den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe
geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant,
indien gij ware geloovigen zijt. 2. Waarlijk, de ware geloovigen
zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof
vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op
God vertrouwen. 3. Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen,
en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken. 4. Deze zijn
waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid
van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig
vermogen. 5. Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en
een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren. 6. Twistten
zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt [719];
op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij
dit met hunne oogen hadden gezien [720]. 7. En herinner u, toen God
u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven [721],
en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien
[722] aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner
woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden
[723]. 8. Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen,
ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn. 9. Toen gij hulp
van uwen Heer hebt gevraagd [724], en hij u antwoordde: Waarlijk,
ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld
opvolgen. 10. En dit deed God alleen als goede berichten [725] voor
u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de
overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs. 11. Toen
een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij
water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren,
en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe
harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen. 12. Ook toen uw Heer
tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die
gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat
dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af
[726]. 13. Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant
wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt,
waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden. 14. Dit zal uwe
straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van
het hellevuur ondergaan. 15. O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen
ontmoet, in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van
hen af. 16. Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij
hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der
geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen,
en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf! 17. En gij
dooddet hen niet, welke te Bedr werden verslagen; maar God doodde hen
[727]. Gij slingerdet niets, o Mahomet! ofschoon gij scheent het te
slingeren, maar God doet het [728] om de geloovigen door eene schoone
proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles. 18. Dit geschiedde
opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen. 19. Gij hebt
de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft
zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den
gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij
terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem
te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel
wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de
geloovigen. 20. O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant,
en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran
hoort. 21. En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet
hooren. 22. Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover
God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen. 23. Indien
God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk
hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden
zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben. 24. O ware
geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven
geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst
[729], en dat gij voor hem zult verzameld worden. 25. Hoedt u voor
de verzoeking [730]; zij zal niet hen in het bijzonder treffen,
die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet,
dat God gestreng in het straffen is. 26. En gedenkt, dat, toen gij
zwak en in kleinen getale in het land waart [731], gij vreesdet door
uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord,
en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen,
opdat gij dankbaar zoudt zijn. 27. O ware geloovigen! bedriegt God
en zijn gezant niet: schendt nimmer uw geloof met uw weten. 28. En
bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn,
en dat Gods belooning groot is. 29. O ware geloovigen! indien gij God
vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden
vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot. 30. En
herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen
zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne
beurt tegen hen samen [732]; en waarlijk, God is het beste in staat,
een samenspanning te verijdelen. 31. En als onze teekens voor hen
worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons
behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts
fabelen der ouden [733]. 32. En toen zij zeiden: O God! indien dit de
waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen,
of leg ons eene andere gestrenge straf op. 33. Maar God was niet
geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was
God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen. 34. Maar
zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet
zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen
tempel te bezoeken [734], hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De
bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel
hunner weet het niet. 35. En hun gebed in het huis des Heeren is geen
ander dan gefluit en handgeklap [735]. Ondergaat dus de straf, omdat
gij ongeloovigen zijt geweest. 36. Zij die niet gelooven, wenden hunne
rijkdommen aan, om den weg van God [736] te versperren. Zij zullen die
verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij
zullen eindelijk overwonnen worden. 37. En de ongeloovigen zullen in de
hel verzameld worden. 38. God zal de slechten van de goeden scheiden;
hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel
van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen
verloren zijn. 39. Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden
u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is;
maar indien zij voortgaan u aan te vallen, zal de voorbeeldige straf
van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is,
eveneens op hen worden toegepast. 40. Strijd dus tegen hen, tot er geen
verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst
dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet
God wat zij doen. 41. Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God
uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper. 42. En weet,
dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God
en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen,
de armen en de reizigers [737] indien gij aan God gelooft, en aan
hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben
nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en
God is almachtig. 43. Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen
zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de
karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt
slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden
[738]; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den
strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten
had te doen plaats hebben. 44. Opdat degeen die omkwam, zou omkomen,
na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door
hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles. 45. Herinner u,
toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed
verschijnen [739]; en indien hij u dien in grooten getale had doen
verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben
[740], maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste
deelen van de borst der menschen. 46. En toen hij hem zich voor u
deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen;
hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen
vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle
dingen terugkeeren. 47. O ware geloovigen! indien gij een deel der
ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls,
opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn. 48. En gehoorzaamt God en zijn
gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden,
en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God
is met hen die volharden. 49. En weest niet als zij, die onbeschaamd
hunne huizen verlieten en met pralen onder de menschen verschenen, en
van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen. 50. En
gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte [741] en
zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn,
om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht
kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei
er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God
is gestreng in het straffen [742]. 51. Toen de huichelaars, en zij
in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen
[743]. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig
en wijs is. 52. En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen
doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen [744]
en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding? 53. Dit
zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht,
en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is. 54. Hun
lot gelijkt dat van het volk van Pharao en der ongeloovigen, die
hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is
sterk en gestreng in zijne straffen. 55. Dit is geschied, omdat
God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt,
zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God
alles hoort en ziet. 56. Zij hebben gehandeld evenals het volk van
Pharao en evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van
hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden
en wij overstroomden het volk van Pharao; want zij waren allen
zondaren. 57. Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die
hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven. 58. Evenals
zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere
geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen. 59. Indien gij hen
in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor
hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn. 60. Of
indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond
en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemint de verraders
niet. 61. En denkt niet [745] dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan;
want zij zullen Gods macht niet verminderen. 62. Verzamel dus alle
krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den
vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen
buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor
de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald
en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld. 63. Indien zij
tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw
vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles. 64. Maar indien
zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is
het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der
geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle
rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten
niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is
almachtig en wijs. 65. O profeet! God is uw steun, en die der ware
geloovigen welke u volgen [746]. 66. O profeet! zet de geloovigen
tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee
honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij
duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk
zijn dat niet begrijpt. 67. God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt;
want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn
die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er
duizend van u zijn zullen zij tweeduizend [747] overwinnen, door
Gods verlof; want God is met hen die volharden. 68. Het was nimmer
een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen
op aarde te doen plaats hebben [748]. Gij verlangt het goede dezer
wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig
en wijs. 69. Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven,
zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van
de gevangenen te Bedr [749] hebt verkregen. 70. Eet dus van hetgeen
gij hebt verworven, van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is
barmhartig en genadig. 71. O profeet! zeg tot de gevangenen die in
uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten
is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal
u vergeven; want God is genadig en barmhartig. 72. Maar indien zij
trachten u te bedriegen [750], waarlijk, dan hebben zij God bedrogen;
daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en
wijs. 73. Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne
bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst
van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats
hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste
bloedverwanten worden beschouwd [751]. Maar zij die geloofd hebben en
hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn,
tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe
hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen
degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij
doet. 74. Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo
lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen
over de aarde heerschen. 75. Maar zij die geloofd en hunne woningen
verlaten, en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en
den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben,
deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige
ondersteuning ontvangen. 76. En zij, welke sedert dien tijd geloofd en
hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens
tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn,
zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen
worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE VERKLARING VAN VRIJSTELLING [752].
Gegeven te Medina.--130 verzen.