aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt
aangegaan. 2. Ga en reis gedurende vier maanden [753] met zekerheid
op aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de
ongeloovigen zal schandvlekken. 3. En eene verklaring van God en zijn
gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht [754],
dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom
zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien
gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig
den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan. 4. Uitgenomen zulke
afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit
later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan
[755]. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot
hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen. 5. En
wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen,
zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt
vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte
plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde
tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen
geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig. 6. En
indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die,
opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats
[756]. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen
godsdienst nog niet. 7. Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond
met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij
een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent
u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen,
die hem vreezen. 8. Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien
zij de overhand boven u hebben, zullen zij noch ontzag voor uwe
bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne
monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen;
want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards. 9. Zij verkoopen
Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker
het is boos wat zij verrichten. 10. Zij eerbiedigen bij de geloovigen
noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren. 11. Maar
indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed
in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den
godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die
geneigd zijn te begrijpen. 12. Maar indien zij hunne eeden na het
aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast
dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene
trouw), opdat zij hunne verraderijen staken. 13. Wilt gij niet strijden
tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods
gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het
is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen
zijt. 14. Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij
zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken;
en hij zal de borst genezen van hen die gelooven. 15. En hij zal de
verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden
tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs. 16. Verbeelddet gij
u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die
voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand,
maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met
hetgeen gij doet. 17. En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen
bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene
zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig
in de hel verblijven. 18. Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken,
die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden
is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal
misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid
[757]. 19. Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en
het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste
als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten
dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God
niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet. 20. Zij
die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun
persoon aan de verdediging van Gods waren eeredienst wijdden, zullen
door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het,
die gelukkig zullen wezen. 21. Hun Heer zendt hun goede tijdingen
van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige
genoegens zullen smaken. 22. Zij zullen daarin eeuwig verblijven;
want de belooning van God is groot. 23. O ware geloovigen! kiest uwe
vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof
boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen,
zal onder de goddeloozen worden geteld. 24. Zeg: Indien uwe vaderen en
uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het
vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest,
en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en
zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot
God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet. 25. God
heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk
in den slag van Honein [758], waar gij u in uw groot aantal hebt
verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng
[759], niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken
en hebt u afgewend. 26. Later zond God zijn bescherming [760] op zijn
apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder,
die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de
vergelding der ongeloovigen. 27. Hierna zal God zich slechts wenden
tot hen die hem behagen [761]; want God is barmhartig en genadig. 28. O
ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus
na verloop van dit jaar [762] den heiligen tempel niet naderen. Indien
gij de armoede vreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met
hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt:
want God is alwetend en wijs. 29. Strijdt tegen degenen, die noch aan
God: noch aan den jongsten dag gelooven [763], en niet verbieden wat
God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet
belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij
door het recht van onderwerping schatting hebben betaald [764], en
zij vernederd zijn. 30. De Joden zeggen: OzaÔr is de zoon van God,
en de Christenen zeggen Christus is de zoon van God [765]. Dat is
wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen,
die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog
aandoe. Hoe dwaas zijn zij! 31. Zij kiezen hunne priesters en hunne
monniken tot hunne heeren naast God [766], benevens Christus, de zoon
van Maria, hoewel het hun is geboden, slechts ÈÈn God te aanbidden;
en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem
vereenigen. 32. Zij trachten het licht van God door hunne monden
uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel
de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben. 33. Hij is het, die zijn
apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat
hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen,
hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn. 34. O ware
geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het
vermogen der menschen in ijdelheid [767] en versperren den weg van
God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den
vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge
straf. 35. Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit
worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en
hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers
zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel
hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld. 36. Het volkomen
getal van Gods maanden is twaalf [768], die door Gods boek [769]
werden ingesteld, op den dag, dat hij de hemelen en de aarde schiep:
vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin
dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in
alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet,
dat God met degenen is die hem vreezen. 37. Waarlijk, het overbrengen
van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van
ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht;
zij staan toe, dat een maand in het ÈÈne jaar worde geschonden,
en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal
maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden
worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner
daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen
niet. 38. O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide:
vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter
aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het
volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend
in vergelijking met die van het volgende. 39. Indien gij niet vertrekt
als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge
straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen [770],
hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig. 40. Indien
gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo
als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uit Mekka verdreven,
den tweede van de twee [771], toen zij beiden in het hol waren. Toen
zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met
ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met
legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord
van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God
is machtig en wijs. 41. Trekt ten strijd, lichten en zwaren [772],
en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods
geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet. 42. Indien het
een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest,
zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en
thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat
waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen
hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn. 43. God
vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven [773],
voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken, en voor dat gij
de leugenaars kendet? 44. Zij, die in God en den jongsten dag gelooven,
zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen
en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden;
en God kent hen, die hem vreezen. 45. Waarlijk, zij alleen zullen u
verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier
harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel
heen en weder worden geslingerd. 46. Indien zij geneigd zouden zijn
geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel
een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt;
maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen
traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten
[774]. 47. Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een
last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand
aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die
hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen. 48. Reeds
vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken [775], en zij verwarden
uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd
gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren. 49. Sommigen van hen
zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene
verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal
de ongeloovigen verwoesten. 50. Indien gij met geluk wordt bedeeld,
bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij:
Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af,
en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt. 51. Zeg: Niets zal ons
overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts,
en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen. 52. Zeg: Verwacht gij
dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste
dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u,
dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen
[776]. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op
u wachten. 53. Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen,
voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij
goddeloozen zijt. 54. En niets verhindert hunne gaven aan te nemen,
dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed
niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof
slechts onwillig besteden. 55. Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen
u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken
op deze wereld straffen, en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij
ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren,
maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen. 56. Indien zij een
toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden
zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen. 58. Er zijn
ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe
uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen,
zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen,
onthoudt het, zijn zij toornig. 59. Maar indien zij tevreden waren
geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven,
en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn
overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God:
waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn. 60. Aalmoezen moeten
alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden [777] en aan
hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en
aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen
van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen;
voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger. 61. Dit
is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen
onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor
[778]. Antwoord: Hij is een goed oor voor u [779]; hij gelooft in God
en hij vertrouwt den geloovige. 62. En hij is eene genade voor degenen
van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen
eene smartelijke straf ondergaan. 63. Zij zweren u bij God, dat zij
u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn
apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn. 64. Weten
zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weÍrstand biedt, zonder
twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig
verblijven zal? Dit is eene groote schande. 65. De huichelaars
vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om
hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen:
Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij
vreest te zien openbaren. 66. En indien gij hun de reden van deze
bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met
elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne
teekens en met zijn apostel? 67. Tracht niet u te verontschuldigen;
gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofd te hebben. Indien wij
een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar
zij boozen waren. 68. Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander
wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is,
en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God
vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars
zijn goddeloozen. 69. God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen
als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen
zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen
vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan. 70. Gij
handelt evenals zij, die vÛÛr u bestonden. Zij waren sterker dan
gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij
genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen
hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En
gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De
daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld,
en zij zijn het die verloren gaan. 71. Waart gij niet bekend met de
geschiedenis van hen, die vÛÛr hen bestonden? Van het volk van Noach,
van Ad en van Themoed, en van het volk van Abraham, en van de bewoners
van Madian, en van de steden die verwoest werden [780]? Hunne apostelen
kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd
hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig
met hunne eigene zielen. 72. En de geloovige mannen en de geloovige
vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is
en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed,
en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en
zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en
wijs. 73. God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen,
tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven;
hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf
[781]; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning
zijn. Dat zal een groot heil wezen. 74. O Profeet! onderneem den
oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng
omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig
verblijf! 75. Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij
worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid
geuit en werden ongeloovigen, nadat zij den Islam hadden omhelsd. En
zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden
het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben
verrijkt [782]. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn;
maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging
straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen
noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben. 76. Er
zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan,
zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft,
zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden. 77. Maar
toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig,
keerden zich om en wendden zich ver weg. 78. Daarom liet God
huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem
zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der
beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben
gehandeld. 79. Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en
hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent? 80. Zij die
de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat
dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom
bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf
ondergaan. 81. Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal
gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal
God hun op geenerlei wijze vergeven [783]. Dit is omdat zij niet in God
en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet. 82. Zij die
bij de expeditie van Taboec te huis bleven, waren verblijd achter den
profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen
te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden
onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeter
zijn; indien zij dit maar begrepen! 83. Laat hen dus weinig lachen;
zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij
hebben gedaan. 84. Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen,
en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan:
Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij
bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus
thans te huis met hen die achterblijven. 85. Nimmer zult gij voor een
van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil [784],
omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid
stierven. 86. Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering
niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld
te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij
ongeloovigen zijn. 87. Indien eene Soera [785] wordt nedergezonden,
waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant,
vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen:
Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven. 88. Zij zijn
er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn
verzegeld; daarom begrijpen zij niet. 89. Maar de gezant en zij die
met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God
te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken
en gelukkig zijn. 90. God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt,
met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal
eene groote zaligheid zijn. 91. En zekere Arabieren van de woestijn
kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten
blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd,
bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die
niet gelooven. 92. Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij
die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen [786], zullen
geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig
omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal
geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig. 93. Noch
hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor
de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene
benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen,
uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht
bij te dragen [787]. 94. Maar er bestaat reden van gisping voor hen,
die u verlof vragen, te huis te mogen blijven, als zij rijk zijn. Het
behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft
hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet. 95. Zij zullen
zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg:
Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God
heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht
geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden,
die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat
gij hebt bedreven. 96. Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd,
u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten [788]. Laat hen dus
alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn,
als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven. 97. Zij zullen u
bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij
welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend
zijn omtrent degenen die slecht handelen. 98. De Arabieren van de
woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij;
en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen
van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden [789] en God
is alwetend en wijs. 99. Onder de Arabieren van de woestijn zijn
er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting [790]
rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin [791]
mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want
God hoort en weet alles. 100. En onder de Arabieren van de woestijn
zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor
God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht
te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel
tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade
opnemen; want God is barmhartig en genadig. 101. Wat de leiders en
de hoofden der Mohajerin en de Ansars betreft, en degenen die hen in
het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen,
en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid
met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal
eene groote zaligheid zijn. 102. Onder de Arabieren van de woestijn,
die rondom u wonen, zijn huichelachtige personen [792], en onder
de bewoners van Medina zijn sommigen die hardnekkig in huichelarij
zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen
hen zekerlijk tweemaal straffen [793]; daarna zullen zij tot eene
pijnlijke kastijding verwezen worden. 103. Anderen nebben hunne
misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd,
die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is
barmhartig en genadig. 104. Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan,
opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor
hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en
weet alles. 105. Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren
en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig
is? 106. Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk,
evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht
worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar
gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven. 107. Er
zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij
hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is
alwetend en wijs. 108 Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd
om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling
tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen,
die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en
zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te
handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen. 109. Zet daar
nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten
dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest [794]. Het is beter dat
gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar
haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine. 110. Is dus
hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te
behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene
zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in
het hellevuur stort? God leidt de goddeloozen niet. 111. Hun gebouw,
dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel
in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden [795];
en God is alwetend en wijs. 112. Waarlijk, God heeft van de ware
geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen
hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat
zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden;
de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den
Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u
dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote
gelukzaligheid zijn. 113. De berouwvollen en zij die God dienen en
hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen
wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van
God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng
dus goede tijdingen tot de geloovigen. 114. Het is den profeet niet
geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars
te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat
het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn
[796]. 115. Ook Abraham vroeg geene vergiffenis voor zijn vader,
anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan
[797]; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van
God was, onttrok hij zich daaraan [798], en waarlijk, Abraham was
meÍdoogend en menschelijk. 116. God is niet geneigd een volk in
dwaling te leiden [799], nadat hij het ten goede heeft geleid, dan
nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden; want God is
alwetend. 117. Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel
en aarde; hij schenkt leven en hij doet sterven, en gij hebt geen
schuts of helper naast God. 118. God heeft den profeet vergeven en
den Mohajerin en Ansars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen
de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren;
daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meÍdoogend en genadig
omtrent hen. 119. Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven
[800], zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd,
en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen
tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij
men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen,
opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind
en genadig. 120. O ware geloovigen! vreest God en weest met de
oprechten. 121. Er bestond geene reden waarom de bewoners van Medina
en de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods
gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit
is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger
werden geteisterd, bij de verdediging van Gods waren godsdienst;
naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen;
naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun
niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat
de belooning der rechtvaardigen verloren ga. 122. En zij dragen
geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom
door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene
belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan
hebben. 123. De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten
strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt,
geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten
[801], en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het
volk op zijne goede zij. 124. O ware geloovigen! voert oorlog tegen de
ongeloovigen die u nabij zijn [802] en laten zij u gestreng vinden,
en weet dat God met degenen is die hem vreezen. 125. Als eene Soera
wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit
uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die
gelooven, en zij zullen zich verblijden. 126. Maar bij hen, wier
harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd
worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven. 127. Zien zij niet,
dat zij ieder jaar eens of tweemaal worden beproefd [803]. En toch
hebben zij geen berouw en overwegen niet. 128. En als eene Soera wordt
nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna
wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid,
omdat zij niet begrijpen. 129. Thans is een gezant van uw eigen
volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem
dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en
genadig omtrent de geloovigen. 130. Indien zij zich afwenden, zeg:
God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik,
en hij is de Heer van den grootschen troon.
TIENDE HOOFDSTUK.
JONAS [804].
Gegeven te Mekka.--109 verzen.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.