weet hetgeen gij toont en wat gij verbergt. 100. Zeg: kwaad en goed
zullen niet gelijk geschat worden, ofschoon de overvloed van kwaad
u behaagt [509]. Vreest dus God, gij die verstand hebt, opdat gij
gelukkig moogt zijn. 101. O ware geloovigen! onderzoekt niet zulke
dingen, die, als zij u werden verklaard, u smart zouden veroorzaken;
maar indien gij daaromtrent ondervraagt op het tijdstip waarop de
Koran geheel zal zijn geopenbaard, zullen zij u verklaard worden,
God vergeeft uwe nieuwsgierigheid; want God is vergevingsgezind en
genadig. Menschen die vÛÛr u waren, hebben daaromtrent onderzocht,
en werden later ongeloovig. 102. God heeft niets voorgeschreven
omtrent BahÓra, noch omtrent S‚Ôba noch nopens WasÓla, noch nopens
H‚mi [510], maar de ongeloovigen hebben een logen betreffende God
uitgedacht, en het grootste gedeelte hunner verstaan niet. 103. En
toen tot hen gezegd werd: Komt tot hetgeen God heeft geopenbaard en
tot den apostel, antwoordden zij: Het geloof dat wij bij onze ouderen
vonden, is toereikend voor ons, terwijl hunne vaders niets kenden
en niet geleid werden. 104. O ware geloovigen! neemt uwe zielen in
acht. Hij die dwaalt, zal u niet deren; want gij wordt op den rechten
weg geleid. Met God zult gij terugkeeren, en hij zal u verhalen wat
gij hebt gedaan. 105. O ware geloovigen! laat getuigen onder u kiezen,
als de dood een uwer nadert, op het oogenblik dat hij testament maakt;
neem twee rechtvaardige menschen onder u, of twee anderen van een
verschillenden stam, of van een ander geloof dan gij zijt [511],
indien gij reizende op aarde zijt en het doodsgevaar u overvalt. Gij
zult hen beiden opsluiten na het namiddaggebed [512], en zij zullen
bij God zweren indien gij aan hen twijfelt, en zij zullen zeggen: Wij
verkoopen onze getuigenis niet, voor welken prijs ook; zelfs niet aan
iemand, die met ons is verwant, en wij zullen de getuigenis van God
niet verbergen; want dan zouden wij zeker tot het getal der zondaren
behooren. 106. Maar indien het blijkt, dat beiden aan oneerlijkheid
schuldig zijn geweest, zullen twee anderen in hunne plaats worden
gesteld, van degenen die hen van valschheid hebben overtuigd, en wel
de twee naasten in den bloede; en zij zullen bij God zweren, zeggende:
Waarlijk, onze getuigenis is meer waar dan de getuigenis van deze
beide; wij hebben niet pogen te verleiden; want dan zouden wij tot
het getal der onrechtvaardigen behooren. 107. Dit zal gemakkelijker
zijn, dat de menschen eene getuigenis afleggen overeenkomstig hare
ware bedoeling, of zij zullen vreezen, dat een andere eed na hunnen
eed mocht worden afgelegd. Vreest daarom God en luistert; want God
leidt de onrechtvaardigen niet. 108. Op zekeren dag [513] zal God
de apostels vereenigen en tot hen zeggen: Welk een antwoord werd u
gegeven, toen gij voor het volk hebt gepredikt, naar hetwelk gij werd
afgezonden? Zij zullen antwoorden: Wij hebben geene kennis, maar gij
kent de geheimen. 109. Als God zal zeggen: o Jezus! zoon van Maria:
gedenk mijne gunst omtrent u en omtrent uwe moeder, toen ik u sterkte
met den heiligen geest [514], opdat gij tot de menschen in hunne wieg
zoudt spreken, en toen gij zijt opgegroeid [515]. 110. En toen ik u
de schrift onderwees en wijsheid, en de wet en het evangelie; en toen
gij, door mijn verlof, slijk in den vorm van een vogel hebt gebracht,
en dat gij er in hebt geblazen en dat het door mijn verlof een vogel
werd, en dat gij een blindgeborene en een melaatsche door mijn verlof
hebt genezen, en toen gij, door mijn verlof [516], de dooden hunne
graven deedt verlaten, en toen ik de kinderen IsraÎls terug hield u te
dooden [517], toen gij met duidelijke wonderen tot hen waard gekomen en
sommigen van hen, die niet geloofden, zeiden: Dit is slechts tooverij
[518] 111. En toen ik de apostelen gebood, zeggende: Gelooft in mij en
in mijn gezant, antwoordden zij: Wij gelooven, en gij zijt getuige,
dat wij Gode zijn onderworpen. Gedenk, toen de apostelen zeiden:
112. O, Jezus, zoon van Maria! is uw Heer in staat, ons eene tafel
uit den hemel te doen nederdalen [519]? Hij antwoordde: Vreest God,
indien gij ware geloovigen zijt. 113. Zij zeiden: Wij verlangen er
van te eten, en dat onze harten voldaan mogen worden, en dat wij
mogen weten, of gij ons de waarheid hebt verhaald, en dat wij er
getuigen van mogen zijn. 114. Jezus de zoon van Maria, zeide: O God,
onze Heer! laat eene tafel tot ons uit den hemel nederdalen; dat de
dag van hare nederdaling een feestdag voor ons worde: voor den eerste
van ons en voor den laatste van ons, en een teeken van u; en voorzie
haar van voedsel voor ons; want gij zijt de beste voorziener. 115. God
zeide: Waarlijk ik zal haar tot u doen nederdalen; maar hij van u,
die daarna nog ongeloovig zal zijn, zekerlijk zal ik hem straffen met
eene straf, en ik zal de andere schepselen ongestraft laten. 116. En
als God tot Jezus zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria! hebt gij tot
de menschen gezegd: Neemt mij en mijne moeder als twee goden naast
God? zal hij antwoorden: Geloofd zijt gij: verre zij het het van
mij, te zeggen wat niet waar is; indien ik dit had gezegd, zoudt gij
het zekerlijk weten; gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat
in u is; want gij kent alle geheimen. 117. Ik heb hun niets gezegd,
dan wat gij mij hebt geboden; namelijk: Aanbidt God, mijn Heer, en ˘w
Heer; en ik was getuige van hunne daden, zoo lang ik onder hen bleef;
doch sedert gij mij tot u hebt opgenomen [520], waart gij hun bewaker;
want gij zijt getuige van alle dingen. 118. Indien gij hen straft; gij
hebt de macht en zij zijne uwe dienaren, en indien gij hun vergeeft;
gij kunt het; want gij zijt machtig en wijs. 119. God zal zeggen:
Deze dag is een dag waarop de rechtvaardigen hunne rechtvaardigheid
zullen vermeerderd zien: zij zullen tuinen bezitten met wateren
doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven. God heeft behagen
in hen geschept, en zij hebben behagen in hem geschept. Dit zal een
groot geluk zijn. 120. Gode behoort de heerschappij over hemel en
aarde en al wat zij bevatten, en hij is almachtig.
ZESDE HOOFDSTUK.
HET VEE [521].
Gegeven te Mekka [522].--165 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [523].