u geoorloofd het redelooze vee te eten [425], behalve datgene, wat u
verboden is; uitgezonderd het wild, dat geoorloofd is op andere tijden
te gebruiken, maar niet terwijl gij op den pelgrimstocht zijt. God
beveelt hetgeen hem behaagt. 2. O, ware geloovigen! schendt niet de
heilige voorschriften van God [426], noch de heilige maand, noch de
offerande, noch de versierselen daaraan hangende [427]. Eerbiedigt
hen, die naar het heilige huis reizen, om de gunst des Heeren te
zoeken en hem te behagen. 3. Maar indien gij uwen pelgrimstocht
hebt volbracht, jaagt dan. En laat de boosheid van hen, die u zouden
willen beletten, den heiligen tempel binnen te gaan [428] u niet tot
onrechtvaardigheden verlokken. Helpt elkander naar rechtvaardigheid
en vroomheid, maar ondersteunt elkander niet in onrechtvaardigheid
en boosheid; vreest dus God; want God is een streng straffer. 4. Het
is u verboden te eten van dieren, die van zelven zijn gestorven,
voorts bloed en varkensvleesch, en datgene waarover een andere naam
dan die van God is aangeroepen [429] en datgene wat gesmoord is,
of door een slag of een val, of door de horens van een ander dier
is gedood, en dat door een wild dier [430] is verscheurd, behalve
datgene wat gij hebt gedood [431]; ook datgene wat voor afgoden [432]
werd geofferd. Het is u eveneens verboden te verdeelen door het lot,
met pijlen te trekken [433]. Dit is verboden. Heden wacht de wanhoop
hun, die van hunnen godsdienst zijn afgedwaald; vreest dus hen niet,
maar vreest mij. 5. Heden heb ik uwen godsdienst voor u volmaakt
[434] en heb ik mijne genade voor u voltooid [435], en heb ik den
Islam voor u gekozen, om uwen godsdienst te zijn. Maar hij, die
door hongersnood gedreven en zonder de bedoeling te hebben van te
zondigen, mocht eten van hetgeen wij hebben verboden, waarlijk God
zal hem genadig en barmhartig zijn. 6. Zij zullen u vragen, wat hun
veroorloofd is. Antwoord: de dingen, die goed [436] zijn, zijn u
geoorloofd. De prooi der jachtdieren [437], die gij als honden zult
hebben afgericht, naar de wetenschap, die gij van God hebt ontvangen,
is u geoorloofd te eten. Eet daarom van hetgeen zij u zullen hebben
verschaft, en herdenkt daarbij den naam Gods [438], en vreest God;
want God is snel in het rekenen. 7. Heden is het u geoorloofd zulke
dingen te eten, die goed zijn, en het voedsel van diegenen, aan wie
de schriften werd gegeven [439] is u mede als geoorloofd toegestaan;
en uw voedsel is hun geoorloofd. En gij moogt vrije vrouwen huwen,
die geloovig zijn, en ook vrije vrouwen van hen, die de schriften
vÛÛr u hebben ontvangen [440], als gij haar heuren bruidschat hebt
toegekend. Leeft kuisch met haar; bedrijft nimmer hoererij, noch
neemt haar als bijzit [441]. Hij, die het geloof verzaakt, diens
werk zal ijdel zijn, en in het volgende leven zal hij vergaan. 8. O,
ware geloovige! indien gij u tot het gebed gereed maakt, wascht dan uw
aangezicht, en uwe handen tot onder de ellebogen; wrijft u het hoofd,
en ook de voeten tot aan de hielen. 9. En indien gij eene vrouw hebt
beslapen, reinigt u. Maar indien gij ziek of op reis zijt, indien
gij aan eene natuurlijke behoefte hebt voldaan, of indien gij vrouwen
hebt aangeraakt, en gij vindt geen water, neemt dan fijn en zuiver zand
[442], en wrijft uw aangezicht en u uwe handen er mede. God wil u geene
moeite veroorzaken, maar hij wil u zuiveren en zijne gunst omtrent
u volmaken, opdat gij hem dankbaar zoudt zijn. 10. Gedenkt dus Gods
gunst omtrent u en het verbond, dat hij met u heeft aangegaan, toen
gij zeidet: Wij hebben gehoord, en zullen gehoorzamen [443]. Vreest
God; want God kent het meest verborgene gedeelte van des menschen
borst. 11. O, ware geloovigen! weest rechtvaardig, wanneer gij als
getuigen voor God verschijnt, en laat de haat omtrent iemand u niet
verleiden, boos te handelen. Weest rechtvaardig; dit brengt u nader
tot de vroomheid, en vreest God; want God is geheel bekend met hetgeen
gij doet. 12. God heeft hun beloofd, die gelooven en doen wat recht is,
dat zij vergiffenis en eene groote belooning zullen ontvangen. 13. Maar
zij, die niet gelooven en onze teekens van onwaarheid beschuldigen,
zullen makkers der hel zijn. 14. O, ware geloovigen! herinnert u Gods
gunst omtrent u, toen zekere mannen hunne handen naar u uitstrekten;
maar hij stiet hunne handen terug [444] die u wilden deren. Vreest
dus God, en dat de geloovigen in hem vertrouwen. 15. God nam vroeger
het verbond der kinderen IsraÎls aan, en wij kozen twaalf hoofden
uit hun midden, en God zeide [445]: Waarlijk ik ben met u; indien
gij het gebed doet en aalmoezen geeft, en in mijne apostelen gelooft,
en hen ondersteunt en God tegen goede renten [446] leent, zal ik uwe
slechte daden vergeven, en u in tuinen voeren, met rivieren doorsneden;
maar onder u, die na deze waarschuwingen niet gelooft, dwaalt van den
rechten weg af. 16. Maar omdat zij hun verbond hebben geschonden,
hebben wij hen gevloekt en hunne harten versteend; zij rukken de
woorden van den Pentateuches van hunne plaats, en hebben een deel
vergeten van hetgeen hun werd onderwezen; en gij zult niet ophouden
slechte daden bij hen te ontdekken, bij eenigen van hen uitgezonderd;
maar vergeef hun [447] en schenk hun daarvoor genade; want God bemint
den milde. 17. En van hen, die zeggen: Wij zijn Christenen; wij hebben
eene verbintenis aangenomen; maar zij hebben een gedeelte vergeten
van hetgeen hun werd onderwezen; derhalve hebben wij vijandschap en
haat onder hen doen ontstaan tot den dag der opstanding, en God zal
hun dan zeker mededeelen, wat zij hebben verricht. 18. O gij, die
de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u gekomen,
om u vele plaatsen duidelijk te maken, welke gij in de schriften hebt
verborgen [448], om vele anderen daarvan voorbij te gaan [449]. Thans
is het licht in een duidelijk boek van God tot u gekomen. Daarmede
zal God hem leiden, die zijn wil op de paden des vredes zal volgen,
en hem voeren door zijn wil uit de duisternis tot het licht,
hij zal hem richten op den rechten weg. 19. Zij, die zeggen, dat
Christus, de zoon van Maria, God is, zijn ongeloovigen. Zeg hun:
Wie zou God kunnen tegengaan, indien het hem behaagt had Christus,
den zoon van Maria, en zijne moeder en al, die op de aarde zijn,
te verdelgen? 20. Want Gode behoort het koninkrijk des hemels en der
aarde, en wat daar tusschen is; hij schept wat hem behaagt, en God is
almachtig. 21. De Joden en Christenen zeggen, wij zijn de kinderen
Gods en zijne geliefden. Antwoord: Waarom straft hij u dan voor uwe
zonden? Maar gij zijt slechts menschen, van diegenen, welke hij heeft
geschapen. Hij vergeeft aan wie het hem behaagt, en hij straft wie
hem behaagt; en Gode behoort het koninkrijk des hemels en der aarde,
en alles wat tusschen beide is; en tot hem keert alles terug. 22. O
gij! die de schriften hebt ontvangen, thans is onze apostel onder u
gekomen, om u den waren godsdienst te verklaren, gedurende de schorsing
der apostelen [450], opdat gij niet meer zoudt zeggen: Er kwam niemand
tot ons, die goede tijdingen bracht, noch eenige waarschuwer: maar
nu is een bode van goede tijdingen en een waarschuwer tot u gekomen;
want God is almachtig. 23. Toen Mozes tot zijn volk zeide: O, mijn
volk! gedenk Gods gunst omtrent u, sedert hij profeten onder u heeft
aangewezen en u koningen heeft gegeven [451], en u heeft geschonken,
wat hij geene natie ter wereld [452] heeft gegeven. 24. O, mijn
volk! ga het heilige land binnen, dat God voor u heeft bestemd,
en wendt u niet om; opdat gij niet omvergeworpen en vernield mocht
worden. 25. Zij antwoorden: O, Mozes! dit land wordt door een volk van
reuzen bewoond [453], en wij zullen er op geenerlei wijze binnen gaan,
dan nadat zij het hebben verlaten; maar indien zij het verlaten, zullen
wij er binnentrekken. 26. Twee mannen [454] van hen die God vreesden,
nopens welke God genadig was geweest, zeiden: Treedt de poort binnen,
en zoodra gij die binnentreedt, zult gij overwonnen hebben; vertrouwt
dus in God, indien gij ware geloovigen zijt. 27. Zij hernamen: O,
Mozes! wij zullen het land nimmer binnentreden terwijl zij er in
vertoeven; ga dus, gij en uw God en strijd; want wij zullen hier
blijven. 28. Mozes zeide: O Heer! waarlijk ik ben geen meester
over iemand buiten mij en mijn broeder; maak dus een onderscheid
tusschen ons en het goddelooze volk. 29. God antwoordde: Waarlijk
het land zal hun gedurende veertig jaren ontzegd zijn; gedurende
welken tijd zij op de aarde zullen dwalen [455]: pleit dus niet
alzoo voor het goddelooze volk. 30. Verhaal hun ook de geschiedenis
van de twee zonen van Adam [456] naar waarheid. Toen zij hun offer
brachten [457] en het van een hunner werd aangenomen [458], en het
van den andere niet werd aangenomen, zeide KaÔn: Waarlijk ik zal u
dooden: Abel antwoordde: God neemt alleen het offer van den vrome
aan. 31. Indien gij zelfs uwe hand tegen mij opheft om mij te dooden,
zou ik de mijne niet uitstrekken om u te dooden; want ik vrees God,
den heer van alle schepselen [459]. 32. Ik heb liever dat gij mijne
onrechtvaardigheid en uwe eigene onrechtvaardigheid draagt, en dat
gij een makker in het vuur verkrijgt; want dat is de belooning van
den onrechtvaardige. 33. En zijne ziel drong hem, zijn broeder te
dooden en hij doodde hem; zoodat hij tot hen behoorde die verdoemd
zijn. 34. En God zond eene raaf die de aarde krabde, om hen te toonen,
hoe hij het lichaam van zijn broeder moest verbergen, en hij zeide:
Wee over mij! ben ik niet in staat gelijk deze raaf te zijn, dat ik
het lijk van mijn broeder zou kunnen verbergen? en hij behoorde tot
hen die berouw hebben. 35. Daarom bevolen wij de kinderen IsraÎls,
dat hij, die eene ziel doodt, zonder dat die eene ziel hebbe gedood,
of eene misdaad op aarde hebbe bedreven [460], zal zijn alsof hij
alle menschen had gedood [461], doch hij die iemand het leven redt,
zal zijn alsof hij het leven van alle menschen had gered. 36. Onze
apostels kwamen later tot hen, met duidelijke wonderen, maar zelfs
daarna waren velen hunner zondaren op aarde. 37. Maar de belooning
van hen die tegen God en zijn apostel strijden, en er op bedacht zijn,
op aarde slecht te handelen, zal wezen, dat zij gedood zullen worden,
of gekruisigd, of dat hunne voeten aan de tegenovergestelde zijden
zullen worden afgesneden of dat zij uit het land zullen worden gebannen
[462]. Dit zal hunne ongenade in deze wereld zijn, en in de volgende
zullen zij een strenge straf ondergaan, 38. Behalve zij, die berouw
zullen gevoelen, alvorens gij hen in uwe macht hebt; want weet, dat
God vergevingsgezind en genadig is. 39. O, ware geloovigen! vreest
God en begeert eene engere verbinding met hem, en strijdt voor zijnen
godsdienst, opdat gij gelukkig moogt zijn. 40. Daarom zij die niet
gelooven, al hadden zij wat op de aarde is, en zelfs tweemaal zooveel,
waarmede zij zich van de straf op den dag der opstanding zouden
willen loskoopen, het zal niet van hen worden aangenomen, maar zij
zullen eene pijnlijke straf ondergaan. 41. Zij zullen begeeren het
vuur te verlaten, maar zij zullen het niet verlaten, en hunne straf
zal doorloopend zijn. 42. Indien een man of eene vrouw mocht stelen,
zult gij hun de handen afsnijden [463], als vergelding voor hetgeen
zij hebben bedreven; dit is eene voorbeeldige straf door God bepaald,
en God is machtig en wijs. 43. Maar hij, die berouw zal hebben na zijn
onrechtvaardigheid en zich verbetert; waarlijk, God zal zich tot hem
wenden [464]; want God is geneigd tot vergeven en genadig. 44. Weet
gij niet, dat het koninkrijk des hemels en der aarde Gode behoort? Hij
straft wie hem behaagt, en hij vergeeft wie hem behaagt; want God is
almachtig. 45. O, Profeet! laat u niet door hem bedroeven, die zich
naar ongetrouwheid spoeden [465], of door hen die met hunne monden
zeggen: wij gelooven, doch wier harten niet gelooven [466], of door
de Joden, die het oor gretig aan de leugens en aan anderen leenen
[467]. Zij verdraaien de woorden der wet van hunne plaatsen [468]
en zeggen: indien u dit gebracht wordt, gelooft het, maar indien dit
u niet gebracht wordt, hoedt u er dan voor [469]; want wie zou hem
van dwaling kunnen redden, dien God op een dwaalweg wil voeren. Zij
wier harten het God niet behaagt te zuiveren, zullen schande in deze
wereld ondergaan, en strenge straf in de volgende. 46. Zij leenen
het oor aan de leugens en eten wat verboden is [470]. Maar indien
zij tot u komen, om door u gericht te worden, richt dan tusschen
hen, of verlaat hen [471], en indien gij hen verlaat, zullen zij
u volstrekt niet deren. Maar indien gij aanneemt te richten, richt
dan tusschen hen met rechtvaardigheid; want God bemint hen, die de
rechtvaardigheid in acht nemen. 47. En hoe zullen zij zich aan uwe
beslissing onderwerpen, terwijl zij de wet hebben verlaten, die Gods
oordeel bevat? Maar zij zullen daarna hunne aangezichten afwenden
[472]; doch dit zijn geene ware geloovigen. 48. Waarlijk wij hebben
hun de wet nedergezonden, bevattende de goede richting en licht. De
profeten, die tot den waren godsdienst behoorden, richtten de Joden
naar dat boek; de leeraren en priesters richtten volgens de gedeelten
van Gods boek; en zij waren er getuigen van [473]. Vrees dus geene
menschen maar vrees mij; en verkoop mijne teekens niet voor een lagen
prijs. En zij die niet richten volgens hetgeen God heeft geopenbaard,
zijn ongeloovigen. 49. Wij hebben hun daarin bevolen, leven voor leven
[474], en oog voor oog, en neus voor neus, en oor voor oor, en mond
voor mond, en dat kwetsuren ook door wedervergelding [475] zouden
gestraft worden. Maar hem die den prijs der straf in aalmoezen zal
weggeven, zal dit als eene voldoening [476] zijn. Zij die niet richten
volgens hetgeen God heeft geopenbaard zijn onrechtvaardig. 50. Wij
hebben ook Jezus den zoon van Maria gezonden, om de voetstappen
der profeten te volgen, overeenkomstig de wet die vÛÛr hem werd
nedergezonden, en wij gaven hem het evangelie, bevattende richting
en licht; mede bevestigende de wet, die te voren was gegeven en eene
richting en waarschuwing voor hen, die God vreezen. 51. Opdat zij,
die het evangelie hebbende ontvangen, mochten richten volgens hetgeen
God daarin had geopenbaard; en zij die niet richten, volgens hetgeen
God heeft geopenbaard, zijn zondaren. 52. Wij hebben u ook het boek,
den Koran, gezonden, met waarheid, bevestigende de schrift, welke
te voren was geopenbaard en dat haar voor verminking behoedt. Richt
dus tusschen hen, overeenkomstig hetgeen God heeft geopenbaard, en
volgt hunne begeerten niet, door van de waarheid af te dwalen, die u
is geworden. Ieder uwer hebben wij eene wet gegeven en een open weg
[477]. 53. En indien het Gode had behaagd, zou hij zeker ÈÈn volk van
u hebben gemaakt; maar hij heeft uwe getrouwheid willen beproeven,
nopens de inachtneming van hetgeen hij u heeft gegeven. Streeft er dus
naar, elkander in goede daden te overtreffen. Gij zult allen tot God
terugkeeren en dan zal hij u datgene verklaren, waarover gij getwist
hebt. 54. Daarom, o Mahomet! richt tusschen hen overeenkomstig
hetgeen God heeft geopenbaard, en volg hunne begeerten niet,
maar neem u in acht, uit vrees dat zij u noodzaken, van een deel
dezer voorschriften af te dwalen, die God u heeft nedergezonden;
en indien zij zich afwenden [478], weet dan, dat het Gode behaagt,
hen voor eenige hunner misdaden te straffen; want een groot getal
der menschen zijn zondaren. 55. Verlangen zij dus het oordeel der
onwetendheid [479]? Maar wie is beter dan God, om tusschen hen te
richten die waarlijk gelooven? 56. O, ware geloovigen! neemt niet de
Joden of Christenen tot vrienden; zij zijn elkanders vrienden; maar hij
uwer, die hen tot vrienden neemt, is zekerlijk een hunner. Waarlijk,
God leidt de onrechtvaardigen niet. 57. Gij zult hen zien, in wier
harten eene zwakheid heerscht, hoe zij zich haasten, zeggende:
wij vreezen, dat ons eenigerhande tegenspoed overkomt; maar het is
God gemakkelijk, de overwinning te schenken, of een bevel van Hem,
dat zij berouw mogen gevoelen, omtrent hetgeen zij in hun binnenste
hebben besloten. 58. En zij die gelooven, zullen zeggen: zijn dit
de menschen die, met den plechtigsten eed, bij God zwoeren, dat zij
zeker tot ons behoorden [480]? Hunne werken zijn ijdel geworden en
zij behooren tot de verdoemden. 59. O, ware geloovigen! hij van u,
die van zijnen godsdienst afstand doet, God zal zeker een ander volk
brengen, dat hij zal beminnen en dat hem zal beminnen. Dat volk zal
nederig omtrent de geloovigen en gestreng omtrent de ongeloovigen zijn;
zij zullen voor den godsdienst des Heeren strijden en de afkeuring van
den lasterende niet vreezen. Dit is Gods goedheid; hij schenkt dien
aan wien het hem behaagt. God is groot en wijs. 60. Waarlijk uw schuts
is God en zijn, apostel; en zij die gelooven, die de bepaalde tijden
van het gebed in acht nemen en aalmoezen geven en zich nederbuigen, om
God te aanbidden. 61. En zij die God en zijn apostel en de geloovigen
als hunne vrienden [481] kiezen, behooren tot de partij van God en
zullen de zege behalen. 62. O, ware geloovigen! kiest als uwe vrienden
niet hen, wie de schriften vÛÛr u waren gegeven, of de ongeloovigen,
die uwen godsdienst tot het onderwerp van hunne lachlust en bespotting
maken; maar vreest God, indien gij ware geloovigen zijt. 63. Noch
hen, die, wanneer zij hooren bidden, daarvan een onderwerp van
lachlust en bespotting maken [482]; zij doen dit omdat zij het
niet begrijpen. 64. Zegt: o gij! die de schriften hebt ontvangen,
verwerpt gij ons om eene andere reden, dan omdat wij in God gelooven,
in hetgeen ons werd nedergezonden, en dat wat vroeger nedergezonden
werd, en omdat het grootste deel van u zondaren zijn? 65. Zeg hun:
zal ik u eene vreeselijker zaak verkondigen dan diegene, welke gij
van God kunt verwachten? Zij die God heeft gevloekt, en omtrent welke
God toornig was; die hij in apen en varkens veranderde [483]; zij die
Taghut [484] aanbidden, zijn in den slechtsten staat en dwalen verder
van den weg. 66. Toen zij tot u kwamen, zeiden zij: wij gelooven, doch
zij traden in uw gezelschap met ongetrouwheid en gingen daarmede van
u weg; maar God kent goed wat zij verbergen. 67. Gij zult velen van
hen zien, wedijverende in oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, en die
verboden spijzen eten. Hoe verachtelijk zijn hunne daden. 68. Indien
hunne wetgeleerden en priesters het niet waren, die hun verboden
zonden te begaan en ongeoorloofde spijzen te eten, welke verachtelijke
daden zouden zij niet bedrijven! 69. De Joden zeggen, de hand van
God is geketend. Hunne handen zullen geketend zijn [485], en zij
zullen gevloekt worden, om hetgeen zij hebben gezegd. Neen! zijne
beide handen zijn geopend; Hij beschikt naar zijn welbehagen. Wat u
van uwen Heer is neder gezonden zal de zonde en de ongetrouwheid van
velen hunner vermeerderen, en wij hebben de vijandschap en den haat
tusschen hen geplaatst, tot op den dag der opstanding. Zoo dikwijls zij
het oorlogsvuur zullen ontsteken, zal God het uitblusschen [486], en
zij zullen in hun binnenste besluiten, slecht op aarde te handelen;
maar God bemint de boozen niet. 70. Daarom, indien zij, die de
schriften hebben ontvangen, gelooven en God vreezen zullen wij zeker
hunne zonden uitwisschen, en wij zullen hen in genoegelijke tuinen
voeren; en indien zij den pentateuch in acht nemen en het evangelie
en dat wat vroeger door hunnen Heer werd nedergezonden, zullen zij
zeker eten van goede spijzen, van boven hen en onder hunnen voet
[487]. Onder hen zijn er, die oprecht handelen; maar hoe slecht is het
wat velen onder hen doen! 71. O, profeet! maakt het geheel bekend, wat
u door uwen Heer werd nedergezonden; want indien gij het niet doet,
vervult gij niet uwen last, en God zal verdedigen tegen de boozen
[488]; want God leidt de ongeloovigen niet. 72. Zeg: o gij! die de
schriften hebt ontvangen, gij zijt met niets grondig bekend, indien gij
niet den pentateuch en het evangelie in acht neemt, en dat wat door
uwen Heer is nedergezonden. Dat wat door uwen Heer is nedergezonden,
zal zeker de boosheid en de ontrouw van velen hunner vermeerderen;
maar bekreun u niet om de ongeloovigen. 73. Waarlijk zij die gelooven
[489], en de Joden, en de SabeÔsten en de Christenen, wie hunner in
God gelooven, in den jongsten dag, en weldoen, geen vrees zal over
hen komen en nimmer zullen zij bedroefd worden [490]. 74. Wij hebben
vroeger het verbond van de kinderen IsraÎls aangenomen en gezanten
tot hen gezonden. Zoo dikwijls een apostel tot hen kwam, met dat
wat hunne zielen niet begeerden, beschuldigden zij sommigen van hen
van misleiding, en doodden eenigen van hen. 75. Zij verbeeldden zich
dat zij daarvoor niet zouden worden gestraft, en zij werden blind en
doof [491]. Daarop wendde God zich tot hen, daarna werden velen van
hen blind en doof, maar God zag wat zij deden. 76. Zij zijn zeker
ongeloovigen, die zeggen: waarlijk, Christus, de zoon van Maria, is
God, daar toch Christus zeide: O, kinderen IsraÎls! dient God, mijn
Heer en de uwe; wie een ander naast God plaatst, zal door God van het
paradijs uitgesloten worden, en het hellevuur zal zijne woning zijn;
en de goddeloozen zullen niemand hebben, die hen helpt. 77. Zij zijn
waarlijk ongeloovigen, die zeggen: God is de derde der drieÎenheid
[492], want er is geen God behalve den eenigen God, en indien zij
niet terugkomen van hetgeen zij zeggen, eene pijnlijke straf zal
hun worden opgelegd, daar zij ongeloovigen zijn. 78. Zullen zij dus
niet tot God terugkeeren en hem vergiffenis vragen? God is genadig
en barmhartig. 79. Christus, de zoon van Maria, is niets meer dan
een apostel: andere apostels zijn hem voorafgegaan, en zijne moeder
was eene vrouw van waarheid [493]. Zij beiden gebruikten voedsel
[494]. Gij ziet hoe wij de teekenen Gods onder hen openbaarden, en
ziet dan hoe zij zich afwenden. 80. Zeg hun: wilt gij aanbidden naast
God, wat u kan deren noch nuttig zijn? God hoort en ziet. 81. Zeg:
o gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de ware grenzen
in uwen godsdienst niet [495], door onwaarheid te spreken, noch
volgt de begeerten van het volk, dat vroeger dwaalde, en dat velen
heeft verleid en den rechten weg [496] heeft verlaten. 82. Zij,
die onder de kinderen IsraÎls niet geloofden, werden door de tong
van David en door die van Jezus, den zoon van Maria [497], gevloekt
[498], omdat zij oproerig en verdorven waren; zij verboden elkander
de zonden niet die zij bedreven, en wee hun om hetgeen zij hebben
bedreven. 83. Gij zult velen ongeloovigen tot hunne vrienden zien
nemen. Wee over hen, om hetgeen hunne zielen hun hebben ingegeven
[499], en weshalve God toornig over hen is; en zij zullen eeuwig
in de marteling blijven. 84. Maar indien zij in God hadden geloofd,
in den profeet en hetgeen hem werd geopenbaard, hadden zij hem niet
als vrienden genomen; maar velen hunner zijn boosdoeners. 85. Gij
zult zeker vinden, dat de hevigsten in vijandschap omtrent de ware
geloovigen, de Joden en de afgodendienaars zijn, en gij zult zeker
vinden, dat zij onder hen, die het meest er toe overhellen, vriendschap
met de trouwe geloovigen te sluiten, diegene zijn, welke zeggen: wij
zijn Christenen. Dit komt, omdat er priesters en monniken onder hen
zijn, en omdat zij niet van hoogmoed vervuld zijn. 86. En wanneer
zij, hetgeen den apostel werd nedergezonden, zullen hooren lezen,
zult gij hunne oogen zien overstroomen van tranen, door de waarheid
die zij zullen ontdekken [500], zeggende: o Heer! wij gelooven;
schrijf ons dus op met hen, die getuigenis afleggen der waarheid
van den Koran. 87. En wat zou ons verhinderen in God te gelooven en
de waarheid, die tot ons is gekomen, en ernstig te begeeren, dat
God ons met de rechtvaardigen in het paradijs leide? 88. Daarvoor
heeft God hen beloond, om hetgeen zij hebben gezegd, met tuinen van
rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin verblijven; en dat
is de belooning voor den rechtvaardige. Maar zij die niet gelooven,
en onze teekens van valschheid beschuldigen, zij zullen makkers der
hel zijn. 89. O ware geloovigen! verbiedt niet de goede dingen, die
God u heeft veroorloofd [501], maar zondigt niet; want God bemint
de zondaars niet. 90. Eet hetgeen God u tot voedsel heeft gegeven,
hetgeen wettig en goed is, en vreest God, in wien gij gelooft. 91. God
zal u niet straffen voor een onbedacht woord in uwe eeden [502], maar
hij zal u straffen voor hetgeen gij plechtig zweert en schendt. En de
boete voor zulk een eed zal zijn, het voeden van tien arme lieden met
zulk middelmatig voedsel als dat, waarmede gij uw gezin voedt, of hen
te kleeden, of het bevrijden van den nek van een waren geloovige uit de
slavernij; maar hij die aan geen dezer drie dingen zal kunnen voldoen,
moet drie dagen vasten [503]. Dit is de boete voor uwe geschondene
eeden, indien gij onverdacht zweert. Let daarom op uwe eeden. Zoo
verklaart God u zijne teekens, opdat gij dankbaar moogt zijn. 92. O
ware geloovigen! waarlijk, wijn en spelen [504], en beelden [505] en
het raadplegen van pijlen zijn een gruwel van satans vinding: mijdt die
dus, opdat gij gelukkig moogt zijn. 93. Satan tracht tweedracht en haat
onder u te zaaien, door middel van wijn en spelen, en u te verwijderen
van de herdenking van God en de geboden. Wilt gij u dus daarvan niet
onthouden? Gehoorzaamt God en gehoorzaamt den apostel, en hoedt u;
maar indien gij u afwendt, weet dan dat de plicht van onzen apostel
alleen bestaat in het openbaar te prediken. 94. Zij die gelooven en
goede werken doen, zullen niet gezondigd hebben, indien zij van wijn
of spel gebruik hebben gemaakt, alvorens wij het verboden, indien
zij God vreezen, en gelooven en goede werken verrichten, en voortaan
God vreezen, en gelooven en volharden God te vreezen en wel te doen
[506]; want God bemint hen die goed doen. 95. O ware geloovigen! God
zal u zeker (op den pelgrimstocht) beproeven met wild, dat gij met
uwe handen of uwe lansen zult kunnen vangen, opdat God zou kennen,
wie hem in het geheim vreest; maar wie daarin zondigt zal een strenge
straf ondergaan. 96. O ware geloovigen! doodt geen wild, terwijl gij
aan den pelgrimstocht deelneemt. Hij onder u, die een dier opzettelijk
heeft gedood, zal een gelijk dier moeten teruggeven, als datgene wat
hij doodde, in huisdieren [507], overeenkomstig de beslissing van
twee rechtvaardige personen, om als een offer naar den Caaba-tempel
te worden gebracht, of ter vergoeding daarvan zal hij armen voeden,
of, in plaats daarvan vasten, opdat hij de afschuwelijkheid van zijne
daad moge gevoelen. God heeft vergeven wat voorbij is, maar hij die
nogmaals zondigt, op dien zal God zich wreken; want God is machtig en
in staat tot wraak. 97. Het is u geoorloofd, in de zee te visschen
[508] en wat gij vangt te eten, als leeftocht voor u en voor hen
die reizen, maar het is u niet geoorloofd op het land te jagen,
terwijl gij de ceremoniÎn van den pelgrimstocht vervult. Vreest
daarom God; want eens zult gij tot hem verzameld worden. 98. God
heeft den Caaba, het heilige huis, als eene inrichting voor den
mensch gemaakt, en heeft de heilige maand bevolen, en het offer en
de versierselen daaraan te hangen, opdat gij zoudt weten, dat God
kent wat in den hemel en op aarde is, en dat God alwetend is. Weet,
dat God gestreng straft, en dat God ook vergevingsgezind en genadig