1. E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen

van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van

hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg. 2. Hij

is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde

is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht

hen. 3. Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen

en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten

te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid

verwijderd is. 4. Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van

zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren

[992], want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die

hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze. 5. Wij zonden vroeger

Mozes met onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk

uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God

[993]; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar

mensch. 6. En herinner u toen Mozes tot zijn volk zeide: Herdenk de

gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk van Pharao bevrijdde:

deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen

en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven [994]. Dit was een harde

proef van uwen Heer. 7. En toen uw Heer door den mond van Mozes eene

verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent

u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar

zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn. 8. En indien gij

ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en

lofwaardig. 9. Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers,

niet gehoord? namelijk van het volk van Noach, en van Ad en van Thamoed

[995] en van degenen die hen opvolgden. 10. Wier getal niemand kent,

behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen;

maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging,

en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft

belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst

waartoe gij ons uitnoodigt. 11. Hunne gezanten antwoordden: Bestaat

er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij

noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden

zou kunnen vergeven [996] en uwe straf kunnen verschuiven, door

u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik. 12. Zij

antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons

van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden;

breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid

spreekt. 13. Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan

menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner

dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een

wonderdadig bewijs voor onze zending te geven. 14. Tenzij met het

verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen. 15. En

waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft

geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede

hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die

trachten, het ergens in te plaatsen. 16. En zij die niet geloofden,

zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land

verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer

sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen

verdelgen. 17. En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de

belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen. 18. En zij

vroegen ondersteuning van God [997], en ieder hoovaardig en oproerig

mensch werd vernietigd. 19. De hel ligt onzichtbaar voor hem en

hij zal vuil water [998] te drinken ontvangen. 20. Hij zal het met

kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel

kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle

kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene

grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die

niet in hunnen Heer gelooven. 21. Hunne werken zijn gelijk aan asch,

die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij

zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van

hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de

waarheid is verwijderd. 22. Ziet gij niet dat God de hemelen en de

aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij

verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen. 23. Dit

is gemakkelijk voor zijne macht. 24. En zij zullen allen op den

jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken,

die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen [999]:

Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een

deel der goddelijke wraak van ons afwenden? 25. Zij zullen antwoorden:

Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk

geleid hebben [1000]. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen

met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij

bezitten geen weg om daaraan te ontkomen. 26. En satan zal zeggen,

nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene

belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u;

ik had echter de macht niet om u te dwingen. 27. Maar ik riep u slechts

en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u

zelven [1001]. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen

gij mij naast God hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke

[1002]. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid. 28. Maar

zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen

geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig

zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij

zullen begroet worden met het woord Vrede [1003]. 29. Weet gij niet

waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne

wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot

den hemel. 30. Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren

wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen,

opdat zij onderricht zouden mogen worden. 31. En de gelijkenis van

een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd

en geene vastheid bezit [1004]. 32. God zal degenen, die gelooven,

door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als

in het toekomstige, bevestigen [1005]; maar God zal den booze in

dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt. 33. Hebt gij hen niet

opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd [1006],

en hun volk in het huis des verderfs hebben doen afdalen; namelijk is

de hel. 34. Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat

zal een ongelukkigen woning zijn. 35. Zij richten ook afgodsbeelden

op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden

afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen

tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn. 36. Zeg tot

mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed

moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun

hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens

de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal

bestaan. 37. God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en

het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij

vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt

[1007] hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt

hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon

en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen,

terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij

geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn

de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de

mensch is onrechtvaardig en ondankbaar. 38. Gedenk, toen Abraham zeide:

O Heer! maak dit land [1008] tot eene plaats van volkomen veiligheid,

en dat ik en mijne kinderen [1009] het aanbidden van afgodsbeelden

mogen vermijden. 39. Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal

menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent

hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn

[1010]. 40. O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen [1011]

in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o

Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn. Vergun dus

dat de harten van sommige menschen [1012] gunstig voor hen gestemd

worden, en schenk hun alle soorten van vruchten [1013], opdat zij

dankbaar zouden mogen zijn. 41. Heer! gij weet alles wat wij verbergen,

en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op

de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jaren

IsmaÎl en Izaak heeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige

beden. 42. O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een

gedeelte mijner nakomelingschap [1014]. O Heer! en verhoor mijne

bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders [1015] en den geloovigen

op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt. 43. Denk niet,

o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt

slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op

den hemel zullen worden gevestigd. 44. Zij zullen zich haasten vooruit

te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij

zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun

gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd,

en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met

den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd. 45. Waarop zij,

die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef

ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip. 46. En wij zullen uwe

oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men

zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt

veranderen [1016]? 47. Thans woont gij in de verblijven van hen,

die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld [1017], en

het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld [1018], en wij

stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne

grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list

is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen,

al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden

bewogen. 48. Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen

tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is

machtig en in staat te wreken. 49. De dag zal komen waarop de aarde

in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden

veranderd [1019]; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om

voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen. 50. Dan zult

gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen

zijn. 51. Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal

hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens

zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen. 52. Dit is eene

voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden

gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts ÈÈn God is,

en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

AL HEDJR [1020].

Geopenbaard te Mekka.--99 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1. E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken

Koran. 2. De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen,

dat zij Moslems mochten zijn geweest [1021]. 3. Sta hun toe te eten en

te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen

zij hunne dwaasheid kennen. 4. Wij hebben geene stad verwoest, zonder

dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd. 5. Geen

volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en

deze zal niet worden verschoven. 6. De bewoners van Mekka zeggen

tot Mahomet: O gij! wien de vermaning [1022] werd nedergezonden,

gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten. 7. Zoudt gij niet met een

gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt

gesproken? 8. Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene

voegzame gelegenheid [1023]. Dan zullen de ongeloovigen niet meer

worden uitgesteld. 9. Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden,

en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden. 10. Wij

hebben vroeger, vÛÛr u, gezanten tot de oude secten gezonden. 11. En

er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner

spotternijen maakten. 12. Evenzoo zullen wij de harten der zondige

bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten. 13. Zij

zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren

reeds vroeger werd uitgevoerd. 14. Indien wij hun de poorten der

hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar

binnen te gaan [1024]. 15. Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen

zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder

den indruk eener zinsbeguicheling. 16. Wij hebben de twaalf teekens

in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld

voor hen, die acht geven. 17. Wij verdedigen deze tegen de aanslagen

van iederen duivel [1025] welke met steenworpen werd teruggedreven

[1026]. 18. Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien

dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten [1027]. 19. Wij hebben

ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij

hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen

spruiten. 20. En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst

en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt. 21. Er is geene zaak,

waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen

die slechts in eene bepaalde mate uit [1028]. 22. Wij zenden ook de

winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water

van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet

bewaart. 23. Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij

zijn de erfgenamen van alle dingen [1029]. 24. Wij kennen hen die

vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven [1030]. 25. En uw

Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en

wijs. 26. Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk,

in een vorm gebracht [1031]. 27. VÛÛr hem hadden wij reeds de geniussen

uit een fijn vuur gemaakt. 28. En gedenk, toen de Heer tot de engelen

zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei,

van zwart slijk, in een vorm gebracht. 29. Als ik hem dus volkomen

gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor

hem nedervallen en hem aanbidden? 30. En al de engelen baden Adam

gezamenlijk aan. 31. Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn,

welke hem aanbaden. 32. En God zeide tot hem: Wat verhindert u met

degenen te zijn, die Adam aanbidden? 33. Hij antwoordde: Ik zal den

mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei,

van zwart slijk, in een vorm gekneed. 34. God zeide: Ga dus heen;

want gij zult met steenen verdreven worden. 35. En een vloek zal op u

rusten tot op den dag des oordeels. 36. De duivel zeide: O Heer! geef

mij uitstel tot den dag der opstanding. 37. God antwoordde: Waarlijk,

gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen. 38. Tot den

dag van den bepaalden tijd [1032]. 39. De duivel (Eblis) antwoordde:

Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor

den mensch maken, en hen allen verleiden. 40. Uwe oprechte dienaren

zullen alleen gespaard worden. 41. God zeide: Dit is de rechte

weg. 42. Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen

hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u

zullen volgen. 43. De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd. 44. Zij

heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal

hunner worden aangewezen. 45. Maar zij, die God vreezen, zullen in

tuinen wonen, te midden van fonteinen. 46. De engelen zullen tot hen

zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid. 47. Wij zullen alle

valschheid uit hunne harten wegnemen [1033]. Zij zullen als broeders

zijn, en tegen over elkander zitten [1034] op rustbanken. 48. Geene

vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats

worden geworpen. 49. Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige,

de barmhartige God ben. 50. En dat mijne straf eene gestrenge straf

is. 51. En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham

[1035]. 52. Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij:

Gij hebt ons bevreesd gemaakt. 53. En zij antwoordden: Vrees niets:

wij brengen u de belofte van een wijzen zoon. 54. Hij zeide: Brengt

gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt

gij mij derhalve? 55. Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald;

wanhoop dus niet. 56. Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade,

behalve zij die dwalen? 57. En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o

gezanten van God? 58. Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden

om een zondig volk te verdelgen. 59. Maar wat de leden van Lots gezin

betreft, zullen wij allen redden. 60. Uitgenomen zijne vrouw. Wij

hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen

te worden verwoest. 61. En toen de boodschappers tot het gezin van

Lot kwamen, 62. zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat

mij onbekend is. 63. Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen

om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel

verkeeren. 64. Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn

gezanten der waarheid. 65. Breng dus uw gezin gedurende den nacht

weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren,

maar ga waarheen men u beveelt [1036]. 66. En wij gaven hem dit

bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vÛÛr den volgenden

dag moest zijn verdelgd. 67. En de bewoners der stad kwamen tot Lot,

zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen. 68. En

hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet

in ongenade vervallen, door hen te misbruiken. 69. Maar vreest God

en bedekt mij niet met schande. 70. Zij antwoordden: Hebben wij u

niet verboden een mensch te ondersteunen? 71. Lot hernam: Dit zijn

mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast

besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen. 72. Zoo waar gij leeft,

zij dwaalden in beschonkenheid [1037]. 73. Daarom overviel hun een

vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon. 74. En

wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op

nedervallen van steenen uit gebakken klei. 75. Waarlijk, daarin zijn

teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan. 76. En deze

steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den

mensch, om dien te bewandelen. 77. Waarlijk, hierin is een teeken voor

de ware geloovigen. 78. De bewoners van het bosch van Midian [1038]

waren mede goddeloos. 79. Daarom namen wij wraak op hen [1039]. En

zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen

voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten. 80. En

de bewoners van Al Hedjr [1040] beschuldigden Gods gezanten eveneens

van bedrog. 81. En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden

zich ver daarvan af. 82. Zij hieuwen huizen in de bergen uit om

zich te beveiligen. 83. Maar een vreeselijk onweder van den hemel

overviel hen des morgens. 84. Wat zij gedaan hadden, was volstrekt

niet voordeelig voor hen. 85. Wij hebben de hemelen en de aarde,

en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en

niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk

komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige

vergiffenis [1041]. 86. Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en

van hen, en weet wat het nuttigste is. 87. Wij hebben u reeds zeven

verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald [1042], en

den heerlijken Koran. 88. Werp uwe blikken niet op de goede dingen,

welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken,

en begeer die niet [1043]. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u

zachtmoedig omtrent de ware geloovigen. 89. Zeg hun: Waarlijk, ik ben

een openbaar prediker. 90. Indien zij niet gelooven, zullen wij hun

eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers [1044]. 91. Die

den Koran in verschillende deelen onderscheiden. 92. Want door uw

Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen. 93. Nopens al hunne

daden. 94. Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de

afgodendienaars. 95. Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de

spotters [1045]. 96. Die een anderen God met God vereenigen. Zij

zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen. 97. En wij weten, dat gij

diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen. 98. Maar

verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem. 99. En dien uwen Heer,

tot de dood [1046] u overvalt.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

DE BIJ [1047].

Gegeven te Mekka [1048].--128 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 24 / 89 段