is. 99. De plicht van onzen profeet is alleen om te prediken, en God

weet hetgeen gij toont en wat gij verbergt. 100. Zeg: kwaad en goed

zullen niet gelijk geschat worden, ofschoon de overvloed van kwaad

u behaagt [509]. Vreest dus God, gij die verstand hebt, opdat gij

gelukkig moogt zijn. 101. O ware geloovigen! onderzoekt niet zulke

dingen, die, als zij u werden verklaard, u smart zouden veroorzaken;

maar indien gij daaromtrent ondervraagt op het tijdstip waarop de

Koran geheel zal zijn geopenbaard, zullen zij u verklaard worden,

God vergeeft uwe nieuwsgierigheid; want God is vergevingsgezind en

genadig. Menschen die vÛÛr u waren, hebben daaromtrent onderzocht,

en werden later ongeloovig. 102. God heeft niets voorgeschreven

omtrent BahÓra, noch omtrent S‚Ôba noch nopens WasÓla, noch nopens

H‚mi [510], maar de ongeloovigen hebben een logen betreffende God

uitgedacht, en het grootste gedeelte hunner verstaan niet. 103. En

toen tot hen gezegd werd: Komt tot hetgeen God heeft geopenbaard en

tot den apostel, antwoordden zij: Het geloof dat wij bij onze ouderen

vonden, is toereikend voor ons, terwijl hunne vaders niets kenden

en niet geleid werden. 104. O ware geloovigen! neemt uwe zielen in

acht. Hij die dwaalt, zal u niet deren; want gij wordt op den rechten

weg geleid. Met God zult gij terugkeeren, en hij zal u verhalen wat

gij hebt gedaan. 105. O ware geloovigen! laat getuigen onder u kiezen,

als de dood een uwer nadert, op het oogenblik dat hij testament maakt;

neem twee rechtvaardige menschen onder u, of twee anderen van een

verschillenden stam, of van een ander geloof dan gij zijt [511],

indien gij reizende op aarde zijt en het doodsgevaar u overvalt. Gij

zult hen beiden opsluiten na het namiddaggebed [512], en zij zullen

bij God zweren indien gij aan hen twijfelt, en zij zullen zeggen: Wij

verkoopen onze getuigenis niet, voor welken prijs ook; zelfs niet aan

iemand, die met ons is verwant, en wij zullen de getuigenis van God

niet verbergen; want dan zouden wij zeker tot het getal der zondaren

behooren. 106. Maar indien het blijkt, dat beiden aan oneerlijkheid

schuldig zijn geweest, zullen twee anderen in hunne plaats worden

gesteld, van degenen die hen van valschheid hebben overtuigd, en wel

de twee naasten in den bloede; en zij zullen bij God zweren, zeggende:

Waarlijk, onze getuigenis is meer waar dan de getuigenis van deze

beide; wij hebben niet pogen te verleiden; want dan zouden wij tot

het getal der onrechtvaardigen behooren. 107. Dit zal gemakkelijker

zijn, dat de menschen eene getuigenis afleggen overeenkomstig hare

ware bedoeling, of zij zullen vreezen, dat een andere eed na hunnen

eed mocht worden afgelegd. Vreest daarom God en luistert; want God

leidt de onrechtvaardigen niet. 108. Op zekeren dag [513] zal God

de apostels vereenigen en tot hen zeggen: Welk een antwoord werd u

gegeven, toen gij voor het volk hebt gepredikt, naar hetwelk gij werd

afgezonden? Zij zullen antwoorden: Wij hebben geene kennis, maar gij

kent de geheimen. 109. Als God zal zeggen: o Jezus! zoon van Maria:

gedenk mijne gunst omtrent u en omtrent uwe moeder, toen ik u sterkte

met den heiligen geest [514], opdat gij tot de menschen in hunne wieg

zoudt spreken, en toen gij zijt opgegroeid [515]. 110. En toen ik u

de schrift onderwees en wijsheid, en de wet en het evangelie; en toen

gij, door mijn verlof, slijk in den vorm van een vogel hebt gebracht,

en dat gij er in hebt geblazen en dat het door mijn verlof een vogel

werd, en dat gij een blindgeborene en een melaatsche door mijn verlof

hebt genezen, en toen gij, door mijn verlof [516], de dooden hunne

graven deedt verlaten, en toen ik de kinderen IsraÎls terug hield u te

dooden [517], toen gij met duidelijke wonderen tot hen waard gekomen en

sommigen van hen, die niet geloofden, zeiden: Dit is slechts tooverij

[518] 111. En toen ik de apostelen gebood, zeggende: Gelooft in mij en

in mijn gezant, antwoordden zij: Wij gelooven, en gij zijt getuige,

dat wij Gode zijn onderworpen. Gedenk, toen de apostelen zeiden:

112. O, Jezus, zoon van Maria! is uw Heer in staat, ons eene tafel

uit den hemel te doen nederdalen [519]? Hij antwoordde: Vreest God,

indien gij ware geloovigen zijt. 113. Zij zeiden: Wij verlangen er

van te eten, en dat onze harten voldaan mogen worden, en dat wij

mogen weten, of gij ons de waarheid hebt verhaald, en dat wij er

getuigen van mogen zijn. 114. Jezus de zoon van Maria, zeide: O God,

onze Heer! laat eene tafel tot ons uit den hemel nederdalen; dat de

dag van hare nederdaling een feestdag voor ons worde: voor den eerste

van ons en voor den laatste van ons, en een teeken van u; en voorzie

haar van voedsel voor ons; want gij zijt de beste voorziener. 115. God

zeide: Waarlijk ik zal haar tot u doen nederdalen; maar hij van u,

die daarna nog ongeloovig zal zijn, zekerlijk zal ik hem straffen met

eene straf, en ik zal de andere schepselen ongestraft laten. 116. En

als God tot Jezus zal zeggen: O Jezus, zoon van Maria! hebt gij tot

de menschen gezegd: Neemt mij en mijne moeder als twee goden naast

God? zal hij antwoorden: Geloofd zijt gij: verre zij het het van

mij, te zeggen wat niet waar is; indien ik dit had gezegd, zoudt gij

het zekerlijk weten; gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat

in u is; want gij kent alle geheimen. 117. Ik heb hun niets gezegd,

dan wat gij mij hebt geboden; namelijk: Aanbidt God, mijn Heer, en ˘w

Heer; en ik was getuige van hunne daden, zoo lang ik onder hen bleef;

doch sedert gij mij tot u hebt opgenomen [520], waart gij hun bewaker;

want gij zijt getuige van alle dingen. 118. Indien gij hen straft; gij

hebt de macht en zij zijne uwe dienaren, en indien gij hun vergeeft;

gij kunt het; want gij zijt machtig en wijs. 119. God zal zeggen:

Deze dag is een dag waarop de rechtvaardigen hunne rechtvaardigheid

zullen vermeerderd zien: zij zullen tuinen bezitten met wateren

doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven. God heeft behagen

in hen geschept, en zij hebben behagen in hem geschept. Dit zal een

groot geluk zijn. 120. Gode behoort de heerschappij over hemel en

aarde en al wat zij bevatten, en hij is almachtig.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET VEE [521].

Gegeven te Mekka [522].--165 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [523].

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 15 / 89 段