godheden

welke zij hebben uitgedacht, zullen verdwijnen. Wat hen betreft, die

ongeloovig waren, en anderen van Gods weg hebben afgeleid. 90. Wij

zullen hen straf op straf doen ondergaan, omdat zij anderen hebben

verleid. 91. Op zekeren dag zullen wij uit ieder volk een getuige

van de hunne tegen hen doen opstaan, en wij zullen u, o Mahomet,

tot een getuige tegen deze Arabieren maken. Wij hebben u het boek van

den Koran nedergezonden, tot uitlegging van alle dingen, die zoowel

in het geloof als in het leven noodig zijn, en tot eene richting, en

genade en goede tijdingen onder de Moslems. 92. Waarlijk, God beveelt

rechtvaardigheid en weldadigheid, en het geven aan verwanten wat

noodig is; en hij verbiedt zonde, onrechtvaardigheid en verdrukking:

hij waarschuwt u, opdat gij zoudt overwegen [1081]. 93. Vervul uw

verbond met God [1082], als gij een verbond met hem aangaat, en schend

uwe eeden niet, nadat gij die plechtig hebt afgelegd. Gij hebt God tot

getuige over u gesteld, en waarlijk God weet wat gij doet. 94. Gelijk

niet op de vrouw, die vernietigde wat zij gesponnen had; die den

draad losdraaide, nadat zij hem stevig had gesponnen [1083]; door

elkander bedriegelijke eeden te doen, omdat het eene deel sterker is

dan het andere. Waarlijk, God beproeft u slechts hierin, en hij zal u

dat duidelijk maken op den dag der opstanding, waaromtrent gij thans

verschilt. 95. Indien het Gode had behaagd, zou hij u zekerlijk tot ÈÈn

volk hebben gemaakt; maar hij brengt in dwaling naar zijn welbehagen,

en hij zal leiden wie hem behaagt. Eens zal men u rekenschap van uwe

daden vragen. 96. Bedien u niet van uwe eeden als van een middel om

te bedriegen, opdat uw voet, die thans vaststaat, niet uitglijde en

opdat gij de straf niet moogt ondervinden, omdat gij u van den weg

tot God hebt afgewend, en gij eene gestrenge straf in het volgende

leven zoudt lijden. 97. Verkoop ook het verbond met God niet tot een

geringen prijs [1084]; want God heeft u eene betere belooning bereid,

indien gij wilt begrijpen. 98. Datgene wat gij bezit, gaat voorbij,

maar hetgeen bij God is, blijft; en wij zullen hen die volharden,

zekerlijk overeenkomstig de verdienste hunner daden beloonen. 99. Hij

die rechtvaardigheid oefent, hetzij hij een man of eene vrouw mocht

wezen en een waar geloovige is, wij zullen hem zekerlijk tot een

gelukkig leven opwekken, en wij zullen hem de schoonste belooning

geven, welke zijne daden hebben verdiend. 100. Indien gij den Koran

leest, zoek dan toevlucht bij God, opdat hij u moge behoeden tegen

Satan, die met steenen werd verdreven [1085]. 101. Doch hij heeft

geene macht over hen die gelooven en die vertrouwen in hunnen Heer

stellen. 102. Maar zijne macht strekt zich alleen uit over hen, die

hem tot hunnen schuts kiezen, en die God makkers geven. 103. Indien

wij in dezen Koran een vers door een ander vervangen (en God weet het

beste wat hij openbaart), dan zeggen de ongeloovigen: Gij alleen hebt

deze verzen uitgedacht; maar de meesten hunner weten de waarheid van

de leugen niet te onderscheiden. 104. Zeg: De heilige geest [1086]

heeft u deze van uwen Heer met waarheid nedergebracht, opdat hij

degenen zou mogen bevestigen die gelooven, en tot eene richting diene

en goede tijdingen aan de Moslems brenge. 105. Wij weten ook dat zij

zeggen: Waarlijk, een zeker man leert hem den Koran samenstellen. De

taal van den persoon dien zij willen aanduiden is eene vreemde taal:

maar diegene waarin de Koran is geschreven, is de duidelijke Arabische

taal [1087]. 106. Wat hen betreft die niet in Gode teekenen gelooven,

God zal hen niet leiden, en zij zullen eene pijnlijke marteling

ondergaan. 107. Waarlijk, zij die niet in Gods teekenen gelooven,

denken eene leugen uit, en zij zijn de leugenaars. 108. Hij die God

loochent, nadat hij heeft geloofd, behalve hij die tegen zijn wil werd

gedwongen, en wiens hart standvastig blijft in het geloof, zal streng

gekastijd worden [1088]; maar op hem, die uit eigen wil ongeloovig is,

zal Gods verontwaardiging nederkomen en hij zal eene gestrenge straf

ondergaan. 109. Dit zal hun vonnis zijn, omdat zij het tegenwoordige

leven boven het volgende hebben bemind en omdat God de ongeloovigen

niet leidt. 110. Die zijn zij wier harten, gehoor en gezicht door

God zijn verzegeld. Zij zijn zorgeloos; maar het is ontwijfelbaar,

dat zij in het volgende leven zullen gestraft worden. 111. Uw Heer

zal echter gunstig zijn voor degenen die hunne woning zijn ontvlucht,

nadat zij waren vervolgd [1089], en die door geweld genoodzaakt worden

het geloof te verloochenen, en die tot verdediging van den waren

godsdienst hebben gestreden, en met geduld zijn blijven volharden;

waarlijk, voor hen zal uw Heer genadig en barmhartig zijn, nadat

zij hunne oprechtheid zullen hebben betoond. 112. Op een zekeren dag

zal iedere ziel voor zich zelve pleiten [1090], en iedere ziel zal

beloond worden naar hetgeen zij zal hebben bedreven, en zij zal niet

onrechtvaardig worden behandeld. 113. God stelt u als vergelijking eene

stad voor, die veilig en rustig was, en tot welke de levensmiddelen

van alle zijden in overvloed kwamen; maar zij verloochende, ondankbaar,

Gods gunst, waardoor God haar buitengewone hongersnood en vrees deden

gevoelen, om hetgeen zij had gedaan. 114. En thans is uit hun midden

een gezant gekomen tot de bewoners van Mekka, en zij beschuldigen

hem van bedrog; daarom zal hun eene straf worden opgelegd, naardien

zij onrechtvaardig handelen. 115. Eet van hetgeen God u tot voedsel

heeft gegeven, hetgeen nuttig en goed is, en wees dankbaar voor

Gods goedheden, indien gij hem aanbidt. 116. Hij heeft u alleen het

gebruik verboden van hetgeen dood is, en bloed en varkensvleesch,

en hetgeen in den naam van een ander dan God is gedood [1091]. Maar

omtrent hem, die door den nood gedwongen werd, van deze dingen te

eten en die niet willens of opzettelijk zondigde, zal God zekerlijk

genadig en barmhartig zijn. 117. En zeg niet, waarmede uwe tongen

eene leugen uitdrukken: Dit is wettig en dit onwettig [1092], om

eene leugen nopens God uit te denken; want zij die iets nopens God

uitdenken, zullen geen voorspoed genieten. 118. Zij zullen slechts

weinig genoegen in deze wereld smaken en in de volgende zullen zij eene

pijnlijke marteling ondergaan. 119. Den Joden verboden wij wat wij u

reeds vroeger verhaalden [1093], en wij behandelden hen daarin niet

onrechtvaardig; maar zij handelen zelven onrechtvaardig omtrent hunne

eigene zielen. 120. Uw Heer zal genadig zijn omtrent dengenen die kwaad

bedrijven door onwetendheid, en later berouw gevoelen en boete doen;

waarlijk, voor hen zal uw Heer, na hun berouw, genadig en barmhartig

zijn. 121. Abraham was een voorbeeld van waren godsdienstijver,

gehoorzaam aan God en vroom. Hij was geen afgodendienaar. 122. Hij was

dankbaar voor zijne weldaden. Daarom koos God hem en leidde hem op den

rechten weg. 123. Wij beloonden hem in deze wereld, en in de volgende

zal hij tot de rechtvaardigen behooren. 124. Wij hebben ook tot u,

o Mahomet! door openbaring gesproken, zeggende: Volg den godsdienst

van Abraham, die vroom en geen afgodendienaar was. 125. De Sabbat werd

alleen voor hen bepaald, die daaromtrent met hunnen profeet verschillen

[1094], en uw Heer zal op den dag der opstanding zekerlijk tusschen hen

richten, nopens datgene, waaromtrent zij verschillen. 126. Noodig,

door wijsheid en zachte vermaning, de menschen uit, den weg van

uwen Heer te bewandelen. Twist gij met hen, doe het dan op de meest

gepaste wijze; want uw Heer weet wel wie van zijn drempel afdwaalt en

wie op den waren weg zijn geleid. 127. Indien gij u op iemand wreekt,

neem dan eene wraak, geÎvenredigd aan het kwaad dat u wordt aangedaan

[1095]; maar indien gij het kwade geduldig ondergaat, zal dit beter

voor den lijdzame zijn. 128. Wees dus geduldig; maar gij zult dit

niet kunnen doen dan met Gods hulp. Bedroef u niet op het verhaal der

ongeloovigen, en verkeer ook niet in angst om hetgeen zij uitdenken;

want God is met hen die hem vreezen en oprecht zijn.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

DE NACHTELIJKE REIS [1096].

Geopenbaard te Mekka [1097].--111 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 25 / 89 段