duisternis en het licht heeft ingesteld: desniettegenstaande plaatsen
zij, die niet in den Heer gelooven, andere goden naast hem. 2. Hij
is het, die u uit slijk heeft geschapen, en daarna het einde van uw
leven heeft bepaald. Dat vooruit bepaalde einde is in zijne macht;
nog twijfelt gij er aan. 3. Hij is God in den hemel en op aarde; hij
weet wat gij heimelijk doet; en wat gij openbaart, en weet wat gij
verdient. 4. Er kwam geen enkel teeken tot hen, van de teekenen van
hunnen Heer, of zij wendden zich er af. 5. En zij hebben de waarheid
geloochend, nadat zij tot hen was gekomen: maar eene boodschap zal
tot hen komen, nopens hetgeen zij bespot hebben. 6. Hebben zij niet
opgemerkt, hoe vele geslachten wij vÛÛr hen hebben vernietigd. Wij
hebben hen op de aarde geplaatst op eene wijze zooals wij u niet
hebben geplaatst [524]. Wij hebben den hemel gezonden om overvloed
op hen te doen regenen, en gaven hun rivieren, die onder hunnen voet
stroomden; daarna hebben wij hen om hunne zonden vernietigd, en hebben
andere geslachten na hen doen opstaan. 7. Zelfs indien wij hun een
boek hadden nedergezonden, op papier geschreven, en zij hadden het
met hunne handen aangeraakt, zouden de ongeloovigen zekerlijk hebben
gezegd: Dit is slechts tooverij [525]. 8. Zij zeggen, dat zoolang geen
engel tot hen werd nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Maar indien
wij een engel hadden nedergezonden, zou hunne zaak reeds bepaald zijn,
en zij zouden geen oogenblik berouw gevoeld hebben. 9. En indien wij
een engel als onzen boodschapper hadden aangewezen, zouden wij hem in
den vorm van een mensch [526] gezonden hebben; en wij zouden dien voor
hen hebben gekleed, gelijk zij gekleed zijn. 10. Andere apostelen zijn
vÛÛr u bespot, maar de straf waarmede zij spotten, heeft de spotters
bereikt. 11. Zeg hun: Doorloopt de aarde en ziet wat het einde van
hen was, die onze profeten van bedrog beschuldigden. 12. Zeg: Wien
behoort wat hemel en aarde bevatten? Zeg: Aan God. Hij heeft zich
zelven barmhartigheid voorgeschreven. Hij zal u zeker op den dag der
opstanding verzamelen; daaraan is geen twijfel. Zij, die niet gelooven,
verwoesten hunne eigene zielen. 13. Hem behoort alles wat bij nacht of
bij dag gebeurt; hij hoort en ziet alles. 14. Zeg: Zal ik een anderen
beschermer kiezen dan God, de schepper van hemel en aarde, die alles
voedt en door niemand gevoed wordt? Zeg: Waarlijk, mij is bevolen,
de eerste te zijn die den Islam belijdt en het werd mij gezegd: Gij
zult op geenerlei wijze een afgodendienaar zijn. 15. Zeg: Waarlijk,
ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik ongehoorzaam
jegens mijnen Heer mocht zijn. 16. Indien zij van iemand op dien
dag wordt afgewend, zal God genadig omtrent hen zijn geweest, en
dat eene blijkbare verlossing zijn. 17. Indien God u door eenig leed
bedroeft, zal niemand het van u kunnen afnemen, uitgezonderd hij zelf;
indien hij echter eene weldaad bewijst, is het omdat hij almachtig
is. 18. Hij is de opperheer over zijne dienaren; en hij is wijs en
alwetend. 19. Zeg: Wat is het sterkste bij het afleggen van getuigenis
[527]? Zeg: God; hij is getuige tusschen mij en u. En deze Koran werd
mij geopenbaard, opdat ik u daardoor zou waarschuwen, en ook hen
tot welke hij zal komen. Gelooft gij inderdaad dat er andere goden
behalve God zijn? Zeg: Ik belijd dit niet. Zeg: Waarlijk, hij is eÈn
God en ik ben onschuldig aan hetgeen gij met hem vereenigt. 20. Zij,
wie wij de schrift hebben gegeven, kennen onzen apostel zooals zij
hunne eigene kinderen kennen [528]: maar zij, die hunne eigene zielen
verwoesten, zullen niet gelooven. 21. Wie is onrechtvaardiger dan
hij, die eene leugen omtrent God verzint [529], of zijne teekenen
van bedrog beschuldigt? Waarlijk, de booze zal niet bloeien. 22. En
op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen, en dan
zullen wij zeggen tot hen, die anderen met God vereenigen: Waar zijn
uwe makkers [530], van wien gij u verbeeldt, dat zij het van God
zijn? 23. Maar zij zullen geene andere verontschuldiging hebben,
dan dat zij zullen zeggen: Bij God, onzen Heer, zweren wij, dat
wij geene afgodendienaars waren. 24. Zie hoe zij tegen zich zelven
liegen, en hoe de goden zich hebben verborgen, die door hen werden
uitgevonden [531]. 25. Er zijn er onder hen, die luisteren, als gij
den Koran leest, maar wij hebben sluiers over hunne harten geworpen,
dat zij het niet zouden verstaan, en eene doofheid in hunne ooren; en
indien zij zelfs alle soorten van teekens zagen, zouden zij er niet
aan gelooven; en hunne ongeloovigheid zal zoo groot worden, dat zij
zelfs tot u zullen komen om met u te twisten. De ongeloovigen zullen
zeggen: Dit zijn niets anders dan dwaze fabelen uit oude tijden. 26. En
zij zullen anderen verbieden er aan te gelooven, en zich er verre van
verwijderen; maar zij zullen hunne eigene zielen slechts vernietigen,
en dat gevoelen zij niet. 27. Indien gij hen zaagt, als zij in het
vuur der hel zullen worden geplaatst, en zij zullen zeggen: Gave
God dat wij in de wereld mochten worden teruggezonden; wij zouden
dan de teekens van onzen Heer niet van bedrog beschuldigen, en wij
zouden ware geloovigen worden. 28. Ja, het is hun duidelijk geworden,
wat zij vroeger verborgen, en indien zij zelfs in de wereld werden
teruggezonden, zouden zij zekerlijk terugkeeren tot datgene wat hun
verboden werd; en zij zijn zekerlijk leugenaars. 29. En zij zeggen:
Er is geen ander leven dan dit leven; nimmer zullen wij opgewekt
worden. 30. Maar indien gij kondet zien, als zij voor hunnen Heer
zullen worden geplaatst [532]! Hij zal tot hen zeggen: Was dit niet de
waarheid? Zij zullen antwoorden: Ja, bij onzen Heer! God zal zeggen;
Onderga dus de straf, omdat gij niet hebt geloofd. 31. Zij zijn
verloren, die de verschijning voor God in het volgende leven als eene
onwaarheid verwerpen, tot op het uur [533] dat hen onvermijdelijk
zal verrassen. Dan zullen zij zeggen: Helaas dat wij gedurende
onzen leeftijd ons zelven achteloos hebben vergeten, en zij zullen
hunne lasten op hunne schouders dragen; en zal het niet kwaad zijn,
waarmede zij beladen zullen wezen? 32. Dit tegenwoordige leven is
niets anders dan een spel en een ijdel vermaak; maar, waarlijk,
het volgende leven, zal beter zijn voor hen die God vreezen. Zult
gij dat niet begrijpen? 33. Nu weten wij, o Mahomet! dat het u
grieft wat zij spreken! men beschuldigt niet u van valschheid;
maar de ongeloovigen loochenen Gods teekenen. 34. En reeds vÛÛr
u werden er apostelen voor leugenaars gehouden; zij verdroegen de
beschuldigingen en de onrechtvaardigheid, tot op het oogenblik dat
onze hulp tot hen kwam; want niemand kan Gods woorden veranderen;
en gij hebt eenige inlichting ontvangen omtrent hen, die vroeger
door hem werden gezonden. 35. Indien hun afkeer u grieft, indien gij
een holte kondet opzoeken, waardoor gij tot het binnenste der aarde
zoudt kunnen doordringen, of eene ladder, waardoor gij tot in den
hemel zoudt kunnen opklimmen, om hun een teeken te kunnen toonen,
dan zoudt gij het doen; doch uwe pogingen zouden vruchteloos zijn;
want indien het Gode behaagde, zou hij hen allen in de ware richting
kunnen leiden; wees dus geen der onwetenden [534]. 36. Hij zal alleen
hun een gunstig antwoord geven, die met aandacht zullen luisteren; en
God zal de dooden opwekken; want tot hem zullen zij terugkeeren. 37. De
ongeloovigen zeggen, dat, zoo lang hun geen wonder van den Heer zal
worden geopenbaard, zij niet zullen gelooven. Antwoordt: Waarlijk,
God is in staat een wonder te doen; maar het grootste deel hunner
weet het niet [535]. 38. Er is geene diersoort op de aarde, noch
een vogel die met zijne vleugels vliegt, welke niet, gelijk gij, een
volk vormt [536]. Wij hebben niets in het boek onzer besluiten [537]
vergeten; want tot hunnen Heer zullen zij terugkeeren [538]. 39. Zij,
die onze teekens van logen beschuldigen, zijn doof en stom en wandelen
in duisternis; God zal doen dwalen wien hij wil, en wie hem behaagt,
zal hij op den rechten weg brengen. 40. Zeg: wat denkt gij? indien Gods
straf over u komt, of het uur der opstanding, zult gij dan een ander
dan God aanroepen; spreekt, indien gij oprecht zijt? 41. Ja! Hij is
het dien gij zult aanroepen; en hij zal u bevrijden van hetgeen u hem
doet aanroepen, indien het hem behaagt, en gij zult de goden vergeten
die gij met hem vereenigt. 42. Wij hebben reeds gezanten gezonden
onder de volkeren die vÛÛr u bestonden, en hebben hen door onrust en
tegenspoed bedroefd, opdat zij zich zouden vernederen. 43. Toen de
door ons gezonden droefheid over hen kwam vernederden zij zich niet,
maar hunne harten werden versteend, en satan bereidde voor hen wat zij
bedreven [539]. 44. En toen zij hadden vergeten, wat hun gewaarschuwd
was, openden wij de deuren van alle weldaden voor hen [540], tot op
het oogenblik, dat zij in vreugde gedompeld over de weldaden die
zij hadden ontvangen, eensklaps door ons werden aangegrepen en in
wanhoop gestort werden. 45. En het grootste gedeelte des volks,
dat slecht gehandeld had, werd afgesneden: geloofd zij God, de
Heer aller schepselen! 46. Zeg: wat denkt gij? indien God uw gehoor
en uw gezicht weg nemen, en uwe harten verzegelen zou; welke god,
behalve God, zou die u terug geven? Zie, op hoeveel verschillenden
wijzen, wij de teekenen van Gods eenheid vertoonen, en toch wenden
zij er zich van af. 47. Zeg tot hen: wat denkt gij? indien Gods straf
onverwachts over u kwame, of openlijk [541], zou dan iemand behalve
de goddeloozen omkomen? 48. Wij zenden onze gezanten niet anders dan
goede tijdingen dragende, en bedreigingen aan te kondigen. Wie dus
gelooven en berouw gevoelen zullen, over deze zal geene vrees komen;
nimmer zullen zij bedroefd worden. 49. Maar zij die onze teekens van
leugen zullen beschuldigen, zullen door een straf worden overvallen,
omdat zij slecht hebben gehandeld. 50. Zeg: ik zeg niet tot u, de
schatten van God zijn in mijne macht, of dat ik de verborgenheden
van God ken; ik zeg u niet dat ik een engel ben: ik volg alleen wat
mij werd geopenbaard. Zeg: Zullen de blinde en de ziende gelijk
gesteld worden? Zult gij dat niet overwegen? 51. Predik het tot
hen, die vreezen voor hunnen Heer verzameld te worden; zij zullen
schuts noch voorspraak hebben, behalve Hem; misschien zullen zij hem
vreezen. 52. Verdrijf hen niet, die des ochtends en des avonds God
aanroepen, uit begeerte zijn aangezicht te zien [542]. Het komt u niet
toe, een oordeel over hen uit te spreken, evenmin als het hun behoort,
een oordeel over u uit te spreken: indien gij hen dus verdrijft zult
gij tot de onrechtvaardigen behooren. 53. Dit hebben wij een deel
hunner door een ander deel getoond, opdat zij zouden mogen zeggen:
zijn dat diegene onzer, omtrent welke God genadig is geweest? Kent God
hen niet, die dankbaar zijn? 54. En wanneer zij, die gelooven, tot u
komen, zeg: Vrede zij over u. Uw Heer zelf heeft zich de barmhartigheid
voorgeschreven; indien een uwer door onwetendheid slecht handelt en
daarna berouw gevoelt en boete doet, voor dien zal hij zeker genadig
en barmhartig zijn. 55. Zoo zetten wij onze teekens duidelijker uiteen,
opdat het pad der boozen bekend zou zijn. 56. Zeg: Waarlijk, het is mij
verboden, de valsche goden te aanbidden, die gij naast God aanroept:
Zeg: ik wil uwe begeerten niet volgen; want dan zou ik dwalen,
en ik zou nimmer een hunner zijn, die op den rechten weg worden
geleid. 57. Zeg: ik houd mij aan de verklaring, die ik van mijnen
Heer heb ontvangen: doch gij hebt logens nopens hem uitgedacht. Wat
gij wilt dat verhaast zal worden, is niet in mijne macht [543];
het oordeel behoort alleen aan God. Hij zal de waarheid doen kennen,
en hij is de beste beslisser. 58. Zeg: Indien wat gij wenscht te zien
verhaasten in mijne macht ware, zou de zaak tusschen u en mij bepaald
zijn; maar God kent den onrechtvaardige. 59. Hij bezit de sleutels
der geheimen; niemand kent die buiten hem; hij weet wat op het droge
land en in de zee is; er valt geen blad af, of hij weet het; nergens
is een eenvoudige zaadkorrel in de duistere gedeelten der aarde,
nergens een groen of verdord spruitje, dat niet in het duidelijke boek
is opgeschreven [544]. 60. Hij is het die maakt dat gij des nachts
kunt slapen, en weet wat gij des daags hebt gedaan; hij zal u eens
opwekken, opdat de vooruit bestemde eindpaal uws levens vervuld worde;
want tot hem zult gij terug keeren en hij zal u verklaren wat gij
hebt bedreven. 61. Hij is de meester zijner dienaren, en hij zendt
de beschermengelen, om over u te waken, tot op het oogenblik dat de
dood u verrast: dan ontvangen onze gezanten den stervenden mensch,
en zij zullen onze bevelen nakomen [545]. 62. Daarna zult gij tot
God terugkeeren, uw waren Heer; behoort hem het oordeel niet? Hij
is de snelste in het opmaken eener rekening. 63. Zeg, wie bevrijdt
u van de duisternis des lands en der zee, wanneer gij hem nederig
en in stilte aanroept, zeggende: Waarlijk, indien gij ons bevrijdt
[546] van deze gevaren, zullen wij zeker dankbaar zijn? 64. Zeg:
God bevrijdt u daarvan en van iedere tegenspoed en droefenis, en toch
plaatst gij andere goden naast hem [547]. 65. Zeg: Hij is in staat u
eene straf te zenden van boven [548] of van onder uwe voeten [549],
of de tweedracht onder u te brengen en aan den een de geweldenarijen
van den ander te doen gevoelen. Zie hoe verschillend wij onze teekens
vertoonen, opdat gij die eindelijk zoudt verstaan. 66. Dit volk heeft
de openbaring, die gij gebracht hebt, van valschheid beschuldigd,
hoewel het de waarheid is. Zeg: Ik ben geen waker over u; iedere
profetie heeft haren bepaalden tijd van vervulling; en daarna zult
gij dien kennen. 67. Als gij hoort, dat de ongeloovigen over onze
teekens spreken, verwijder u dan, tot zij een ander onderwerp voor
hunne gesprekken hebben gekozen; en indien satan u dit voorschrift
doet vergeten, blijf dan niet langer bij de goddeloozen, zoodra gij
het u weder herinnert. 68. Men zal er geene rekenschap voor vragen
aan hen, die God vreezen, doch zij dienen zich te herinneren, dat zij
God vreezen [550]. 69. Verwijder u van hen, die hunnen godsdienst als
een spel en een tijdverdrijf beschouwen, en welke het tegenwoordige
leven heeft verblind, en waarschuw hen, door den Koran, dat eene
ziel wordt gestraft voor hetgeen zij heeft bedreven. Zij zal geen
schuts of beschermer naast God hebben, en indien zij den grootsten
losprijs zouden kunnen betalen, zou die niet worden aangenomen. Zij,
die aan het verderf zijn overgegeven, om hetgeen zij hebben gedaan,
zullen kokend water moeten drinken, en zij zullen eene strenge straf
ondergaan, omdat zij niet geloofd hebben. 70. Zeg: Zullen wij, naast
God hen aanroepen, die ons nuttig zijn noch bestraffen kunnen? En
zullen wij op onzen weg terugkeeren, nadat God ons heeft geleid,
evenals hij, die door de duivels op den verkeerden weg werd gebracht,
terwijl hij op de aarde ronddoolt en thans makkers heeft, die hem
tot den rechten weg terugroepen, zeggende: kom tot ons? Zeg: Gods
richting is de ware; men heeft ons bevolen, ons aan den Heer van alle
schepselen te onderwerpen. 71. Neem de bepaalde tijden van het gebed
in acht, en vreest hem; want hij is het, voor wien gij zult verzameld
worden. 72. Hij is het, die de hemelen en de aarde in waarheid heeft
geschapen; en wanneer hij tot een ding zegt: wees! dan is het. 73. Zijn
woord is de waarheid; hem zal het koninkrijk zijn op den dag, waarop
de trompet zal klinken: Hij kent wat geheim of openbaar is; Hij is de
wijze, de alwetende. 74. Abraham zeide tot zijn vader Azer [551]: neemt
gij beelden tot goden [552])? Waarlijk, ik bemerk, dat gij en uw volk
in eene duidelijke dwaling verkeert. 75. En zoo deden wij Abraham het
koninkrijk van hemel en aarde zien, opdat hij een mocht worden van hen,
die oprecht gelooven. 76. En toen de nacht hem omsluierde, zag hij eene
ster, en hij zeide: Dit is mijn Heer; doch toen zij verdween, zeide
hij: Ik bemin de goden niet die verdwijnen. 77. En toen hij de maan zag
opgaan, zeide hij: Dit is mijn God; doch toen zij verdween, zeide hij:
indien God mij niet geleidt, zal ik verdwalen. 78. En toen hij de zon
zag opgaan, zeide hij: Dit is mijn heer, dit is de grootste; doch toen
zij verdween, zeide hij: O mijn volk! ik ben onschuldig aan datgene,
wat gij naast God plaatst. 79. Ik wend mijn aangezicht tot hem, die
den hemel en de aarde heeft geschapen; ik ben een waar geloovige en ik
behoor niet tot de afgodendienaars, 80. En zijn volk spotte met hem,
en hij zeide: Wilt gij met mij over God twisten? Hij heeft mij op den
rechten weg geleid, en ik vrees hen niet, die gij naast hem plaatst,
tenzij God iets verlangt; want hij is alwetend [553]. Zult gij dit
niet in overweging nemen? 81. En hoe zou ik vreezen, wat zij, naast
God plaatsen, naardien gij niet vreest goden naast hem te plaatsen,
zonder dat God u daartoe eenige macht heeft gegeven? Zeg: welke der
beide partijen is de zekerste, indien gij het verstaat? 82. Zij die
gelooven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid omkleeden [554],
zullen zekerheid genieten en op den rechten weg geleid worden. 83. En
dit is onze bewijsreden, waarvan wij Abraham hebben voorzien, opdat
hij daarvan tegen zijn volk gebruik zou maken: Wij verheffen hen, die
ons behagen; want uw Heer is wijs en alwetend. 84. En wij gaven hun
Izaak en Jacob; en wij hebben hen beiden geleid; en vroeger hadden
wij reeds Noach geleid en onder zijne afstammelingen [555] hebben
wij ook David en Salomo, en Job [556], en Mozes en A‰ron geleid. Zoo
beloonen wij hen, die goed handelen. 85. Zacharias en Johannes, en
Jezus en Elias [557], waren allen rechtvaardigen. 86. En IsmaÎl, en
Elisa en Jonas [558] en Loth [559]; deze allen hebben wij begunstigd
boven alle andere stervelingen. 87. Zoo ook hebben wij onder hunne
vaderen en hunne kinderen, onder hunne broeders een groot aantal
uitverkorenen op den rechten weg geleid. 88. Zoo is Gods richting; hij
leidt wie hem van zijne dienaren behaagt. Indien de menschen andere
goden naast hem plaatsen, zullen hunne daden geheel vruchteloos
zijn. 89. Deze zijn de personen, welken wij de schrift gaven en
wijsheid, en profetie; doch indien deze [560] daarin niet gelooven,
zullen wij de zorg daarvoor aan een volk opdragen, dat daarin zal
gelooven. 90. Dit zijn de personen, die door God werden geleid; volg
daarom hunne richting. Zeg tot de bewoners van Mekka: Ik vraag van u
geene belooning voor het prediken van den Koran; het is slechts eene
waarschuwing aan alle schepselen. 91. Zij waardeeren God niet zoo
als hij het verdient [561], als zij zeggen: God heeft niets aan de
menschen geopenbaard [562]. Zeg: Wie heeft dan het boek geopenbaard,
dat Mozes heeft gebracht, om er het licht en den gids der menschen
van te maken; het boek, dat gij op bladen schrijft; het boek, dat
gij vertoont, en waarvan gij echter een groot gedeelte verbergt? Gij
zijt onderricht geworden, van hetgeen gij evenmin als uwe vaderen
wist. Zeg hun: God is het, en laten zij zich dan met hunne ijdele
gesprekken vermaken. 92. Dit boek, hetwelk wij hebben nedergezonden,
is gezegend; het bevestigt datgene, wat vÛÛr u werd geopenbaard, en
werd u gegeven, opdat gij het zoudt prediken in de stad Mekka en aan
hen, die in den omtrek wonen. Zij, die in het volgende leven gelooven,
zullen ook daaraan gelooven, en zij zullen den tijd van het gebed
nauwkeurig in acht nemen. 93. Wie is slechter dan hij, die eene leugen
tegen God uitdenkt of zegt! Dit werd mij geopenbaard, als hem niets
werd geopenbaard, en die zegt: Ik zal eene openbaring voortbrengen,
gelijk aan die, welke door God is nedergezonden? [563] Indien gij
de goddeloozen in de doodsangsten zaagt en de engelen hunne handen
uitsteken, zeggende: werpt uwe zielen weg; heden zult gij een strenge
straf ondergaan, voor hetgeen gij valsch nopens God hebt gesproken,
en omdat gij zijne teekenen hebt versmaad. 94. En nu komt gij alleen
tot ons [564], zooals wij u het eerst schiepen, en liet de weldaden,
die wij u hebben geschonken achter u; en wij zien de tusschenpersonen
niet, die gij als Gods makkers hebt beschouwd [565]. De banden,
die u vereenigden, zijn gebroken, en wat gij hebt verzonnen, heeft
u verlaten [566]. 95. God maakt dat de graankorrel en de dadelpit
zich voortplanten. Hij brengt het leven uit den dood voort [567]. Dit
is God. Waarom hebt gij u dus van hem afgewend? 96. Hij veroorzaakt,
dat de morgen verschijnt, en heeft den nacht bevolen voor de rust, en
de zon en de maan tot bepaling van den tijd. Dit is de beschikking van
den machtigen, den wijzen God. 97. Hij is het, die de sterren voor u
heeft bevolen, dat gij daardoor geleid zoudt worden in de duisternis,
te land en ter zee. Wij hebben overal teekens doen schitteren voor
hen, die verstaan willen. 98. Hij is het die u uit ÈÈne ziel heeft
voortgebracht, en eene zekere verzamelplaats en eene rustplaats voor
u geschapen heeft [568]. Wij hebben teekenen doen schitteren voor
hen, die verstandig zijn. 99. Hij is het, die water van den hemel
nederzendt. Daardoor doen wij de spruiten van alle planten ontkiemen;
daardoor hebben wij het groen voortgebracht, waaruit wij het graan in
aren doen opschieten, en palmboomen, uit welker takken nederhangende,
dichte trossen dadels voortkomen, en tuinen met wijngaarden beplant,
en olijven en granaatappelen, die op elkander gelijken en van elkander
verschillen. Zie op hunne vruchten, als zij vruchten dragen, en hoe zij
rijpen. Waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die gelooven. 100. Zij
hebben de geniussen [569] met God vereenigd, terwijl hij het is,
die ze heeft geschapen. In hunne onwetendheid schrijven zij hem zonen
en dochters toe. Geloofd zij hij, en het zij verre van hem, wat zij
met hem vereenigen. 101. Hij is de maker van hemel en aarde. Hoe
zou hij kinderen hebben? hij die geene gezellin heeft? Hij heeft
alle dingen geschapen en is alwetend. 102. Dit is God uw Heer. Er
is geen God buiten hem, de schepper van alle dingen: dien hem dus;
want hij zorgt voor alle dingen. 103. De blikken der menschen kunnen
hem niet bereiken. Hij bereikt alle blikken. Hij is de barmhartige
[570], de wijze. 104. Thans zijn er duidelijke aanwijzingen van uwen
Heer tot u gekomen. Hij die deze ziet, ziet ze in zijn eigen voordeel
en die er blind voor blijft, het is zijn nadeel. Ik ben uw bewaker
niet. 105. Zoo verklaren wij onze teekens op verschillende wijzen,
opdat zij zouden zeggen, gij hebt met ijver geleerd; [571] en opdat wij
hen er van zouden onderrichten, die ons verstaan. 106. Volg datgene,
wat u reeds van uwen Heer werd geopenbaard; er is geen God buiten
hem; verwijder u dus van de afgodendienaars. 107. Indien het Gode
had behaagd, zouden zij onschuldig aan afgoderij zijn geweest. Wij
hebben u niet tot bewaker over hem aangesteld: noch om op hunne
belangen toe te zien. 108. Beschimp de godheden niet, die zij naast
God aanroepen; zij konden op hunne beurt, in hunne buitensporigheid,
God beleedigen. Zoo hebben wij ieder volk zijne daden aangewezen. Later
zullen zij tot hunnen Heer terugkeeren, die hun zal herhalen wat zij
hebben verricht. 109. Zij hebben bij God gezworen, met den meest
plechtigen eed, dat indien hun een teeken werd geopenbaard, zij
zekerlijk daaraan zouden gelooven. Zeg: Waarlijk, de teekens staan
alleen in Gods macht, en hij veroorlooft u niet te begrijpen, dat,
als die komen, zij niet zullen gelooven [572]. 110. En wij zullen
hunne harten en hun gezicht van de waarheid afwenden; want zij
geloofden er voor de eerste maal niet aan [573], en wij zullen hen
verlaten, opdat zij in hunne dwaling mogen voortgaan. 111. En hoewel
wij hun engelen hadden gezonden, en de dood tot hen had gesproken,
en wij alle dingen voor hun oog [574] voor hen hadden verzameld,
wilden zij niet gelooven, tot het Gode behaagde; maar het grootste
deel hunner weet het niet. 112. Zoo hebben wij voor iederen profeet
een vijand doen ontstaan; de verleiders van menschen en geniussen,
die elkander afzonderlijk klinkende gesprekken [575] inbliezen, om te
verblinden; maar indien het God had behaagd, zouden zij het niet hebben
gedaan. Verlaat hen dus, en ook datgene, wat zij valschelijk hebben
uitgedacht. 113. Laat de harten van hen, die niet in het volgende
leven gelooven, zich daartoe neigen, en laat hen zelven er behagen in
scheppen en laat hen winnen wat zij winnen. 114. Zal ik een anderen
rechter naast God zoeken, om tusschen ons te richten? Hij is het, die
u het boek van den Koran heeft toegezonden, onderscheidende goed en
kwaad; en zij, welke wij de schrift gaven, weten dat zij van den Heer
werd nedergezonden met waarheid. Wees dus niet een van hen, die er aan
twijfelen. 115. De woorden van uwen Heer zijn volmaakt in waarheid
en rechtvaardigheid; er is niemand die deze woorden kan veranderen
[576]. Hij hoort en kent alles. 116. Maar indien gij het grootste
deel gelooft van hen, die op de aarde zijn, zullen zij u van Gods weg
afleiden; zij volgen slechts een onzeker gevoelen en spreken niets
dan leugen. 117. Waarlijk, God kent hen, die van zijnen weg afgaan,
en kent hen wel, die op den rechten weg worden gevoerd. 118. Eet van
hetgeen, waarbij de naam van God is herdacht [577], indien gij aan
zijne teekens gelooft [578]. 119. En waarom zoudt gij niet eten van
datgene, waarover Gods naam is uitgesproken? aangezien hij u duidelijk
verklaarde, wat hij u heeft verboden, uitgenomen datgene, waarvan
gij genoodzaakt zijt te eten. Sommigen brengen anderen in dwaling,
door hunne hartstochten, zonder kennis te bezitten; maar God kent
de zondaren. 120. Verlaat het binnenste en het buitenste der zonde
[579]; want zij die de zonde begaan, zullen de belooning ontvangen,
naar hetgeen zij hebben verricht. 121. Eet dus niet van datgene,
waarbij Gods naam niet is herdacht; want dit is zeker zonde. De duivels
zullen hunne vrienden ingeven, daarover met u te twisten, doch indien
gij hen gehoorzaamt, zijt gij zekerlijk afgodendienaars. 122. Zal hij
die dood geweest is, en dien wij tot het leven hebben teruggebracht,
en dien wij een licht hebben geschonken, waarmede hij onder de menschen
zou kunnen wandelen, als degene zijn, die in de duisternis wandelt en
die daaruit niet kan geraken? Zoo werden de daden der ongeloovigen
vooruit bereid. 123. Zoo hebben wij in iedere stad hoofdlieden van
de boozen aldaar geplaatst, opdat zij er valstrikken zouden spannen
[580]; doch zij zullen hunne eigene zielen slechts strikken spannen
en zij weten het niet [581]. 124. En als hun een teeken [582] wordt
geopenbaard, zeggen zij: wij zullen op geenerlei wijze gelooven,
tot ons eene openbaring worde gebracht, evenals diegene, welke aan
Gods zendelingen werd gegeven [583]; God weet het beste, wien hij tot
zijnen zendeling zal verkiezen. De schande in Gods aangezicht bedreven,
zal op hen vallen, die boos handelen, en eene strenge straf voor het
kwaad, dat zij bedreven. 125. En hij, wien het Gode behaagt te leiden,
zal zijne borst openen om het geloof van den Islam te ontvangen:
doch wien het hem zal behagen in dwaling te brengen, diens borst
zal hij sluiten en vernauwen als diegene, welke zich ten hemel wil
verheffen. [584] Zoo legt God eene vreeselijke straf aan hen op, die
niet gelooven. 126. Dit is Gods rechte weg. Thans hebben wij hun,
die overdenken willen, onze teekenen duidelijk verklaard. 127. Zij
zullen eene woonplaats des vredes bij hunnen Heer hebben, en hij zal
hun beschermer zijn voor datgene, wat zij hebben gedaan. 128. Denk aan
den dag, waarop God hen allen verzamelen en zeggen zal: verzameling
van geniussen [585]; gij hebt te veel misbruik van de menschen
gemaakt [586], en hunne vrienden onder de menschen zullen zeggen:
O Heer! de een van ons heeft van den andere diensten genoten en wij
zijn tot den gestelden eindpaal [587] genaderd, dien gij ons hebt
bepaald. God zal zeggen: het hellevuur zal uwe woning zijn; daarin
zult gij eeuwig verblijven, tot het Gode zal behagen uwe smarten
te lenigen; want uw Heer is wijs en alwetend. 129. Zoo plaatsen wij
sommigen der onrechtvaardigen boven anderen van hen, om hetgeen zij
hebben bedreven. 130. O verzameling van geniussen en menschen! kwamen
er geene zendelingen van u zelven tot u [588] die u mijne teekens
herhaalden, en die u de verschijning van dezen dag voorspelden? Zij
zullen antwoorden: wij leggen getuigenis tegen ons zelven af: het
tegenwoordige leven verblindde hen, en zij zullen tegen zich zelven
getuigen, dat zij ongeloovigen waren. 131. En dit was Gods handelwijze
[589]; want God is niet de verwoester der steden, die haar verdelgt
uit boosheid, terwijl hare bewoners zorgeloos waren. 132. Ieder zal
graden van belooning genieten, naarmate van hetgeen zij zullen bedreven
hebben; want God is niet onopmerkzaam nopens hetgeen zij doen. 133. En
uw Heer is rijk en vol van barmhartigheid. Indien het hem behaagt,
kan hij u vernietigen, en hij kan uit u doen voortkomen wie hem
behaagt, zooals hij u uit de nakomelingschap van een ander volk heeft
doen voortspruiten. 134. Waarlijk, datgene, waarmede men u bedreigt,
zal gebeuren, en gij zult het niet kunnen voorkomen. 135. Zeg tot de
bewoners van Mekka; O mijn volk! handel overeenkomstig uwe kracht;
waarlijk, ik zal handelen overeenkomstig mijnen plicht [590]. 136. En
hierna zult gij kennen, wat de belooning van het paradijs is. De
goddeloozen zullen niet bloeien. 137. Die van Mekka bestemmen een
deel van hetgeen hij in hunnen oogst en onder hun vee heeft doen
geboren worden, voor God, en zeggen dit behoort God (volgens hun
verbeelding), en dit aan onze gezellen [591]. En dat wat voor hunne
gezellen is bestemd, komt niet tot God, en hetgeen voor God bestemd is,
zal tot hunne makkers komen. 138. Hoe verkeerd oordeelen zij [592]. Zoo
hebben hunne gezellen verscheidene der afgodendienaars ingegeven, hunne
kinderen te dooden [593], opdat zij hen in het verderf zouden kunnen
voeren, en dat zij hunnen godsdienst duister konden maken, en hen
daarin verwarren [594]. Maar indien het Gode had behaagd, zouden zij
dit niet hebben gedaan; verlaat hen dus en datgene wat zij valschelijk
uitdenken. 139. Zij zeggen ook: Dit vee en deze aardvruchten zijn
geheiligd, niemand zal daarvan eten dan die ons behaagt (gelijk zij
zich verbeelden); deze dieren mogen niet tot lastdieren gebruikt worden
[595]; en over deze dieren wordt Gods naam niet uitgesproken, als
zij die slachten [596]; zoo denken zij een leugen tegen hem uit, maar
God zal hen beloonen voor hetgeen zij valschelijk uitdenken. 140. En
zij zeggen: De jongen van deze dieren mogen onze mannen eten, maar
onze vrouwen niet; doch indien de vrucht on voldragen is, mogen ze
beiden haar eten [597]. God zal hen beloonen voor hun onderscheid
maken. Hij is verstandig en wijs. 141. Zij zijn onredbaar verloren,
die hunne kinderen dwazelijk, zonder kennis [598], hebben vermoord
[599], en verboden hebben, wat God hun tot voedsel heeft gegeven,
terwijl zij eene leugen tegen God uitdachten. Zij dwaalden en werden
niet op den rechten weg geleid. 142. Hij is het, die de wijngaarden
heeft geschapen, zoowel die door houten latwerk zijn gestut, als
zij die het niet zijn [600], en palmboomen en de granen verschillende
soorten voedsel opleverende, en olijven en granaatappelen, die elkander
gelijk en niet gelijk zijn. Eet van hunne vruchten als zij vruchten
dragen, en betaal den prijs daarvoor op den dag van den oogst [601];
doch verkwist niet [602]; want God bemint den verkwister niet. 143. En
God heeft u sommige dieren gegeven, die tot het dragen van lasten
zijn geschapen, en sommigen die alleen geschapen zijn om geslacht te
worden. Eet van hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven, en volg de
stappen van satan niet; want hij is uw verklaarde vijand. 144. Vier
paren vee heeft God u gegeven: een paar schapen en een paar geiten
(elk van twee soorten). Zeg tot hen: heeft God de twee mannetjes
van de schapen en van de geiten, of de twee wijfjes verboden, of
dat wat de lichamen der wijfjes bevatten? Zeg mij met zekerheid,
indien gij waarheid spreekt. 145. En God gaf u een paar kameelen
en een paar runderen. Zeg, heeft hij de twee mannetjes van dezen,
of de twee wijfjes verboden, of wat de lichamen der beide wijfjes
bevatten [603]? Waart gij tegenwoordig toen God u dit beval? En wie
is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt,
opdat hij onverstandige menschen zou kunnen verleiden? Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 146. Zeg: ik vind in datgene,
wat mij werd geopenbaard, geenerlei ding verboden om te eten,
dan doode dieren, bloed dat gevloeid heeft [604] en varkensvleesch;
want dat is eene afschuwelijkheid, of datgene wat ontwijd is, doordat
het in den naam van een ander dan God is gedood. Doch hij, die door
den nood mocht gedwongen zijn, en het niet uit ongehoorzaamheid eet,
noch met de bedoeling om te zondigen, waarlijk, hem zal God barmhartig
en goedertieren zijn. 147. Den Joden hebben wij ieder dier verboden,
dat eene ongespleten hoef heeft, en wij verboden hun het vet van ossen
en schapen, behalve het vet dat zich op hunne schouders en ingewanden
[605] en datgene wat zich aan de beenderen bevindt [606]. Dat is om hen
voor hunne onrechtvaardigheden te straffen; en waarlijk wij spreken
de waarheid. 148. Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Uw Heer
is met eene uitgebreide genade bekleed, maar zijne gestrengheid zal
van den booze niet kunnen worden afgewend. 149. De afgodendienaars
zullen zeggen: Indien het Gode had behaagd, zouden wij noch onze
vaderen afgodendienarij schuldig zijn geweest. Volgens hen zouden wij
het gebruik van geenerlei ding verboden hebben. Zoo beschuldigden zij
die hen voorafgingen, de profeten van bedrog, tot zij onze gestrenge
straf ondervonden. Zeg: indien gij eenige kennis hebt van hetgeen
gij zegt, laat het zien; doch gij volgt slechts meeningen en zijt
leugenaars. 150. Zeg: Alleen God heeft de macht tot de duidelijkste
aanwijzing; want indien het hem had behaagd, zou hij u allen hebben
geleid. 151. Zeg: Breng uwe getuigen bij, die verklaren kunnen,
dat God dit heeft verboden. Maar indien zij dit getuigen, getuig
dan niet met hen, noch volg de begeerten van hen, die onze teekens
van valschheid beschuldigen, en die niet gelooven in het volgende
leven, en afgodsbeelden met hunnen Heer gelijk stellen. 152. Zeg:
Kom [607]! ik zal u voorlezen, wat uw Heer u heeft verboden; weest
niet schuldig aan afgodendienst, weest eerbiedig jegens uwe ouders,
en doodt uwe kinderen niet, uit vrees tot armoede te vervallen. Wij
zorgen voor u en hen; en nadert de hatelijke zonden [608] niet, zoowel
openlijke als geheime, en doodt de ziel niet, welke God u verboden
heeft te dooden, behalve voor eene rechtvaardige zaak [609]. Dit heeft
hij u bevolen, opdat gij zoudt begrijpen. 153. Raakt het vermogen van
den wees niet aan, behalve tot de vermeerdering daarvan, totdat hij
de jaren zijner manbaarheid heeft bereikt; en gebruikt eene goede
maat en een nauwkeurig gewicht. Wij zullen geene ziel eene last
opleggen, dan die zij kan dragen. En als gij recht spreekt, neemt
dan de rechtvaardigheid in acht, hetzij dit voor of tegen iemand
is, die met u verwant mocht zijn, en vervul Gods verbond. Dit heeft
God u bevolen, opdat gij het overwegen en weten zoudt. 154. Dit is
mijn rechte weg; volg dien dus, en volg niet het pad van anderen,
opdat gij niet afgeleid moogt worden van dat van God. Dit heeft hij
u bevolen, opdat gij hem zoudt vreezen. 155. Wij gaven Mozes ook het
boek der wet, een volkomen leiding voor hem, die wel wil handelen,
en eene verklaring omtrent alle noodige dingen, en eene richting
en genadebewijs, opdat de kinderen IsraÎls aan het verschijnen voor
hunnen God zouden gelooven. 156. En dit boek, dat wij thans hebben
nedergezonden, is gezegend; volg het dus en vrees God, opdat gij genade
moogt ondervinden. 157. Gij zult niet meer zeggen: De schriften werden
alleen aan twee volkeren gezonden, die vÛÛr ons leefden, en wij hebben
geene kennisse van hunne plichten. 158. Gij zult niet meer zeggen:
indien ons een boek met goddelijke openbaringen ware nedergezonden,
waarlijk wij zouden beter dan zij zijn geleid geworden [610]. En
thans is eene duidelijke verklaring, en eene richting en eene genade
van uwen Heer tot u gekomen; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die
leugens omtrent Gods teekenen uitdenkt, en zich van hem afwendt? Wij
zullen hen die zich van onze teekenen afwenden, met eene strenge
straf beloonen, omdat zij zich hebben afgekeerd. 159. Wachten zij tot
de engelen tot hen komen, of dat hun Heer komt om hen te straffen,
of dat sommige van Gods teekenen hen verrassen? Op den dag waarop
sommige van uws Heeren teekenen zullen verschijnen, zal het geloof
daaraan geene ziel bevoordeelen, die daaraan niet vroeger geloofde,
of in zijn geloof niet goed handelde [611]. Zeg: indien gij wacht,
zullen ook wij wachten. 160. Nader hen niet, die eene scheiding in
hunnen godsdienst maken [612] en zich in secten verdeelen; hunne zaak
behoort alleen aan God; daarna zal hij hun verklaren, wat zij gedaan
hebben. 161. Hij, die met goede werken mocht verschijnen, zal daarvoor
eene tienvoudige belooning ontvangen; doch hij, die met slechte daden
verschijnt, zal slechts eene gelijke straf daarvoor ontvangen, en zij
zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. 162. Zeg: Waarlijk, mijn
Heer heeft mij geleid op een rechten weg, eenen waren godsdienst:
het geloof van Abraham, den waren geloovige, en hij was geen
afgodendienaar. 163. Zeg: Mijne gebeden en mijne aanbidding, en mijn
leven en mijn dood zijn Gode gewijd; den Heer van alle schepselen, die
geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem
[613]. 164. Zeg: Zal ik een ander Heer begeeren naast God? Hij is toch
de Heer van alle dingen. Alle zielen handelen slechts voor zichzelve
en geene ziel zal de last van eene andere dragen. Tot uwen Heer zult
gij terugkeeren, en hij zal u datgene verklaren waarover gij thans
twist. 165. Hij is het, die u heeft aangewezen, uwe voorgangers op
aarde op te volgen, en sommigen uwer boven anderen in verschillende
graden heeft verheven, opdat hij u zou kunnen bewijzen, wat Hij voor
u heeft verricht. Uw Heer is stipt in zijne straffen, maar hij is
tevens genadig en barmhartig.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
AL ARAF [614].
Gegeven te Mekka [615].--205 verzen.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.