van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van
hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg. 2. Hij
is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde
is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht
hen. 3. Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen
en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten
te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid
verwijderd is. 4. Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van
zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren
[992], want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die
hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze. 5. Wij zonden vroeger
Mozes met onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk
uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God
[993]; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar
mensch. 6. En herinner u toen Mozes tot zijn volk zeide: Herdenk de
gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk van Pharao bevrijdde:
deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen
en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven [994]. Dit was een harde
proef van uwen Heer. 7. En toen uw Heer door den mond van Mozes eene
verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent
u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar
zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn. 8. En indien gij
ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en
lofwaardig. 9. Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers,
niet gehoord? namelijk van het volk van Noach, en van Ad en van Thamoed
[995] en van degenen die hen opvolgden. 10. Wier getal niemand kent,
behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen;
maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging,
en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft
belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst
waartoe gij ons uitnoodigt. 11. Hunne gezanten antwoordden: Bestaat
er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij
noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden
zou kunnen vergeven [996] en uwe straf kunnen verschuiven, door
u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik. 12. Zij
antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons
van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden;
breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid
spreekt. 13. Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan
menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner
dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een
wonderdadig bewijs voor onze zending te geven. 14. Tenzij met het
verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen. 15. En
waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft
geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede
hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die
trachten, het ergens in te plaatsen. 16. En zij die niet geloofden,
zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land
verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer
sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen
verdelgen. 17. En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de
belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen. 18. En zij
vroegen ondersteuning van God [997], en ieder hoovaardig en oproerig
mensch werd vernietigd. 19. De hel ligt onzichtbaar voor hem en
hij zal vuil water [998] te drinken ontvangen. 20. Hij zal het met
kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel
kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle
kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene
grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die
niet in hunnen Heer gelooven. 21. Hunne werken zijn gelijk aan asch,
die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij
zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van
hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de
waarheid is verwijderd. 22. Ziet gij niet dat God de hemelen en de
aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij
verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 23. Dit
is gemakkelijk voor zijne macht. 24. En zij zullen allen op den
jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken,
die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen [999]:
Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een
deel der goddelijke wraak van ons afwenden? 25. Zij zullen antwoorden:
Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk
geleid hebben [1000]. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen
met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij
bezitten geen weg om daaraan te ontkomen. 26. En satan zal zeggen,
nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene
belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u;
ik had echter de macht niet om u te dwingen. 27. Maar ik riep u slechts
en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u
zelven [1001]. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen
gij mij naast God hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke
[1002]. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid. 28. Maar
zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen
geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig
zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij
zullen begroet worden met het woord Vrede [1003]. 29. Weet gij niet
waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne
wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot
den hemel. 30. Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren
wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen,
opdat zij onderricht zouden mogen worden. 31. En de gelijkenis van
een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd
en geene vastheid bezit [1004]. 32. God zal degenen, die gelooven,
door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als
in het toekomstige, bevestigen [1005]; maar God zal den booze in
dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt. 33. Hebt gij hen niet
opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd [1006],
en hun volk in het huis des verderfs hebben doen afdalen; namelijk is
de hel. 34. Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat
zal een ongelukkigen woning zijn. 35. Zij richten ook afgodsbeelden
op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden
afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen
tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn. 36. Zeg tot
mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed
moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun
hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens
de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal
bestaan. 37. God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en
het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij
vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt
[1007] hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt
hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon
en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen,
terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij
geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn
de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de
mensch is onrechtvaardig en ondankbaar. 38. Gedenk, toen Abraham zeide:
O Heer! maak dit land [1008] tot eene plaats van volkomen veiligheid,
en dat ik en mijne kinderen [1009] het aanbidden van afgodsbeelden
mogen vermijden. 39. Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal
menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent
hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn
[1010]. 40. O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen [1011]
in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o
Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn. Vergun dus
dat de harten van sommige menschen [1012] gunstig voor hen gestemd
worden, en schenk hun alle soorten van vruchten [1013], opdat zij
dankbaar zouden mogen zijn. 41. Heer! gij weet alles wat wij verbergen,
en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op
de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jaren
IsmaÎl en Izaak heeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige
beden. 42. O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een
gedeelte mijner nakomelingschap [1014]. O Heer! en verhoor mijne
bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders [1015] en den geloovigen
op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt. 43. Denk niet,
o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt
slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op
den hemel zullen worden gevestigd. 44. Zij zullen zich haasten vooruit
te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij
zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun
gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd,
en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met
den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd. 45. Waarop zij,
die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef
ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip. 46. En wij zullen uwe
oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men
zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt
veranderen [1016]? 47. Thans woont gij in de verblijven van hen,
die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld [1017], en
het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld [1018], en wij
stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne
grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list
is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen,
al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden
bewogen. 48. Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen
tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is
machtig en in staat te wreken. 49. De dag zal komen waarop de aarde
in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden
veranderd [1019]; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om
voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen. 50. Dan zult
gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen
zijn. 51. Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal
hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens
zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen. 52. Dit is eene
voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden
gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts ÈÈn God is,
en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
AL HEDJR [1020].
Geopenbaard te Mekka.--99 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1. E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken
Koran. 2. De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen,
dat zij Moslems mochten zijn geweest [1021]. 3. Sta hun toe te eten en
te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen
zij hunne dwaasheid kennen. 4. Wij hebben geene stad verwoest, zonder
dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd. 5. Geen
volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en
deze zal niet worden verschoven. 6. De bewoners van Mekka zeggen
tot Mahomet: O gij! wien de vermaning [1022] werd nedergezonden,
gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten. 7. Zoudt gij niet met een
gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt
gesproken? 8. Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene
voegzame gelegenheid [1023]. Dan zullen de ongeloovigen niet meer
worden uitgesteld. 9. Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden,
en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden. 10. Wij
hebben vroeger, vÛÛr u, gezanten tot de oude secten gezonden. 11. En
er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner
spotternijen maakten. 12. Evenzoo zullen wij de harten der zondige
bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten. 13. Zij
zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren
reeds vroeger werd uitgevoerd. 14. Indien wij hun de poorten der
hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar
binnen te gaan [1024]. 15. Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen
zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder
den indruk eener zinsbeguicheling. 16. Wij hebben de twaalf teekens
in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld
voor hen, die acht geven. 17. Wij verdedigen deze tegen de aanslagen
van iederen duivel [1025] welke met steenworpen werd teruggedreven
[1026]. 18. Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien
dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten [1027]. 19. Wij hebben
ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij
hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen
spruiten. 20. En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst
en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt. 21. Er is geene zaak,
waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen
die slechts in eene bepaalde mate uit [1028]. 22. Wij zenden ook de
winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water
van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet
bewaart. 23. Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij
zijn de erfgenamen van alle dingen [1029]. 24. Wij kennen hen die
vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven [1030]. 25. En uw
Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en
wijs. 26. Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk,
in een vorm gebracht [1031]. 27. VÛÛr hem hadden wij reeds de geniussen
uit een fijn vuur gemaakt. 28. En gedenk, toen de Heer tot de engelen
zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei,
van zwart slijk, in een vorm gebracht. 29. Als ik hem dus volkomen
gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor
hem nedervallen en hem aanbidden? 30. En al de engelen baden Adam
gezamenlijk aan. 31. Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn,
welke hem aanbaden. 32. En God zeide tot hem: Wat verhindert u met
degenen te zijn, die Adam aanbidden? 33. Hij antwoordde: Ik zal den
mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei,
van zwart slijk, in een vorm gekneed. 34. God zeide: Ga dus heen;
want gij zult met steenen verdreven worden. 35. En een vloek zal op u
rusten tot op den dag des oordeels. 36. De duivel zeide: O Heer! geef
mij uitstel tot den dag der opstanding. 37. God antwoordde: Waarlijk,
gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen. 38. Tot den
dag van den bepaalden tijd [1032]. 39. De duivel (Eblis) antwoordde:
Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor
den mensch maken, en hen allen verleiden. 40. Uwe oprechte dienaren
zullen alleen gespaard worden. 41. God zeide: Dit is de rechte
weg. 42. Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen
hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u
zullen volgen. 43. De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd. 44. Zij
heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal
hunner worden aangewezen. 45. Maar zij, die God vreezen, zullen in
tuinen wonen, te midden van fonteinen. 46. De engelen zullen tot hen
zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid. 47. Wij zullen alle
valschheid uit hunne harten wegnemen [1033]. Zij zullen als broeders
zijn, en tegen over elkander zitten [1034] op rustbanken. 48. Geene
vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats
worden geworpen. 49. Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige,
de barmhartige God ben. 50. En dat mijne straf eene gestrenge straf
is. 51. En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham
[1035]. 52. Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij:
Gij hebt ons bevreesd gemaakt. 53. En zij antwoordden: Vrees niets:
wij brengen u de belofte van een wijzen zoon. 54. Hij zeide: Brengt
gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt
gij mij derhalve? 55. Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald;
wanhoop dus niet. 56. Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade,
behalve zij die dwalen? 57. En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o
gezanten van God? 58. Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden
om een zondig volk te verdelgen. 59. Maar wat de leden van Lots gezin
betreft, zullen wij allen redden. 60. Uitgenomen zijne vrouw. Wij
hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen
te worden verwoest. 61. En toen de boodschappers tot het gezin van
Lot kwamen, 62. zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat
mij onbekend is. 63. Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen
om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel
verkeeren. 64. Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn
gezanten der waarheid. 65. Breng dus uw gezin gedurende den nacht
weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren,
maar ga waarheen men u beveelt [1036]. 66. En wij gaven hem dit
bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vÛÛr den volgenden
dag moest zijn verdelgd. 67. En de bewoners der stad kwamen tot Lot,
zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen. 68. En
hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet
in ongenade vervallen, door hen te misbruiken. 69. Maar vreest God
en bedekt mij niet met schande. 70. Zij antwoordden: Hebben wij u
niet verboden een mensch te ondersteunen? 71. Lot hernam: Dit zijn
mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast
besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen. 72. Zoo waar gij leeft,
zij dwaalden in beschonkenheid [1037]. 73. Daarom overviel hun een
vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon. 74. En
wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op
nedervallen van steenen uit gebakken klei. 75. Waarlijk, daarin zijn
teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan. 76. En deze
steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den
mensch, om dien te bewandelen. 77. Waarlijk, hierin is een teeken voor
de ware geloovigen. 78. De bewoners van het bosch van Midian [1038]
waren mede goddeloos. 79. Daarom namen wij wraak op hen [1039]. En
zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen
voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten. 80. En
de bewoners van Al Hedjr [1040] beschuldigden Gods gezanten eveneens
van bedrog. 81. En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden
zich ver daarvan af. 82. Zij hieuwen huizen in de bergen uit om
zich te beveiligen. 83. Maar een vreeselijk onweder van den hemel
overviel hen des morgens. 84. Wat zij gedaan hadden, was volstrekt
niet voordeelig voor hen. 85. Wij hebben de hemelen en de aarde,
en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en
niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk
komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige
vergiffenis [1041]. 86. Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en
van hen, en weet wat het nuttigste is. 87. Wij hebben u reeds zeven
verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald [1042], en
den heerlijken Koran. 88. Werp uwe blikken niet op de goede dingen,
welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken,
en begeer die niet [1043]. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u
zachtmoedig omtrent de ware geloovigen. 89. Zeg hun: Waarlijk, ik ben
een openbaar prediker. 90. Indien zij niet gelooven, zullen wij hun
eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers [1044]. 91. Die
den Koran in verschillende deelen onderscheiden. 92. Want door uw
Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen. 93. Nopens al hunne
daden. 94. Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de
afgodendienaars. 95. Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de
spotters [1045]. 96. Die een anderen God met God vereenigen. Zij
zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen. 97. En wij weten, dat gij
diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen. 98. Maar
verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem. 99. En dien uwen Heer,
tot de dood [1046] u overvalt.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
DE BIJ [1047].
Gegeven te Mekka [1048].--128 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.