en uit dezen diens vrouw, en uit beiden vele mannen en vrouwen deed
ontstaan. Vreest God, tot wien gij voor elkander bidt [310], en eert
de vrouw [311] die u heeft geboren: want God waakt over u. 2. Geeft
de weezen hun vermogen (als zij meerderjarig zijn geworden), en
geeft hun geen slecht voor goed [312]. Verteer hun vermogen niet,
door het bij het uwe te voegen; want dit is eene groote zonde. 3. En
indien gij vreest, niet rechtvaardig te kunnen zijn omtrent de weezen
(der vrouwelijke kunne), neem dan, naar uw behagen, twee of drie,
of vier vrouwen, maar niet meer [313]. Indien gij echter toch vreest,
niet rechtvaardig te kunnen zijn, neem dan eene, of eene der slavinnen
die gij u verworven hebt [314]. Dan zal het u gemakkelijker zijn,
niet van den rechten weg af te dwalen. En geef uwe vrouwen insgelijks
hare huwelijksgiften [315], en indien zij u vrijwillig daarvan
een deel afstaan, geniet het dan met gemak en nut. 4. Vertrouw
het vermogen der zwakken van zinnen [316], hetwelk God u tot hun
onderhoud heeft gegeven, niet in hunne handen, maar voed hen; geef
hun kleederen en spreek vriendelijk met hen. 5. Onderzoekt de weezen
[317] tot zij de jaren des huwelijks hebben bereikt [318]. Vindt
gij hen in staat, om hunne zaken zelf te besturen, geeft hun dan
hun vermogen terug. Neemt u in acht, dat gij het niet buitensporig
verteert en haast u niet. 6. Want zij groeien op [319]. Dat de rijke
voogd zich in acht neme, het geld van zijn pupil aan te raken, en
laat hij, die arm is, naar billijkheid van hun vermogen genieten
[320]. 7. Als gij hun het vermogen overgeeft, neemt dan getuigen in
hunne tegenwoordigheid. God vordert rekenschap van uwe daden en dat
is voldoende. 8. De mannen komt een deel toe van hetgeen ouders en
bloedverwanten nalaten, de vrouwen moeten mede een deel hebben van
hetgeen ouders of bloedverwanten nalaten [321], hetzij weinig of veel;
een bepaald deel komt hun toe. 9. Indien de verwanten, weezen en armen
tegenwoordig zijn bij de deeling, verdeel dan een gedeelte onder hen,
en spreek hen ten minste vriendelijk aan, indien er weinig aanwezig
is. 10. Laat degenen huiveren, weezen te bedriegen, die jonge kinderen
nalaten, en voor hen vreezen. Zij moesten God vertrouwen en slechts
eene gepaste taal voeren [322]. 11. Zij, die het vermogen der weezen
onoprecht verteren, brengen het vuur in hunne ingewanden, en zullen
eens in heete vlammen braden. 12. God heeft u dit, betreffende uwe
kinderen, geboden. Een knaap zal zooveel hebben als het deel van twee
vrouwen [323]; maar indien het alleen vrouwen zijn, en meer dan twee,
zullen zij twee derden der nalatenschap [324], en indien er maar eene
is, zal zij de helft [325] hebben. En de ouders van den overledene
zullen ieder een zesde gedeelte ontvangen van hetgeen hij nalaat,
indien hij een kind heeft achtergelaten. Indien hij geen kind nalaat,
en zijne ouders zijne erven zijn, zal de moeder een derde [326]
hebben. En indien hij broeders heeft, zal zijne moeder een zesde
hebben, nadat de legaten [327] en de schulden van den erflater zullen
betaald zijn. Gij weet niet, of uwe kinderen of uwe ouders u nuttiger
zijn. Dit is een bevel van God, de alwetende en alwijze. 13. Buitendien
moogt gij aanspraak maken op de helft van hetgeen uwe vrouwen nalaten,
indien zij geene kinderen hebben; en indien zij kinderen bezitten,
dan zult gij het vierde ontvangen van hetgeen zij nalaten, nadat
de legaten en hare schulden zullen betaald zijn. 14. Zij zullen ook
het vierde hebben van hetgeen gij zult nalaten. Indien gij kinderen
hebt, zullen zij het achtste gedeelte hebben van hetgeen gij nalaat,
nadat uwe legaten en schulden zullen zijn betaald. 15. En indien het
vermogen van een man of eene vrouw door een verwijderde bloedverwant
wordt geÎrfd [328], en hij of zij een broeder of zuster heeft,
dan zal ieder van hen beiden een zesde gedeelte der nalatenschap
[329] ontvangen. Indien er meer zijn, zullen zij een derde gedeelte
gelijk deelen, na betaling der legaten en schulden. 16. Zonder
daardoor aan anderen nadeel toe te brengen. Dit is een bevel van
God; hij is wijs en genadig. 17. Dit zijn Gods bevelen. En wie God
en zijne gezanten gehoorzaamt, zal door God in tuinen geleid worden
van stroomen doorsneden. Hij zal eeuwig daarin verblijven, en dit
zal eene groote gelukzaligheid zijn. 18. Maar hij die God en zijne
gezanten ongehoorzaam is en zijne bevelen overtreedt, zal in het vuur
der hel komen. Hij zal daarin eeuwig verblijven en eene schandelijke
straf ondergaan. 19. Indien uwe vrouwen aan eene afschuwelijke daad
[330] schuldig zijn, roep dan vier getuigen van u tegen haar, en
indien deze tegen haar getuigen, sluit haar op in afzonderlijke
vertrekken, tot de dood haar bevrijdt, of dat God haar een weg tot
redding schenkt. 20. Indien twee uwer dezelfde misdaad begaan, straf
hen beiden [331]; maar indien zij berouw hebben en zich beteren, laat
hen met rust; want God is vergevingsgezind en barmhartig. 21. Waarlijk,
bij God is verzoening voor hen, die in onwetendheid gezondigd en er
spoedig berouw over hebben. God vergeeft hun; want God is alwetend
en wijs. 22. Maar er is geene verzoening voor hen, die het booze
doen tot de dood hen treft, en dan eerst zeggen: Ik heb berouw; ook
voor hen niet die als ongeloovigen sterven. Voor dezen hebben wij
een strenge straf bepaald. 23. O geloovigen! het is niet geoorloofd,
de erfgenamen van vrouwen te worden, tegen haren wil, noch haar te
beletten te trouwen; om daardoor een deel te ontvangen van hetgeen
gij haar gegeven hebt, behalve indien zij eene openbare misdaad [332]
hebben begaan; maar ga goed met haar om. Indien gij haar echter haat,
dan kan het mogelijk zijn, dat gij iets haat, waarin door God groot
geluk voor u is bereid. 24. Indien gij eene vrouw tegen eene andere
wilt verruilen [333], en hadt gij reeds eene van haar een talent
gegeven, dan nog moogt gij niets daarvan terugnemen [334]. Zoudt
gij het haar ook door eene onrechtvaardigheid en klaarblijkelijke
oneerlijkheid willen afnemen? 25. En hoe zoudt gij het haar ook willen
afnemen, dewijl gij innig met elkander verbonden zijt geweest en uwe
vrouw uwe plechtige gelofte heeft ontvangen. 26. Huw de vrouwen niet,
die de echtgenooten van uwe vaders waren, hetgeen reeds geschied is;
want het is schandelijk en afschuwelijk, en eene slechte daad. 27. Het
is u verboden te huwen met uwe moeders, uwe dochters en uwe zusters,
en uwe tantes, zoowel van vaders als van moeders zijde; de dochters
van uwe broeders en zusters, uwe voedsters [335], uwe zoogzusters,
de moeder uwer vrouwen en uwe stiefdochters, welke gij onder uwe
bescherming hebt genomen, en uit vrouwen geboren zijn, met welke gij
reeds omgang hebt gehad. Hebt gij echter geen omgang met haar gehad,
dan is er geene zonde in met haar te huwen. Huw ook niet met de vrouwen
uwer zonen, die uit u zijn ontsproten, noch twee zusters, behalve wat
reeds is geschied [336]; want God is genadig en barmhartig. 28. Het
is verboden, getrouwde vrouwen te huwen, behalve diegene, welke als
slavinnen [337] in uwe handen zijn gevallen. Zoo gebiedt God het
u. Al het overige wat hier niet wordt verboden, is geoorloofd. Gij
kunt uw vrouwen nemen naar uw vermogen, maar altijd sober levende en u
niet aan ongebondenheid overgevende. En voor het genoegen dat gij met
haar smaakt, zult gij haar eene belooning geven [338], overeenkomstig
hetgeen is voorgeschreven. Het zal geene misdaad van u zijn, indien
gij daarenboven eene andere overeenkomst met elkander aangaat, na
het volvoeren van hetgeen is voorgeschreven; want God is alwetend
en wijs. 29. Hij onder u, die niet rijk genoeg zal zijn, vrije [339]
vrouwen die geloovig zijn te huwen, zal met slavinnen huwen, indien
zij geloovig zijn; want God kent uw geloof [340]. Gij zijt de een uit
den ander voortgekomen [341]; huw haar daarom met de toestemming harer
meesters, en geef haar een bruidschat, volgens hetgeen rechtvaardig
is. Laat haar kuisch, niet schuldig aan overspel zijn en geene
liefdesbetrekkingen onderhouden. 30. En indien zij gedurende het
huwelijk overspel plegen, zullen zij de helft der straf ondergaan,
die voor vrije vrouwen is bepaald [342]. Dit is bepaald voor degenen
onder u, die vreezen te zondigen door vrije vrouwen te huwen; maar het
is beter voor u, geene slavin te huwen. God is genadig en mild. 31. God
wil u deze voorschriften verklaren en u leiden in de richting van hen,
die u zijn vooraf gegaan, en genadig omtrent u zijn. God is alwetend
en wijs. 32. God wil barmhartig omtrent u zijn; maar zij die hunne
hartstochten volgen, verlangen, dat gij zult afwijken langs eene
steile helling. God is geneigd, zijnen godsdienst licht voor u te
maken, daar de mensch zwak geschapen is. 33. O geloovigen! verteert
uwe bezittingen niet onder u in ijdelheid [343], tenzij het bij
wederzijdsche verbintenis tusschen u is bepaald; doodt u niet onder
elkander [344]. Waarlijk, God is lankmoedig omtrent u. 34. Hij,
die zoodoende, door boosheid en ondeugd zal handelen, zal door het
vuur der hel verteerd worden, en dit is God gemakkelijk. 35. Indien
gij de groote zonden weet te vermijden [345], welke u verboden zijn,
zullen wij uwe overtredingen vergeven, en zullen u met eere binnen
het paradijs voeren. 36. Begeer niet wat God den een boven den ander
uwer heeft geschonken. De mannen zullen ieder een deel hebben van
hetgeen zij gewonnen hebben, en de vrouwen zullen het deel hebben
van hetgeen zij zullen hebben gewonnen; daarom zult gij God om zijne
goedheid vragen. Hij is alwetend. 37. Wij hebben ieder de erfgenamen
aangewezen, die de erfenis zullen ontvangen, door vader en moeder
en bloedverwanten bij hunnen dood nagelaten. En hun met wien uwe
rechterhanden verbintenissen hebben gesloten, zult gij een deel van
de erfenis geven [346]; want God is getuige van alle dingen. 38. De
mannen zullen de voorkeur boven de vrouwen hebben, door de voordeelen,
waarmede God den een heeft begiftigd, om boven de anderen uit te
munten, en omdat zij van hun vermogen besteden om hunne vrouwen te
onderhouden. De deugdzame vrouwen zijn gehoorzaam en onderworpen;
zij bewaren zorgvuldig, gedurende de afwezigheid harer mannen [347],
wat God haar bevolen heeft ongeschonden te bewaren. Gij zult haar
bestraffen, wier ongehoorzaamheid gij hebt te vreezen. Sluit haar
in afzonderlijke vertrekken op [348] en tuchtigt haar [349]. Maar
indien zij u gehoorzaam zijn, zoekt dan geen twist met haar. God
is verheven en groot. 39. Indien gij eene breuk tusschen de beide
echtgenooten vreest, kies dan een scheidsrechter [350] in zijne familie
en een scheidsrechter in hare familie: indien de echtgenooten zich
wenschen te vereenigen, zal God hen in goede verstandhouding doen
leven; want hij is alwetend en wijs. 40. Dien God en verbind geen
schepsel met hem [351]. Wees goed voor uwe vaders en moeders, voor
bloedverwanten, weezen, armen, uwen nabuur, die u bestaat [352] en
ook voor den nabuur die vreemdeling is; voor uwe makkers, reizigers
en voor hen die uwe rechterhand zal bezitten (slaven). God bemint
de hoovaardige en snoevende menschen niet. 41. Die gierig zijn en
de gierigheid anderen aanbevelen, en verbergen wat God hun in zijne
goedheid heeft gegeven. Wij hebben den ongeloovigen eene schandelijke
straf bereid. 42. Hij bemint degenen niet, die aalmoezen geven om
door de menschen te worden opgemerkt, en in God noch in den jongsten
dag gelooven. Hij, die satan tot makker heeft, bezit een slechten
makker. 43. Wat zouden zij verloren hebben, indien zij aan God en
den laatsten dag geloofden; indien zij aalmoezen gaven van weldaden
die God hun heeft geschonken, naardien God de daden der menschen
kent. 44. Waarlijk, God zal geen onrecht doen, aan wien het ook zij,
zelfs niet ter zwaarte van een atoom [353]. Indien het eene goede
daad is, zal hij die verdubbelen, en daarvoor eene groote belooning
schenken. 45. Wat zullen de ongeloovigen doen, wanneer wij een getuige
uit ieder volk tegen hen zullen brengen, o Mahomet! en uwe eigene
getuigenis tegen hen zullen inroepen. Op dien dag zullen zij, die niet
geloofd hebben en wederspannig jegens den profeet zijn geweest, veeleer
willen, dat de aarde hen had verzwolgen. Maar zij zullen zich op
geenerlei wijze voor God kunnen verbergen. 46. O geloovigen! komt niet
om te bidden, indien gij beschonken zijt, totdat ge zult verstaan wat
gij zegt; noch wanneer gij bezoedelt zijt. Wacht, tot gij uw aangezicht
gewasschen hebt, ten minste wanneer gij niet op reis zijt. Maar indien
gij ziek of op reis zijt, of uwe natuurlijke behoeften hebt voldaan,
of eene vrouw hebt aangeraakt, en geen water [354] vindt, neemt dan
zuiver, fijn zand en wrijft uw aangezicht en uwe handen daarmede; want
God is genadig en vergevingsgezind. 47. Hebt gij hun niet opgemerkt,
onder welke een deel der schrift werd geopenbaard? Zij verkoopen
dwaling en zouden u den rechten weg willen doen verlaten; maar God
kent uwe vijanden wel. God is een voldoende beschermer. God is een
toereikend helper. 48. Onder de Joden zijn sommigen, die de woorden
uit hunne schrift verplaatsen en zeggen: Wij hebben gehoord, maar wij
hebben niet gehoorzaamd. Hoort wat gij tot nu toe niet gehoord hebt,
en hoort ons, ook zonder onze meening te verstaan, en zie naar ons;
zoo verwarren zij de woorden met hunne tongen en lasteren den waren
godsdienst. 49. Maar indien zij zouden gezegd hebben: Wij hebben
gehoord en wij gehoorzamen; hoort naar ons en sla ons gade [355],
waarlijk het ware beter voor hen en rechtvaardiger. Maar God heeft
hen verwenscht om hunne ongetrouwheid; daarom zullen slechts eenigen
kunnen gelooven [356]. 50. Gij, aan wie de schriften zijn gegeven,
gelooft aan hetgeen God u heeft nedergezonden, om uwe geheiligde
boeken te bevestigen, alvorens wij de trekken van uwe aangezichten
uitwisschen, en die elders heen wenden [357], of u vervloeken, zoo
als wij hen vervloekten, die den sabbathdag schonden [358], en het
bevel van God was volvoerd. 51. Waarlijk, God zal hun niet vergeven,
die een gelijke naast hem plaatsen. Hij zal de andere zonden vergeven
[359] aan wien hij wil, maar zij die een ander met hem gelijk zullen
hebben gesteld, hebben eene groote zonde begaan. 52. Hebt gij hen
niet gezien die zich rechtvaardigden [360]? Maar God zal slechts
hen rechtvaardigen die hem behagen; hun zal geen haar gekrenkt
worden. 53. Ziet, hoe zij een leugen tegen God bedenken. Dat is
genoeg voor een duidelijke zonde, 54. Hebt gij hen niet opgemerkt,
die, na een deel van de schrift te hebben ontvangen, aan valsche
goden en afgoden gelooven [361], en die den ongetrouwen zeggen, dat
zij een meer waren weg dan de geloovigen volgen. 55. Dat zijn zij,
die door God vervloekt zijn; en onder hen die God zal vervloeken,
zullen zij zeker geen helper vinden. 56. Zouden zij een deel van het
koninkrijk hebben; zij die niet het kleinste deel aan de menschen
hebben gegeven? 57. Benijden zij de weldaden, die God aan anderen
heeft geschonken? Wij hebben het geslacht van Abraham een boek van
wijsheid gegeven, en wij gaven hun een groot koninkrijk. 58. Onder
hen gelooven eenigen aan den profeet, en anderen hebben zich van hem
afgewend; maar het vuur der hel is een toereikende straf. 59. Waarlijk,
zij die onze teekenen niet gelooven, zullen in het hellevuur geworpen
worden; zoodra hunne huid goed verbrand zal zijn, zullen wij hen met
een andere huid bedekken, om hun de marteling te doen gevoelen. God
is machtig en wijs. 60. Zij die gelooven en goed handelen, zullen wij
brengen in tuinen door rivieren besproeid; daarin zullen zij eeuwig
wonen, en daar zullen zij zich met geheel kuische vrouwen verheugen
en wij zullen hen in eeuwige schaduwen brengen. 61. God beveelt u,
den eigenaars terug te geven wat gij van hen onder uwe bewaring hebt,
en als gij tusschen menschen richt, dat gij eerlijk zult richten. En
waarlijk, het is eene schoone deugd die God u aanbeveelt; want God
hoort en ziet alles. 62. O geloovigen! gehoorzaamt God en gehoorzaamt
den gezant; en hun onder u die de macht uitoefenen; en indien gij
omtrent eene of andere zaak verschilt, brengt dan uw geschil voor God
[362] en den profeet, indien gij in God en den jongsten dag gelooft;
dit is beter en de beste wijze van beslissing. 63. Hebt gij hen niet
gezien, die beweren, aan datgene te gelooven wat u is geopenbaard en
wat vÛÛr u werd geopenbaard? Zij verlangen voor Thagut [363] te worden
gericht, hoewel het hun verboden is, in hem te gelooven. Maar satan
wil hen ver van de waarheid leiden. 64. En wanneer men hun zegt: Keert
tot het boek terug, dat den godsgezant van boven is nedergezonden,
ziet gij de goddeloozen zich met tegenzin van u afwenden. 65. Maar wat
zullen zij doen, aan welke, als een gevolg van het werk hunner eigen
handen, een groot ongeluk zal overkomen? Zij zullen tot u komen en
bij God zweren, dat zij slechts het goede en de eendracht verlangen
[364]. 66. God weet, wat in de harten dier menschen is verborgen;
laat hen daarom alleen. Waarschuw hen en richt een woord tot hen,
opdat hunne zielen daarvan worden doordrongen. 67. Wij hebben
geen apostel gezonden, dan opdat hij door het verlof van God mocht
worden gehoorzaamd; maar indien zij, nadat zij hunne eigen zielen
hebben beleedigd [365], tot u komen en God vergiffenis vragen, en
de godsgezant vraagt vergiffenis voor hen, zullen zij God zeker tot
vergeving gezind en barmhartig vinden. 68. Ik zweer bij uwen God,
zij zullen niet geloovig zijn, dan nadat zij u rechter over hunne
geschillen zullen hebben gemaakt, en niets in te brengen hebbende
tegen hetgeen gij hebt beslist, zullen zij zich daaraan geheel
onderwerpen. 69. Indien wij hun hadden bevolen, zich zelven te
dooden, of hunne huizen te verlaten, zouden zij het, eenigen van hen
uitgezonderd, niet gedaan hebben. En indien zij gedaan hadden wat hun
bevolen werd, waarlijk, het zou beter voor hen zijn geweest, en meer
geschikt om hun geloof te bevestigen. 70. Wij zouden hen rijkelijk
beloond en op den rechten weg geleid hebben. 71. Zij, die in God en
den profeet gelooven, zullen onder hen zijn, die God genadig was;
onder de profeten, de oprechten, de martelaars, de godvruchtigen, en
dat is het uitmuntendste gezelschap. 72. Dit is Gods goedheid; en Gods
wetenschap is toereikend. 73. O geloovigen! neemt uwe voorzorgen [366]
tegen den oorlog en rukt in gedeelten of gezamenlijk op. 74. Er is
menigeen onder u, die u langzaam zal volgen, en indien gij tegenspoed
zult ondervinden, zal hij zeggen: God heeft mij eene bijzondere gunst
bewezen, dat ik niet met hen was. 75. Maar indien God u voorspoed
geeft, zal hij zeggen (als was er geene vriendschap tusschen u en en
hem: God gave, dat ik met hen ware geweest; ik zou groote verdienste
hebben verworven. 76. Laten zij daarom voor Gods zaak strijden, die
het tegenwoordige leven voor het toekomstige willen verruilen; want
hij die voor Gods zaak strijdt, hetzij hij geslagen wordt of overwint
[367] waarlijk, wij zullen hem eene groote belooning schenken. 77. En
waarom zoudt gij niet voor Gods zaak strijden, als de zwakken, de
vrouwen, de kinderen uitroepen: O Heer! breng ons uit deze stad, wier
bewoners dwingelanden zijn; zend ons een beschermer van u; geef ons
een verdediger van u. 78. Zij die gelooven strijden voor Gods zaak,
maar zij die niet gelooven strijden voor de zaak van Thagut. Strijdt
daarom tegen de vrienden van satan: en waarlijk de listen van satan
zullen onmachtig zijn. 79. Hebt gij hen niet gezien tot welke was
gezegd: Onthoudt uwe handen van den oorlog [368], weest standvastig
in het gebed en geeft aalmoezen? Maar als de strijd hun wordt bevolen
vreest een deel hunner de menschen, zooals zij God moesten vreezen,
of met nog grooter vrees, en zeggen: O Heer! waarom hebt gij ons
bevolen ten strijd te gaan, en waarom hebt gij ons niet veroorloofd,
ons naderend einde [369] af te wachten? Antwoordt hun: Het genot van
dit leven is klein, maar het toekomstige leven is het ware goed voor
hen, die God vreezen; en daar zult gij in het minst niet bedrogen
worden. 80. Waar gij ook mocht wezen zal de dood u bereiken; al waart
ge in hooge torens. Indien God hen begunstigt, zeggen zij: Dit is
van God, maar indien hun kwaad overkomt, zeggen zij: Dit is van u, o
Mahomet [370]! Zeg hun: Alles komt van God; en wat ontbreekt dit volk,
dat zij zoo ver verwijderd zijn van hetgeen hun werd gezegd? 81. Wat
goeds u ook overkome, het komt van God. Het kwaad komt van u zelven
[371]. Wij hebben een gezant onder de menschen gezonden. Gods
getuigenis is toereikend. 82. Hij, die den gezant gehoorzaamt,
gehoorzaamt God. Wij hebben u niet gezonden, om eene beschermer voor
hen te zijn, die zich van u afwenden. 83. Zij zeggen: Wij gehoorzamen,
maar als gij van hen vertrokken zijt, dan bepeinst een deel hunner,
gedurende den nacht zaken, die tegen datgene strijden, wat gij
zeidet. Maar God zal opschrijven wat zij des nachts overdenken. Laat
hen daarom alleen en vertrouw op God; want Gods bescherming is steeds
toereikend. 84. Onderzoeken zij den Koran niet nauwkeurig? Indien
die van iemand anders dan God afkomstig was, zouden zij daarin
niet menige tegenstrijdigheid gevonden hebben? 85. Indien zij een
bericht ontvangen, waardoor hun zekerheid of vrees wordt ingeboezemd,
verspreiden zij dat onmiddellijk; maar indien zij het den gezant en
hunne opperhoofden vertelden, zouden zij, die waarheid begeerden,
haar uit den mond van deze laatsten hooren. Indien Gods genade en
zijne barmhartigheid niet over u waakten, zoudt gij, eenigen van u
uitgezonderd [372], satan volgen. 86. Strijdt daarom voor Gods zaak,
en legt niemand iets moeielijks op, behalve u zelven; spoort echter
de godvruchtigen tot den strijd aan, misschien wil God den moed der
ongeloovigen verkleinen; want God is sterker dan zij, en meer in staat
te straffen. 87. Hij, die tusschen menschen treedt met een loffelijk
doel, zal een gedeelte daarvan genieten, en hij die met een slecht
doel daartusschen treedt, zal een deel daarvan genieten. God overziet
alles. 88. Indien gij gegroet wordt, groet dan nog vriendelijker,
of beantwoordt het op dezelfde wijze. God rekent alles. 89. God! Er
is geen God buiten hem; hij zal u zeker op den dag der opstanding
verzamelen; daaraan is geen twijfel; en waar is meer waarheid, dan
in hetgeen God zegt? 90. Weshalve zijt gij omtrent de goddeloozen
[373] in twee deelen gesplitst? Dewijl God hen heeft verstooten om
hetgeen zij hebben bedreven? Wilt gij hen geleiden, dien God heeft
doen verdwalen? Gij zult geen weg vinden voor hem, dien God doet
dwalen. 91. Zij willen u ongetrouw maken, zooals zij ongetrouwen
zijn, en dat gij gelijk zij zult wezen. Kiest daarom geene vrienden
onder hen, totdat zij hunne woonplaats voor Gods zaak zullen hebben
verlaten. Indien zij het geloof den rug toewenden, grijpt en doodt hen,
waar gij hen mocht vinden, en kiest geen vriend of beschermer onder
hen. 92. Uitgezonderd zij, die eene schuilplaats bij uwe bondgenooten
mochten zoeken, of zij, die tot u komen, en die hun hart verbiedt, om
Úf tegen u, Úf tegen hun eigen volk te strijden [374]. Indien het God
behaagd had, zou hij hun hebben veroorloofd tegen u gestemd te zijn,
en zij zouden tegen u gestreden hebben. Maar indien zij aftrekken
van u en niet tegen u strijden, en u den vrede aanbieden, verbiedt
God u, hen aan te tasten of te dooden. 93. Gij zult anderen vinden,
die begeerig zullen zijn, uw vertrouwen te winnen, en op denzelfden
tijd het vertrouwen van hun eigen volk te bewaren. Telkenmale dat zij
tot de wanorde terugkeeren, zullen zij verjaagd worden; en indien zij
niet van u aftrekken, en den vrede niet aanbieden en niet ophouden u
te bestrijden, zult gij hen aangrijpen en hen overal dooden, waar gij
hen mocht vinden. Over hen geven wij u eene volstrekte macht. 94. Het
is verboden, dat een geloovige eenen geloovige doode, tenzij het bij
ongeluk plaats hebbe [375]. Hij, die een geloovige bij ongeluk doodt,
zal daarvoor een geloovige uit de slavernij moeten verlossen en de
familie den bloedprijs betalen [376], tenzij de familie dien als
aalmoezen uitreike; en indien de verslagene tot eene u vijandige
natie behoort en een waar geloovige is, zult gij een geloovige moeten
bevrijden [377], maar indien hij van een met u verbonden volk is,
zult gij een bloedprijs aan zijne familie betalen en een geloovige
bevrijden. En hij, die geen slaaf vindt, zal twee achtereenvolgende
maanden vasten als eene boete door God opgelegd. God is alwetend en
wijs. 95. Maar hij, die een geloovige opzettelijk doodt, zal met de
hel gestraft worden; eeuwig zal hij daarin verblijven [378], en God
zal toornig tegen hem zijn; hij zal hem vervloeken en eene groote
straf voor hem bereiden. 96. O geloovigen! indien gij oprukt om den
waren godsdienst te verdedigen, onderricht u met nauwkeurigheid,
en zegt niet tot hem, die u groet, gij zijt geen waar geloovige, uit
begeerte naar toevallige bezittingen dezer wereld [379]. God is zeer
rijk. Zoo gedroegt gij u vroeger, maar God was genadig omtrent u;
onderricht u dus nauwkeurig; want God is wel bekend met hetgeen gij
doet. 97. De geloovigen, die te huis zullen blijven zonder gekwetst
te zijn, en zij, die hunnen bezittingen en hunne personen voor Gods
zaak gebruiken zullen niet gelijk gesteld worden. God heeft hun,
die hunne bezittingen en hunne personen voor dat geval gebruiken,
een meer verheven rang gegeven boven hen, die te huis blijven. God
heeft inderdaad ieder het paradijs beloofd, maar God heeft hun de
voorkeur gegeven die strijden, boven hen die te huis blijven. 98. Meer
verheven rangen nabij hem, barmhartigheid en genade. Waarlijk God is
vergevingsgezind en genadig. 99. Daarenboven hebben de engelen tot
hen gezegd, welken zij het leven benamen, omdat zij hunne eigene
zielen hadden verdoemd: Wie waart gij? Zij antwoordden: Wij waren
de zwakken der aarde [380]. De engelen hernamen: Was Gods aarde niet
groot genoeg, dat gij daar geene schuilplaats vondt [381]. Daarom zal
de hel hunne woning wezen. Welk een slecht verblijf zal het hunne
zijn. 100. Uitgenomen de zwakken onder de menschen, de vrouwen en
kinderen; zij, die niet in staat zouden zijn eene list uit te denken,
en niet op den weg werden geleid, dezen zal God misschien vergeven;
want God is vergevingsgezind en genadig. 101. Hij, die zijn land
verlaat voor de zaak van het ware geloof Gods, zal op aarde een
aantal personen vinden, die gedwongen zullen zijn hetzelfde te doen
en overvloedige hulpbronnen bezitten. En hij, die zijn huis verlaat
en tot God en zijn gezant toevlucht neemt, zal, indien hem den dood op
dien weg overvalt [382], God verplicht zijn, te beloonen; want God is
genadig en barmhartig. 102. Indien gij in het land ten oorlog trekt,
zal het geene misdaad zijn, indien gij uwe gebeden nalaat, zoo gij
vreest, dat de ongeloovigen u mochten aantasten; want de ongeloovigen
zijn uwe openlijke vijanden. 103. Maar wanneer gij, o Mahomet! onder
hen mocht zijn en met hen mocht bidden, laat een deel hunner het
gebed met u verrichten, en laat hen hunne wapens nemen; en als zij
aangebeden [383] zullen hebben, laten zij achter u staan en laat
een ander gedeelte komen, dat niet gebeden heeft, en laat hen met u
bidden; en laat hen voorzichtig wezen en gewapend zijn. De ongeloovigen
zouden willen, dat gij uwe wapenen en uwe goederen zoudt achterlaten,
opdat zij u eenklaps zouden kunnen aanvallen. Het zal geene misdaad
zijn, indien gij door regen wordt belet, of indien gij ziek zijt,
dat gij uwe wapens niet opvat, maar neem uwe voorzorgen. God heeft
de ongeloovigen eene schandelijke straf bereid. 104. En als gij het
gebed zult hebben geÎindigd, herdenkt God, hetzij staande, zittende of
op uwe zijde liggende. Maar indien gij in zekerheid zijt, volbrengt
uwe gebeden; want het gebed op de bepaalde uren is den godvruchtige
geboden. 105. Wees niet zorgeloos bij de vervolging van den vijand,
indien gij ook lijdt; want zij zullen lijden zooals gij lijdt, en
gij hoopt van God, wat zij niet kunnen hopen; en God is alwetend en
wijs. 106. Wij hebben u het boek met de waarheid gezonden, opdat gij
tusschen de menschen zoudt kunnen richten door dat, wat God u heeft
gegeven. Wees geen verdediger van den zondaar [384], maar vraag God
vergiffenis voor uwe kwade bedoelingen; want God is vergevingsgezind
en genadig. 107. Redetwist niet met hen, die elkander bedriegen;
want God bemint hem niet, die een bedrieger of onrechtvaardige is
[385]. 108. Zij kunnen zich aan de menschen onttrekken, maar aan God
kunnen zij zich niet onttrekken; want hij is hun nabij, als zij des
nachts iets spreken wat hem mishaagt [386], en God begrijpt wat zij
doen. 109. Ziet, gij zijt het, die in het tegenwoordige leven voor
hen gepleit hebt. Maar wie zal op den dag der opstanding met God
voor hen redetwisten, of wie zal hun schuts zijn? 110. Hij, die kwaad
bedrijft, of zijn eigen ziel verderft, en daarna van God vergiffenis
vraagt, zal Hem vergevingsgezind en barmhartig vinden. 111. Hij,
die eene zwakheid begaat, begaat die tegen zijne eigen ziel, God is
alwetend en wijs. 112. En hij, die eene zonde of een misstap doet,
en deze daarna op een onschuldige werpt, zal waarlijk de schuld van
laster en verklaarde onrechtvaardigheid op zich laden. 113. Indien de
vergevingsgezindheid en de genade van God niet met u waren geweest,
waarlijk een deel van hen zou getracht hebben u te verleiden [387];
maar zij zullen zich zelven alleen verleiden en u in het geheel
niet deren. God heeft u het boek en de wijsheid gezonden, en heeft
u geleerd wat gij niet wist [388]; want de gunst van God omtrent
u was groot. 114. Er is geen goeds in de menigte hunner bijzondere
gesprekken, behalve van hem, die het geven van aalmoezen aanbeveelt,
of wat rechtvaardig is, of tot vereeniging strekt der menschen. Hij,
die dit doet uit begeerte om God te behagen, waarlijk wij zullen hem
eene groote belooning geven. 115. Maar hem, die zich van den gezant
scheidt, nadat hem de ware richting is geopenbaard, en een anderen weg
dan dien der ware geloovigen volgt, zullen wij datgene doen bereiken,
waarheen hij zich wendt, en zullen hen veroordeelen om in het vuur
der hel te worden verbrand: en dat zal hem een ongelukkig verblijf
zijn. 116. Waarlijk, God zal hem niet vergeven, die een ander naast
hem plaatst, maar hij zal, buiten dat, alles vergeven wat hem behaagt;
en hij, die een ander naast God plaatst is misleid en op een grooten
verkeerden weg geraakt. 117. De ongeloovigen roepen naast hem slechts
vrouwelijke godheden aan [389], en zij roepen slechts den oproerigen
satan aan. 118. God vloekte hem, en hij zeide: ik maak mij van een
deel uwer dienaren meester [390]; ik zal hen verleiden, hun ijdele
begeerten ingeven en hen bevelen, en zij zullen de ooren van het
vee afsnijden [391], en ik zal hen beheerschen, en zij zullen Gods
schepping veranderen [392]. Maar hij, die satan als zijn schutspatroon
naast God kiest [393], zal zeker eindelijk verloren zijn. 119. Hij
doet hun beloften en geeft hun ijdele begeerten; maar satan doet
hun slechts bedriegelijke beloften. 120. Hunne verzamelplaats zal de
hel zijn; daartegen zullen zij geene schuilplaats vinden. 121. Maar
zij, die gelooven en goede werken doen, dezen zullen wij zeker in
tuinen brengen, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin
verblijven, overeenkomstig Gods ware belofte; en wat is meer waar
dan hetgeen God zegt? 122. Het zal niet overeenkomstig uwe begeerten
zijn, en niet overeenkomstig de begeerten van hen, die de schriften
hebben ontvangen. Hij, die kwaad bedrijft, zal daarvoor in gelijke
mate worden beloond, en zal geenerlei beschermer of helper naast God
vinden. 123. Maar hij, die goede werken doet, hetzij een man of vrouw,
en een waar geloovige is, zal in het paradijs worden toegelaten,
en zal niet het minst worden benadeeld. 124. Wie is beter in den
godsdienst dan hij, die zich aan God overgeeft en goed doet, en de wet
van Abraham den Vrome volgt? naardien God Abraham tot zijnen vriend
heeft genomen. 125. Aan God behoort alles wat in den hemel en op
de aarde is. God omvat alles. 126. Zij zullen u raadplegen omtrent
alles. Antwoord: God heeft u daaromtrent onderricht; en wat u is
gelezen in het boek nopens vrouwelijke weezen, die gij niet geeft
wat u is bevolen, en die gij nooit wilt huwen [394]; nopens zwakke
kinderen, en dat gij rechtvaardig tegenover weezen moet handelen:
wat gij ook goed doet, God weet het. 127. Indien eene vrouw misbruik
of tegenzin van haren echtgenoot vreest, zal het geene misdaad zijn,
indien zij de zaak in der minne wil schikken [395]; want verzoening is
beter. De zielen der menschen zijn van nature tot gierigheid geneigd,
maar indien gij weldadig zijt en God vreest, is God wel bekend met
hetgeen gij doet. 128. Gij kunt nimmer gelijkelijk omtrent uwe vrouwen
handelen; tracht het echter; wend u daarom niet met tegenzin van uwe
vrouw af [396], noch verlaat haar als eene die geschorst is [397],
maar indien gij haar tevreden stelt en vreest haar te misbruiken,
zal God genadig en barmhartig zijn. 129. Maar indien gij van elkander
scheidt, zal God u beiden uit zijnen overvloed voldoen [398]; want
God is almachtig en wijs. 130. Gode behoort wat in den hemel en op
aarde is. Wij hebben hun, die de schriften vÛÛr u hebben ontvangen,
even als u zelven reeds geboden, zeggende: Vreest God, en weest niet
ongeloovig; want weet dat Gode alles behoort wat in den hemel en
op aarde is, en God is almachtig en zelf genoegzaam. 131. Want Gode
behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is een helper, die
machtig genoeg is [399]. 132. O menschen! indien het hem behaagt,
neemt hij u weg en brengt anderen voort; Want God is in staat
dit te doen. 133. Hij, die een belooning van deze wereld begeert,
waarlijk, de belooning van deze wereld is bij God evenals die van de
toekomstige. God hoort en ziet alles. 134. O ware geloovigen! neemt
de rechtvaardigheid in acht wanneer gij getuigenis voor God aflegt;
zij het ook tegen u zelven, of uwe ouders, of betrekkingen, hetzij die
arm of rijk mochten wezen; want God is meer waard dan zij beiden, volgt
daarom niet uw eigen hartstocht, zoodat gij afwijkt. En indien gij
weigert of u onttrekt, God is wel bekend met hetgeen gij doet. 135. O
ware geloovigen! gelooft aan God en zijn gezant, en het boek dat hij
door zijn gezant heeft nedergezonden, en het boek dat hij vroeger
nederzond. En hij die niet in God gelooft, en zijne engelen, en zijne
geschriften; en zijne gezanten, en den jongsten dag, doolt zeker op
een breeden dwaalweg. 136. Daarenboven zal God hun die geloofden,
en daarna ongeloovig werden, en dan weder geloofden, en daarna niet
geloofden en in ongeloovigheid toenamen, op geenerlei wijze vergeven,
noch hen op den rechten weg leiden. 137. Zeg den goddeloozen, dat zij
eene pijnlijke straf zullen ondergaan. 138. Zij die de ongeloovigen tot
hunne beschermers nemen, veeleer dan de geloovigen, is dat om kracht
bij hen te zoeken? naardien toch Gode alle kracht behoort. 139. En
hij heeft u reeds in het boek geopenbaard [400]: Als gij de teekens
van God zult hooren, zal men die niet gelooven, maar zullen zij met
verachting bespot worden. Zit daarom niet neder met hen die niet
gelooven, tot zij een ander gesprek aanvangen; anders zult gij hun
gelijk worden. God zal de goddeloozen en de ongeloovigen zeker te zamen
in de hel vereenigen. 140. Zij, die wachten om te zien wat u overkomt,
of God u de overwinning schenkt, zeggen: zijn wij niet met u? [401]
Maar indien den ongeloovige eenig voordeel te beurt valt, zeggen zij:
Waren wij niet boven u geplaatst, en hebben wij u niet tegen de
geloovigen verdedigd. God zal onder u richten op den dag der
opstanding, en God zal de ongeloovigen niet boven de geloovigen
beloonen. 141. De veinsaards handelen bedriegelijk met God, maar
hij zal hen bedriegen; en als zij opstaan om te bidden, staan zij
zorgeloos; zij doen het om door de menschen gezien te worden, en denken
slechts een weinig aan God [402]. 142. Drijvende tusschen het eene en
het andere, en noch tot dezen noch tot genen behoorende [403]; en hij
die door God afgeleid zal zijn, zal den waren weg niet vinden. 143. O
ware geloovigen! neemt de ongeloovigen niet tot uwe beschermers, in
plaats der geloovigen. Wilt gij God eene onwraakbare getuigenis tegen
u geven? 144. De huichelaars zullen op den laagsten grond van het vuur
zijn, en gij zult niemand vinden om hen te helpen. 145. Maar zij,
die berouw gevoelen en zich bekeeren, en zich vast aan God gehecht
hebben, en de oprechtheid van hun geloof aan God zullen bewijzen,
zullen onder de geloovigen geteld worden, en God zal den geloovigen
zekerlijk eene groote belooning toekennen. 146. En waarom zou God u
eene straf opleggen, indien gij dankbaar zijt en gelooft? want God
is genadig en wijs. 147. God bemint hem niet, die kwaad spreekt in
het openbaar, tenzij hij, die gelasterd wordt om hulp roept; en God
hoort en weet alles. 148. Hetzij gij het goede uitbazuint of het
verbergt, hetzij gij het kwade vergeeft; waarlijk God is genadig
en machtig. 149. Zij, die niet in God gelooven en zijne gezanten,
en een onderscheid maken tusschen God en zijne gezanten, en zeggen:
Wij gelooven in sommigen der profeten en verwerpen anderen van
hen, en willen zoo doende een middenweg zoeken. 150. Dit zijn ware
ongeloovigen; en wij hebben de ongeloovigen eene schandelijke straf
bereid. 151. Maar zij, die in God en zijne gezanten gelooven, en geen
onderscheid tusschen hen maken, hun zullen wij hunne belooning geven;
God is genadig en barmhartig. 152. Zij, die de schriften hebben
ontvangen, zullen u vragen, dat gij hun een boek uit den hemel
zult doen nederdalen: zij vroegen te voren aan Mozes een grooter
iets dan dit; want zij zeiden: Doe ons God op zichtbare wijze zien
[404], maar een vuurwind van den hemel verwoestte hen, om hunne
boosheid. Daarop namen zij het kalf om het te aanbidden [405], nadat
er duidelijke bewijzen onder hen waren gekomen. Maar wij vergaven
hun dat, en schonken Mozes duidelijke kracht om hen te straffen
[406]. 153. En wij verhieven den berg (SinaÔ) boven hen [407] als
een pand van ons verbond, en zeiden tot hen: Ga deze poort biddende
binnen [408]. Wij zeiden hun ook: Schendt den Sabbath niet. En wij
ontvingen eene stellige verbintenis van hen. 154. Maar omdat [409]
zij hun verbond hebben geschonden, en niet in Gods teekenen geloofd,
de profeten onrechtvaardig gedood, en gezegd hebben: Onze harten
zijn onbesneden, heeft God die dichtgezegeld, wegens hun ongeloof,
daarom zullen zij niet gelooven, behalve eenigen van hen. 155. En
omdat zij niet in Jezus geloofden, en eene ernstige lastering omtrent
Maria hebben uitgedacht [410]. 156. En gezegd hebben: Waarlijk wij
hebben Christus Jezus, den zoon van Maria, den gezant van God gedood;
doch zij sloegen hem niet dood en kruisigden hem niet, maar iemand,
die hem geleek, werd in zijne plaats gesteld [411], en waarlijk zij,
die nopens hem twistten [412], verkeerden in eene dwaling, en hadden
geene bepaalde kennis daarvan, maar volgden slechts eene meening. Zij
doodden hem niet werkelijk; God heeft hem tot zich opgenomen, en God
is machtig en wijs. 157. En er zal geen enkele onder hen zijn, die de
schriften hebben ontvangen, welke niet in hem zal gelooven, vÛÛr zijn
dood [413], en op den dag der opstanding zal hij een getuige tegen hen
zijn [414]. 158. Wegens de boosheid van hen, die Joodschgezind zijn,
hebben wij hun goede dingen verboden, die hun vroeger veroorloofd
waren. 159. En omdat zij menigeen van Gods weg uitsluiten en woeker
hebben gedreven, wat hun verboden was, en de goederen van anderen
ijdel hebben verteerd [415], hebben wij voor velen hunner, daar zij
ongeloovigen zijn, eene pijnlijke straf bereid. 160. Maar degene onder
hen, die met grondige kennis zijn uitgerust [416], en de geloovigen,
die gelooven in hetgeen hun door u werd nedergezonden, en dus wat hun
vÛÛr u werd nedergezonden, en die de bepaalde tijden in acht nemen
en aalmoezen geven, en in God en den oordeelsdag gelooven, dezen
zullen wij eene groote belooning geven. 161. Waarlijk wij hebben u
geopenbaard, zooals wij Noach openbaarden en de profeten, die hem
opvolgden; zooals wij aan Abraham openbaarden, en IsmaÎl, en Izaak
en Jacob en de stammen, en aan Jezus, aan Job, aan Jonas, aan A‰ron,
aan Salomo; en wij gaven de psalmen aan David. 162. Wij zonden u
apostelen, waarvan wij u te voren spraken, en andere gezanten, welke
wij u niet bekend maakten, en God sprak met Mozes. 163. Wij zonden
gezanten, om u goede tijdingen te brengen en u te waarschuwen, opdat de
menschen geene verontschuldiging tegenover God zouden kunnen aanvoeren,
nadat de gezanten waren gekomen. God is machtig en wijs. 164. God is
getuige van de openbaring, die u is nedergezonden; hij zond die met
zijne bijzondere kennis: de engelen zijn medegetuigen; maar God is
een toereikende getuige. 165. Zij, die niet gelooven en anderen van
Gods weg afvoeren, zijn op den verwijderden weg verdwaald. 166. Zij,
die niet gelooven en onrechtvaardig handelen, hun zal God op geenerlei
wijze vergeven; nimmer zal hij hun den rechten weg toonen. 167. Of
het moest den weg der hel zijn, waarin zij eeuwig zullen verblijven,
en dat is gemakkelijk voor God. 168. O menschen! thans is de apostel
onder u gekomen met waarheid van uwen Heer; gelooft dus; het is
beter voor u. Maar indien gij niet gelooft; alles, wat in den hemel
en op aarde is behoort Gode; en God is alwetend en wijs. 169. O
gij! die de schriften hebt ontvangen, overschrijdt de juiste grenzen
van uwen godsdienst niet [417]; zegt nimmer iets anders van God
dan de waarheid. Waarlijk, Christus Jezus, de zoon van Maria,
is Gods apostel, en zijn woord, dat hij in Maria overbracht, en
een geest van hem. Gelooft dus in God en zijne gezanten, en zegt
niet; Er zijn drie goden [418]: doet dit niet; het zal beter voor
u zijn. God is slechts ÈÈn God. Het is verre van hem, dat hij een
zoon heeft! Hem behoort wat in den hemel en op aarde is, en God is
een voldoende beschermer [419]. 170. Christus versmaadt niet trotsch,
Gods dienaar te zijn, noch de engelen, die hem naderen. 171. En hij,
die zijnen dienst versmaadt en die door hoovaardij is vervuld, God
zal hen allen voor zich verzamelen. 172. Hen, die gelooven en doen wat
goed is, zal hij hunne belooning geven, en zal die met zijne mildheid
vermeerderen, maar hen, die versmaden en trotsch zijn, zal hij gestreng
straffen. 173. Zij zullen niemand naast God vinden, die hen kan helpen
of ondersteunen. 174. O, menschen! thans is een duidelijk bewijs van
uwen Heer tot u gekomen, en wij hebben een blijkbaar licht [420] tot u
gezonden. Hen, die in God gelooven en zich streng aan hem vasthouden,
zal hij in zijne genade en overvloed leiden, en hij zal hen langs den
rechten weg tot zich voeren [421]. 175. Zij zullen u ondervragen. Zeg
hun, God geeft u deze bepalingen nopens de meer verwijderde graden
van bloedverwantschap. Indien een man zonder kroost sterft en hij
eene zuster heeft, dan zal zij de helft hebben van hetgeen hij zal
nalaten [422], en hij zal van haar erven [423], bijaldien zij geen
kroost heeft. Maar indien er twee zusters zijn, zullen zij twee derden
hebben van hetgeen hij zal hebben nagelaten, en indien er broeders en
zusters zijn, zal de man zooveel hebben als het deel van twee vrouwen,
God verklaart u dit, opdat gij niet zoudt dwalen; en God is alwetend.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE TAFEL [424].
Gegeven te Medina--120 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.