snooden toonen. 143. Ik zal degenen van mijne teekens afleiden, die
zich trotsch en zonder rechtvaardigheid op aarde gedragen, en hoewel
zij ieder teeken zien, daarin niet zullen gelooven; en ofschoon zij
het pad der rechtvaardigheid zien, dat niet zullen betreden; maar die,
indien zij het pad der dwaling zien, dien weg zullen inslaan. 144. Zoo
zal het geschieden, daar zij onze teekens van bedrog beschuldigen
en die veronachtzamen. 145. Maar wat hen betreft, die de waarheid
van onze teekens loochenen en de ontmoeting in het volgende leven,
hunne werken zullen ijdel zijn. Zouden zij anders beloond worden
dan overeenkomstig hetgeen zij hebben verricht? 146. En het volk van
Mozes nam, na zijn vertrek, een lichamelijk kalf [687], dat loeide
[688], van hunne versierselen [689] vervaardigd. Zagen zij niet, dat
ik niet tot hen sprak, noch hen op den weg geleidde? 147. Maar zij
beschouwden het als hunnen god en handelden slecht. 148. Doch toen zij
met droefheid berouw gevoelden, en zagen, dat zij verdwaald waren,
zeiden zij: Waarlijk, indien onze Heer geene barmhartigheid met ons
heeft en ons niet vergeeft, zullen wij zeker tot hen behooren, die
verloren zijn. 149. En toen Mozes tot zijn volk terugkeerde, vol van
toorn en verontwaardiging, zeide hij: Gij hebt een snoode daad na mijn
vertrek bedreven. Hebt gij het bevel van uwen Heer verhaast [690]? Hij
nam de tafelen [691] en greep zijn broeder bij het hoofdhaar en haalde
hem onder zich. En A‰ron zeide tot hem: Zoon mijner moeder, waarlijk
het volk heeft mij overheerd, en het had slechts weinig gescheeld
of zij hadden mij gedood: laat mijne vijanden zich dus niet over
mij verblijden, noch plaats mij onder de boozen. 150. Mozes zeide:
O Heer! vergeef mij en mijn broeder en ontvang ons in uwe genade:
want gij zijt de barmhartigste der barmhartigen. 151. Waarlijk, zij
die het kalf tot hunnen god namen, de verontwaardiging des Heeren
zal over hen komen [692], en schande in dit leven. Zoo zullen wij
degenen beloonen, die leugens uitdenken. 152. Maar voor hen, die
snood handelen en daarna berouw betoonen en in God gelooven, zal God
later goedertieren en barmhartig zijn. 153. En toen de toorn van Mozes
was bedaard, nam hij de tafelen [693]. De letters die er op gehouwen
waren, bevatten de leiding en de barmhartigheid voor hen, die hunnen
Heer vreezen. 154. En Mozes koos zeventig mannen uit zijn volk, ten
einde met hem den berg te bestijgen op het door ons bepaalde tijdstip;
en toen een storm, vergezeld van donder en bliksem, hen wegnam [694],
zeide hij: O Heer! indien het u had behaagd, hadt gij hen en ook mij
reeds te voren verdelgd; wilt gij ons verdelgen om hetgeen de dwazen
onder ons hebben bedreven? Dit is alleen uwe beproeving; waarmede
gij in dwaling brengt wien het u behaagt, en hem zult leiden die u
behaagt! Gij zijt onze schuts, vergeef ons dus en wees ons genadig;
want gij zijt de meest vergevingsgezinde der
vergevingsgezinden. 155. Beschenk ons met het goede in deze wereld en
in het volgende leven; want door u worden wij geleid. God antwoordde:
Ik zal mijne straf opleggen aan wien het mij behaagt, en mijne
barmhartigheid strekt zich over alle dingen uit; en ik zal haar
toekennen aan hen, die mij vreezen en aalmoezen geven, en in mijne
teekens zullen gelooven. 156. Die den gezant volgen; den ongeletterden
gezant [695], dien zij in hunne boeken, in den Pentateuchus en in het
Evangelie vinden aangeduid; hij zal hun gebieden wat rechtvaardig
is en hun verbieden wat slecht is, en zal hun gebruik als wettig
veroorloven van de dingen die vroeger verboden waren [696], en hij
zal de dingen verbieden die slecht zijn [697], en hij zal hen van
hunne zware lasten ontheffen en van de ketenen die op hen rusten
[698]. En zij die in hem gelooven, die hem vereeren en ondersteunen
en het licht volgen dat met hem werd nedergezonden, zullen gelukkig
zijn. 157. Zeg: O menschen! waarlijk, ik ben Gods gezant en aan u allen
gericht [699]. 158. Hem behoort het koninkrijk des hemels en der aarde;
er is geen God buiten hem; hij geeft leven en doet sterven. Gelooft
dus in God en zijn gezant, den ongeletterden profeet, die zelf in
God en zijn woord gelooft, en volgt hem, opdat gij goed geleid moogt
worden. 159. Er is een deel van het volk van Mozes, die anderen met
waarheid leiden, en rechtvaardig nopens hen handelen. 160. En wij
verdeelen hen in twaalf volksstammen. En wij spraken door openbaring
tot Mozes, toen zijn volk drank van hem verlangde, en wij zeiden:
Sla de rots met uwen staf, en twaalf fonteinen [700] stroomden er
uit, en iedere stam wist, uit welke fontein hij moest drinken. En
vervolgens deden wij hen door wolken overschaduwen, en manna en
kwakkels [701] op hen nedervallen, zeggende: Eet van de dingen die
wij u tot voedsel hebben gegeven; maar zij beleedigden niet ons,
doch hunne eigene zielen. 161. Herinner u, toen men tot u zeide:
Woont in deze stad [702] en eet van hare voortbrengselen zoo veel
gij wilt; en smeekt vergiffenis, en treedt de poort biddende in; wij
zullen u uwe zonden vergeven en de bezittingen vermeerderen van hen,
die goed handelen. 162. Maar de goddeloozen onder hen veranderden de
uitdrukking in eene andere, die niet tot hen was gebruikt. Daarom
zonden wij onze kastijding uit den hemel op hen neder, omdat zij
zondigden. 163. En vraag hun nopens de stad [703], die aan de zee was
gelegen, toen zij op den Sabbathdag zondigden; toen hun visch op den
Sabbathdag tot hen kwam, duidelijk op het water verschijnende, maar
op den dag dat zij geen rustdag vierden, kwam hij niet tot hen. Zoo
beproefden wij hun omdat zij boosdoeners waren. 164. En toen een
deel hunner tot de anderen zeide: Waarom waarschuwt gij een volk,
hetwelk God verdelgen of met eene gestrenge kastijding straffen
wil? Antwoordden zij: Dit is eene verontschuldiging voor ons bij
uwen Heer [704] ten einde zij zich zullen behoeden. 165. Maar toen
zij de waarschuwingen hadden vergeten, redden wij de degenen, die hun
verboden kwaad te bedrijven, en wij legden hun die gezondigd hadden,
eene gestrenge straf op, daar zij slecht gehandeld hadden. 166. En
toen zij trotsch weigerden, datgene te laten, wat hun was verboden,
zeiden wij tot hen: verandert in apen, en wordt uit de maatschappij
der menschen verdreven. En herdenk, hoe uw Heer verklaarde, dat hij
den Joden zekerlijk tot den dag der opstanding een volk zou zenden,
dat eene harde verdrukking op hen zou uitoefenen [705]; want uw
Heer is stipt in bestraffing, doch hij is ook gereed te vergeven
en barmhartig. 167. En wij verstrooiden hen onder de volkeren der
aarde. Sommigen van hen zijn deugdzame personen, en sommigen van
hen zijn anders. En wij beproefden hen door voor- en tegenspoed,
opdat zij van hunne ongehoorzaamheid mochten terugkeeren. 168. En
eene nakomelingschap volgde hen op, die het boek der wet erfde en
de tijdelijke goederen dezer wereld ontving [706], en zeide: Het zal
ons zekerlijk worden vergeven; en indien hun een tijdelijk voordeel
gelijk het vorige wordt aangeboden, nemen zij het mede aan. Is niet
het verbond van het boek der wet met hen aangegaan, dat zij niets dan
waarheid van God zouden spreken [707]? Zij lezen echter thans ijverig
wat daarin staat. Doch de genieting van het volgende leven zal beter
voor degenen zijn, die God vreezen. Begrijpt gij dat niet? 169. En ook
voor hen, die het boek der wet vasthouden en standvastig in het gebed
zijn; want wij zullen nimmer dulden, dat het loon der rechtvaardigen
verloren ga. 170. En toen wij den berg SinaÔ over hen oprichtten
[708], als ware het een deksel, en zij zich verbeeldden, dat die op
hen viel, zeiden wij: ontvang de wet die wij u hebben gebracht met
eerbied; en gedenk wat daarin is bevat, opdat gij u in acht moogt
nemen. 171. En toen de Heer uit de lendenen der zonen van Adam hunne
nakomelingschap voortbracht [709], en hen koos om tegen hen zelven
te getuigen, zeggende: Ben ik uw Heer niet? antwoordden zij: Ja,
wij leggen getuigenis af. Dit is geschied, opdat gij op den dag der
opstanding niet zoudt zeggen: waarlijk wij wisten het niet. 172. Opdat
gij niet zoudt zeggen: waarlijk onze vaderen waren vroeger schuldig
aan afgodendienarij; en wij zijn hunne nakomelingschap, die hen
opvolgde; zoudt gij ons dus verdelgen, om hetgeen leugenaars hebben
bedreven? 173. Zoo verklaren wij onze teekens, opdat zij van hunne
dwalingen mogen terugkeeren. 174. En verhaal den Joden de geschiedenis
van hem, dien wij onze teekens brachten [710], en die zich daarvan
afwendde; daarom volgde satan hem, en hij werd een van hen, die verleid
werden. 175. En indien het ons had behaagd, zouden wij hem zekerlijk
daardoor tot wijsheid hebben verheven, maar hij bleef aan de aarde
gehecht en volgde zijne eigen begeerten [711]. Hij gelijkt op een
hond, die, wanneer gij hem wegjaagt, de tong uitsteekt, of indien gij
u van hem verwijdert, mede de tong uitsteekt. Dit is de gelijkenis
van hen, die onze teekens van valschheid beschuldigen. Herhaal hun
dus deze geschiedenis, opdat zij die in overweging zouden mogen
nemen. 176. De overeenkomst is slecht van hen, die onze teekens van
valschheid beschuldigen en hunne eigene zielen beleedigen. 177. Maar
die door God geleid mocht worden, zal goed geleid zijn, en wien
hij mocht afwenden zal verloren zijn. 178. Wij hebben voor de hel
een groot aantal geniussen en menschen geschapen die harten hebben,
waarmede zij niets verstaan; die oogen hebben, waarmede zij niets
zien; die ooren hebben waarmede zij niets hooren. Deze zijn gelijk de
redelooze dieren; zij dwalen zelfs meer dan de redelooze dieren. Dit
zijn de achteloozen. 179. De schoonste namen komen God toe [712];
noem hem dus daarbij en verwijder u van hen, die deze zondig mochten
gebruiken [713]. Zij zullen het loon ontvangen voor hetgeen zij hebben
bedreven. 180. En onder hen die wij hebben geschapen, is een volk,
dat anderen met waarheid leidt en rechtvaardig is. 181. Maar hen,
die onze teekens van leugens beschuldigen, zullen wij trapsgewijze
verdelgen, op eene wijze die zij niet kennen [714]. 182. En ik zal
hun toestaan een lang en voorspoedig leven te genieten; want mijne
list is onfeilbaar. 183. Begrijpen zij niet, dat er geen duivel in hun
metgezel (Mahomet) is. Hij is niets dan een openbaar prediker. 184. Of
beschouwen zij het koninkrijk des hemels en der aarde niet, en de
dingen die God heeft geschapen; en denken zij er niet aan, dat hun
einde misschien nabij is? En in welke nieuwe verklaring zullen zij
na deze gelooven? 185. Hij wien God zal doen dwalen, zal geen gids
hebben, en hij zal hen in hunne goddeloosheid verlaten, zonder kennis
dwalende. 186. Zij zullen u ondervragen nopens het laatste uur;
op welk tijdstip de komst daarvan is bepaald? Antwoord: Waarlijk,
de wetenschap daarvan behoort mijn Heer; niemand zal den bepaalden
tijd daarvan verklaren, behalve hij. De verwachting daarvan is
smartelijk in den hemel en op aarde; hij zal niet dan onverwachts tot
u komen. 187. Zij zullen u ondervragen, als waart gij daarmede goed
bekend. Antwoord: Waarlijk, de kennis daarvan, behoort alleen aan
God, maar het grootste deel der menschen weet het niet. 188. Zeg:
Ik heb geen macht om mij te verschaffen wat mij nuttig is, noch
om te vermijden wat mij nadeelig is, tenzij God het wil. Indien
ik Gods geheimen kende, zou ik zekerlijk overvloed van goederen
bezitten; nimmer zou mij kwaad treffen. Waarlijk, ik ben slechts
een aankondiger van beloften en een boodschapper van goede tijdingen
voor hen die gelooven. 189. Hij is het, die u uit ÈÈn man geschapen
en zijne vrouw uit hem voortgebracht heeft, opdat hij met haar mocht
wonen; en nadat hij met haar geleefd had, droeg zij een lichten last,
waarmede zij gemakkelijk wandelde. Maar toen het zwaarder werd, riep
zij God haren Heer aan, zeggende: Indien gij ons een welgemaakt
kind schenkt, zullen wij dankbaar zijn. 190. Maar toen hij hun
een welgeschapen kind had gegeven, plaatsten zij makkers naast hem,
voor hetgeen hij hun had geschonken [715]. Maar God is te verheven om
anderen met hem te vereenigen. 191. Willen zij valsche goden met hem
vereenigen, die niets scheppen, maar die zelf geschapen zijn, en hen
nimmer ondersteunen noch zich zelven helpen kunnen? 192. En indien
gij hen tot de ware richting uitnoodigt, zullen zij u niet volgen:
het zal u gelijk zijn, of gij hen uitnoodigt, of dat gij rustig
blijft. 193. Waarlijk, de valsche goden welke gij naast God aanroept,
zijn dienaren, evenals gij [716]. Roep hen dus aan, en laten zij u
antwoord geven, indien gij waarheid spreekt. 194. Hebben zij voeten,
om er mede te loopen? Of hebben zij handen, om iets aan te vatten? Of
hebben zij oogen, om er mede te zien? Of hebben zij ooren, om er
mede te hooren? Zeg: Roept uwe makkers; denkt eene list tegen mij
uit en geeft mij geen uitstel. Ik vrees niets. 195. Want mijn schuts
is God, die het boek van den Koran nederzond, en hij ondersteunt den
rechtvaardige. 196. Maar zij die gij naast God aanroept, kunnen noch u
bijstaan, noch zich zelven helpen. 197. En indien gij hen aanroept om u
te leiden, zullen zij u niet hooren. Gij ziet hen naar u blikken, maar
zij zien niet. 198. Gebruik toegevendheid, beveel het goede en blijf
ver van den onwetende. 199. En indien satan u iets slechts ingeeft,
zoek dan eene toevlucht bij God; want hij hoort en ziet. 200. Waarlijk,
zij die God vragen, indien eene verzoeking van satan tot hen komt,
gedenken de goddelijke bevelen en, onthoud het, zij zien duidelijk het
gevaar der zonde. 201. De broederen der duivels zullen hen slechts
verder in dwaling brengen, en later zullen zij zich daarvoor niet
behoeden. 202. En indien gij hun geen vers van den Koran brengt,
zeggen zij: Hebt gij het nog niet samengesteld? Antwoord: Ik volg
alleen datgene wat mij van mijnen Heer werd geopenbaard. Dit boek
bevat duidelijke bewijzen van uwen Heer, en is eene leiding van
barmhartigheid voor hen die gelooven. 203. En als de Koran wordt
voorgelezen, luistert dan, en bewaart het stilzwijgen, opdat gij
genade moogt verwerven. 204. En peinst nopens uwen Heer in uw eigen
hart, met nederigheid en vrees, en zonder luid te spreken, zoowel des
avonds als des ochtends, en weest niet onachtzaam. 205. De engelen,
die met mijn Heer zijn, versmaden zijnen dienst niet trotsch, maar
zij vieren zijn lof en bidden hem aan.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE BUIT [717].
Gegeven te Medina [718].--76 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.