1. Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek. 2. Was

het eene vreemde zaak voor de bewoners van Mekka, dat wij onzen

wil aan een hunner [805] hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw

de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen

aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning

voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is

duidelijke tooverij. 3. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen

en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon

besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is

geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof [806]. Dit is God uw Heer:

dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen? 4. Tot hem zult gij allen

terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doet een

schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij

degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou

kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water

drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig

waren. 5. Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen

en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten

bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen

van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid

geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen. 6. En

waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in

den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen

die hem vreezen. 7. Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te

ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich

daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor

onze teekens. 8. Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen

zij hebben bedreven. 9. Maar wat degenen betreft die gelooven en

rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij

zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen. 10. Daar zal

hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete [807]

zijn: Vrede! 11. En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God,

de Heer van alle schepselen! 12. Indien God het kwade bij de menschen

wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien

bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij

laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings

aan hunne dwalingen overgeven. 13. Indien een mensch kwaad overkomt,

bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande

[808], maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij

zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem

tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus,

wat de zondaren bedreven, hun voorbereid. 14. Wij hebben vroeger de

geslachten vernietigd die vÛÛr u bestonden, o bewoners van Mekka! toen

gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren

gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo

vergelden wij de schuldigen. 15. Daarna deden wij u hen op aarde

opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen. 16. Indien

onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen,

die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die

van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord:

Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naar mijn welgevallen zou

veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk,

ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam

zou zijn. 17. Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen)

u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb

reeds tot den ouderdom van veertig jaren [809] onder u gewoond,

alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen? 18. En

wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt,

of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen

zullen geen voorspoed genieten. 19. Zij aanbidden naast God datgene,

wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze

tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of

op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent? [810]. Geloofd zij

hij! en het zij verre van hem [811], wat gij met hem vereenigt! 20. De

menschen beleden vroeger slechts ÈÈnen godsdienst [812], doch zij

werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf

werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het

onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn. 21. Zij zeggen dat,

zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij

niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen

aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten. 22. En toen wij

de bewoners van Mekka onze genade deden proeven, nadat zij door

ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list

tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren

eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij

bedriegelijk uitdenkt. 23. Hij is het, die u op de vaste aarde en op

de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door

een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige

wind overvalt en de golven van alle zijden op hen aankomen, en zij

zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God

aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van

dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn. 24. Maar toen hij

hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde,

zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij

uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven;

daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat

gij hebt gedaan. 25. Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige

leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden,

en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de

menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar

kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners

verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt

des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den

vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit,

voor hen die overwegen. 26. God noodigt u tot de woning des vredes

[813] en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt. 27. Zij,

die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en

een overvloedig toevoegsel [814]. Noch zwartheid noch schaamte zal

hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin

voor eeuwig verblijven. 28. Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de

vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met

schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God

hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts

bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij

daarin blijven. 29. Op den dag der opstanding zullen wij hen allen

verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat

naar uwe plaats, gij en uwe gezellen [815], en wij zullen hen van

elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt

ons niet aangebeden [816]. 30. En God is een toereikend getuige op uwe

aanbidding van ons. 31. Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen

zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren

waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten,

zullen voor hen verdwijnen. 32. Zeg: Wie voorziet u van voedsel uit

den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het

gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en

wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg:

Wilt gij hem dus niet vreezen? 33. Dit is dus God, uw ware Heer, en

wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt

gij dus van de waarheid afgewend? 34. Zoo heeft zich dit woord van God

bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven. 35. Zeg:

Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het

daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel

voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u

dus van zijn geloof afgewend? 36. Zeg: Is er een van uwe gezellen

die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus

niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt,

dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus

de oorzaak dat gij zoo oordeelt? 37. En het grootste gedeelte hunner

volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de

waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen. 38. De Koran zou

door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het

is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene

uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den

Heer van alle schepselen nedergezonden 39. Zeggen zij: Mahomet is het,

die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort

dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning

aan naast God, indien gij waarheid spreekt. 40. Maar zij hebben,

datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben;

hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij,

die vÛÛr hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden:

maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was! 41. Er zijn

sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen,

die niet daaraan gelooven [817] en hun Heer kent de boosdoeners

wel. 42. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk

en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en

ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet. 43. Er zijn sommigen van

hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als

zij niets verstaan? 44. En er zijn sommigen van hen die naar u zien;

maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien. 45. Waarlijk,

God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen;

maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen

[818]. 46. Op zekeren dag zal hij hen allen verzamelen, als waren zij

niet langer gebleven [819] dan ÈÈn uur van een dag; zij zullen elkander

kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben

geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid. 47. Hetzij wij

u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft,

of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren;

daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen. 48. Aan ieder volk

werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil

tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig

behandeld. 49. De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen

vervuld worden, indien gij waarheid spreekt? 50. Antwoord: Ik ben noch

in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van

mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is

een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen,

zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal

nimmer vervroegd worden. 51. Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij

nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen

wenschen verhaast te zien [820]? 52. Als zij op u nederkomt, zult

gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij

zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten. 53. Dan zal tot

de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt

gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt

bedreven? 54. Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad

waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer

zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen. 55. Waarlijk,

indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben,

wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag

willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen [821], nadat zij

de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met

eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld

worden. 56. Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan

God? Is Gods belofte geene waarheid? Maar het grootste deel hunner weet

het niet. 57. Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult

gij allen terugkeeren. 58. O menschen! thans is eene waarschuwinge

van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel,

die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware

geloovigen 59. Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid;

dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de

wereldsche rijkdommen, welke zij bijeenverg‚ren. 60. Zeg: verhaal mij

van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een

deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard [822]? Zeg:

Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene

leugen tegen God uit? 61. Maar wat zal op den dag der opstanding de

meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God

heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste

gedeelte hunner zijn niet dankbaar. 62. Gij zult u in geenerhande

omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen,

noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij

daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom [823]

is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er

is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in

het duidelijke boek werd opgeschreven. 63. Zijn Gods vrienden niet

de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet

bedroefd zullen worden? 64. Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen

goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen. 65. Er is

geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid

zijn. 66. Laat hunne gesprekken [824] u niet bedroeven. Alle glorie

behoort aan God; hij hoort en ziet alles. 67. Is niet alles wat in

den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij

dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene

ijdele meening en bedenken niets dan leugens. 68. Hij is het, die den

nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den

helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen,

die luisteren. 69. Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van

hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel

en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van

God wat gij niet weet? 70. Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen

God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben. 71. Zij mogen tijdelijk

in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren,

en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij

ongeloovigen waren. 72. Herlees hun de geschiedenis van Noach [825],

toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder

u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in

God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe

valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt

dus tegen mij op en draalt niet. 73. En indien gij u afwendt van mijne

vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooning van u [826]. Ik verwacht

mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in

hem te stellen. 74. Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij

hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden

hen den zondvloed overleven, doch wij deden hÈn verdrinken, die onze

teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was

van hen, die door Noach gewaarschuwd werden. 75. Wij zonden na hem

gezanten tot de verschillende volkeren [827] en deze kwamen tot hen

met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in

datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen

wij de harten der zondaren. 76. Na hem zonden wij Mozes en A‰ron tot

Pharao en zijne vorsten met onze teekens [828], doch zij gedroegen

zich trotsch en waren zondig. 77. En toen de waarheid van ons tot

hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij. 78. Mozes

zeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is

gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed

genieten. 79. Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te

leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen,

opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij

gelooven u niet. 80. En Pharao zeide: Breng alle kundige toovenaars tot

mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeide Mozes tot hen: Werpt

wat gij te werpen hebt. 81. En toen zij hunne staven en koorden hadden

nedergeworpen, zeide Mozes tot hen: De tooverij die gij hebt gedaan,

zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen

niet gelukken. 82. En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen,

niettegenstaande den tegenzin der zondaren. 83. En niemand geloofde in

Mozes, behalve een geslacht van zijn volk [829], uit vrees voor Pharao

en zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. En Pharao

was machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren. 84. En

Mozes zeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw

vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt. 85. Zij

antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat

wij door onrechtvaardigen lijden. 86. Maar bevrijd ons door uwe genade

van de ongeloovigen. 87. En wij spraken door ingeving tot Mozes en zijn

broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt

uw huizen tot eene plaats van aanbidding [830], weest volhardend in

het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen. 88. En Mozes

zeide: O Heer! waarlijk, gij hebt Pharao en zijn volk schitterende

versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat

zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne

rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat

zij uwe gestrenge straf hebben gezien. 89. God zeide: Ulieder gebed is

verhoord [831]; wees dus oprecht [832] en volg den weg der onwetenden

niet. 90. En wij deden de kinderen IsraÎls door de zee trekken, en

Pharao en zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze,

tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat

er geen God is buiten hem, in wien de kinderen IsraÎls gelooven en

ik ben een der onderworpenen [833]. 91. Thans gelooft gij, nadat gij

te voren oproerig en een der snoodaards waart? 92. Heden zullen wij

uw lichaam [834] van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een

teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen; en waarlijk, een

groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens. 93. En

wij bereidden voor de kinderen IsraÎls eene uitmuntende woning in het

land Kana‰n, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en

zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen

was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens

datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen. 94. Indien

gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u

hebben nedergezonden [835], vraag dan hun, die het boek der wet vÛÛr u

hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees

dus niet een van hen die twijfelen. 95. Wees nimmer een van degenen

die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot

de verworpenen moogt behooren. 96. Waarlijk zij, tegen wie dat woord

van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven. 97. Zelfs al

werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor

hen toebereide straf zullen gezien hebben. 98. En indien dit niet

zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd

hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben

gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vÛÛr de uitvoering van hun

doemvonnis, uitgenomen het volk van Jonas [836]. Toen zij geloofden

bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten

hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten

[837]. 99. Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die

op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen

met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn? 100. Geene ziel

kan gelooven dan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging

uitstorten over hen die niet gelooven. 101. Zeg: Beschouw alles wat in

den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig

nut voor degenen die niet willen gelooven. 102. Verwachten zij dus een

ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd,

die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten. 103. Dan

zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is

eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware

geloovigen bevrijden. 104. Zeg: O bewoners van Mekka! indien gij in

twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u,

dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik

aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware

geloovigen te zijn. 105. En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht

naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen,

die anderen naast God plaatsen. 106. Roep nimmer naast God aan, datgene

wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij

zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren. 107. Indien God u door een

ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij;

en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid

kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem

behagen; en hij is genadig en barmhartig. 108. Zeg: O menschen! thans

is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal

worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar

hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw

bewaker niet. 109. O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard

met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.

ELFDE HOOFDSTUK.

HOED [838].

Geopenbaard te Mekka.--123 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 21 / 89 段