1. Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoed

en duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen

en al wetenden God. 2. Opdat gij geen anderen God zoudt dienen

(waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u

goede tijdingen van hem). 3. En dat gij vergiffenis van uwen Heer

zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed

deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen

die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige

belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik

voor u de straf van den grooten dag. 4. Tot God zult gij terugkeeren,

en hij is almachtig. 5. Leggen zij geene plooien in hunne harten

[839], ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen. 6. Als zij

zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij

verbergen en wat zij laten zien? 7. Want hij kent de binnenste deelen

van de harten der menschen [840]. 8. Er is geen schepsel dat op aarde

kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning

en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het

duidelijke boek van zijne besluiten. 9. Hij is het, die de hemelen en

de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vÛÛr die werden geschapen

was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren,

en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten. 10. Indien gij

zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen

de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij. 11. En

waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven,

zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan

niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om

die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen

niet omstrikken? 12. Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade

doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig

[841] en ondankbaar worden. 13. En indien wij hem onze gunst doen

ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk

zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend,

en hij zal vroolijk en trotsch worden. 14. Uitgenomen zij die met

geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen

en eene groote belooning ontvangen. 15. Wellicht zult gij vergeten,

een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal

uw hart angstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat

wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige

te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt

een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen. 16. Zullen

zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien

[842] hoofdstukken voort, door u zelven uitgedacht gelijk aan dit;

en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de

waarheid spreekt. 17. Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept,

u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is

geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems

worden? 18. Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke

pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven

schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd. 19. Zij zijn

het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd,

behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren

gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn. 20. Zal

hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring

van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem [843] wacht,

voorafgegaan door het boek van Mozes [844], dat als een leiddraad

werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze

gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet

gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker

worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is

de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal

niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen

tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer

worden geplaatst, en de getuigen [845] zullen zeggen: Zij zijn het,

die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over

de onrechtvaardigen? 22. Die de menschen afleiden van Gods weg en dien

krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij

waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne

straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne

straf zal verdubbeld worden [846]. Zij kunnen hooren noch zien. 23. Zij

zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de

afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten. 24. Er

is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven

zullen zijn. 25. Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en

zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen;

eeuwig zullen zij daarin verblijven. 26. De overeenkomst der beide

gedeelten [847] is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en

hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet

nadenken? 27. Wij zonden vroeger Noach [848] tot zijn volk, en hij

zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten. 28. Opdat

gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf

van een vreeselijken dag. 29. En de opperhoofden van het volk, die

niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt

gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die

de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast

oordeel [849]. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar

wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt. 30. Noach zeide:

O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen

Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze

voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er

afkeerig van zijt? 31. O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van

u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt

alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben

[850]; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den

dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt. 32. O mijn

volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt

gij dus niet overwegen? 33. Ik zeg u niet: De schatten van God zijn

in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik:

Waarlijk ik ben een engel [851]; noch zeg ik van degenen op welke gij

verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen

(God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk

een onrechtvaardige zijn. 34. Zij antwoorden: O Noach! gij hebt reeds

met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd;

daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd,

indien gij waarheid spreekt. 35. Noach zeide: Waarlijk, God alleen zal

die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen

verhoeden, noch ontgaan. 36. Indien het Gode behaagt u in dwaling te

leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel

ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij

terugkeeren. 37. Mochten de bewoners van Mekka zeggen: Mahomet heeft

den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht,

zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene,

waaraan gij schuldig zijt. 38. En het werd Noach geopenbaard, zeggende:

Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds

heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen. 39. Maar

maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de

afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten

behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er

toe gedoemd, te verdrinken. 40. En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls

eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem [852];

maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later

bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk

weten. 41. Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte

zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen. 42. Zoo

hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en

de oven water uitgoot [853]. En wij zeiden tot Noach: Breng een paar

[854] van iedere diersoort en uw gezin [855] in de ark, uitgenomen

hij, over wien de straf werd uitgesproken [856] en zij die gelooven

[857]. Doch behalve enkelen [858] geloofden zij niet met hem. 43. En

Noach zeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het

schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt [859]; want mijn Heer is

genadig en barmhartig. 44. En de ark dreef met hen tusschen golven als

bergen [860], en Noach riep zijn zoon [861] die van hem gescheiden

was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de

ongeloovigen. 45. Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij

voor het water zal behoeden. Noach antwooordde: Heden is er geene

zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade

zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van

hen die verdronken. 46. En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren

op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water,

en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den berg Al J˚di [862]

en er werd gezegd: Weg met de goddeloozen! 47. En Noach riep zijn Heer

aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin,

en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die

oordeelen. 48. God antwoordde: O Noach! waarlijk, hij behoort niet

tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk

[863]. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik

waarschuw u, geen onwetende te worden. 49. Noach zeide: O Heer! ik

neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik

niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal

ik tot hen behooren die verdoemd zijn. 50. Het werd tot hem gezegd:

O Noach! kom uit de ark [864] met vrede van ons, en zegeningen op u

en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen [865]

zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna

zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd

worden. 51. Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren;

gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld;

want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard. 52. En

tot den stam Ad zonden wij hunnen broeder Hoed [866]. Hij zeide: O,

mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt

slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen

van uw eigen maaksel op te richten. 53. O mijn volk! ik vraag u

hiervoor geene belooning; mijne belooning verwacht ik slechts van

hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen? 54. O

mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal

een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden [867]. 55. En

hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken

[868]; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven. 56. Zij antwoordden:

O Hoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij

willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven

u niet. 57. Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met

droefheid hebben getroffen [869], en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep

God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er

aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt. 58. Spant dus allen

tegen mij samen en draalt niet. 59. Want ik stel mijn vertrouwen in

God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn

haarlok vasthoudt [870]. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten

weg. 60. Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard,

waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in

uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn

Heer is de bewaker van alle dingen. 61. En toen onze straf kwam,

om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wij Hoed, en zij die

met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van

eene strenge straf. 62. En deze stam van Ad verwierp met voordacht de

teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde

het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch. 63. Daarvoor werden

zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor

ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: Was

Ad niet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg met

Ad, het volk van Hoed? 64. En tot den stam van Thamoed zonden wij

hunnen broeder Saleh [871]. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid

God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde

voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus

vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed

te antwoorden. 65. Zij antwoordden: O Saleh! Gij waart een persoon,

in wien wij voor dezen onze hoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons

datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar

wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken

gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht. 66. Saleh zeide:

O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn

Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie

zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam

ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten. 67. En hij zeide: O

mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat

haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u

geen snelle straf treffe. 68. Doch zij doodden haar, en Saleh zeide:

Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen [872], waarna gij

verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging. 69. En

toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wij Saleh en

hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade

van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God. 70. Maar

een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die

onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne

woning dood, en voorover liggende gevonden. 71. Als hadden zij er

nimmer in gewoond. Thamoed geloofde niet in zijn Heer. Werd Thamoed

niet ver weg verworpen? 72. Ook kwamen onze gezanten [873] later

tot Abraham met goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En

hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een

gebraden kalf. 73. En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet

aanraakten [874], mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen

[875], Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk van

Lot gezonden. 74. En zijne vrouw Sara stond er bij en lachte, en zij

beloofden haar Izaak, en na Izaak, Jacob. 75. Zij zeide: Helaas! zal

ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en deze mijn man ook in jaren

gevorderd is [876]? Waarlijk, dit zou een wonder zijn. 76. De engelen

antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods

genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het

huisgezin [877]; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk. 77. En

toen Abrahams vreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk

van Lot; want Abraham was een zacht, medelijdend en inschikkelijk

mensch. 78. De engelen zeiden tot hem: O Abraham! onthoud u hiervan;

want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten

uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om

op hen neder te komen. 79. En toen onze gezanten tot Lot kwamen,

was hij bezorgd om hen [878] en zijn arm was zwak voor hen [879] en

hij zeide: Dit is een treurige dag. 80. En zijn volk kwam tot hem;

zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door

zonde. Lot zeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht

gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door

mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u

[880]? 81. Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig

hebben, en gij weet wel wat wij begeeren. 82. Hij zeide: Indien ik

kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne

toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk

doen. 83. De engelen zeiden: O Lot! waarlijk, wij zijn de gezanten van

uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met

uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren:

maar wat uwe vrouw betreft [881], wat over hen zal komen zal ook

haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends

vervuld worden: Is de ochtend niet nabij? 84. En toen ons bevel kwam,

keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei

[882] op haar nederregenen, den een na den ander, en zij waren door

uwen Heer gemerkt [883]; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die

onrechtvaardig handelen [884]. 85. En tot Madian zonden wij hunnen

broeder ShoaÔb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God

buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat

gij in een gelukkigen toestand verkeert [885]; maar ik vrees voor u

de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken. 86. O mijn

volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen

bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door

slecht te handelen. 87. Het minste deel, dat u zal overblijven als eene

belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben

gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen,

indien gij ware geloovigen zijt. 88. Ik ben geen bewaker van u. 89. Zij

antwoordden: O ShoaÔb! zijn het uwe gebeden die u gelasten, ons de

goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden,

of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen

[886]. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen

om tot leidsman te strekken. 90. Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij,

indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en

hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet

wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan

uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in

hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij. 91. O mijn volk! laat niet

de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk

aan de wraak die over het volk van Noach, of het volk van Hoed, of

het volk van Saleh kwam. Het einde van het volk van Lot is niet zeer

ver van u verwijderd [887]. 92. Vraag dus vergiffenis van uwen Heer,

en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk. 93. Zij

antwoordden: O ShoaÔb! wij verstaan niet veel van hetgeen gij zegt,

en wij zien dat gij een man zonder macht [888] onder ons zijt; indien

het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd,

en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben. 94. ShoaÔb zeide: O

mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt

gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet. 95. O

mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht

arbeiden [889]. En gij zult vernemen. 96. Wien eene straf zal worden

opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar

is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten. 97. Toen dus ons

besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wij ShoaÔb en hen die met hem

geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op

hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij

dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden. 98. Als hadden

zij nimmer op aarde gewoond. Werd Madian niet van de aarde verdreven,

terwijl Thamoed daarvan verwijderd werd? 99. En wij zonden vroeger

Mozes met onze teekens en duidelijke kracht tot Pharao en zijne

vorsten [890]; maar deze volgden het bevel van Pharao, hoezeer het

bevel van Pharao hen niet op den rechten weg leidde. 100. Pharao zal

zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de

hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen

worden. 101. Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den

dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven

zal worden. 102. Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke

wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest

zijn [891]. 103. En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij

handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die

zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel,

toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen

val slechts verhaast. 104. En zoo was de straf, die door uwen Heer

werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne

straf is smartelijk en gestreng. 105. Waarlijk hierin is een teeken

voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een

dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een

dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd. 106. Wij stellen dien

niet uit, dan tot een vooraf bepaalden tijd. 107. Als die dag komt,

zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om

voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van

hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn. 108. En zij die

ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij

weenen en jammeren [892]. 109. Zij zullen daarin zoo lang verwijlen,

als de hemelen en de aarde duren [893], behalve wat door den Heer,

naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer

doet wat hem behaagt. 110. Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden

in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven,

als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem

behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die

niet gestoord zal worden. 111. Verkeer dus niet in twijfel, nopens

hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan

hetgeen hunne vaderen vÛÛr hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk

hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal

zijn. 112. Wij gaven vroeger aan Mozes het boek der wet, en daarover

rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit

van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te

zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En

uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran. 113. Maar

aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven;

want hij weet zeer goed wat zij doen. 114. Wees gij dus onwrikbaar,

zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met

u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet. 115. En

neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u

niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem

zult gij niet geholpen worden. 116. Bid dan geregeld des ochtends

en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht [894]; want

goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor

hen, die nadenken. 117. Volhard dus met geduld; want God zal de

rechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen. 118. Waren

degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd,

welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts

eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig

waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten [895],

en waren goddeloozen [896], 119. En uw Heer was niet geneigd, de

steden onrechtvaardig te verwoesten [897], welker bewoners zich

oprecht gedroegen. 120. En indien het uw Heer had behaagd, zou hij

alle menschen van ÈÈnen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen

niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie

uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het

woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik

zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen. 121. Alles wat

wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen

wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de

waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning

voor de ware geloovigen. 122. Zeg tot hen die niet gelooven: handelt

overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht

[898] handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af. 123. Aan

God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem

zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem;

want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

JOZEF [899].

Gegeven te Mekka [900]--111 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 22 / 89 段