in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien
zoudt verstaan. 3. Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis,
door u dezen Koran [901] te openbaren, waarop gij vroeger geen
acht hebt geslagen [902]. 4. Jozef zeide tot zijn vader: O mijn
vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en
de maan; ik zag hen mij gehoorzamen. 5. Toen zeide Jacob: O mijn
kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene
hinderlaag spreiden [903]; want de duivel is de verklaarde vijand
van den mensch. 6. En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u
kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden [904] geven, en hij
zal zijne gunst uitstorten op u en op het gezin van Jacob, zooals
hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderen Abraham en Izaak;
want uw Heer is alwetend en wijs. 7. Waarlijk, in de geschiedenis
van Jozef en zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen
die vragen. 8. Eens zeiden de broeders van Jozef tot elkander: Jozef
en diens broeder [905] zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch
maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene
duidelijke dwaling [906]. 9. Doodt Jozef dus, of verdrijft hem naar
een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van
uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen
zijn [907]. 10. Een van hen [908] sprak en zeide: Doodt Jozef niet en
laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger
zal hem ophalen, indien gij dit niet doet. 11. Zij zeiden tot Jacob:
O vader! waarom vertrouwt gij ons Jozef niet toe, daar wij oprecht
voor hem zijn en hem goeds toewenschen? 12. Zend hem morgen met
ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken [909] en spelen;
en wij zullen zijne makkers zijn. 13. Jacob antwoordde: Het grieft
mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure
[910], dewijl gij achteloos nopens hem zijt. 14. Zij zeiden: Waarlijk
indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn [911], zouden
wij inderdaad zwak wezen [912]. 15. En toen zij hem met zich hadden
genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts neder
te laten [913], voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem
eene openbaring [914] zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad
verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gij Jozef zijt. 16. En
zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende. 17. Zij zeiden:
Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden
[915]; wij hebben Jozef met onze reisgoederen verlaten, en de wolf
heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de
waarheid spreken. 18. En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk,
met ander bloed geverfd. Jacob antwoordde: gij zelf hebt dat in uw
eigen belang bedreven [916]; maar geduld is het beste, en Gods hulp
roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat
gij mij verhaalt. 19. En zekere reizigers kwamen en zonden een man
[917] om water voor hen te halen; en hij liet zijn' emmer neder [918]
en zeide: goed nieuws [919]! dat is een jongeling. En zij verborgen hem
[920], omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God
wist wat zij deden. 20. En zij verkochten hem voor een lagen prijs:
voor eenige stuivers [921] en stelden weinig waarde in hem. 21. En de
Egyptenaar, die hem kocht [922], zeide tot zijn vrouw [923]. Gebruik
hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als
onzen zoon aannemen [924]. Zoo hebben wij de plaats van Jozef op aarde
vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere
gezegden; want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het
grootste deel der menschen begrijpt het niet. 22. En toen hij zijnen
ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis;
want zoo beloonen wij den rechtvaardigen. 23. En zij, in wier huis hij
zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de
deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk,
mijn heer [925] heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal
geen voorspoed genieten. 24. Maar zij hield bij hem aan, en hij had
dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing
van zijnen Heer [926]. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid
van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was. 25. En zij
begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere
om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij
ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding
zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis
of eene pijnlijke straf? 26. En Jozef zeide: zij vroeg mij bij haar
te liggen. En een getuige van haar gezin [927] legde getuigenis af,
zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de
waarheid en is hij een leugenaar. 27. Maar indien zijn kleed van
achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid. 28. En
toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide
hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is
groot. 29. O Jozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o
vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig
mensch. 30. En zekere vrouwen zeiden in het openbaar [928] in de stad:
De vrouw van den edelman heeft den knecht verzocht hij haar te liggen;
hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op
een duidelijken dwaalweg is. 31. En toen zij het gesprek over haar
boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal
voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide tot
Jozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij
hem zeer. [929] Zij sneden hunne eigen handen af [930] en zeiden: O
God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied
verdient. 32. En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam
heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde
aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij
zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten
behooren. 33. Jozef zeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker
voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien
gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging
voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren. 34. Daardoor
verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af:
want hij hoort en ziet alles. 35. En het behaagde hun [931], zelfs
nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen
tijd gevangen te houden. 36. En twee van des konings dienaren traden
met hem in de gevangenis. [932] Een van hen [933] zeide: Het scheen
mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere
zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd
droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen;
want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt. 37. Jozef
antwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen;
maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome
[934]. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd;
want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven
en die het volgende leven loochenen. 38. Ik volg den godsdienst
mijner vaderen: Abraham, Izaak en Jacob. Het is ons niet geoorloofd,
iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid
is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den
mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar. 39. O
mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware
en almachtige God? 40. Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts
ijdele namen [935], die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan
God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen,
die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is
de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het
niet. 41. O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer
wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden
en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent
gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld. 42. En Jozef
zeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd
zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de
duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding van Jozef
te maken [936], waardoor deze eenige jaren [937] in de gevangenis
bleef. 43. En de koning van Egypte [938] zeide: waarlijk ik zag in
mijn' droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en
zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt
mij mijn visioen uit, indien gij in staat zijt dit te doen. 44. Zij
antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het
uitleggen van zulke droomen. 45. En Jozefs medegevangene, die bevrijd
was, zeide (want hij herinnerde zich Jozef, na verloop van eenigen
tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den
persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren. 46. En hij ging naar
de gevangenis en zeide: O Jozef! waarheidlievend man, geeft ons de
uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden,
en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de
koning in zijn' droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen
die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan. 47. Jozef
antwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij
gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten [939], behalve
eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten. 48. Dan zullen,
na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren
zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene
kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben. 49. Dan zal er een
jaar komen, dat de menschen veel regen hebben [940] en de druiven
uitpersen zullen. 50. En toen de opperschenker dit had overgebracht,
zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper tot
Jozef kwam, zeide deze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af,
wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden [941];
want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen [942] 51. En
toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar:
Wat was uwe bedoeling [943] toen gij Jozef tot eene onwettige liefde
aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad
van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid
duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een
dergenen die waarheid spreken. 52. En toen Jozef daarmede bekend was,
zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer
wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat
God den aanslag der bedriegers niet leidt. 53. Ik wil mij ook niet
volstrekt rechtvaardigen [944] want iedere ziel is aan het kwaad
onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft;
want mijn Heer is genadig en barmhartig. 54. En de koning zeide:
Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen
dienst nemen. En toen Jozef tot den koning was gevoerd en hij met
hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons
geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn [945]. 55. Jozef
antwoordde: Geef mij het beheer over de voorraadplaatsen van het land;
want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn. 56. Zoo plaatsten
wij Jozef in het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen,
waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het
ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen
die goed handelen. 57. En waarlijk, de belooning van het volgende
leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen. 58. Vervolgens
kwamen Jozefs broederen en wendden zich tot hem, en hij herkende
hen, doch zij herkenden hem niet. 59. En toen hij hen van hunne
levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij,
den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en
dat ik mijne gasten gul ontvang? 60. Maar indien gij hem niet tot
mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij
zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen. 61. Zij antwoordden:
Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen
zekerlijk volvoeren wat gij verlangt. 62. En Jozef zeide tot zijne
dienaren: Leg hun geld [946], dat zij voor hun koren hebben betaald,
in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn
teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug. 63. En toen zij tot
hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden
ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broeder Benjamin mede nemen;
zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en,
waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden. 64. Jacob
antwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u
vroeger uwen broeder Jozef toevertrouwde? Maar God is de beste bewaker,
en hij is de barmhartigste. 65. En toen zij hunne zakken openden,
vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat
verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus
wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen
broeder zorgen, en wij zullen een kameellast meer ontvangen dan den
laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid [947]. 66. Jacob zeide:
ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige
belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult
terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal
daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden
gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen. 67. En hij
zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ÈÈne poort binnen,
maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal
u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel
behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen,
die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen. 68. En toen
zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het
hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de
begeerte van Jacobs ziel te bevredigen, die het hun had gelast; want
hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen;
maar het grootste deel der menschen begrijpt niet. 69. En toen zij in
tegenwoordigheid van Jozef kwamen, ontving hij zijnen broeder Benjamin
als zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder [948]; wees dus
niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven. 70. En toen
hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker
[949] in den zak van zijn broeder Benjamin. En een uitroeper riep
hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt
dieven. 71. Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij? 72. Men
antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien
terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor
borg. 73. Jozefs broeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij
wel weet, dat wij niet komen om snood in het land [950] te handelen,
en evenzeer dat wij geene dieven zijn. 74. De Egyptenaren zeiden:
Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te
hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt. 75. De
broeders van Jozef antwoordden: Als eene vergelding voor hem, in
wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn:
zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal
[951]. 76. Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij
den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den
zak van zijn broeder. Wij verschaften Jozef deze list. Hij zou zich
volgens de wet van den Koning van Egypte niet van zijn broeder hebben
kunnen meester maken [952], indien God het niet had veroorloofd. Wij
verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is
een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd. 77. Zijne
broeders zeiden: Indien Benjamin schuldig aan diefstal zij, is zijn
broeder Jozef vroeger ook schuldig aan diefstal geweest [953]. Maar
Jozef verborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen,
en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigen
toestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt. 78. Zij
zeiden tot Jozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader,
neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een
edelmoedig mensch zijt. 79. Jozef antwoordde: God verhoede, dat
wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen
vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn. 80. En
toen zij wanhoopten, Benjamin terug te krijgen, verwijderden zij
zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van
hen zeide [954]: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte
van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk
gij vroeger omtrent Jozef hebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei
wijze het land Egypte verlaten, tot mijn vader mij verlof geeft,
tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt;
want hij is de beste rechter. 81. Keert tot uwen vader terug,
en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd;
wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij
konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen. 82. Onderzoek in
de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden
waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid
spreken. 83. En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader
hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht;
maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug
geven: want hij is de alwetende en wijze. 84. Hij wendde zich van
hen af en zeide: O hoezeer ben ik door Jozef bedroefd! En zijne
oogen werden door treuren wit [955] daar hij door zware droefheid
overstelpt was. 85. Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer
ophouden van Jozef te spreken tot gij aan de poort des doods zijt
gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt. 86. Hij antwoordde:
ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid
voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet
[956]. 87. O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naar Jozef en zijn
broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan
Gods genade, behalve de ongeloovigen. 88. Daarom keerden de broeders
van Jozef naar Egypte terug en toen zij in zijne tegenwoordigheid
kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons
en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds [957] gekomen;
geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God
beloont hen die aalmoezen geven. 89. Jozef zeide tot hen: Weet
gij wat gij aan Jozef en zijn broeder deedt, toen gij niet wist
wat de gevolgen daarvan zouden zijn [958]? 90. Zij antwoordden:
Zijt gij werkelijk Jozef [959]? Hij antwoordde: Ik ben Jozef en
dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want
wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden;
want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren
gaan. 91. Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons
gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 92. Jozef antwoordde:
Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is
de genadigste der genadigen. 93. Vertrekt met dit mijn onderkleed
[960], legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht
terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin. 94. En
toen het reisgezelschap van Egypte was vertrokken om zijne reis naar
Cana‰n te aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren:
Waarlijk, ik bemerk den reuk van Jozef [961], hoewel gij denkt dat
ik ijl. 95. Zij antwoordden: Bij den naam van God, gij verkeert in
uwe oude dwaling. 96. Maar toen de boodschapper van goede tijdingen
[962] met Jozefs onderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn
gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug. 97. En Jacob zeide:
Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist? 98. Zij
antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons;
want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest. 99. Hij hernam: Ik zal
zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig
en barmhartig. 100. En toen Jacob en zijn gezin in Egypte aankwamen
en bij Jozef waren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich
[963] en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheid Egypte
binnen. 101. En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel,
en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden
hem eerbied [964]. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis
van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het
bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit
de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn,
nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid;
want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de
alwetende, de wijze God. 102. O Heer! gij hebt mij een deel van het
koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden
geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze
en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij
met de rechtvaardigen [965]. 103. Dit is eene geheime geschiedenis,
die wij u, o Mahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart
bij de broeders van Jozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag
tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel
gij het ernstig begeert, niet gelooven. 104. Gij zult van hen geene
belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts
eene waarschuwing aan alle schepselen. 105. En hoeveel teekens er ook
in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de
eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden
zich af. 106. En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder
nog schuldig te zijn aan afgodendienarij [966]. 107. Zijn zij er dan
van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of
dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de
nadering niet verwachten? 108. Zeg tot de bewoners van Mekka. Dit is
mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die
mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars. 109. Wij
zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen
wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen
[967]. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde
was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende
leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus
niet begrijpen? 110. Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het
slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars
waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde;
maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend. 111. Waarlijk, in
de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld
gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen
nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die
te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere
zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening
noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE DONDER [968].
Gegeven te Mekka [969].--43 verzen.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.
1. A. L. M. R. [970]. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen
u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste
deel der menschen wil niet gelooven. 2. Het is God die den hemel zonder
zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon
en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der
hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij
toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn,
dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien. 3. Hij is het
die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren
geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft
verordend [971]. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin
liggen zekere teekenen voor hen die nadenken. 4. En op de aarde zijn
stukken land van verschillenden aard [972], ofschoon aan elkander
grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen
uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen
spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij
maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen
zekerlijk teekens voor hen die nadenken. 5. Indien gij u verwondert,
dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk
verwonderen als zij zeggen [973]: Nadat wij tot niet zijn veranderd,
zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd? 6. Zij zijn
het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden [974]
om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn;
daar zullen zij eeuwig verblijven. 7. Zij zullen u vragen veeleer
het kwade dan het goede te verhaasten [975]; hoewel zij reeds
voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de
Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande
hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen. 8. De
ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt
neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te
verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er
een leider gezonden. 9. God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt,
en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding
geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat. 10. Hij weet wat geborgen
en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste. 11. Hij van u
die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt;
ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich
gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods
kennis. 12. Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig
opvolgen, zoowel vÛÛr hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods
bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen
rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde
veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen;
naast hem hebben zij geen beschermer. 13. Hij is het die den bliksem
voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken
[976], en die de bezwangerde wolken vormt. 14. De donder verheft zijnen
lof [977], en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne
bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij
nopens God twist [978]; want hij is de almachtige, de wijze. 15. Hij
alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast
hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen
wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat
het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken;
de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd. 16. Alles wat in
den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen [979],
evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen
[980]. 17. Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg:
hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet
in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen
te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat
worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij
andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als
God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen
met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle
dingen; hij is de eeuwige glorierijke God. 18. Hij doet water van
den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne
afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte
drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten,
om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat
daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar
het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is,
blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen
die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden
toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles
wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te
vergeefs als losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk
zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal
dat wezen! 19. Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd
nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind
is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken. 20. Zij die getrouwelijk
de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet
verbreken. 21. Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden [981]
en die God vreezen en eene slechte rekening duchten. 22. Zij, die door
de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn;
die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in
het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend,
en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het
paradijs tot belooning strekken. 23. De tuinen van eeuwig verblijf
[982], waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder
hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig
zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen
binnengaan zeggende: 24. Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met
geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs! 25. Maar zij
die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die
afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde
handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige
woning in de hel hebben. 26. God geeft zijne weldaden in overvloed aan
dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De
bewoners van Mekka verheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel
dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk
voordeel is. 27. De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van
zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord:
Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal
dengeen tot zich voeren, die berouw toont. 28. Zij die gelooven, en
wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten
de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die
gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en
eene gelukkige opstanding deelachtig worden. 29. Zoo hebben wij u
tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan,
tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt
mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den
barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten
hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren. 30. Indien
een Koran werd geopenbaard, waardoor bergen zouden worden bewogen,
of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht [983]
het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan
niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid
zouden worden. 31. De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen
te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne
woningen neder te zetten [984], tot dat Gods belofte kome [985];
want God is niet in tegenspraak met zijne belofte. 32. Ook voor
u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de
ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten;
maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik
hun oplegde. 33. Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst,
om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg:
Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op
aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen [986]? Maar de
bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en
zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen
dwalen zal geen leider hebben. 34. Zij zullen straf in dit leven
ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen,
en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen. 35. Dit is
de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het
wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals
zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die God vreezen. Maar
de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn. 36. Zij, aan
wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun
werd geopenbaard [987]. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren,
die een gedeelte daarvan loochenen [988]. Zeg hun: Waarlijk mij werd
bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen;
hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren. 37. Met dat doel
hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische
taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u
werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of
te ondersteunen. 38. Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun
vrouwen en kinderen [989], en geen profeet had de macht met een teeken
te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring. 39. God
zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust
het oorspronkelijke van het boek [990]. 40. Hetzij wij u een deel
der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij
wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk,
uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige
rekening te vragen. 41. Zien zij niet, dat wij in hun land komen en
dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware
geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen,
en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening. 42. Hunne voorgangers
dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is
meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient,
en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs
zal worden beloond. 43. De ongeloovigen zullen zeggen: Gij zijt niet
door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt,
zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
ABRAHAM [991].
Geopenbaard te Mekka.--52 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.