twijfel daaromtrent in uwe borst bestaan, opdat gij hetzelfde zoudt
verkondigen, en dat het eene vermaning voor den geloovige zij. 2. Volg
datgene, wat u van uwen Heer werd nedergezonden, en volg geene anderen
naast hem. Hoe weinig denkt gij daaraan! 3. Hoe vele steden hebben
wij verwoest, die des nachts door onze wraak werden overvallen, of
terwijl zij in het middaguur uitrustten. 4. En hunne smeeking, toen
onze straf hen bereikte, was niets anders dan dat zij zeiden: waarlijk
wij zijn goddeloos geweest. 5. Hen zullen wij zeker tot verantwoording
oproepen, aan welk een profeet werd gezonden; en wij zullen ook
hen ter verantwoording oproepen, die hun werden toegezonden. 6. En
wij zullen hun hunne daden met verstand verklaren; want wij waren
niet afwezig. 7. De weging der menschelijke daden op dien dag zal
rechtvaardig zijn; en zij wier weegschalen, met goede daden gevuld,
zwaar zijn, zullen gelukkig wezen. 8. Maar zij, wier weegschalen
licht zullen wezen, zijn zij, die hunne zielen hebben verloren,
omdat zij onze teekens geloochend hebben. 9. En thans hebben wij u
op de aarde geplaatst, en hebben u daarop van voedsel voorzien; doch
hoe weinig dankbaar zijt gij? 10. Wij schiepen u en vormden u daarop,
en zeiden vervolgens tot de engelen: aanbidt Adam, en zij baden hem
aan, uitgenomen Eblis, die niet onder hen behoorde, welke hem aanbaden
[617]. 11. God zeide tot hem: Wat belet u, Adam te aanbidden, naardien
ik het u had bevolen? Hij antwoordde: Ik ben voortreffelijker dan
hij; mij hebt gij van vuur en hem van slijk geschapen. 12. God zeide:
Vertrek dan uit het paradijs; want het past niet, u op deze plaats
met hoogmoed te wapenen. Vertrek van hier! Gij zult tot het getal der
verworpelingen behooren. 13. Hij zeide: Geef mij uitstel tot den dag
der opstanding. 14. God zeide: Waarlijk, gij zult tot de uitgestelden
[618] behooren. 15. De duivel zeide: Omdat gij mij verdoemd hebt,
zal ik hen op uwen rechten weg afwachten. 16. Daarna zal ik hen
van voren en van achter aanvallen; ik zal mij op hunne rechter- en
op hunne linkerzijde [619] vertoonen, en waarlijk gij zult slechts
weinigen vinden, die u erkentelijk zullen zijn. 17. Vertrek van hier,
zeide de Heer tot hem, met verachting bedekt en verworpen; en wat hen
betreft, die u volgen, ik zal de hel met u allen vullen. 18. Gij,
Adam, woon met uw vrouw in het paradijs en eet van zijne vruchten,
overal waar gij wilt: nader echter dezen boom niet, opdat gij niet
tot de onrechtvaardigen moogt behooren. 19. En satan gaf hun beiden
in, dat hij hun hunne naaktheid zou ontdekken, die hun tot hiertoe
verborgen was; en hij zeide: Uw Heer heeft u dezen boom slechts
verboden, opdat gij geene engelen worden noch onsterfelijk zijn
zoudt. 20. En hij zwoer hun, zeggende: Waarlijk, ik ben een dergenen,
die u goed raden. 21. En hij deed hen vallen, door hen te verblinden
[620]. En toen zij van den boom hadden geproefd, ontdekten zij hunne
naaktheid [621], en zij vlochten bladeren uit het paradijs [622]
aaneen, om zich te bedekken. En hun Heer riep hen, zeggende: Heb ik
u dezen boom niet verboden, en zeide ik niet tot u: waarlijk satan
is uw verklaarde vijand. 22. Zij antwoordden daarop: O Heer! wij
hebben onrechtvaardig met onze eigene zielen gehandeld, en indien
gij ons niet genadig zijt, zullen wij zekerlijk behooren tot hen,
die verloren zijn. 23. God zeide: Vertrekt! de een zal des anderen
vijand zijn. Gij zult op aarde een tijdelijk verblijf en een tijdelijk
genot vinden. 24. Hij zeide: Daarop zult gij leven en sterven,
en eens zult gij daarvan verdwijnen. 25. O kinderen van Adam! wij
hebben u kleederen [623] gezonden, om uwe naaktheid te bedekken,
en kostbare versierselen; doch het kleed der vroomheid is beter. Dit
is een van Gods teekenen, welke gij misschien zult overwegen. 26. O
kinderen van Adam! laat satan u niet verleiden, zooals hij uwe ouders
uit het paradijs verdreef, door hen van hunne kleeding; te berooven,
opdat hij hun hunne naaktheid zou kunnen toonen. Waarlijk, hij en
zijne makkers zien u, van waar gij hem niet ziet [624]. Wij hebben
de duivels aangewezen om de beschermers te zijn van hen, die niet
gelooven. 27. En als zij eene zondige daad hebben bedreven, zeggen
zij: Wij hebben het door onze vaderen zien verrichten; God heeft het
bevolen. Zeg hun; God beveelt geene schandelijke daden; zegt gij
van God wat gij niet weet? 28. Zeg: Mijn Heer heeft mij bevolen,
rechtvaardigheid in acht te nemen. Wendt uwe aangezichten naar de
plaats, waar men aanbidt, roept hem aan, en bewijst hem de oprechtheid
van uwen godsdienst. Zooals hij u uit het niet deed voortkomen, zal
hij u tot zich verzamelen. Sommigen heeft hij geleid, en een deel heeft
hij met recht in dwaling gelaten, daar zij de duivels tot beschermers
naast God namen, en zich verbeeldden, dat zij op den rechten weg werden
geleid. 29. O kinderen van Adam! trekt uwe schoonste kleederen aan,
indien gij u naar eene plaats van aanbidding begeeft [625], en eet
en drinkt [626], doch maakt u niet schuldig aan buitensporigheid;
want hij bemint degenen niet, die zich aan buitensporigheid schuldig
maken. 30. Zeg: Wie heeft het gebruik verboden van Gods gepaste
versierselen, welke hij voor zijne dienaren heeft voortgebracht,
en de goede dingen, welke hij tot voedsel heeft geschapen? Zeg: Deze
dingen zijn voor hen die gelooven, in dit leven, maar bijzonder op den
dag der opstanding. Zoo verklaren wij onze teekens duidelijk aan hen,
die verstaan. 31. Zeg: Waarlijk, mijn Heer heeft alle slechte zaken
verboden, zoowel die verborgen als openlijk zijn, en oneerlijkheid
en onrechtvaardig geweld; en hij heeft u verboden, datgene met God
te vereenigen, waartoe hij u geene macht heeft nedergezonden, of om
nopens God te zeggen, wat gij niet kent. 32. Voor ieder volk is vooraf
een eindpaal vastgesteld; indien dus de voor hen bepaalde tijd is
bereikt, zullen zij zelfs geen uur uitstel verkrijgen, en nimmer zal
die korter gesteld worden. 33. O kinderen van Adam! waarlijk, profeten
van u zullen tot u komen, die u mijne teekens zullen voorzeggen:
hij die God zal vreezen en berouw betoonen, zal door geene vrees
worden aangedreven; hij zal nimmer bedroefd worden. 34. Doch zij die
onze teekens van valschheid beschuldigen en deze versmaden, zullen de
gezellen van het hellevuur zijn en eeuwig daarin verblijven. 35. En
wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God smeedt,
of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Aan die menschen zal,
ingevolge het eeuwige boek, een deel van het goede dezer wereld
worden toegekend, tot op het oogenblik, dat onze zendelingen [627],
terwijl zij hen oproepen, hun zullen vragen: Waar zijn de afgoden,
die gij naast God hebt aangeroepen? Zij zullen antwoorden: Zij zijn
van ons verdwenen; en zij zullen tegen zich zelven getuigen, dat zij
ongeloovigen waren. 36. God zal bij de opstanding tot hen zeggen: Gaat
met de volkeren van geniussen en menschen, die u zijn voorafgegaan,
in het hellevuur; zoo dikwijls eene natie zal binnentreden, zal zij
hare zuster vloeken [628], tot zij alle achtervolgens daar binnen zijn
getreden. De laatste van hen zal van den eerste zeggen: O, Heer! deze
heeft ons verleid; leg hem dus eene dubbele straf in het hellevuur
op. God zal antwoorden: Die straf zal voor allen verdubbeld worden
[629], maar gij weet het niet. 37. En de eerste van hen zal tot den
laatste zeggen: Welk voordeel hebt gij boven ons? Gevoel de straf, die
gij door uwe daden hebt gewonnen. 38. Waarlijk, hun die onze teekens
van valschheid zullen beschuldigen, en deze trotsch verwerpen, hun
zullen de deuren des hemels niet geopend worden [630]; nimmer zullen
zij het paradijs binnentreden, tot een kemel door het oog van eene
naald gaat [631], en zÛÛ zullen wij de boosdoeners beloonen. 39. Hun
bed zal de hel zijn, en zij zullen met dekens van vuur bedekt worden;
en zÛÛ zullen wij de onrechtvaardigen beloonen. 40. Doch zij,
die gelooven en doen wat recht is (en wij zullen geene ziel eene
zwaardere last opleggen dan die zij kan dragen), zullen de gezellen
van het paradijs zijn; eeuwig zullen zij daarin verblijven. 41. En
wij zullen alle wrok van hunne harten wegnemen [632]. Rivieren zullen
aan hunnen voet stroomen, en zij zullen zeggen: Geloofd zij God, die
ons tot zijne zaligheid heeft geleid; want wij zouden niet recht zijn
geleid geworden, indien God ons niet geleid had; thans zijn wij door
bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met waarheid tot
ons kwamen. En het zal hun worden verkondigd: Dit is het paradijs,
waarvan gij de erfgenamen zijt geworden, als eene belooning voor
hetgeen gij gedaan hebt. 42. En de bewoners van het paradijs zullen
de bewoners der hel toeroepen: Nu hebben wij gevonden, dat hetgeen
onze Heer ons heeft beloofd, waarheid is, hebt gij ook gevonden, dat
hetgeen uw Heer u heeft beloofd, waarheid is? Zij zullen antwoorden:
Ja, een heraut zal deze woorden tusschen hen uitroepen: Gods vloek
zij over de boozen. 43. Die de menschen van Gods weg afleidden,
en dien bochtig trachtten te maken en niet in het volgende leven
geloofden. 44. En tusschen de gezegenden en de verdoemden zal een
sluier zijn. Op Al Araf [633] zullen de menschen staan, en ieder van
hen aan hunne onderscheidingsmerken kennen; en zij zullen de bewoners
van het paradijs aanroepen, zeggende: Vrede zij over u; doch zij
zullen er niet binnentreden, hoezeer het hunne ernstige begeerte
mocht zijn [634]. 45. En als zij hunne oogen naar de gezellen van
het hellevuur wenden, zullen zij zeggen: O, Heer! plaats ons niet bij
de goddeloozen. 46. En zij, die op Al Araf staan, zullen tot zekere
menschen [635] roepen, die zij aan hunne onderscheidingsmerken zullen
herkennen; zeggende: Waartoe hebben uwe opeengehoopte rijkdommen en
uw hoogmoed u gediend? 47. Zijn dit de menschen nopens wie gij hebt
gezworen, dat God hun geene genade zou schenken [636]? Treedt gij in
het paradijs, geene vrees zal over u komen; nimmer zult gij bedroefd
worden [637]. 48. En de bewoners van het hellevuur zullen de bewoners
van het paradijs aanroepen; zeggende: Giet een weinig water op ons af,
van de ververschingen, die God u heeft geschonken [638]. Zij zullen
antwoorden: God heeft die voor de ongeloovigen verboden. 49. Die van
den godsdienst hun spel en het onderwerp hunner spotternijen hebben
gemaakt, terwijl het ondermaansche leven hen verblindde; daarom zullen
wij dezen dag hen vergeten, gelijk zij de verzameling van dezen dag
vergaten, en dewijl zij het loochenden, dat onze teekens die van God
waren. 50. En thans hebben wij die van Mekka een boek met openbaringen
gebracht; wij hebben het met kennis verklaard, als eene richting en
eene genade voor hen, die gelooven zullen. 51. Wacht gij van iemand
anders de uitlegging daarvan [639]? Op den dag, waarop de verklaring
daarvan zal komen, zullen zij die haar vroeger vergaten, zeggen: Thans
zijn wij door bewijzen overtuigd, dat de profeten van onzen Heer met
waarheid tot ons kwamen; zouden wij dus middenpersonen hebben, die voor
ons tusschenbeiden treden? of zouden wij in de wereld teruggezonden
worden, opdat wij andere werken zouden mogen doen, dan hetgeen wij
gedurende onzen leeftijd deden? Doch thans hebben zij hunne zielen
verdorven, en dat wat zij goddeloos uitdachten, is hun ontvlucht
[640]. 52. Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in
zes dagen heeft geschapen, en daarna zijn troon beklom. Hij bestemde
den nacht om den dag te omhullen, en de dag volgt dien snel op. Hij
schiep ook de zon en de maan en de sterren, die geheel aan zijn bevel
zijn onderworpen. Is niet de geheele schepping en hare besturing
de zijne? Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen. 53. Roep
uwen Heer nederig en in het geheim aan; want God bemint de zondaren
niet [641]. 54. En handel niet slecht op aarde na hare hervorming
[642], en roep hem met vrees en begeerte aan; want Gods genade is
den rechtvaardige nabij. 55. Hij is het die de winden zendt [643],
welke voor zijne genade zijn uitgespreid, tot zij groote regenwolken
aanbrengen, welke wij naar het doode land [644] zenden; en wij
doen daarna water nedervallen, waardoor wij allerlei vruchten doen
voortspruiten. Zoo zullen wij de dooden uit hunne graven doen komen,
misschien zult gij dat overwegen. 56. Op eene goede aarde zullen de
vruchten overvloedig voortspruiten, door het verlof van den Heer; doch
uit het slechte land zullen zij niet dan schaarsch voortkomen. Zoo
verklaren wij de teekenen der goddelijke voorzienigheid aan hen
die dankbaar zijn. 57. Wij zonden vroeger Noach [645] tot zijn volk
en hij zeide: O mijn volk! bid God aan, gij hebt geen anderen God
dan hem [646]. Waarlijk ik vrees voor u de straf van den grooten dag
[647]. 58. De opperhoofden van zijn volk antwoordden hem: Wij zien dat
gij in eene grove dwaling verkeert. 59. Hij antwoordde: O mijn volk! er
is geen dwaling in mij; doch ik ben een zendeling van den Heer aller
schepselen. 60. Ik breng u de zendingen van mijnen Heer en ik raad
u ten goede; want ik weet van God wat gij niet weet. 61. Verwondert
het u, dat eene waarschuwing van uwen Heer tot u is gekomen, door
iemand van u, om u te waarschuwen, u zelven te behoeden, opdat gij
misschien genade zoudt mogen verwerven? 62. En zij beschuldigden hem
van bedrog; doch wij redden hem en die met hem in de ark waren [648],
en wij verdronken hen, die onze teekens van valschheid beschuldigden;
want zij waren blind. 63. En tot den stam Ad [649] zonden wij hunnen
broeder Hoed [650]. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen
anderen God dan hem; wilt gij hem niet vragen? 64. De opperhoofden
van hen onder zijn volk die niet geloofden, antwoordden: Waarlijk,
wij zien dat gij door dwaasheid wordt geleid, en wij houden u voor
een der leugenaars. 65. Hij antwoordde: O mijn volk! ik word niet
door dwaasheid geleid; maar ik ben een gezant bij u van den Heer
aller schepselen. 66. Ik breng u de boodschappen van mijn Heer,
en ik ben een geloovige raadgever voor u. 67. Verwondert gij u, dat
eene vermaning tot u gekomen is van uwen Heer, door een man van u,
opdat hij u zou waarschuwen? Herinner u dat hij u aan het volk van
Noach heeft doen opvolgen, dat hij u eene reusachtige gedaante heeft
gegeven. Herinner u Gods weldaden, opdat gij gelukkig zoudt mogen
zijn. 68. Zij zeiden tot hem: Zijt gij tot ons gekomen, dat wij God
alleen aanbidden en de goden verlaten zouden, die door onze vaderen
werden aangebeden? Zorg dat uwe bedreigingen in vervulling gaan,
indien gij oprecht zijt. 69. Hoed antwoordde: Thans zullen weldra
Gods wraak en toorn op u nederkomen. Wilt gij met mij twisten over
de namen welke gij en uwe vaderen hebt genoemd [651], en waartoe God
u geene macht heeft gegeven? Wacht daarop, dan zal ik een dergenen
zijn die met u wachten. 70. En wij bevrijdden hem en hen die met
hem hadden geloofd, door onze genade, en wij sneden het grootste
gedeelte af van hen die onze teekens van valschheid beschuldigden
en geene geloovigen waren. 71. En tot den stam Thamoed [652] zonden
wij hunnen broeder Saleh. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God;
gij hebt geen God naast hem. Thans is een duidelijk teeken tot
u gekomen van uwen God. Deze kameel van God is een teeken voor u
[653], laat hem in Gods weide grazen; doe hem geen kwaad, opdat
u geen pijnlijke straf bereike. 72. En herinner u dat hij u heeft
aangewezen tot opvolgers van den stam van Ad, en u eene woning op de
aarde heeft aangewezen; in hare valleien bouwt gij u kasteelen en de
rotsen bouwt gij tot huizen [654] uit. Herinner u dus Gods weldaden,
en doe daarom geen geweld op aarde door slecht te handelen. 73. De
opperhoofden van zijn volk, door trotschheid opgeblazen, zeiden tot
hen, die zij voor zwak hielden; namelijk, tot hen die geloofden:
Weet gij dat Saleh door zijnen Heer werd gezonden? Zij antwoordden:
Wij gelooven aan zijne zending. 74. Doch zij die door hoogmoed waren
opgeblazen, zeiden: Waarlijk, wij gelooven niet aan datgene waarin gij
gelooft. 75. En zij sneden den voet van den kameel af, en overtraden
onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, zeggende: O Saleh! zorg dat
uwe bedreigingen in vervulling gaan, indien gij een hunner zijt die
door God werden gezonden. 76. Daarop volgde eene geweldige schudding
des hemels [655], die hen verraste, en des ochtends werden zij in
hunne woningen gevonden, voorover liggende op hunne borst en dood
[656]. 77. En Saleh verliet hen en zeide: O mijn volk! thans heb
ik u de zending van mijnen Heer overgebracht, ik ried u ten goede;
doch gij bemint hen niet die u ten goede raden. 78. En denk aan
Loth [657], toen hij tot zijn volk zeide: Zult gij zonden begaan,
die geen volk ooit vÛÛr u heeft bedreven? 79. Zult gij de mannen in
plaats van de vrouwen misbruiken? Waarlijk, gij zijt een volk aan
buitensporigheden overgeleverd. 80. Maar het antwoord van zijn volk
was niet anders, dan dat zij tot elkander zeiden: Verdrijf hen [658]
uit uwe stad; want zij zijn menschen die zich zelven rein houden van
de zonden welke gij bedrijft. 81. Daarom bevrijdden wij hem en zijn
gezin, uitgenomen zijne vrouw; zij was eene dergenen die achterbleven
[659]. 82. En wij deden een regen van steenen op hen nederstorten
[660]. Zie dus wat het einde der zondaren was. 83. En tot Madian
[661] zonden wij hunnen broeder ShoaÔb [662]. Hij zeide tot hen:
O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Thans is een
duidelijk teeken [663] van uwen Heer tot u gekomen. Geef dus volle
maat en ruim gewicht; ontneem den menschen niet wat hun verschuldigd is
[664], en handel nimmer slecht op aarde, na hare hervorming [665]. Dit
zal beter voor u zijn, indien gij gelooft. 84. En plaats u niet in
hinderlaag op iederen weg, en leidt niet hen van Gods weg af, die in
hem gelooven; gij wilt dat pad kronkelend maken. En herinner u dat
gij slechts klein in getal waart, en dat God u heeft vermenigvuldigd,
en onthoud hoe het einde was van hen die slecht handelden. 85. En
indien een deel uwer gelooft in hetgeen waartoe ik werd gezonden,
terwijl een ander dit verwerpt, wacht geduldig tot God tusschen ons
richte; want hij is de beste rechter. 86. De opperhoofden van zijn
volk, die door hoogmoed waren opgeblazen, antwoordden: wij zullen u,
o ShoaÔb! en zij die met u gelooven, uit onze stad verdrijven, of gij
moet tot onzen godsdienst terugkeeren. Hij zeide: Hoe! ofschoon wij
er een afkeer van hebben? 87. Wij zouden zekerlijk eene leugen tegen
God uitdenken, indien wij tot uwen godsdienst terugkeerden, nadat God
ons daarvan heeft bevrijd, en wij hebben geene reden daartoe terug te
keeren, tenzij het Gode onzen Heer mocht behagen ons te verlaten. Onze
God omvat ieder ding door zijn verstand. Wij hebben ons vertrouwen
in God gesteld. O Heer! richt tusschen ons en ons volk met waarheid;
want gij zijt de beste rechter. 88. En de opperhoofden van zijn volk,
dat niet geloofde, zeiden: Indien gij ShoaÔb volgt, zult gij zekerlijk
verdorven zijn. 89. Daarom verraste hen een storm van den hemel,
en des ochtends werden zij, in hunne woningen, dood en voorover
liggende gevonden. 90. Zij, die ShoaÔb van bedrog beschuldigden,
verdwenen, als hadden zij nooit daar gewoond; zij die ShoaÔb van bedrog
beschuldigden zijn verloren. 91. En hij ging van hen weg, zeggende:
O mijn volk! thans heb ik u de bevelen van God gepredikt, en ik heb u
ten goede geraden; doch waarom zou ik mij bedroeven om een ongeloovig
volk. 92. Wij hebben nimmer een profeet in eene stad gezonden; doch
wij hebben hare inwoners met tegenspoed en rampen getroffen, dat zij
zich zouden vernederen. 93. En wij gaven hun goed voor kwaad in ruil,
tot zij, alles in hun geheugen uitwisschende, zeiden: Tegenspoed
en voorspoed kwam ook vroeger over onze vaderen. Daarom namen
wij plotseling wraak op hen, op het oogenblik dat zij er niet
aan dachten. 94. Maar indien de bewoners dezer steden geloofd
en God gevreesd hadden, zouden wij zekerlijk zegeningen over hen
hebben uitgestort, zoowel van den hemel als van de aarde. Maar zij
beschuldigden onzen apostel van valschheid, zoodat wij ons op hen
wreekten voor datgene waaraan zij schuldig waren. 95. Waren dus de
bewoners dier steden verzekerd, dat onze straf niet des nachts over
hen zou komen terwijl zij sliepen? 96. Of waren de bewoners dier
steden verzekerd, dat onze straf niet des daags over hen zou komen,
terwijl zij zich aan de vermaken overgaven? 97. Achtten zij zich
dus veilig voor Gods krijgslist [666]? Maar niemand zal zich zeker
achten voor Gods krijgslist, behalve zij die verdoemd zijn. 98. En
is het niet duidelijk bewezen voor hen die de aarde van hare vroegere
bewoners hebben geÎrfd, dat, indien het ons behaagde, wij hen om hunne
zonden kunnen kastijden? Doch wij zullen hunne harten verzegelen
en zij zullen niets hooren. 99. Wij zullen u eenige verhalen van
die steden vertellen. Hunne apostelen waren met duidelijke wonderen
tot hen gekomen; doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene
wat zij vroeger voor leugens hielden. Zoo zegelt God de harten der
ongeloovigen dicht. 100. En wij vonden, in het grootste gedeelte van
hen geen trouw aan hun verbond; maar wij bevonden dat het grootste deel
van hen boosdoeners waren. 101. Daarom zonden wij, na de bovengenoemde
apostelen, Mozes met onze teekens tot Pharao en zijne prinsen,
die hen onrechtvaardig behandelden [667]; doch ziet hoe het einde
der zondaren was. 102. En Mozes zeide: O Pharao! waarlijk, ik ben
een apostel, door den Heer van alle schepselen gezonden. 103. Het is
rechtvaardig dat ik van God niets anders dan de waarheid zegge. Thans
ben ik tot u gekomen met een duidelijk teeken van uwen Heer; zend
dus de kinderen IsraÎls met mij weg. Pharao antwoordde: Indien gij
met een wonder komt, toon het, indien gij waarheid spreekt. 104. Hij
wierp daarom zijn staf weg en, onthoud het, hij werd eene slang
[668]. 105. Hij trok zijne hand uit zijne borst en, onthoud het,
zij was voor de toeschouwers wit geworden 106. De opperhoofden
van het volk van Pharao zeiden: Deze man is waarlijk een behendig
toovenaar. 107. Hij tracht u van uw land te berooven; wat denkt gij
dus te doen. 108. Zij antwoordden: Stel hem en zijn broeder door
ijdele beloften voor eenigen tijd uit, en zend, in dien tusschentijd,
personen naar de steden. 109. Die alle behendige toovenaars [669]
zullen verzamelen en tot u voeren. 110. Zoo kwamen de toovenaars tot
Pharao en zij zeiden: zullen wij zekerlijk eene belooning ontvangen,
indien wij de zege over hem behalen? 111. Hij antwoordde: ja, en
gij zult zeker tot hen behooren, die mijnen troon naderen. 112. Zij
zeiden: O Mozes! zult gij uwen staf wegwerpen, of zullen wij dit
vooraf doen? 113. Mozes antwoordde: Werpt uwe staven eerst weg;
en toen zij die hadden weggeworpen, betooverden zij de oogen der
menschen die tegenwoordig waren en verschrikten hen, en zij deden een
groot tooverstuk. 114. En wij spraken door eene openbaring tot Mozes;
zeggende: Werp uwen staf weg en, onthoudt het, hij verzwolg de staven
die in slangen waren veranderd [670]. 115. Daardoor was de waarheid
bevestigd, en dus wat zij gemaakt hadden ijdel geworden. 116. En
Pharao en zijne toovenaars waren overwonnen en beschaamd. 117. De
toovenaren bogen zich biddende. 118. En zij zeiden: Wij gelooven in den
Heer aller schepselen. 119. Den Heer van Mozes en A‰ron. 120. Pharao,
zeide: Hebt gij in hem geloofd, alvorens ik u verlof heb gegeven? Gij
hebt dit schelmstuk vooruit in de stad gesmeed, om er de inwoners
uit te verdrijven. Weldra zult gij zien. 121. Want ik zal uwe voeten
en uwe handen aan de tegenovergestelde zijden doen afsnijden [671]
en daarna zal ik u allen doen kruisigen [672]. 122. De toovenaren
antwoordden: Wij zullen zekerlijk tot onzen Heer terugkeeren. 123. Want
gij wreekt u alleen op ons, omdat wij in de teekenen van onzen Heer
gelooven, toen zij ons werden geopenbaard. O Heer! schenk ons geduld,
en doe ons als Muzelmannen sterven. 124. En de opperhoofden van
Pharao's volk zeiden: Wilt gij Mozes en zijn volk laten vertrekken,
opdat zij op de aarde zouden zondigen en u en uwe goden verlaten
[673]? Pharao antwoordde: wij zullen hunne mannelijke kinderen
doen dooden, en wij zullen hunne vrouwelijke kinderen sparen,
en zoo zullen wij de zege over hen behalen. 125. Mozes zeide tot
zijn volk: Vraag God om ondersteuning en lijdt geduldig; want de
aarde behoort Gode en hij geeft haar tot erfenis, aan diegene zijner
dienaren, welke hem behagen, en het einde van hen die hem vreezen,
zal voorspoedig zijn. 126. Zij antwoordden: Wij werden bedroefd
door het dooden onzer mannelijke kinderen, voor gij tot ons kwaamt
en ook sedert gij tot ons zijt gekomen. Mozes zeide: Misschien wil
God uwe vijanden verdelgen, en u hun op aarde doen opvolgen, opdat
hij moge zien hoe gij dan handelt. 127. En wij straften vroeger het
volk van Pharao met onvruchtbaarheid en schaarschheid hunner vruchten,
teneinde hen te waarschuwen. 128. Toen zij weder voorspoedig werden,
zeiden zij: Dit komt ons toe; maar indien er kwaad over hen komt,
schrijven zij het aan den tegenspoed van Mozes toe en van hen die met
hem waren. Was niet hun tegenspoed van God afkomstig [674]? Maar de
meesten van hen wisten het niet. 129. En zij zeiden tot Mozes: Welk
wonder gij ons ook toont, om ons daarmede te betooveren, wij zullen
daaraan niet gelooven. 130. Daarom zonden wij over hen overstrooming
[675], sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, als duidelijke
teekenen; doch zij bleven hoogmoedig en werden snoodaards. 131. En
toen de plaag over hen kwam, zeiden zij: Roep uwen God voor ons aan,
overeenkomstig het verbond dat hij met u heeft gesloten. Waarlijk,
indien gij de plaag van ons wegneemt, zullen wij u zekerlijk gelooven,
en wij zullen de kinderen IsraÎls met u laten gaan. Maar toen wij
de plaag van hen hadden afgenomen, tot de tijd was verloopen, die
God had bepaald, braken zij hunne belofte. 132. Daarom namen wij
wraak op hen en verdronken hen in de Roode Zee [676], omdat zij onze
teekens van valschheid beschuldigd en verwaarloosd hadden. 133. En wij
deden het zwakke volk de oostelijke en westelijke streken der aarde
erven [677], welke wij met vruchtbaarheid zegenden, en het genadige
woord van uwen Heer in de kinderen IsraÎl vervuld, omdat zij met
geduld hadden geleden, en wij verwoestten de werken, welke Pharao
en zijn volk hadden gemaakt, en datgene wat zij hadden opgericht
[678]. 134. En wij deden den kinderen IsraÎls door de zee trekken,
en zij kwamen tot een volk, dat afgoden aanbad [679], en zij zeiden:
O Mozes! maak ons een God, evenzoo als de goden van dit volk. Mozes
antwoordde: Waarlijk, gij zijt een onwetend volk. 135. Want de
godsdienst dien zij hebben, zal verwoest worden, en wat zij doen
is ijdel. 136. Hij zeide: Zou ik u een anderen god zoeken dan God,
die u boven alle andere volken heeft verheven? 137. En gedenk dat wij
u van het volk van Pharao verlosten, die u jammerlijk verdrukte; zij
doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke leven; daarin
lag eene zware beproeving van uwen Heer. 138. En wij bepaalden Mozes
eene vaste van dertig nachten [680] alvorens wij hem de wet gaven,
en wij voegden er tien bij; en de bepaalden tijd van zijnen Heer was
in veertig nachten vervuld. En Mozes zeide tot zijn broeder A‰ron,
wees gij gedurende mijne afwezigheid, mijn afgezant bij mijn volk;
handel oprecht en volg den weg der snooden niet. 139. En toen Mozes,
op den voor hem bepaalden tijd kwam, en zijn Heer tot hem sprak [681],
zeide hij: o Heer! laat mij uw glans zien opdat ik u aanschouwe. God
zeide: Gij zult mij op geenerlei wijze aanschouwen; maar zie den berg
[682] aan, en indien deze vast op zijne plaats staat zult gij mij
zien. Toen echter zijn Heer met glans op den berg [683] verscheen,
veranderde hij dien in stof. En Mozes viel in zwijm neder. 140. En
toen hij tot zich zelven kwam, zeide hij: Geloofd zijt gij! Ik keer
tot u terug met berouw, en ik ben de eerste der ware geloovigen
[684]. 141. God zeide tot hem: o Mozes! Ik heb u boven alle menschen
uitverkoren, door u met mijne opdrachten te vereeren, en door met u
te spreken; ontvang dus wat ik u heb gebracht, en wees een van hen
die dankbaar zijn. 142. En wij schreven voor hem op de tafels [685]
eene waarschuwing omtrent alles, en eene beslissing in ieder geval
[686] en zeiden: Ontvang die met eerbied, en beveel uw volk, dat zij