1. Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van

den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe

geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant,

indien gij ware geloovigen zijt. 2. Waarlijk, de ware geloovigen

zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof

vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op

God vertrouwen. 3. Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen,

en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 4. Deze zijn

waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid

van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig

vermogen. 5. Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en

een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren. 6. Twistten

zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt [719];

op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij

dit met hunne oogen hadden gezien [720]. 7. En herinner u, toen God

u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven [721],

en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien

[722] aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner

woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden

[723]. 8. Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen,

ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn. 9. Toen gij hulp

van uwen Heer hebt gevraagd [724], en hij u antwoordde: Waarlijk,

ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld

opvolgen. 10. En dit deed God alleen als goede berichten [725] voor

u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de

overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs. 11. Toen

een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij

water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren,

en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe

harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen. 12. Ook toen uw Heer

tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die

gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat

dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af

[726]. 13. Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant

wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt,

waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden. 14. Dit zal uwe

straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van

het hellevuur ondergaan. 15. O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen

ontmoet, in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van

hen af. 16. Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij

hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der

geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen,

en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf! 17. En gij

dooddet hen niet, welke te Bedr werden verslagen; maar God doodde hen

[727]. Gij slingerdet niets, o Mahomet! ofschoon gij scheent het te

slingeren, maar God doet het [728] om de geloovigen door eene schoone

proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles. 18. Dit geschiedde

opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen. 19. Gij hebt

de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft

zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den

gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij

terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem

te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel

wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de

geloovigen. 20. O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant,

en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran

hoort. 21. En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet

hooren. 22. Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover

God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen. 23. Indien

God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk

hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden

zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben. 24. O ware

geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven

geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst

[729], en dat gij voor hem zult verzameld worden. 25. Hoedt u voor

de verzoeking [730]; zij zal niet hen in het bijzonder treffen,

die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet,

dat God gestreng in het straffen is. 26. En gedenkt, dat, toen gij

zwak en in kleinen getale in het land waart [731], gij vreesdet door

uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord,

en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen,

opdat gij dankbaar zoudt zijn. 27. O ware geloovigen! bedriegt God

en zijn gezant niet: schendt nimmer uw geloof met uw weten. 28. En

bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn,

en dat Gods belooning groot is. 29. O ware geloovigen! indien gij God

vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden

vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot. 30. En

herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen

zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne

beurt tegen hen samen [732]; en waarlijk, God is het beste in staat,

een samenspanning te verijdelen. 31. En als onze teekens voor hen

worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons

behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts

fabelen der ouden [733]. 32. En toen zij zeiden: O God! indien dit de

waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen,

of leg ons eene andere gestrenge straf op. 33. Maar God was niet

geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was

God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen. 34. Maar

zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet

zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen

tempel te bezoeken [734], hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De

bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel

hunner weet het niet. 35. En hun gebed in het huis des Heeren is geen

ander dan gefluit en handgeklap [735]. Ondergaat dus de straf, omdat

gij ongeloovigen zijt geweest. 36. Zij die niet gelooven, wenden hunne

rijkdommen aan, om den weg van God [736] te versperren. Zij zullen die

verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij

zullen eindelijk overwonnen worden. 37. En de ongeloovigen zullen in de

hel verzameld worden. 38. God zal de slechten van de goeden scheiden;

hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel

van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen

verloren zijn. 39. Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden

u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is;

maar indien zij voortgaan u aan te vallen, zal de voorbeeldige straf

van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is,

eveneens op hen worden toegepast. 40. Strijd dus tegen hen, tot er geen

verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst

dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet

God wat zij doen. 41. Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God

uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper. 42. En weet,

dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God

en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen,

de armen en de reizigers [737] indien gij aan God gelooft, en aan

hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben

nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en

God is almachtig. 43. Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen

zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de

karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt

slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden

[738]; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den

strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten

had te doen plaats hebben. 44. Opdat degeen die omkwam, zou omkomen,

na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door

hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles. 45. Herinner u,

toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed

verschijnen [739]; en indien hij u dien in grooten getale had doen

verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben

[740], maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste

deelen van de borst der menschen. 46. En toen hij hem zich voor u

deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen;

hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen

vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle

dingen terugkeeren. 47. O ware geloovigen! indien gij een deel der

ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls,

opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn. 48. En gehoorzaamt God en zijn

gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden,

en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God

is met hen die volharden. 49. En weest niet als zij, die onbeschaamd

hunne huizen verlieten en met pralen onder de menschen verschenen, en

van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen. 50. En

gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte [741] en

zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn,

om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht

kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei

er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God

is gestreng in het straffen [742]. 51. Toen de huichelaars, en zij

in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen

[743]. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig

en wijs is. 52. En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen

doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen [744]

en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding? 53. Dit

zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht,

en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is. 54. Hun

lot gelijkt dat van het volk van Pharao en der ongeloovigen, die

hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is

sterk en gestreng in zijne straffen. 55. Dit is geschied, omdat

God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt,

zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God

alles hoort en ziet. 56. Zij hebben gehandeld evenals het volk van

Pharao en evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van

hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden

en wij overstroomden het volk van Pharao; want zij waren allen

zondaren. 57. Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die

hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven. 58. Evenals

zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere

geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen. 59. Indien gij hen

in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor

hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn. 60. Of

indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond

en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemint de verraders

niet. 61. En denkt niet [745] dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan;

want zij zullen Gods macht niet verminderen. 62. Verzamel dus alle

krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den

vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen

buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor

de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald

en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld. 63. Indien zij

tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw

vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles. 64. Maar indien

zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is

het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der

geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle

rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten

niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is

almachtig en wijs. 65. O profeet! God is uw steun, en die der ware

geloovigen welke u volgen [746]. 66. O profeet! zet de geloovigen

tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee

honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij

duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk

zijn dat niet begrijpt. 67. God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt;

want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn

die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er

duizend van u zijn zullen zij tweeduizend [747] overwinnen, door

Gods verlof; want God is met hen die volharden. 68. Het was nimmer

een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen

op aarde te doen plaats hebben [748]. Gij verlangt het goede dezer

wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig

en wijs. 69. Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven,

zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van

de gevangenen te Bedr [749] hebt verkregen. 70. Eet dus van hetgeen

gij hebt verworven, van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is

barmhartig en genadig. 71. O profeet! zeg tot de gevangenen die in

uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten

is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal

u vergeven; want God is genadig en barmhartig. 72. Maar indien zij

trachten u te bedriegen [750], waarlijk, dan hebben zij God bedrogen;

daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en

wijs. 73. Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne

bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst

van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats

hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste

bloedverwanten worden beschouwd [751]. Maar zij die geloofd hebben en

hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn,

tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe

hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen

degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij

doet. 74. Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo

lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen

over de aarde heerschen. 75. Maar zij die geloofd en hunne woningen

verlaten, en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en

den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben,

deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige

ondersteuning ontvangen. 76. En zij, welke sedert dien tijd geloofd en

hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens

tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn,

zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen

worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VERKLARING VAN VRIJSTELLING [752].

Gegeven te Medina.--130 verzen.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 19 / 89 段